Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Voor Kinderen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Voor Kinderen.

6 minuten leestijd

OOST EN WEST,

XVIL.

HOE HET KWAM.

Een paar dagen later vervoegde de predikant zich bij mijnheer Van Zaanden. Deze ontving den leeraar zeer hoffelijk en met al de deftigheid van een welgesteld Amsterdamsch koopman.

Het onderhoud dat de twee hadden, werd echter vrij wat bemoeilijkt doordat de Fransche predikant, naar de verkeerde gewoonte van vele vreemdelingen in Nederland, zich onze taal nog niet eens zoover had eigen gemaakt, dat hij die althans behoorlijk kon verstaan. Mijnheer Van Zaanden op zijn beurt kon — en dit was hem nu juist niet kwalijk te nemen — zich met het Fransch wel behelpen, maar ook niet veel meer. Zoo vlotte dan het gesprek niet best, tot eindelijk de heer des huizes met goedvinden van den dominee, zijn dochter te hulp riep, die van hetgeen zij op de „escole fran^oise" of Fransche school geleerd had, nog niet zooveel vergeten was. Zij kon nu als tolk dienen.

En zoo kwam dan onze koopman te weten, dat zijn bezoeker vriendelijk zijn hulp vroeg voor graaf De Raye en diens gezin. De Amsterdamsche heer toonde al dadelijk, dat althans de deugd der erkentelijkheid hem niet ontbrak. Immers hij beloofde aanstonds alles te zullen doen v/at in zijn vermogen was voor een man, aan wiens zoon hij zooveel verplicht was. Maar, zoo voegde hij er bij, er zal een zware wijs op gaan. Want zooals de dominee , wel weet, er zijn hier heel veel Franschen en ieder heeft zijn wenschen en . behoeften. Ik zal evenwel doen wat ik kan. 't Lastigst zal wel zijn den heeren aan 't verstand te brengen, dat de graaf iemand is die werkelijk alle achting en voorspraak verdient. Er zijn ook gelukzoekers, en die bederven het dikwijls voor anderen.

De predikant vertrok. Kort daarna ontving de heer Van Zaanden een brief, mede in 't Fransch geschreven, dien hij wel allerminst had verwacht. Het was namelijk een schrijven van den Deenschen gezant te Parijs, die daarin hetzelfde vroeg wat ook de predikant had uitgesproken, maar er bij voegde, dat hij het persoonlijk als een dienst en een eer zou beschouwen, zoo de heer Van Zaanden, een eerste onder de Amsterdamsche burgers, iets in deze zaak wilde doen. Daarbij voegde de schrijver een vrij lang verhaal, dat eigenlijk niet anders wts dan een lofrede op en een warme aanbeveling van den graaf.

Hoe_ die brief nu te Amsterdam kwam, en bij mijnheer Van Zaanden werd bezorgd zoo kort ra het gesprek met dien leeraar, was een, geheim, waarvan deze laatste en Karel De Raye het naaste wisten, dat ze echter niet ieder vertelden. De gezant, die, zooals we weten, veel leed droeg over al het gebeurde — waar hij onwetend mee toe had bijgedragen — had zijn best gedaan, om alles weer in orde te brengen en dat in den brief getoond.

Onze Amsterdamsche koopman achtte zich niet weinig geëerd en gevleid, dat zulk een groot heer als de Deensche gezant de moeite genomen had hem een brief te schrijven, en zijn medewerking te vragen. Bij de dankbaarheid kwam thans zijn gevleide eerzucht en hij besloot nu, al mocht het moeite kosten, eens te toonen wat hij kon als hij wilde.

Nog denzelfden dag bracht de heer Van Zaanden een bezoek bij twee zijner beste vrienden. De een was burgemeester — Amsterdam had er toen vier —, de ander schepen of raadslid. Aan beide heeren verzocht hij dringend, na hun het noodige verteld te hebben, hem te willen helpen om graaf De Raye en zijn zoon een hun passende betrekking' in het leger te bezorgen. De heeren vonden de zaak wel wat moeilijk, doch wilden toch hun vriend niet gaarne iets weigeren en beloofden er werk x& n te zullen maken. Dit deden ze dan ook, en wanneer Amsterdamsche heeren in dien tijd iets wilden, konden ze zeer veel doen. Want Holland droeg altijd zeer veel bij in de kosten van den oorlog en in Holland stond weer Amsterdam, toen een wereldstad, vooraan. Nu was 't juist een tijd van oorlog wijl Frankrijk, misnoegd over de verheffing van onzen Prins tot Koning van Engeland, ons den krijg had verklaard. Ook steunde het den onttroonden Koning Jacobus, die zijn Britsch rijk trachtte te herwinnen en deze weer bezat in Engeland en vooral in Ierland veel vrienden, die voor hem wilden werken en strijden ook. Wie ooit van den zeeslag bij kaap La Hogue heeft gehoord, weet hoe onze vlootvoogden, vereend met de Engelschen ter zee tegen de Franschen streden, terwijl Koning Willem in Ierland het leger van Jacobus overwon, 't Was een tijd van beroering en strijd, waarbij Engeland binnenlandsche vijanden zoo goed als buitenlandsche te bekampen had, en Koning Willem alle kracht en wijsheid noodig had om land en volk te behoeden.

De Amsterdamsche heeren dan schreven naar Den Haag, lieten daar door hun afgevaardigden over de zaak spreken, en het gevolg was dat, gelijk we gezien hebben, graaf De Raye bij den prins werd ontboden, die, eer hij weder naar Engeland overstak, met hem keunis wenschte te maken.

* Een half uur na het oogenblik waarop we hem hebben verlaten, stond de graaf voor den stadhouder, en aansc'aouwde hij den man die thans, naar den mensch gesproken, het lot van Eiropa in zijn hand had, maar die niettemin erkende dat alles ten slotte in Gods hand ligt. Dacht de graaf er aan, dat het deze man was, door wiens beleid en dapperheid Frankrijk was tegengehouden en teruggedrongen, toen hel in heel West Europa de opperheerschappij zocht te verkrijgen? Ja, zeker, hij wist bet wel, hij de Fransche edelman, hoe koning Lodewijk XIV geen geduchter vijand had dan dien prins van Oranje, zoo zwak van lichaam, zoo sterk van geest! Hoe had die prins niet gestreden tegen Frankrijks groote veldheeren Condé, Turenne, Luxembourg en hen, zoo niet verwonnen, toch verhinderd de zege voor zich te behalen! Maar onze graaf wist ook hoe die prins als hij tegen Frankrijk streed, daarmee de vrijheid van Europa redde, en de vrijheid des Geloofs bovenal. Wat zou er van het christendom naar de Schriften, van het Gereformeerd geloof, dat de graaf zelf aanhing, zijn geworden als Lodewijk en met hem het Pausdom had gezegepraald?

CORRESPONDENTIE.

A. H. P. te B. Voor zoover mogelijk in deze afdeeling willen we gaarne trachten aan uw verlangen te voldoen. Een weinig geduld echter.

J. van E. te U. Uw vraag is, gelijk u zelf zult inzien, voor deze afdeeling niet geschikt. Als u het verlangt, willen we er gaarne de Hoofdredactie mede in kennis stellen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 april 1904

De Heraut | 4 Pagina's

Voor Kinderen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 april 1904

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken