Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van ’s Heeren Ordinantiën.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van ’s Heeren Ordinantiën.

20 minuten leestijd

LXX.

DERDE REEKS.

’s Heeren ordinantiën In de natuur.

TWEEDE DEEL.

VI.

Opdat nu door de gemeente bekend gemaakt worde aan de Overheden en de Machten in den hemel de veelvuldige wijs heid Gods. Efeze 3 : 10.

Gelijk de planten-en dierenwereld bij alle verschil tusschen de individuen onderling, toch ook weer zekere overeenkomsten vertoont, waardoor groep tegenover groep en soort tegenover soort komt te staan, zoo zijn er, naar wat ons de Schrift openbaart, ook soorten en groepen, rangen en standen in de wereld der engelen.

Ook hier die rijke verscheidenheid bij alle eenheid, die de schoonheid van 'n v/ereld maakt.

Gabriel is een ander dan Michael, maar ook zijn Serafijnen andersoortige engelen dan Cherubijnen, en spreekt ons de Schrift bovendien van Tronen, Heerschappijen, Overheden en Machten.

Met deze gegevens der Schrift hebben wij te rekenen, om ook in de veelvormigheid der engelenwereld 'sHeeren ordinantie te verstaan.

Wij zullen daarom nader bezien. deze gegevens wat

Van Serafijnen wordt ons in de Schrift alleen gesproken in Jesaia 6.

Wij hebben in dit hoofdstuk het verhaal der roeping van Jesaia, den zoon van Amos, tot profeet.

Een buitengewone roeping tot een buitengewoon ambt.

Zij komt hem toe in en door een visioen. Het is hier nog niet de plaats, om te spreken over het wezen van het visioen, slechts zij opgemerkt, dat het wel is te onderscheiden van den droom, maar ook dat hij, die naast of achter Jesaia gestaan had, niets zou hebben gezien.

Het was dan in het sterfjaar van Juda's koning Uzzia, dat is 736 vóór Christus, dat de zoon van Amos 'n gezicht had. Hij schouwde, hij zag den Heere, gezeten op een troon, hoog en verheven in zijn heilige woning. De slippen van zijn koningsgev/aad vervulden de gansche ruimte. Serafs stonden bij Hem, elk had zes vleugels, twee om het gelaat, twee om de voeten te bedekken en twee om te vliegen. Zij riepen elkander toe en zeiden:

Heilig, heilig, heilig is de Heere der heirscharen;

de gansche aarde is van zijne heerlijkheid vol!

Jesaia ziet hoe de dorpelposten op dit machtig geroep zich bewegen; het huis des Heeren door Jehova's tegenwoordigheid met rook wordt vervuld. Het bewustzijn van eigen zonden en van die zijns volks, waarmee hij zich één weet, doet den profeet beven, nu hij dus den Koning, den Heere der heirscharen ziet. Dan volgt in het gezicht de reiniging van Jesaia. Een der serafs ziet hij naar zich toevliegen en zijn mond aanraken met een gloeiende kool, die hij met een tang van het altaar had genomen. Wij hebben hierbij te denken aan de symbolische beteekenis van het vuur als reinigingsmiddel, gelijk het dan ook heet in Numeri 31 : 23: lle ding, dat het vuur lijdt, zult gij door het vuur laten doorgaan, dat het rein worde. Dezelfde seraf verkondigt Jesaia, dat, nu dus zijn lippen zijn aangeraakt, zijn schuld geweken, zijn zonde verzoend is. En als hij nu den Heere zelf hoort zeggen: ien zal Ik zenden en wie zal ons henengaan.? biedt hij zich zelf aan én ontvangt Jehova's last.

Het is ons hier niet om Jesaia's roeping, maar om de in zijn visioen optreden, de serafs te doen.

Allereerst dan watden naam betreft.

Over de afleiding van dien naam bestaat verschil.

Volgens sommigen komt hij van een Hebreeuwsch woord, saraph, dat branden beteekent; volgens anderen van een Arabisch woord, scharipha, dat „hoog, verheven, edel zijn" beteekent. Bij de laatste afleiding krijgt mea dan den voor engelen niet veel zeggenden zin van „edelen, " „verhevenen."

De eerste afleiding komt ons dan ook aannemelijker voor.

Ook hier zijn echter weer twee mee­ningen.

Onder hen, die seraf in verband brengen met saraph, branden, zijn er die aan slangen denken. Werkelijk wordt dan ook een giftige slangensoort, wier beet brandt, in de Schrift daarom ook seraf genoemd. In Numeri 21 toch lezen wij van zulke serafslangen of „vurige-slangen." Toen zond de Heere vurige slangen onder het volk, die beten het volk; en er stierf veel volks van Israël (vs. 6). En daarna lezen wij iu VS. 8: n de Heere zeide totMozes: aak u een vurige slang, en stel ze op eenstang; en het zal geschieden, dat al wie gebeten is, als hij haar aanziet, zoo zal hij leven. Eindelijk wordt Israël in Deut. 8 : 15 nog herinnerd aan Gods leiding „in die groote en vreeselijke woestijn met haar vurige slangen, schorpioenen en dorheid." In verband nu met de omstandigheid, dat Jesaia zelf, hoewel in een geheel ander verband, op twee plaatsen en wel h. 14 : 29 en h. 30 : 6 van „een vurigen vliegenden draak" spreekt, zijn er, die meenen, dat men zich de serafs in het visioen van h. 6, als slangengedaanten moet voorstellen. Be­ ' denkt men echter, dat „de koperen slang die Mozes gemaakt had, omdat de kinderen Israels tot die dagep toe haar gerookt hadden" (2 Koningen 18 : 4) door koning Hiskia, den tijdgenoot van Jesaia, werd verbrijzeld, en let men op de beschrijving der serafs in het visioen, dan wordt het hoogst bezwaarlijk hier aan slangengedaanten te denken.

Het wil ons dan ook toeschijnen, dat onder hen, die seraf in verband brengen met saraph, branden, zij gelijk hebben, die niet aan slangen-maar aan menschelijke gedaanten denken. Met het bedekken van hef aangezicht en de voeten, wordt dan gewezen op hun eerbied voor Jehova's majesteit. Blijft nog over, bij deze opvatting, wat dit alles dan met „branden" te maken heeft. Gewoonlijk wijst men daarvoor op wat de ééne seraf aan Jesaia doet, het aanroeren van diens mond met een vurige kool (vs. 6). Dit ziet echter slechts op éen van dezehemelsche wezens. Veiliger gaat men dan ook, naar het ons voorkomt, door uit te gaan van de gedachte, neergelegd in de hierboven aangehaalde plaats, Numeri 31 : 23: e symbolische beteekenis van het vuur, als reinigingsmiddel. Gelijk de heiligheid Gods waar zij zich tegen de zonde keert, of liever nog, de heilige God zelf, „een verterend vuur" is, zoo is ook de bediening van den seraf, de goddelijke heiligheid, door „uitbranding" van het zondige, in de wereld te verbreiden, en haar door hun woord te verkondigen.

Met opzet spraken wij bij deze serafs telkens van Jesaia's „visioen."

Men denke toch niet dat deze serafs zóó bestaan in den hemel als Jesaia ze schouwde. Wat hem getoond werd, was het on-zienlijk geestelijke achter den sluier vanhetzienlijkstoffelijke. God werkte deze idee of voorstelling in zijn ziel op dat oogenblik. Maar ook deze serafs zijn „geesten" en hebben dus noch een menschelijk lichaam, noch zes vleugelen. Ge kunt u echter 'n geest slechts denken en niet voorstellen.

Toch valt hiermede niets weg van de realiteit, van de werkelijkheid dezer wezens. Immers ook uw ziel is, al kunt gij haar niet „voorstellen."

Zelfs valt hiermee niets weg van de werkelijkheid van het „Trishagion" of het „driemaal-heilig, " dat Jesaia de serafs hoorde zeggen. , Het is er mee als met den „engelen^rtwg-" van Bethlehem. Ook dan zeggen de engelen: ere zij God in de hoogste hemelen, vrede op aarde, in de menschen een welbehagen. (Lucas 2 : 13 en 14).

Het „spreken" der engelen zijn wij gewoon „zingen" te noemen, en spreken dan van een het „driemaal-heilig" toezingen en van een engelenzang.

Dit spreken nu is werkelijkheid.

De heilige apostel vermeldt in i Gor. 13 : I „de talen der menschen en der engelen." Zeker, een engel heeft geen lichaam en dus ook geen tong. Maar ook bij deze wezens, die „geest" en niets dan geest zijn, kan men spreken van „den geest die in hen is" en dus ook van wat in hen denkt. Het wezenlijke van de taal nu is de uitdrukking der gedachten, en wijl er tusschen God en de engelen, en ook tusschen de engelen onderling, een uitruiling van gedachten is, een zich voor elkander verstaanbaar maken, zoo is er ook een „taal der engelen, " gelijk er is een „spreken Gods."

Van daar dat èti het Trishagion èn de Engelenzang werkelijk gedachten van engelen zijn, aan menschen — Jesaia en de herders — verstaanbaar gemaakt; ons geopenbaard in de heilige Schrift.

Worden de serafs slechts eenmaal in de Schrift vermeld, op tal van plaatsen spreekt. althans het Oude Testament, ons van de cherubs.

Ook over de beteekenis van den naani cherub bestaat verschil en zijn afleiding is onzeker. Velen denken aan een stam, die grijpen, vasthouden beteekenf.

Overal waar de Schrift, ons deze wezens teekent, hebben wij uiteraard met symboliek te doen, met een afbeelden in het zinnelijke van het onzinnelijke, want ook deze cherubs bestaan slechts als geesten. Het eerst vinden wij ze vermeld in Gen. 3:24: n Hij dreef den mensch uit; en stelde cherubim tegen h, et oosten des hofs van Eden, en een vlammig lemmer eens zwaards, dat zich omkeerde, om te bewaren den weg van den boom des levens. Men lette er wel op, dat hier niet gesproken wordt van 'n cherub met een vlammend zwaard, dat zich heen en weer wendt. Door sommigen wordt ondersteld, dat men bij het laatste aan den bliksem heeft te denken. Het Paradijs, waarin God zijn tegenwoordigheid op bijzondere wijze openbaarde, waarin Hij met den mensch verkeerde, maar waaruit de mensch na den val in zonde verdreven werd, wordt èn door het vlammend zwaard èn door de cherub's bewaakt.

Valt hieruit voor de symbolische gestalte der cherubs niets te besluiten, wij leeren van die laatste iets meer kennenuit wat de Schrift vermeld van de cherubs in den tabernakel en den tempel.

Cherubsgestalten sierden de binnenste gordijnen van den tabernakel, en in het heilige der heiligen stonden boven het verzoendeksel twee gouden beelden van cherubim, „bedekkende met hun vleugelen het verzoen deksel en hunne aangezichten tegenover elkander" (Exodus 25 : 29),

Onder de sieraden, aangebracht in Salome's tempel, komen naast palmen en bloemen, ook cherubsafbeeldingen voor, terwijl ook hier in het allerheiligfitf» twee gouden cherubs, kolossale figuren van tien el hoog, boven het verzoendeksel staan.

De beschrijving dezer beelden doet denken aan menschelijke gestalten.

Ook hier, bij tabernakel en tempel, vinden v/ij, even als bij het Paradijs, de cherubs op de plaats waar God woont, waar Hij zijn tegenwoordigheid op bijzondere wijze openbaart, gelijk het o. a. in psalm 80 : 2, dan ook heet: Herder Israels! neem ter oore. Die Jozef als schapen leidet; Die tusschen de cherubs zit, verschijn blinkende.

En tevens hebben wij hier dezelfde gedachte, als in Gen. 3 : 24, dat de cherubs waken tegen aanraading van Gods heiligheid door den zondigen mensch.

In de derde plaats wordt in het Oude Testament van cherubs gesproken, o. a. in psalm 18 : 11: n Hij voer op een cherub en vloog; ja Hij vloog snellijk op de vleugelen des winds. Wij hébben hier de symbolische voorstelling van een „nederdalen Gods" vs. 10 naar de aarde, en wijl nu ook hier tusschen den heiligen God en de zondige aarde, de cherub zijn vleugelen uitbreidt, weer dezelfde gedachte als bij het paradijs, den tabernakel en tempel.

Bij de profeten vinden wij, men uitzondering van Ezechiël, en op éen plaats in Jesaia, van de cherubs niets vermeld.

In Jesaia 37 : 16 luidt de aanvang van koning Hiskia's gebed : O Heere der heirscharen. Gij, God van Israël, die tusschen de Cherubim woont.

Eenzelfde gedachte dus als in Psalm 80. In Ezechiëls profetiën worden daarentegen de cherubs met zekere uitvoerigheid vermeld.

In het eerste hoofdstuk wordt ons beschreven de roeping van E^echiël tot profeet. Hij de zoon van Buzi, vroeger priester te Jerusalem, was met Juda's koning naar Babel gevoerd en leefde te midden van andere ballingen aan den Chebar, een rivier of kanaal in Babylonië. Hier nu viel ook hem een gezicht, een visioen te beurt.

Hij schouwt een onweerswolk waaruit bliksems schieten, en in het midden vier gevleugelde dieren, met vier aangezichten

— en wel dat van een mensch, van een leeuw, van een stier, van een arend, — en vier vleugelen. Naast deze dieren bewegen zich vier raderen. Boven de hoofden der dieren was een uitspansel, een vloer van kristal, die droeg den troon van Jehova. En op dien troon was een menschelijke gedaante. Dan verneemt, in het visioen, Ezechiël de stem des Heeren: enschenkind sta op uw voeten en Ik zal met uw spreken, (h. 2:1).

De vier dieren of „levende wezens' in dit vizioen zijn, zooals straks zal blijken, te vereenzelvigen met de Cherubs.

Ook hier weer krijgt men dezelfde gedachte als in psalm 18:11: n Hij voer op een Cherub en vloog, — hoe tusschen den Heilige en het zondig menschenkind zich als bewakend de Cl^rubs uitbreiden. d Toch is de symbolische voorstelling hier bij e Ezechiël nog rijker. Allereerst wijzen de k vier raderen op die toekomst, waarin Jeho­ b va niet langer zal „wonen" te Jerusalem, g doch zich wenden tot alle volkeren. Maar z ook de vier aangezichten zijn nog rijker m symbolen van de mogendheid, die in den e Cherub woont.

Het zijn deze geschapen geesten, die in zich vereenigen de majesteit van den leeuw, de kracht van den stier, den scherpen blik van den arend en het verstand van den mensch.

In Ezechiël tien hebben wij de beschrijving i van een tweede visioen, dat den profeet te i beurt viel. Het geldt hier de voltrekking van het gericht over Jerusalem.

De gestalten in dit gezicht komen overeen met die van hoofdstuk éen en nadrukkelijk zegt de profeet dan ook hier, dat de „dieren" uit het eer.ste gezicht Cherubs waren. „Dit is het dier, " zoo lezen wij in vers twintig van hoofdstuk tien, „dat ik zag onder den God Israels bij de rivier Chebar; en ik bemerkte dat het Cherubs waren."

Hangt het profetisch gezicht in het algemeen saam met de indrukken, die de ziener uit de hem omgevende zinnenwereld heeft ontvangen, het is niet onmogelijk, dat de cherubsgestalten, die Ezechiël vroeger te Jerusalem in den tempel gezien had zich in zijn verbeelding vermengden met de gevleugelde stierbeelden, die in Babylonië zeer gewoon waren, en die hij als „wachters" voor de paleizen had zien staan. Wij weten zelfs, dat ook deze stierbeelden den naam van cherub droegen.

Ten slotte zij nog vermeld, dat ook in Ezechiëls beschrijving van den nieuwen tempel, de Cherubs genoemd worden. De binnenwanden van dien tempel b.v. zijn met cherubs en palmen versierd en wel zóo, dat altijd een palm tusschen twee cherubs staat, (h. 41 : 18).

In het Nieuwe Testament komt het woord cherub slechts voor in Hebreen 9:5, waar bij de beschrijving van den tabernakel gezegd wordt: n boven over deze arke waren de cherubijnen der heerlijkheid, die het verzoendeksel beschaduwden ; van welke dingen wij nu van stuk tot stuk niet zullen zeggen.

Worden zij in de Openbaring van Johannes niet als zoodanig genoemd, wat ons daar echter omtrent de „vier dieren" wordt vermeld, biedt een niet onbelangrijk gegeven voor de kennis van het wezen van den 'cherub.

Onder de visioenen die de heilige Apostel Johannes op Patmos had, was ook dat van den troon der „goddelijke majesteit." „En voor den troon, " zoo lezen wij in hoofdstuk vier, „was een glazen zee, kristal gelijk; en in het midden des troons, en rondom den troon, vier dieren, zijnde vol oogen van voren en van achteren. En het eerste dier was een leeuw gelijk, en het tweede dier een kalf gelijk, en het derde dier had het aangezicht van een mensch, en het vierde dier was een vliegenden arend gelijk; en de vier dieren hadden elkeen voor zichzelven zes vleugelen rondom, en waren van binnen vol oogen; en hebben geen rust dag en nacht, zeggende: Heilig, heilig, heilig is de Heere God, de Almachtige, Die v/as, en Die is, en Die komen zal. (vs. 6—8).

Bij dit visioen heeft ongetwijfeld nagewerkt wat de ziener in Ezechiël en Jesa'a gelezen had. Toch worden hem, wanneer God deze voorstellingen in zijn ziel werkt, ook nieuwe dingen geopenbaard.

Wij hebben ons den troon te denken als een halve maan en de vier dieren zóo geplaatst, dat éen zich bevond aan de binnenzijde en de drie andere aan de buitenzijde van den troon. De „vier dieren" of „levende wezens, " herinneren aan Ezechiël éen en zijn dus, naar Ezechiël 10 : 20, Cherubs. Ook de trek in dit beeld, dat de vier dieren „vol oogen van voren en van achteren waren", vinden wij bij Ezechiël terug. In Ezechiël 10 : 12 toch wordt ons van de Cherubs vermeld: un gansche lichaam nu, en hunne ruggen, en hunne handen, en hunne vleugelen, mitsgaders de raderen, waren vol oogen rondom.

Ook hier hebben wij, in wat Johannes aldus zag, symboliek.

Dit „vol oogen, " — iets wat zich wel laat verbeelden, maar niet uitbeelden en waarom dan ook, juist met betrekking tot de grenzen tusschen poëzie en schilderkunst, de visioenen der Openbaring niet te teekenen zijn, — is aanduiding van de onafgebroken opmerkzaamheid, van het zich niets laten ontgaan dezer hemelsche wezens. En dat wij nu èn bij Ezechicl èn bij Johannes met symbolische voorstelling te doen hebben; dat m. a. w. de Cherubs die geesten zijn, niet in dergelijke gedaanten bestaan, wordt uidelijk uit het feit, dat er bij alle overenstemming toch in beide visioenen onmisenbaar verschil is. Let er maar op, hoe ij Ezechiël ieder van de vier dieren „vier ezichten" heeft. „En elkeen had vier aangeichten, " Ez. 1:6, — en wel dat vaneen ensch, van een leeuw, van een stier en van en arend vs. lo. In het visioen van Johannes aarentegen heeft ieder der vier wezens één angez.cht. Verder hebben de Cherubs bij Ezechiël slechts vier en die bij Johannes zes vleugelen als symbolische voorstelling van et zich snellijk overal kunnen heen begeven.

Het nieuwe in het visioen van Johannes is echter, dat thans geopenbaard wordt, hoe in de nieuwe bedeeling, nu de verzoening in Christus volbracht is, de Cherubs in het hemelsche heiligdom niet meer staan tusschen God en den mensch. Eindelijk dient ook nog opgemerkt, dat in de Openbaring de cherubs, even als de serafs bij Jesaia, den Eeuwige het driemaal heilig toezingen; heerlijkheid en eere en dankzegging geven aan Hem, Die op den troon zit. Die leeft tot in alle eeuwigheid (vs. 9).

Vergelijken wij ten slotte wat de Schrift ons in haar heilige symboliek omtrent Serafs en Cherubs openbaart, dan komen wij tot het resultaat, dat wij hier te doen hebben met twee afzonderlijke groepen van engelen. Onder de geschapen geesten nemen beiden een zeer hooge plaats in; zij staan feitelijk hooger dan andere engelen, wijl zij dichter staan bij God. Zij staan het naast aan den troon van den Eeuwige. Zij staan in innig verband met de heiligheid des Heeren. Wat dit laatste betreft, is er tusschen beiden dit verschil, dat de serafs meer de roeping hebben die heiligheid te verbreiden, door de ongerechtigheid te doen wijken, — men denke hierbij aan het woord van den seraf tot Jesaia: lzoo is uw misdaad van uw geweken (h. 6 : 7) —, terwijl de cherubs de roeping hebben, de heiligheid des Heeren tegenover de zondige creatuur te bev/aken.

De seraf dus meer aanvallend, de cherub meer verdedigend. Maar ook is er onder cherubs en serafs, in betrekking tot de heiligheid des Heeren, deze overeenkomst, dat beide hun zaligheid en hun eere vinden om haar te loven en te prijzen. Dit toch is de schoone gedachte die de Schrift ons openbaart, dat niet slechts de serafs — men vergelijke Jesaia 6:3 — maar ook de cherubs — men vergelijke Openbaring 4:8 — den Heere het driemaal heilig toezingen.

Ook toen er nog geen zonde was, en eens als er onder de verloste menschheid, onder het vol getal van Gods gezaligde uitverkorenen geen zonde meer zijn zal, hebben deze geschapen geesten hun roeping en taak te vervullen : de verheerlijking Gods; het vertellen van Zijn lof. Zijn glorie. Zijn eere.

Zijn de engelen geesten en bezitten zij dus geen lichamen, bij hen valt dan ook weg alle geslachtelijke onderscheiding. M. a w. de categorieën van mannelijk en vrouwelijk zijn op deze geschapen wezens evenmin van toepassing als b.v. op planeten of ten. Men denke aan het „den engelen gelijk, " waarmee Jezus omschrijft het bestaan van de „Kinderen der opstanding", Lukas 20 : 36. Maar ook alle generatie, alle teling, alle verhouding van vader en zoon is bij deze geschapen geesten uitgesloten. Als individuen zijn zij ten dage van hun schepping in vol getal tot hun aanzijn geroepen.

Toch vormen zij een wereld.

Reeds door wat wij zagen uit de Schrift van hun individueele verschillen, men denke aan Gabriel en Michael, maar ook door het verband, waarin zij krachtens Goddelijke ordinantie met elkander staan. Wij vonden toch in ons tweede artikel over 's Heeren ordinantie voor de wereld dér engelen, dat er in de engelenwereld sprake is van legerscharen, legerplaatsen, wagens en legioenen, en in dit artikel, dat Cherubs en Serafs twee afzonderlijke groepen van engelen vormen.

Al is er dan niet onder hen, gelijk onder de menschen, een verband der geslachten, toch staan zij daarom niet als losse eenlingen naast elkaar.

En nu is er, behalve al wat wij tot dusver vonden, nog een gegeven der Schrift, dat tot dusver in dit verband onbesproken bleef en waarop hier nog ten laatste dient gewezen.

Wij hebben hier op het oog die plaatsen uit het Nieuwe Testament, waarin van engelen gesproken wordtals van „Machten" en „Overheden", en die dus in verband met het begrip van „Heirscharen", opeen onderscheid in rang en waardigheid wijzen. Zoo in Kolossensen i : 16, waar onder de onzienlijk-hemelsche creaturen, Tronen, Heerschappijen, Oeerheden en Machten worden genoemd. Zoo ook in Efeze 1:21, waarin verhaald wordt hoe de Christus naar zijn menscheid verhoogd is boven alle Overheid en Macht en Kracht en Heerschappij, iets

wat in verband met Efeze 3 : lo: pdat nu door de gemeente bekend gemaakt worden aan de Overheden en de Machten in den hemel de veelvuldige v/ijsheid Gods —• niet anders dan op de engelen kan slaan. Zoo eindelijk, waar de heilige Apostel Petrus ons spreekt van Jezus Christus, welke is aan de rechterhand Gods, opgevaren ten hemel, de engelen en machten en krachten Hem onderdanig gemaakt zijnde (i Petri 3 : 22).

Herinneren wij ons hierbij, hoe naar wij in ons vorig artikel vonden, Michael in de Schrift een van de vorsten wordt genoemd, dan ligt het voor de hand, bij bovengenoemde uitdrukkingen te denken aan titels, die de waardigheid dezer engelenvorsten aanduiden; aan „hoofden" over Gods legerscharen, die als zoodanig heerschen over hun mede-engelen.

Een onbekend schrijver, die echter niet vóór het einde der 5 de eeuw heeft geleefd en zich verborg achter den naam Dionysius, den raadsheer van den Areopagus, welke, gelijk wij uit Handelingen 17 : 34 weten, door Paulus bekeerd werd, meende dat er zelfs onder de engelen een soort hiërarchie, d. w. z. een orde van in rang afdalende waardigheidsbekleeders zou bestaan. Zij bestond volgens hem uit drie triaden, te zamen negen engelenkoren vormende, en wel:

I. Seraphim, cherubim, tronen. 2. Machten heerschappijen, krachten. 3. Vorstendommen, aartsengelen, engelen.

Van zulk een hiërarchie zegt ons de Schrift echter niets. Toch mag men, om hier tegen in te gaan, ook niet in een ander uiterste vervallen en alle onderscheiding, ook die van rang en stand, onder de engelen ontkennen.

Ook dat toch is evenzeer tegen de Schrift, die, zoo als ons gebleken is, ook onder de engelen het bestaan van ordening en schikking openbaart, waardoor wij van een wereld der engelen spreken kunnen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 april 1903

De Heraut | 4 Pagina's

Van ’s Heeren Ordinantiën.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 april 1903

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken