Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

„In de schaduw des Almachtigen.”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

„In de schaduw des Almachtigen.”

10 minuten leestijd

Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen. Psalm 91 : I.

Alle creatuur is uit de gedachte Gods; vandaar dat omgekeerd al het geschapene aan het Goddelijke ten zinbeeld kan dienen.

Niet in ons zou het opkomen in het gevleugeld gedierte een zinbeeldige uitdrukking van het Goddelijke leven te begroeten; maar de Schrift doet het, de Schrift gaat er ons in voor, en nu, door de Schrift aan die beeldspraak gewend, erkent elk vroom gemoed, zonder aarzelen, hoe ons die beeldspraak verwarmt en verrijkt.

In wat Jezus van Jerusalem sprak, komt dit onder ieders bereik. De klokhen met haar kiekens is een beeld van Goddelijk ontfermen, dat door zijn schoonheid en teederheid zelfs den buitenstander roert. „Jerusalem, Jerusalem, hoe dikwijls heb ik uwe kinderkens willen bijeenvergaderen, gelijk een hen haar kiekens bij een vergadert onder haar vleugelen, maar gij hebt niet gewild."

Toch heeft dat woord van Jezus veel dieper zin, dan de buitenstander die het looft, waant, o, Gewisselijk, het spreekt van bescherming en ontferming, want dat is hier het doel derbijeenvergadering; maar toch er schuilt veel meer in. Er ligt ook in, dat de kiekens bij de moederhen hooren; dat ze door moedwil zich te ver verstrooid hebben; en dat ze door niets anders dan door terug te keeren, tegen gevaar van guurheid en omsluipend ongedierte veilig kunnen zijn. Ja, ook dit ligt in dat treffende beeld, dat aan de kiekens van nature dicht, vlak bij de moederhen een schuilplaats is aangewezen, en dat eerst in de onmiddellijke nabijheid van het moederleven, onder de gespreide vleugelen die hen omvatten en omvangen zullen, levenswarmte en levensbeveiliging voor hen te vinden is.

Zoo was dat aangrijpend zeggen van Jezus geheel uit de oud-Testamentische beeldspraak genomen, en werd omgekeerd die beeldspraak er door verduidelijkt.

Als het dan ook in Psalm 91 heet: „Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, zal vernachten in de schaduw des Almachtigen, " hebben we geheel met dezelfde zinbeeldige voorstelling te doen.

Het is de saamtrekking van wat de Psalmist elders aldus uitdrukt: „In de schaduw uwe vleugelen zal ik betrouwen."

En het is wederom diezelfde grondgedachte, die ook in de vleugelen der cherubs over den verzoendeksel tot uitdrukking kwam.

Altoos dat ééne, dat het God zelf was die schiep een vogel haar jongskens onder haar vleugelen saamlokkend en met die vleugelen ze dekkend en koesterend; en nu ons dit rijke beeld voorgehouden, opdat onze ziel onder de schaduw |des Almachtigen zou vluchten en zou schuilen onder de verborgenheid zijner vleugelen.

Niet aan wat wemelt in de wateren wordt zulk een beeldspraak ontleend. Veel min nog aan wat kruipt en sluipt langs den bodem der aarde. En ook bijna niet aan het viervoetige gedierte. Het is in hoofdzaak alleen het gevleugeld gedierte, dat boven de aarde zich verheffen kan, en als ware het tusschen ons en de hemele in leeft, dat ons dit zinbeeld afgeeft.

De engelen om Gods troon worden met vleugels als Serafs, afgebeeld. Bij de neder^aling van den Heiligen Geest op den Zoon des menschen wordt van een nederdalende duive gewaagd. Of ook wij vleugelen hebben mochten om op te varen, is de stille bede van de aan het stof gebonden ziel. En zoo is het conform de scheppingsorde, zoo beantwoordt het aan den van God verordenden stand der dingen, en zoo spreekt het ons als iets geheel natuurlijks toe, dat om het teederste en het innigste van het wezen der vroomheid uit te drukken, het gevleugeld creatuur ons ten zinbeeld wordt voor gehouden en dat de stoutste beeldspraak dienst doet, om ons het „dicht nabij God te zijn" als voor onze oogen zichtbaar en voor ons zingevoel voelbaar te teekenen.

Te ver mag zulke zinbeeldige taal niet worden getrokken. Tegen het gevaar van alle innige mystiek, om het heilige onzes Gods stoffelijk op te vatten, moet ons hart steeds op zijn hoede zijn God is een geest, en alle poging om anders dan zuiver geestelijk met onzen God contact, gemeenschap en aanraking te zoeken, straft zichzelf.

Dit voeit óf tot afgoderij, dat men zijn God zich in een stoffelijk beeld boetseert uit steen of edel metaal; óf wel het doet u wegzinken in de pantheïstische modder, geest met stof dooreenmengend, en tenslotte in vleeschelijke uitspatting wat geestelijk begon, eerst bezoedelend en dan versmorend.

Maar hoe broodnoodig het uit dien hoofde ook zij, om de gemeenschap met uw God zuiver geestelijk te houden, geestelijk mag daarom niet met onwezenlijk verward; en juist dat is het, helais, waarin zoo menige ziel vervalt en waardoor ze verdort.

We zien dan aan wat voor oogen is, de natuur om ons heen, den blauwen hemel boven ons, ons eigen lichaam met onze eigen zintuigen, en dat alles is dan het wezenlijke, dat heeft vorm, lichaam en stof, dat is het grijpbart^. en het werkelijk bestaande. En afgescheiden en onderscheiden daarvan is dan wat we denken, wat we ons voorstellen, wat in onzen geeat wordt uitgewerkt, en dat is dan het af getiokkene, onze gedachtenwereld, een wereld zonder wezenlijkheid, en het middenpunt van die onwezenlijke wereld is dan onze God. Een God die alleen in onze gedachten, in onzen geest, in ons begrip bestaat, en met Wien we ook alleen door ons denken gemeenschap hebben kunnen.

Dan kent men geen mystiek van het gemoed. Dan is er geen saamvoegen van ons hart tot de vreeze van Gods Naam. Dan is er geen ervaren van Gods verborgen omgang. Dan bestaat God wezenlijk en buiten onze gedachten voor ons niet. En van een nabij God te zijn en te verkeeren in zijn tente is voor de zelfgenoegzame ziel dan geen sprake.

Tegen dat gevaar nu protesteert in de Hei lige Schrift alle dieper gemoedsleven, met name het zielsleven van psalmisten en profeten. Aldus hebben zij hun God niet bevonden. Hun God is bevonden een wezenlijk, een levend God te zijn, die tot hen nadert, die hen ondervangt met de armen zijner eeuwige ontfermingen, een God wiens heiligen gloed ze als een vuur in het merg hunner beenderen hebben voelen gloeien, ja, een God bij wien ze vrede, rust en zielsverwarming hebben gevonden, als ze voelden hoe ze schuilden in het verborgene zijner vleugelen en vernachten mochten in de schaduw des Almachtigen.

Ontleden kunt ge dit overzalig besef niet. Ge moet het gewaar worden. Ge moet het genieten. Het hebbend, moet ge er tegen waken, dat het u niet weer ontglipt noch gestoord wordt. Maar het ontleden, het uitleggen, het verklaren kunt ge niet. Dat ware de wigge van uw critisch oordeel er in schuiven, en daarmee den gloed doen verkouden waardoor ge gekoesterd werdt.

De weg er toe is, uw zelfgenoegzaamheid valsch bevinden. Die hooge zelfgenoegzaamheid is de kanker, die aan alle religie knaagt. Ze is de inbeelding van een kleine, nietige wereld, waarvan ons kleine ik de groote persoon is, wiens denken het al begrijpt, wiens wil het alles beschikt, wiens geld het alles beheerscht en wiens kracht het alles doorzet. Zoo wordt uw ik zelf een kleine god in een kleinen tempel, en dan natuurlijk zijt ge in uw zondig isolement doodelijk-koud afgevroren van den levenden God en is alle vernachten onder de schaduw van Gods vleugelen onmogelijk.

En mocht ge in waarheid getuigen, zoo is het met mij niet, eer voel ik mij hulpbehoeftig, krachteloos en verlaten, welnu, dan is de weg tot de gemeenschap met uw God voor u daarin gelegen, dat ge het zondig steunen op andere menschen afleert. Niet alle steunen op uw medemensch. Verre van dien. Anderer geloof steunt uw geloof Anderer moed bezweert uw lafheid. Anderer voorbeeld kan uw kracht verdubbelen. We zijn op saamgelooven en saamleven met andere menschen aangelegd. Maar wat ge te boven moet komen, is het zondig steunen op andere menschen, en zondig is elk steunen, dat in den ander iets anders ziet dan een instrument ons door God ter onzer hulpe besteld, en voor zoolang Hij het ons laat. Nooit mag het zijn een steunen op den mensch zoolang het slechts even kan, om eerst als alle mensch ons begeeft, bij onzen God hulpe te zoeken. Van God moet onze hulpe altoos zijn, 'tzij de kracht tot redding uit ons zelven op komt, 'tzij ze ons van anderen gewordt. En dat zóó, dat waar ten slotte alle mensch ons ontzinkt, we nog niets, niets hoegenaamd verloren hebben, omdat onze God de Onveranderlijke is en onveranderlijk dezelfde blijft.

En in deze uwe geloofsrust zult ge staan, mils ge er rusteloos op uit zijt, om met taken wortel den twijfel uit te roeien, die u moedeloos vragen doet, of er wel steun en hulp, of er wel uitkomst en redding voor u is. Dien twijfel ook slechts even toegelaten, ook slechts een oogenblik gevoed, ontzenuwt en ontnuchtert u geheel en al. Ge zijt dan als het kieken, dat in angst rondwaart, en nergens de moederhen meer ontwaart, en nu hulpeloos her-en derwaarts vliegt en strompelt, tot het ondier het merkt en het verloren dierken wegsleept. Dan is uw gevoel van hooge zekerheid weg, weg uw beset van levensroeping, weg uw geloof dat uw God u tot hiertoe geleid heeft en u verder zal leiden. Dan zinkt uw kracht in. De profetie in uw hart verstomt.

En ten slotte is dan door uw wanhoop uw gemeenschap met satan inniger geworden dan uw verborgen omgang met uw God.

Let er op, de Psalmist roemt niet maar van een rusten in de schaduw van zijn God, maar van een schuilen in de schaduw des Almchtigen.

Dat moet er bij.

Vergeleken bij het weerloos kieken is de moederhen, die zelfs het ondier, om haar jong te redden, aanvliegt en verjaagt, beeld van een macht, die ons hier de Almachtigheid des Heeren gedenken doet.

Anders geeft uw rusten aan het Vaderhart van uw God u niets. Wie onder de schaduw van Gods vleugelen rust, maar niet betrouwt, maakt zijn God te schande. Of wat anders is dit, dan de vreeze koesteren, dat een ander, machtiger dan uw God, u aan de hoede van uw God zou kunnen ontrukken?

Ongeloof nu, als ge van uw God verre zijt, is nog te verzoenen, doordien ge tot Hem vlucht, maar ongeloof in het hart aangehouden ook als ge tot Hem gevlucht zijt, is een doodelijk kwaad, dat de Uefde schendt die uw God bij u zoekt.

En daarom die zalige vrede, die heilige ruste, dat stil en kinderlijk vertrouwen, dat Gods uitverkorenen zelfs in het bangste gevaar bij hun God genoten hebben, is niet de vrucht van redeneering, is niet de vrucht van uitredding, maar eeniglijk en alleen de zoete vrucht van het toevlucht nemen tot de schuilplaats des Allerhoogsten, van het nauw verkeeren bij den Almachtige, van het kennen en genieten van het dicht nabij God te zijn.

Beeld u dan ook niet in, dat ge, dusver van die gemeenschap met uw God vervreemd, als er gevaar komt, en het onweder zich boven u saampakt, en alle menschenhulp u begeeft, nu plotseling uw schuilplaats in de schaduw des Almachtigen zoudt kunnen vinden.

Dat is in de ure van angst en verslagenheid door de tijdgeloovigen wel beproefd, maar ze zijn er nimmer in geslaagd.

De weg is hier juist omgekeerd.

Niet in de ure van nood vindt men, om gered te worden, Gods verborgen omgang, maar wie in stiller dagen Gods verborgen omgang gevonden had, die kende de vleugelen waaronder redding zou zijn te vinden, en die heeft, toen zijn ziel belaagd werd, rust en veiligheid onder de vleugelen van zijn God gevonden.

Er is niet een klokhen zonder kiekens, die de vleugelen uitbreidt voor wie bij haar schuilen wil, maar het zijn haar eigen kiekens, die ze zelve uitgebroed heeft, die ze kent, en voor wie ze haar leven wil wagen, die hulpe en bescherming bij haar vinden.

En zoo ook is het met deze schaduw onder de vleugelen des Almachtigen. Het zijn de zijnen die Hij roept en opwacht; het zijn zijn ^^• kenden die Hij dekken wil met zijn eeuwige liefde.

Wie onder de vleugelen van zijn God thuis is, die zal in de ure des gevaars in de schaduw des Almachtigen vernachten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 januari 1903

De Heraut | 4 Pagina's

„In de schaduw des Almachtigen.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 januari 1903

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken