Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van ’s Heeren Ordinantiën.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van ’s Heeren Ordinantiën.

16 minuten leestijd

LXXV.

DERDE REEKS.

’s Heeren ordinantiën in de natuur.

DERDE DEEL..

I.

Voor s wij hebben de vaders onzes vleesches wel tot kastijders gehad en wij ontzagen hen; zullen wij dan niet veel meer den Vader der geesten onderworpen zijn en leven? Hebreen 12 : 9

Met dit artikel openen wij het derde en laatste deel van ons onderzoek naar 'sHeeren ordinantiën in de natuur.

Ging het eerste deel in vierentwintig artikelen over die voor de zienlijk-stoffelijke wereld, en het tweede in tien artikelen over die voor de onzienlijk-geestelijke, dit derde deel moet dan loopen over die wereld, waarin het zienlijk-stoffelijke en het onzienlijkgeestelijke tot een eenheid is verbonden, over de wereld der menschen.

Eerst zoo, wanneer ook Gods scheppings-ordinantiën voor den mensch in zijn stoffelijk-geestelijk bestaan zullen zijn nagespeurd; wanneer in datgene wat onafhankelijk van zijn willen altijd en overal is, of met innerlijke noodwendigheid opkomt; wanneer in datgene wat uit natuurdrang altijd en overal onder menschen ontstaat en evenmin vrucht is van hun overleg als van hun afspraak; wanneer in datgene wat ook onder menschen niet is gemaakt maar gev/orden, niet is gebouwd maar gegroeid, — de onwrikbare vastheid der souvereine Goddelijke schikking zal zijn aangewezen, mag ons onderzoek naar 'sHeeren ordinantiën in de natuur voltooid heeten.

Daarmee is dan een poging gewaagd om in te dringen met ons denken in wat men pleegt te noemen de natuurlijke wereldorde; om voor onze lezers iets uit te stallen van de heerlijkheid van Gods eeuwig en vast Bestel over de dingen en werkingen des natuurlijken levens.

Daarna komen wij dan, zoo het God wil, tot het tweede deel van onze taak, die wij ons met heel deze studie van 'sHeeren ordinantiën hebben voorgesteld, en wel het eerbiedig onderzoek van Zijn ordinantiën in de zedelijke wereld; van die welke Hij als de Schepper, en daarom Souverein aan het willen van den naar zijn beeld geschapen mensch, als Zijn gebod en richtsnoer oplegt en, krachtens Zijn recht op den mensch, in de wereld der menschen handhaaft; van wat men pleegt te noemen de zedelijke wereldorde.

Het geheel kan dan een bijdrage zijn tot verrijking van wereldkennis en daarmee van kennisse Gods. Het kan onzen lezers bieden een wereld-en levensbeschouwing, op den grondslag der Gereformeerde beginselen.

En dit laatste in zeer volstrekten zin.

Want voor ons Gereformeerden, voor wie de Schrift als Gods Woord een heel ons denken over wereld en leven beheerschend beginsel is, kan wat de psalmist zingt: n alle volmaaktheid heb ik een einde gezien, maar uw gebod is zeer wijd (Psalm iio : 96) en waarmee hij — gelijk wij in het eerste onzer artikelen aantoonden — juist uitspreekt dat staan van heel de wereld onder Gods souvereine schikking en beschikking, — niet maar zijn alleen 'n beschouwing, een theorie onder vele andere, gelijk berechtigd en staande op één lijn met andere wereld-en levenstheorieën. Maar voor ons, die vast overtuigd zijn van de waarheid der Schrift, draagt deze theorie een absoluut karakter.

Wij zijn verzekerd, dat zij de eenige ware is; dat alleen dit denken met de werkelijkheid overeenkomt; dat 'n mensch de wereld en het leven niet alleen zoo wel kan, maar, in gehoorzaamheid aan zijn God, ook zoo moet beschouwen. En het is dan ook alleen deze theorie, die de wereld en het leven op eene, zoowel ons denken als ons gemoed, telkens al meer bevredigende wijze verklaart.

Wij zetten in dit artikel voort ons onderzoek naar 'sHeeren ordinantiën voor de ziel des menschen.

In de laatste twee artikelen van ons tweede deel van 'sHeeren ordinantiën in de natuur is dit reeds aangevangen, en wel met het onderzoek naar het wezen der ziel, naar wat zij is. Uit hetgeen God in Zijn Woord en wel bepaald in Genesis 2 : 7 geopenbaard heeft omtrent haar oorsproneiijk ontstaan bij de schepping van Adam, en eersten mensch, hebben wij getracht dit f te leiden.

Ging het toen nog uitsluitend om de ziel ls geestelijk wezen, afgedacht van haar verinding met het lichaam, en vonden wij, dat ij is een onstoffelijk, enkelvoudig, onsterfelijk wezen, aangelegd op een menschelijk lichaam, wij willen thans onderzoeken wat oor de nadere kenschetsing van haar wezen volgt uit wat wij mogen vermoeden omtrent haar ontstaan bij de voortplanting van het menschelijk geslacht.

Heel de wordingsgeschiedenis van het kind is thans, wat het lichaam betreft, van de ontvangenis tot aan de geboorte bekend. Men weet dat het zoo fijn en rijk georgaseerd menschenlijf, dat bij de geboorte wordt uitgestooten, en als embryo, of nog ongeboren vrucht, in den moederschoot verschillende vormen heeft aangenomen, ontstaan is, evenals dat der hoogere dieren, uit de bevruchte eicel.

Wij hebben vroeger, toen het nog uitsluitend ging over 'sHeeren ordinantiën in de stoffelijke wereld, dit wondere werken van Gods alomtegenwoordige kracht nader beschreven. Wij vonden toen, hoe over het woord van den psalmist: k loof u, omdat ik op een heel vreeselijke wijze wonderbaarlijk gemaakt ben; wonderbaarlijk zijn uwe werken! ook weet het mijne ziel zeer wel (Psalm 139 : 14), door wat de studie der natuur ontdekte, een nieuw licht viel.

Wij kunnen de bijzonderheden daaromtrent hier laten rusten, om ons alleen te bepalen tot het feit, dat de vrucht van af het eerste oogenblik der ontvangenis, door al de stadiën harer ontwikkeling in den moederschoot heen, leeft.

Wanneer toch de levende zaad-cel van den vader de levende ei-cel van de moeder heeft doordrongen en bevrucht, is uit de beide ouders, in ondeelbare eenheid, ontstaan het nieuwe leven van het kind. En dat nieuwe leven werkt allereerst in de splitsing van de bevruchte ei-cel in twee, vier, acht en meer cellen, en verder en aldoor in heel de wondere formatie van het nieuwe menschenlijf en wel naar wat wij vroeger reeds leerden kennen als „de wet van den organischen wasdom".

Zeker ligt achter deze werking van het nieuwe leven nog een diepere oorzaak, en wel de werking der alomtegenwoordige Kracht Gods. Het is deze Kracht Gods en dus God Zelf, die bij wat de Schrift zoo keurig noemt het wrocht worden in aarde" (Ps. 139: „als een borduursel gede nederste deelen der 15), van oogenblik tot ontvangenis tot aan de oogenblik, van de geboorte, bij heel de wording van de vrucht in den moederschoot door, inwerkt.

Inwerkt in die deeling en splitsing van cel uit cel, van heel het opgroeien van het menschenlijf met al zijn in-en uitwendige organen.

Christen-ouders zullen dan ook wanneer hun een welgeschapen kind geboren wordt, daar hun God voor danken.

Dat Hij aller oorzaken Oorzaak en aller werkingen Werker, ook bij dit subtiel natuurgebeuren de laatste Oorzaak en de eerste Werker is, daarover bestaat dan ook onder Christenen geen onzekerheid.

De vraag waar het thans echter in dit artikel om gaat is, hoe en wanneer ontstaat in de menschelijke vrucht, die van het oogenblik der ontvangenis af leeft, de ziel.

En dan zij hier opgemerkt, dat wij straks niet zonder opzet spraken van een »vermoeden" omtrent het ontstaan der ziel bij de voortplanting van het menschelijk geslacht.

Ook in de Christelijke denkwereld toch, om ons hier alleen tot haar te bepalen, zijn daaromtrent de meeningen verschillend. En dit kan ook moeilijk anders, want de Schrift openbaart ons in Genesis 2 : 7 wel het ontstaan van de menschelijke ziel bij de schepping van den eersten mensch, maar nergens zegt zij met zooveel woorden, hoe en wanneer de ziel thans nog ontstaat bij de voortplanting van het geslacht. Nu ontkennen wij daarmee allerminst, dat de Schrift enkele gegevens, en onder deze Gen. 2:7, bevat, waaruit zekere gevolgtrekkingen zijn af te leiden, maar men vergete daarbij ook weer niet, dat deze gegevens op verschillende wijze worden uitgelegd. Ten slotte komt er nog bij, dat men eerst sedert de vorige eeuw tot de ontdekking kwam van de „levende cel" en van haar beteekenis ook voor het menschelijk organisme, en dat de gedeeltelijke ontraadseling der organische wereld in het nog betrekkelijk zoo jonge woord: mniscellula e cellula, „iec'ere cel ontstaan uit een andere cel", waarop wij reeds vroeger wezen, aan de oudere denkers onbekend was.

Zien wij nu eerst, welke vermoedens omtrent het ontstaan der ziel bij de voortplanting, in de Christelijke wereld alzoo zijn uitgesproken.

Gewoonlijk brengt i^ea ze terug tot een drietal.

Wanneer men toch tusschen lichaam en ziel onderscheidt, dan is er drieërlei denkbaar. Of de ziel bestaat vóór ; of zij ontstaat te gelijk met; of zij ontstaat ita het lichaam.

De eerste meening duidt men aan als die der prae-exiitentie of van het vóór-bestaan der ziel.

De tweede als die van \\ttgenerait \uisme, van „generatie" of teling, en waarbij men dan vermoedt, dat de ziel tegelijk met het lichaam wordt geteeld en, evenals het lichaam uit dat van den vader en moeder, zoo ook de ziel uit beider zielen voortkomt.

Met een ander woord duidt men dit generatianisme ook wel aan als traducianisme, een woord uit „trans" over, en „ducere" voeren gevormd.

De derde of laatste meening eindelijk is bekend als het c*eatianisme, van „creare" scheppen en met haar spreekt men dan het vermoeden uit, dat God telkens als een kind geboren wordt, in dat nieuwe menschenlichaam weer een nieuwe ziel heeft inge-' schapen.

Onderzoeken wij thans, welke dezer drie meeningen de, voor ons, meest aannemelijke gronden heeft.

En dan zij hier dadelijk uitgesproken, dat de eerste, die van deprae-existentie of het vóór-bestaan der ziel onder de christelijke denkers den minsten bijval gevonden heeft.

Zij is uit de buiten-christelijke denkwereld ingekomen in de christelijke.

Plato, de grootste der Grieksche wijsgeeren, toch had geleerd, dat de menschelijke ziel, wat althans haar onsterfelijk deel betreft, ongeworden en onvergankelijk is, in haar bestaan niet slechts zonder einde, maar ook zonder aanvang. Wel stelt hij het ook wel voor, dat de „wereldvormer", zelf — een v/ereldschepper kent ook deze wijsgeer der oudheid niet — deze onsterfelijke ziel heeft toebereid, maar dit is bij hem meer een zich uitdrukken in beelden, dan zijn eigenlijk denken. Deze onsterfelijke zielen nu, die dus van eeuwigheid bestaan, hebben in de wereld der Ideeën, der „wezenheden" dat geschouwd, waarvan deze zinnelijke wereld slechts een schaduw, een zwakke afdruk is. Wegens een „afval" in haar vóor-bestaan of prae-existentie zijn de zielen tot straf in de lichamen gezonken. Zoo wordt het lichaam een kerker der ziel, en het ware doel des levens is, zoo spoedig mogelijk uit deze vergankelijke zinnenwereld te vluchten in de eeuwige wereld van het ongeziene, van die der Ideeën, der wezenheden ; uit deze wereld van schaduwen en schijn naar de, in den meest letterlijken zin, wezenlijke wereld. Al wat er in deze zinnelijke wereld nog van schoonheid en goedheid en waarheid en gerechtigheid wordt aanschouwd, is slechts voor zooveel het deel heeft aan de Goedheid en de Schoonheid en de Waarheid en de Gerechtigheid die de ziel in haar voorbestaan heeft geschouwd; zij wordt er aan herinnerd, het beroert haar, het vervult haar met een innig verlangen als over 'n mensch komt, die door de dingen van zijn arm, droevig heden plotseling wordt herinnerd aan zijn blij, rijk verleden.

Het was deze leer der prae-existentie of het vóór-bestaan der ziel, die indrong in de christelijke denkwereld, toen zij door den diepzinnigen en geleerden kerkvader Origenes van Alexandrië in de 3e eeuw na Christus, zij het ook niet ongewijzigd, werd overgenomen.

Hoe schoon en aantrekkelijk op zichzelf ook, , biedt zij echter groote bezwaren. Wij hebben hier meer te doen met dichten dan met denken, want de bodem der ervaring waarop toch alle denken rusten moet, ontzinkt haar. Maar bovendien, voor zulk een vóór-bestaan der ziel biedt de Schrift ons geen enkelen grond; ja meer. Gen. 2 : 7 is er volkomen mee in strijd. Daarbij komt nog, dat zij wat Schrift en ervaring beide ons leert omtrent het wezen van den mensch als een zinnelijk-geestelijk wezen dat in zijn lichaam èn ziel de samenvatting is van het stoffelijke en geestelijke, vlak tegen zich heeft. Deze leer toch zoekt het wezen van den mensch uitsluitend in de ziel, maakt hem daardoor tot een geestelijk wezen, en „verengelt" op deze wijze den mensch. Zeker is iedere menschenziel, wijl zij een gedachte Gods is, door Hem van eeuwigheid bepaald, van eeuwige essentie, maar haar existentie, haar „te voorschijn komen", in het geschapen-zijn, neemt een aanvang in den tijd. AI is zij onvergankelijk, zij is als creatuur niet ongeworden, maar geworden door Gods scheppende Almacht. Ook weet de Schrift van een „val" der ziel, vóór haar vereeniging met het lichaam, niets. Evenmin is schriftuurlijk de voorstelling van een inwoning der ziel in het lichaam als een straf. Juist de dood, de scheiding van lichaam en ziel is, naar de Schrift, om de zonde.

De leer der prae-existentie, ingedragen in de christelijke wereld toen Origines er zijn beroemden naam aan verbond, v/erd dan ook al spoedig teruggedrongen.

Op betere gronden althans dan de meening van het vóór-bestaan der zielen kan die van het generatianisme zich beroepen.

Hadden ook al onder de antieke denkers de Stoïcijnen geleerd, dat de ziel van het kind uit het sperma van den vader ontstaat als een rank (tradux) uit den stam, toch schijnt het, dat het traducianisme, zooals men, naar wij zagen, dit gevoelen ook wel noemt, niet van buiten af in de christelijke denkwereld indrong, maar hier onafhankelijk van vreemde invloeden is ontstaan.

Het werd het eerst voorgedragen door den Latijnschen kerkleeraar Tertullianus, in de laatste helft der tweede eeuw te Karthago geboren. Volgens hem plant zich bij de geslachtsverbinding zoowel de ziel als het lichaam der beide ouders in het kind voort. Deze meening omtrent het ontstaan der der ziel had, vooral in de oudste Kerk, met name in het Oosten, vele voorstanders, doch werd door de beste Theologen onder deRoomschen, en zooals wij straks zullen zien, ook onder de Gereformeerden afgewezen. Door Luther en de Luthersche Theologen van vroeger en later tijd is daarentegen het traducianisme verdedigd. Men heeft er grond voor meenen te vinden in sommige schriftuurplaatsen. Doelend op Eva, zegt de Apostel: e vrouw is uit den man (i Kor. n : 8); inGen. 46 : 26 wordt gesproken van al de zielen, die met Jacob in Egypte kwamen, uit zijn heup gesproten; én in Hebreen 7:9 en lo heet Levi „nog in de lenden des vaders" als Melchizedek Abraham tegemoet kwam. Daarbij komt nog, dat het traducianisme een grond zocht in de heriditeit of de erfelijkheid niet slechts van lichamelijke, maar ook van zielseigenaardigheden. Niet alleen toch naar het lichaam, maar ook naar de zielen vertoonen kinderen het beeld hunner ouders.

Toch zijn er aan dit gevoelen geen geringe bezwaren verbonden. In de eerste plaats strijdt het met het wezen der ziel als een geestelijk en dus „eenvoudig" v/ezen, iets waaraan ook de traducianis'fen zelf vasthouden. De ziel van vader en moeder bestaat toch niet als hun lichaam uit cellen, die er zich van los kunnen maken om zich te verbinden tot een nieuwe ziele-cel. Ia de tweede plaats, indien wij onze ziel evenals ons lichaam uit onze ouders hebben, dan zou ook onze ziel evenals ons lichaam, gelijk de Schrift leert met haar „uit éénen bloede" Hand. 17:26, reeds potentieel in de ziel van Adam zijn geweest. De Duitsche wijsgeer Leibnitz stelde dan ook zelfs, dat in Adam alle menschelijke zielen tegelijk geschapen waren geworden en wel ingewikkeld, in kleine onzichtbare lichaampjes. Alle menschen bestaan derhalve reeds van het oogenblik af, dat de eerste mensch werd geschapen, maar nog in een toestand van involutie, letterlijk inwikkeling, Eerst bij de generatie komen zij tot evolutie of ontwikking. Nu laat zich zeker uitnemend denken hoe b. v. potentieel in een eikel een eikeboom ligt; minder gemakkeHjk reeds, hoe in Adams ziel potentiel aller menschen zielen lagen ; maar hoe alle menschen, die op de aarde hebben geleefd en nog leven zullen, reeds werkelijk, TAI het dan ook nog „ingewikkeld", in Adam waren, wordt gewoon ondenkbaar. De verbinding van het vóorbestaan der ziel met het traducianisme, waartoe, gelijk men ziet, Leibnitz kwam, maakt de leer van de „voortplanting" der ziel dan ook niet aannemelijker. Hetzelfde kan ook gezegd van een poging uit later tijd, waarbij men het traducianisme verbindt met het creatianisme, en dan leert, dat de ouders in het oogenblik van de generatie de ziel van hun kind scheppen. Laat men toch de woorden hun zin, dan kan men bij creatuurlijke wezens niet van scheppen spreken.

Het meest aannemelijk wil dan ook ons nog altijd voorkomen de meening omtrent het ontstaan der ziel, die zoo door roomschen als gereformeerde Theologen wordt voorgestaan, het Creatianisme. Volgens haar schept God telkens een ziel in het lichaam van het kind in. En in Schriftuurplaatsen als Prediker 12 : 7 : En dat het stof wederom tot de aarde keert als het geweest is; en de geest wederom tot God keert. Die hem gegeven heeft; en vooral Hebreen 12:9: oorts, wij hebben dé vaders onzes vleesches wel tot kastijders gehad en ontzagen hen j zullen wij dan niet veel meer den Vader der geesten onderworpen zijn en leven, vindt die meening een niet geringen steun. Want al geeft men toe, dat God hier niet uitsluitend de Vader van dè menschelijke zielen wordt genoemd, maar dat alle geesten en dus ook de engelen hun oorsprong van Hem hebbsn, uit de tegenstelling van vleesch en geest volgt, dat hier wei degelijk aan lichaam en ziel word*-, gedacht en de oorsprong der ziel niet aan den menschelïjken vader, maar aan God wordt toegeschreven.

Heeft het creatianisme dus veel voor zich. waar men ziet op de onhoudbaarheid van het prae-existentianisme en de groote bezwaren waardoor het traducianisme gedrukt wordt, toch blijven ook bij deze meening nog moeielijkheden.

Is het een feit, dat het leven reeds van het oogenblik der ontvangenis af aanwezig is, de vraag doet zich dan op, hoe en wanneer wordt in dit reeds levende lichaam de ziel ingeschapen. Antwoordt men, de „groeiende" en „gevoelende" of animale is met de ontvangenis reeds aanwezig, en de redelijke ziel wordt eerst later ingeschapen, dan loopt men gevaar de „eenheid" der menschelijke ziel voor zijn bewustzijn te verliezen.

Toch ligt in dat aannemen van een vegetatieve en animale ziel een waarheid. Het is een vooruitgrijpen op wat de latere natuurstudie ontdekte omtrent de „levende cel", wier „leven" in al het organische en dus ook bij den mensch, zoowel als bij plant en dier, één is.

Het wil ons dan ook voorkomen, dat men, rekening houdend met deze vondst der natuurstudie; met Gods Openparing in Gen. 2:7; en de meeniag van het creatianisme, tot deze voorstelling moet komen. Bij de generatie uit de beide ouders ontstaat wat de Schrift noemt het „vleesch", waarin het leven is. Aan hen toch, zeggen wij ook in het gewone spraakgebruik, danken wij ons „leven". Dit leven, wat zoowel de Schrift als het gewone spraakgebruik bedoelt in den term : „den geest geven", voor sterven, werkt uit een eigen beginsel, het z.g. „levensbeginsel". Op een oogenblik, tusschen de ontvangenis en de geboorte, dat voor ons echter niet nader is te bepalen, schept God, door een werking Zijner kracht, de ziel, die naar haar wezen onstoffelijk, eenvoudig en onsterfelijk is, in dit reeds levende lichaam; van welk oogenblik af in de door Hem gewerkte eenheid van lichaam en ziel ontstaat een mensch.

In een volgend artikel zullen wij dit nader toelichten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 juni 1903

De Heraut | 4 Pagina's

Van ’s Heeren Ordinantiën.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 juni 1903

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken