Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van ’s Neeren Ordinantiën.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van ’s Neeren Ordinantiën.

15 minuten leestijd

LXXXI.

DERDE REEKS.

'sHeeren ordinantlën In de natuur.

DERDE DEEL.

VI.

En de Heere God had den mensch geformeerd uit het stof der aarde en in zijne neusgaten geblazen den adem des levens, alzoo werd de mensch tot eene levende ziel. Genesis 2: 7.

Een nieuw onderwerp vraagt thans onze aandacht.

De ordinantlën des Heeren voor al wat er gebeurt in de menschelijke ziel.

De vaste wetten waarnaar, onder bepaalde omstandigheden, altijd en overal plaats grijpt het gewaarworden en voorstellen, het begeeren en willen en nog zooveel meer.

De natuurwetten voor al dit psychisch gebeuren, zooals men dat noemt naar het Grieksche woord voor ziel, psyche.

Wij konden dit onderwerp eerst behandelen in dit ons derde deel van 's Heeren ordinantlën in de natuur.

Verstaan wij hier toch onder natuur al wat in zijn bestaan en ontstaan onafhankelijk is van 's menschen willen; wat zijn ontstaan aan Gods schepping, zijn bestaan aan Zijn voorzienigheid dankt; — in deze natuur of, wilt gij liever, deze Schepping Gods onderscheiden wij drieërlei gebied, en wel dat van het stoffelijke, dat van het geestelijke en dat van het stoffelijk-geestelijke.

Voor ieder dezer gebieden stelde God zijn ordinantlën.

Over die ia de stoffelijke wereld met de in haar werkende krachten, liep ons eerste, over die in de wereld der geesten liep ons tweede, over die in de wereld van den mensch, welke in de eenheid van zijn lichaam en ziel het stoffelijke en geestelijke in zich verbindt, loopt ons derde deel van 's Heeren ordinantlën in de natuur.

Hier moet dan ook gehandeld van de wetten voor het psychich gebeuren.

Want wel behoort de ziel zelf evenals de engelen tot de onzienlijke, de geestelijke dingen, en kwam zij daarom dan ook reeds ter sprake in ons tweede deel, maar wat in haar gebeurt, de verschijnselen, die zij veroorzaakt, /Zijn alleen kenbaar uit de waarneming daarvan bij ons zelf en anderen, in vereeniging met het lichaam, en staan bovendien met dat lichaam in het innigst verband.

De natuurwetten voor de stoffelijke en geestelijke wereld, of Gods natuurordinantiën voor de wereld der menschen, wel te onderscheiden van die welke men aanduidt als de zedewetten, zijn vele en velerlei.

Het onderzoek naar deze ordinantlën des Heeren toch gaat niet alleen over de natuurwetten voor het leven der ziel, maar ook over die voor man en vrouw, maatschappij en arbeid.

Wetten, ordinantlën des Heeren, waarbij het niet gaat om W3t behoort te geschieden, maar om wat altijd gebeurt.

Waaraan een mensch niets kan veranderen.

Een bekend engelsch spreekwoord zegt, dat het Parlement veel kan doen, maar niet van een vrouw een man maken.

In dit laatste hebt ge een voorbeeld van wat onafhankelijk van menschelijk willen als natuur-ordinantie voor u staat.

Het is dus een zeer ruim veld van onderzoek, waarover in de reeks artikelen die ons derde deel vormen zal, moet gehandeld.

De eerstvolgende zullen nu gaan over de vaste ordeningen Gods, voor wat in onze ziel gebeurt.

Men moet ook hier wél onderscheiden.

Er is tweeërlei.

Dat wat in de ziel gebeurt, en 's Heeren ordinantlën die daarvoor gelden. M. a. w. de feiten, en de wetten waardoor deze feiten beheerscht worden.

Wat er gebeurt en hoe het gebeurt.

Nu worden deze wetten, deze vaste ordeningen, zeer zeker ook door ons gekend uit de Schrift, die ons immers, gelijk wij vroeger zagen, een openbaring biedt omtrent het wezen der menschelijke ziel; maar zij worden daaruit alleen niet gekend.

God en Zijn ordinantlën toch zijn voor ons kenbaar ook uit de wereld, ook uit de wereld van het zieleleven, en daarom moet bij het zoeken naar 's Heeren ordinantlën voor wat wij noemden het psychisch gebeuren, zoowel met de Schrift als met dit laatste zelf rekening gehouden.

Wij achten het daarom in dit verband hier de plaats, te wijzen op, en zoo mogelijk te verbeteren een voorstelling ook van ons onderzoek naar 's Heeren ordinantlën in het algemeen, waaromtrent wij dezer dagen door middel van de pers kennis kregen.

Op de vergadering van Moderne Theologen, die ook ditjaar te Amsterdam is gehouden en wel ditmaal in de eerste dagen van September, werd, onder meer, door Dr. C. Hille Ris Lambers de vraag ingeleid: Uit welken wortel stamt het Neo-Calvinisme onzer dagen} Wat zijn zijne vruchten; welke toekomst is er van te wachtan?

Op deze vragen en de antwoorden, die de inleider gemeend heeft er op te moeten geven, zullen wij hier, als buiten ons onderwerp liggend, niet ingaan.

Alleen zij in het voorbijgaan opgemerkt, dat de verbinding Neo-met Calvinisme, door ons niet aanvaard wordt. Neo-is „nieuw" en een nieuw Calvinisme bedoelen wij Calvinisten van dezen tijd volstrekt niet te brengen. Wat wij bedoelen is de beginselen die in het Calvinisme liggen, door te trekken en toe te passen op alle gebieden des levens.

Maar Neo-Calvinisme doet evenals neologie en neo-platonisme denken aan 'n afwijking van het oorspronkelijke. Dan, wij laten dit nu verder rusten, om ons te bepalen tot de min-juiste voorstelling die de heer Ris Lambers van onze methode heeft.

Volkomen juist teekent hij het streven van het Calvinisme in onzen tijd wanneer hij zegt, dat het op ieder levensgebied een eigen standpunt tracht in te nemen.

„Het Neo-Calvinisme onzer dagen", meent hij, „vindt zijn grond in het streven, om tegenover bedenkelijk schijnende stroomingen op ieder gebied des levens, een onaantastbaar bolwerk te zetten. Dit bolwerk meent het te vinden in de Heilige Schrift, uitgelegd naar Calvinistisch-Gereformeerde overlevering."

De terminologie is, van ons standpunt, niet boven bedenking, doch wij houden deze des te eerder terug wijl Dr. Ris Lambers voor dit ons streven een woord van waardeering — op dit stuk zijn wij niet verwend — over heeft.

„Het streven der Neo Calvinisten om op ieder levensgebied — zegt toch deze moderne Theoloog — Gods ordeningen voor menschelijke willekeur in de plaats te stellen, verdient op zichzelf waardeering."

Doch nu volgt, wat wij zouden willen noemen een bedenking ook tegen onze methode.

„Daar het (Neo-Calvinisme), echter Gods ordeningen niet zoekt uit de wereld zelf, maar uit de Heilige Schrift, naar Gereformeerde opvatting verklaard, brengt het vruchten voort, die en voor den godsdienst en voor de andere levensterreinen verwerpelijk zijn." „Is het — zoo vraagt dan de referent — niet ten eenenmale onjuist, dat men God niet zou leeren kennen uit de wereld, maar alleen uit de H. S. in bizondere openbaring.' Hoe gevaarlijk, roept hij uit, is het voor reinheid en frischheid van het zedelijk leven, dat men Gods ordinantlën vindt in de letter, in een Heilige Schrift! Ook wij zijn overtuigd, zoo gaat hij dan voort, dat daar vaste ordeningen zijn en wij protesteeren tegen juristen, die het recht voor een menschelijke instelling houden, tegen hygiënisten, die met geen moraliteit rekening houden, maar worden, zoo vraagt hij, deze Goddelijke ordeningen niet gevonden door kennis van het leven en het menschenhart? "

Voor het uitspreken van deze overtuiging en dit protest, en dat nog wel namens zijn geestverwanten, zijn wij dezen doctor dankbaar. Maar tegen de voorstelling, die hij zich gemaakt heeft van onze methode om Gods ordinantlën te vinden, moeten wij toch beslist opkomen. Het is volkomen juist, dat wij Gods ordeningen zoeken te kennen uit de Heilige Schrift. Maar het is even onjuist, dat wij ze ook niet zouden trachten te leeren uit de wereld zelve.

En daarmee doen wij niets „Neo" Calvinistisch.

Immers onze Geloofsbelijdenis zegt in haar tweede artikel dat handelt van: „door wat middel God van ons gekend wordt": Wij kennen Hem door twee middelen. Ten eerste, door de schepping, onderhoudingen regeering der geheele wereld. — Ten tweede, geeft Hij zichzelven ons nog klaarder en volkomener te kennen door Zijn heilig en Goddelijk Woord.

Juist wij Gereformeerden hebben altijd nadruk gelegd op het bestaan eener algemeene en bijzondere Gods-openbaring.

Wij kunnen thans niet weer ingaan op het begrip ordinantie, doch de ordinantlën Gods zijn voor ons niet anders dan de ordineerende God zelf.

Alle kennis van de wereld is ten slotte de kennis van de haar beheerschende wetten, en deze wetten leert men kennen door waarneming èn denken. Maar dit danken wordt beheerscht door zekere beginselen. Ware er nu geen zonde, dan zou er op het stuk der beginselen geen verschil onder de menschen zijn; dan ware er geen bijzondere openbaring noodig geweest.

De Schrift toch is om de zonde.

Aan de Schrift ontleent het christelijk denken zijn beginselen. Daarom ziet de christen-denker de „vaste ordeningen" anders dan de denker, die met het gezag der Schrift heeft gebroken.

Daarom kan, om dit met een enkel voorbeeld te verduidelijken, „de vrijzinnige" in de „Evolutie" een „vaste ordening", een „natuurwet" zien, terwijl hij, die zich gebonden weet aan de Schrift en mitsdien gelooft aan Creatie, de „Evolutie" juist verwerpt.

Wij zouden te ver vooruitgrijpen op wat eerst later in onze artikelen over 's Heeren ordinantlën, naar wij hopen, zal worden behandeld, indien wij in bijzonderheden wilden aanwijzen hoe met name het zoeken buiten de Schrift om, naar de vaste ordeningen op het gebied van het zedelij k-goede, „uit kennis van het leven en het menschenhart", allesbehalve tot algemeen geldende en allen bevredigende vondsten heeft geleid. Over de vraag wat goed en slecht is, zijn, wanneer men althans tot de verdere' afleidingen komt—ja over den maatstaf zelf van goed en slecht, ontleend aan wat voor den mensch de hoogste waarde moet hebben — zijn de moderne denkers nog altijd verre van eenstemmig.

Naar onze innige overtuigingzijn de vaste ordeningen zoo voor de natuurlijke als de zedelijke wereld slechts te kennen door waarnemen van en nadenken over die tweeërlei wereld, wanneer dat nadenken wordt beheerscht door de beginselen van de Schrift. Maar even diep zijn wij er van doordrongen, dat ook zulk nadenken niet ontslaat van de moeite eener nauwkeurige waarneming zoo van de stoffelijke dingen als van „het leven en het menschenhart". Tegen de voorstelling alsof dit anders ware sta hier ons protest.

Alvorens nu in het volgend artikel ons onderzoek aan te vangen naar 's Heeren ordinantlën voor wat er gebeurt in de menschelijke ziel, naar wat men ook zou kunnen noemen de natuurwetten voor de verschijnselen van het zieleleven, willen wij in dit artikel kortelijk saamvatten wat wij tot dusver vonden over het wezen der menschelijke ziel.

Behoort de menschelijke ziel tot het onwaarneembare, wij achten haar daarom nog niet onkenbaar. Zeker, wat ge innerlijk en onmiddellijk bij u zelf en door middel van uw zintuigen bij anderen waarneemt zijn niet dan zielsverschijnselen, zielswerkingen, zielstoestanden, maar nooit de ziel zelf.

Dat men door het waarnemen van, en het nadenken van die verschijnselen zonder meer, niet kan komen, althans niet gekomen is, tot de kennis van de ziel zelf, leert de geschiedenis der psychologie of der zielkunde, die ons verhaalt hoe er achter dit vraagteeken in den loop der tijden tal van tegenstrijdige antwoorden zijn geplaatst.

Voor ons gereformeerden is dit een gevolg van de verduistering van de menschelijke rede. Maar juist daarom stellen wij op te hooger prijs wat God ons in de Schrift, in wat deze ons verhaalt van de schepping der ziel, van haar eerste ontstaan, dus omtrent haar wezen, openbaart.

Deze openbaring vinden wij in dat merkwaardige zevende vers van Genesis twee, dat zoo terecht is genoemd de grondslag van alle ware zielkunde en waarin wij lezen : En de Heere God had den mensch geformeerd uit het stof der aarde en in zijne neusgaten geblazen den adem des levens; alzoo werd de mensch toe eene levende ziel.

Van dit gegeven der Schrift uitgaande, hebben wij toen onderzocht wat daaruit voor het wezen der ziel valt af te leiden.

Bij de verklaring van Genesis 2 : 7 bleek, dat daar sprake is van tweeërlei actie, van de vorming van het lichaam uit het stof der aarde en daarna van het in de neusgaten blazen van den adem des levens, door v; elke tweeërlei actie de mensch tot een levend wezen werd.

Hieruit dan volgde allereerst, dat de menschelijke ziel, al is zij ook op een menschelijk lichaam aangelegd, toch een van dat lichaam onafhankelijk en dus' zelfstandig bestaan kan hebben.

Zij werd door God geschapen in 'n menschelijk lichaam toen dit laatste reeds bestond.

Volgde in de tweede plaats haar geestelijke natuur.

De ziel des menschen toch is niet als die der dieren tegelijk met het lichaam op Gods scheppingswoord voortgekomen uit de aarde; zij is ook niet, als zijn lichaam, geformeerd uit het stof der aarde; maar zij heeft haar ontstaan onmiddellijk uit God, die geest is.

Zij is uit God.

Moet inen ook het „^^3/ia: ^^» in zijn neusgaten" op Gode betamelijke wijze verstaan, er ligt toch ook in opgesloten de zeer innige verwantschap der menschelijke ziel met God.

Zij is uit God, maar toch ook weer niet w een deel der Godheid, maar door Hem geschapen ; en de Schrift leert ons dat verstaan wanneer zij den mensch noemt èn „van Gods geslacht" èn „geschapen naar Zijn beeld."

Volgde verder uit de geestelijke natuur der ziel, wat wij met een term, ontleend juist aan de stoffelijke wereld, haar „eenvoudigheid" noemen, haar „niet uit deelen samengesteld zijn", — uit deze haar geestelijke natuur volgde eindelijk evenzeer hare onsterfelijkheid.

Zoo mocht dan uit wat God Zelf ons in Genesis 2 : 7 omtrent het oorspronkelijk ontstaan der ziel heeft geopenbaard, worden afgeleid, dat zij is een onstoffelijk, enkelvoudig, onsterfelijk wezen, aangelegd op een menschelijk lichaam.

Maar naast en met die gegevens der Schrift omtrent het oorspronkelijk ontstaan der ziel, valt voor de kennis van haar wezen ook nog iets af te leiden uit wat wij mogen vermoeden omtrent haar ontstaan bij de voortplanting van het menschelijk geslacht.

Het is niet een vermoeden, maar een weten, dat de menschelijke vrucht van het oogenblik der ontvangenis af door al de stadiën harer ontwikkeling in den moederschoot heen, leeft.

Wij hebben hier toch te doen met het ervaringsfeit van de levende „bevruchte eicel, "

Het is daarentegen een vermoeden, maar dat voor ons, gelijk wij vroeger vrij uitvoerig aanwezen, een hooge mate van waarschijnlijkheid heeft, dat God telkens weer in de reeds levende menschelijke vrucht een ziel schept.

Een beschouwing bekend onder den naam van Creatianisme,

Uit wat wij weten en uit wat wij als hoogst waarschijnlijk mogen vermoeden omtrent het ontstaan der menschelijke ziel bij de voortplanting van ons geslacht volgt dan allereerst, dat lichaam en ziel wèl zijn te onderscheiden.

Zij zijn niet uit elkander ontstaan,

„De ziel bouwt zich geen lichaam, "

Het lichaam, het levende lichaam is eerder dan de ziel.

De mensch bestaat uit lichaam en ziel.

Maar, zoo leerden wij, met de oude christelijke denkers, lichaam en ziel, al kunnen zij ook ieder voor zich bestaan en werken, zijn „onvolledige", „incomplete" zelfstandigheden, zoolang zij niet saam zijn verbonden tot een menschelijk wezen.

Eerst na de verbinding van een door God van eeuwigheid bepaalde ziel met een door Hem van eeuwigheid bepaald lichaam ontstaat 'n mensch.

Verder, zoo toonden wij aan, moet dan volgen uit wat ons bekend is van de levende vrucht, in verband met het Creatianisme, dat het nog ongeboren'kind aanvankelijk slechts een vegetatief leven leeft, d. w. z. zulk een wat ook de planten leven; dat het daarna, op een hooger trap van ontwikkeling, tot een animaal of dierlijk leven komt, en dat eindelijk bij genoegzame ontwikkeling „van buitenaf wordt ingezonden", door God wordt ingeschapen, de redelijke menschenziel. Wij gaven daarbij tevens de gronden aan waar op het ons beter voorkomt hier van een „verhoogd", en een „opgeheven worden" van het vegetatieve en animale levensbeginsel tot 'n menschelijke ziel, dan van een „te niet maken", en „verderven" van het lagere door het hoogere, te spreken.

Hieruit volgde dan eindelijk, voor de nadere kenschetsing van het wezen der ziel, dat zij de grond is van de levensverschijnselen.

Ons onderzoek naar het wezen der ziel bracht ons dus tot deze bepaling, dat zij is een ontstoffelijk, eenvoudig, onsterfelijk wezen, door God geschapen, aangelegd op een menschelijk lichaam en met dit lichaam vereenigd, de grond van de levensverschijnselen.

Van de vegetatieve, zooals voeding en voortplanting, en van de animale zooals gewaarwording en beweging, evenzeer als van de specifiek-menschelijke, zooals denken en willen.

Na dus een antwoord te hebben gevonden op de vraag naar het wezen der menschelijke ziel, hebben wij uiteengezet het verschil tusschen ziel en „bewustzijn". Het laatste daarbij doen kennen deels als een toestand der ziel, die wel tot de volkomenheid van haar wezen behoort, maar niet aar wezen zelf is, deels als een „grondunctie", d. w. z. jeen niet nader te verklaren errichting der ziel, waardoor zij zich-zelf ot een weten van haar werkingen en aanoeningen brengt. Daarbij is toen tevens ewezen op de groote beteekenis van het onbewuste", en op het verschil tusschen et bewustzijn en den „inhoud van het beustzijn".

Ten slotte werden bij dit onderzoek naar het wezen der menschelijke ziel nog twee vragen besproken, en wel allereerst die naar „de verhouding van if«> /en^^«^'endaarna die naar den „zetel der ziel".

Wat de eerste betreft, zagen wij, dat zij ging over de quaestie of de mensch bestaat uit lichaam, ziel en geest, dan wel uit lichaam en ziel. Alzoo uit drie, dan wel uit twee „zelfstandigheden." Wij toonden toen breedvoerig aan, dat en waarom hier niet het eerste, maar het laatste antwoord moet gegeven m.a.w. dat de mensch bestaat uit lichaam en ziel. En verder, dat men zich dan de verhouding zoo moet denken, dat de ziel, de grond, het subject des menschelijken levens is en de geest het in dat subject werkende beginsel. De „levendmakende geest" dus het beginsel van de levende ziel.

Wat de tweede vraag betreft, die naar den „zetel der ziel" in het lichaam, m. a. w. waar de ziel in het lichaam zit, moesten wij ons, na de verschillende theorieën daaromtrent gegeven, te hebben besproken, van een stellig antwoord onthouden.

Is de „wisselwerking" tusschen lichaam en ziel een feit, de nadere verklaring van dit feit ontgaat ons.

Er is veel voor zich de ziel als in het lichaam alomtegenwoordig te denken, doch dan ook weer zoo, dat zij voor het tot standkomen der vegelatieve levensverschijnselen meer aan het hart, voor die der animale en specifiek menschelijke, meer bijzonder aan de hersenen is gebonden.

Na het onderzoek over het wezen der ziel, zullen wij nu in een volgend artikel dat naar de wetten voor wat in haar plaats grijpt aanvangen; de natuurordinantien des Heeren voor het leven onzer ziel trachten natespeuren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 13 september 1903

De Heraut | 4 Pagina's

Van ’s Neeren Ordinantiën.

Bekijk de hele uitgave van zondag 13 september 1903

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken