Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

„Een doornenkroon”.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

„Een doornenkroon”.

8 minuten leestijd

[GOEDE VRIJDAG.]

En de krijgsknechten, eene kroon van doornen gevlochten hebbende, zetten die op zijn hoofd, en wierpen hem een purperen kleed om. Joh. XIX : 2.

Gij kent de jubelende profetie uit den rijtnpsalm : „ Want eeuwig bloeit de gloriekroon op hoofd van Davids grooten zoon." Die kroon is nóg zijns, al siert geen schitterend diadeenv zijn slapen. Niet de tastbare, in zijn elementen kostbare kroon van diamant, die uit de goudsmidse van den juwelier komt, is hier het wezenlijke. Het wezenlijke is de macht, de vorstelijke eere, de heerlijkheid die Messias toekomt, en van die macht, van die eere is die kroon het glinsterend symbool.

En omdat die kroon van diamant symbool van glorie was, daarom kon in haar nabootsing de doornenkroon zinbeeld van smaad zijn. En het is die smaad der bespotting, dien de soldaten van den keizer van Rome in het rechthuis te Jerusalem aan den Christus hebben aangedaan.

Ge verstaat dit tafereel niet, zoo ge door Guido Reni's Ecce homo misleid, naar den trant der Hernhutters in het „o, Haupt voll Blut und Wunden" hier het eenige, het eigenlijke zoekt.

Vermoedelijk hebben de doornen het heilig hoofd óók geschrampt en gewond. Dat enkele droppelen bloed afleekten, is niet onwaarschijnlijk. Maar ge vergist u, zoo ge in het toebrengen van die wonden den eigenlijken toeleg, het eenige opzet zoekt.

Door het zóó te vatten, verkleint ge dit stuk van het lijden van den Man van smarte.

De veel boozer toeleg was, uw Heere en uw Koning te smaden, te bespotten, te grieven.

Niet de schrampwond voor den schedel, de veel diepere wonde in de ziel was doel. Krenking, hoon, terging van den weerlooze beoogden die tuv/aaids Jezus aan te doen. Ze wilden ten koste van de smart zijner ziel hun hart aan hem ophalen, joelend vermaak zoekend in zijn krenking. En als daarbij ook bloed van de si vpen leekte, was dit afleekend bloed slechts zinbeeld van wat men bloeden deed in zijn hart.

De kroon is eereteeken; het diadeem is zinbeeld van macht. Als allen om den Koning heen zich het hoofd ontblooten, blijft alleen het hoofd van den koning door de kroon gedekt, terwijl hij zelf de kroon alleen aflegt ais hij zich nederbuigt voor den Almachtige.

De kioon is in haar oorsprong niets dan deksel van het hoofd, en alleen daarin, dat de vorst alleen onder allen het hoofd niet ontbloot, spreekt zich de macht uit, die hem over die allen toekomt.

Dat dit vorstelijk hoofddeksel daarbij rijk getooid en met kostbaar gesteente gesierd is, spreekt vanzelf, maar is toch bijkomstig. Alleen heeft men daarin dat de kroon in stralen puntig opliep, zinbeeldig de uitstraling der macht voorgesteld. Dat men voor de spotkroon van uw Heiland juist een doorntak kransvormig ineenvlocht, had vermoedelijk dan ook geen ander doel, dan om in de grove opstekende doornen het puntig oploopen van de kroon na te bootsen. Stellig staken de doornen naar boven, niet naar beneden, en slechts de niet bedoelde aanwezigheid van kleine doornen ook aan het benedeneind heeft Jezus lichamelijk gewond.

De spot, de hoon zelf bedoelde heel iets anders.

De soldaten die zich hier aan Jezus vergrepen, waren soldaten die optrokken onder den adelaar van den keizer van Rome. Onweerstaanbaar machtsbesef doordrong hun borst. Voor de macht van hun zwaard was heel de toenmaals bekende wereld bezweken in drie werelddeelen. Hun keizer was daarbij de drager van de kroon als zinbeeld van macht.

In dat besef was de adelaar op Rome's veldteeken ook Sion binnengedragen. Ook over Davids troon had Rome's keizer getriomfeerd.

En toen nu die soldaten uit het verwarde rechtsgeding althans zooveel opvingen, dat deze Rabbi uit de Joden zich te Jerusalem als Koning had opgeworpen, klonk dit in hun ooren als een aanslag op hun soldatenmacht, op de macht van hun Keizer. En nu tegenover elkander stellend, daar vóór hen dien weerloozen Rabbi, en daartegenover de alles verpletterende macht van hun Keizer, voelden ze zich hierdoor zoó spottenderwijs gekrenkt, dat de macht van Rome op dien onzinnige moest gewroken worden. En daarom dosten ze Jezus uit als een spotkoning en wrongen hem de doornenkroon om het hoofd.

Natuurlijk verstonden ze Jezus niet, ze door zagen Jezus niet, ze konden hem niet begrijpen. Geen flauw besef rees in hen op van wat toch te gebeuren stond, dat namelijk de geestelijke macht en invloed, die door de apostelen van dien Rabbi op de volken zou uitgaan, het Keizerrijk van Rome op zijn grondvesten zou doen schudden, en straks ten val zou brengen.

Hun ontbrak alle geestelijk oog. Ze hadden van boven geboren moeten zijn, om in Jezus het Koninkrijk der hemelen ook maar te zien.

In hun oog was Jezus niets anders dan een waanzinnig Joodsch patriot, die, tegen hun Keizer in, het ondergegane koninkrijk der Joden poogde te herstellen. En die fanatieke patriot, zonder leger en zonder macht, maakte daaibij op hen zoo diep verachtelijken indruk, dat ze tegen hem alles voor geoorloofd hielden, vooral nu ze merkten dat het Joodsche volk zelf hem afviel en hem uitstiet als een verachtelijken, schuldigen dwaas.

Zoo konden ze zich alles veroorloven. Niets weerhield hen. Grap en pret, spot en hoon kon veilig worden botgevierd. Én zoo hebben die soldaten in Jielsch vermaak aan Jezus hun overmoed gekoeld, en heeft een enkele door met den rietstok op de kroon van doornen te slaan, allicht ook bedoeld hem lichamelijk pijn te doen.

Maar ook al kwam dat er bij, hoofdzaak was en bleef, Jezus in zijn gewaand koningschap te hoonen. Eén geest doordrong hen en Pontius Pilatus, hun stadhouder. Immers toen zij Jezus de doornenkroon opzetten, en hij boven het kruis schreef: de Koning der Joden, kwam éénzelfde geest in beide tot uiting: Het trotsche Keizerrijk van Rome dat zich laatdunkend in machtsbesef vergrimde tegen dien dwazen, Joodschen pretendent.

Doch juist hierin lag dan ook voor Jezus de wonde zijner ziel.

Hij, het eeuwige Woord, was vleesch gewor den, om de wereld te redden, te zaligen, te brengen onder Goddelijke heerschappij.

Op die wereld waren alle andere natiën afgedoold, en was er slechts één volk, waaronder hij kon wonen, met de mogelijkheid van erkenning dier heerschappij te vinden; en dit volk was het van God verkoren, van God geestelijk toebereide Israël.

En nu, in stede van onder dat volk althans die erkenning en die hulde te vinden, vindt hij in dat Jerusalem zelf de macht van Rome's Keizer binnengedrongen, voor die macht van Rome's Keizer heel Israël zich nederbuigend, en onder dat vernederde Israël gaat één moordgeroep op: „Met hem naar het kruis!"; en de kring der zijnen is gevlucht. Judas heeft hem verraden. Petrus hem driemaal verloochend. En nu, 't nu hij de wijnpersbak alleen treedt, en Israël roept: „Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen", nu wordt hij door den man die recht moest doen, door Pilatus, overgeleverd aan de ruwe macht dier ellendigen, en zij zijn het, die hem, en in hem zijn Vader, bespotten, en overgeven aan verachting en hoon.

Kon de tegenstelling snijdender, grievender, demonischer uitkomen ?

En toch bleef hij, en hij alleen, de Gezalfde Gods, en was er een Goddelijk lachen daarboven, dat ook nu herhaalde: „En toch heb Ik mijn Koning over Sion gezalfd, den berg mijner heiligheid!" en heeft ook onder die verschrikking het besef der komende overwinning uw Heiland geen oogenblik verlaten.

Aan hem, niet aan Rome's Keizer, was gegeven alle macht in hemel en op aarde. Voor hem was en bleef de kroon, die eeuwiglijk bloeien zou op den grooten Zoon uit Davids huis. Zijn Koninkrijk zou triomfeeren, hem zou eens alle tong belijden, en voor hem eens alle knie gebogen worden.

Maar juist in dit niet te schatten besef van heilige roeping werd die hoon, die bespotting door uw Jezus zoo diep gevoeld. Gevoeld om eigen krenking, gevoeld ook omdat de diepe verzonkenheid in zonde van de wereld, die hij redden zou, in niets zoo schreiend en zoo ontzettend kon uitkomen.

En dit nu lag in het zinbeeld van die doornenkroon zelf uitgedrukt.

Geen doornstruik schiep God in het Paradijs. De doorn en de distel waren uit den vloek. Ze waren door onze zonde in de schepping ingedragen.

Zoo was er tweeërlei. Het diamant, dat als voorsmaak van hemelsche glorie spaarzaam ook in deze wereld fonkelt. En daartegenover de doornstruik die door den vloek op deze aarde gekomen was.

En terwijl nu de nietige Vorsten der aarde zich tooiden met hun kroon van diamant, werd op het hoofd van den Koning van het Godsrijk een kroon van doornen gedrukt.

Zoo doet de wereld in de krankzinnigheid waartoe de zonde haar verlokt.

Maar God uit den hooge „lacht om dat gewoel der dwaze volken." En het eind is toch, dat aan den van God gezalfden Koning de eere verblijft.

Of ziet het oog uwer ziele het niet? Op het eigen oogenblik dat Rome's soldaten hem aldus hoonden, waren het de heirscharen van Gods zalige engelen die, zich het aangezicht dekkend, voor uw Koning in aanbidding nederbogen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 april 1903

De Heraut | 4 Pagina's

„Een doornenkroon”.

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 april 1903

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken