Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van de tien genoden.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van de tien genoden.

14 minuten leestijd

XIX.

HET TWEEDK GEBOD.

VIII.

En zij waren volhardende in de leer der Apostelen, en in de gemeenschap, en in de breking des broods en in de ge beden. Handelingen 2:42.

Is de Christelijke eeredienst, die als alle eeredienst bestaat in zekere uitwendige vormen, slechts middel om God des te beter te dienen in ons hart en ons leven, van een dienen van Hem met deze vormen kan slechts iin oneigenlijken zin sprake wezen.

Wij kunnen toch God in eigenlijken zin alleen dienen wanneer wij ons gewillig in : Zijn dienst stellen; bij Hem, als een knecht bij een heer, in dienst gaan en ons nu met ziel en lichaam beschikbaar stellen om te •doen Zijn wil.

In gehoorzaamheid onzen wil aan den Zijnen onderschikken en vragen: eere, wat wilt Gij dat ik doen zal.' (Hand 9 : 6), is de, in de godsvrucht wortelende, godsdienst in eigenlijken zin.

In dezen godsdienst nu, die heel het gebied des menschelijken levens, — zoowel het inwendige als het uitwendige of het zich in handelingen openbarende —omvat, neemt de eeredienst slechts een ondergeschikte plaats in.

Wel verre dat de eeredienst onze godsdienst zou zijn, is hij daartoe slechts een middel.

Een middel, evenals niet het éten en drinken het leven is, maar slechts middelen zijn om het bestaande leven te sterken, te onderhouden. Maar ook, evenals alleen wat leeft kan gevoed en zich voedt, zoo kan alleen hij, in wien geestelijk leven is, door den eeredienst in dat leven worden gesterkt en zich sterken.

Waar dat geestelijk leven, dat ons alleen uit den Christus toekomt, ontbreekt, is alle Christelijke eeredienst schijn.

Vast moet in ons bewustzijn staan ook met betrekking tot onzen, tot den Christelijken eeredienst, het woord van Paulus tot de heidensche Atheners: od wordt van menschenhanden niet gediend als iets behoevende, alzoo Hijzelf allen het leven, en den adem, en alle dingen geeft. (Hand. 17:25).

Hij is de Algenoegzame.

En nu wil Hij genadiglijk den dienst van menschen gebruiken.

Ze maken tot Zijn medearbeiders, door met Zijn werk in te werken in 's menschen werk.

Zooals, wanneer 's menschen hand in den meest ruimen zin de aarde „bebouwt", haar bearbeidt, verzorgt en daardoor al meer ontdekt en in zijn dienst stelt de krachten en schatten, die God er in heeft verborgen, zoodat alle uitvindingen dan ook slechts ontdekkingen zijn.

Zooals, wanneer 's menschen geest zijn lager zieleleven en zijn lichaam aan zich onderwerpt en in zijn dienst stelt, of ook zijn medemenschen, door opvoeding in den ruimsten zin, behulpzaam is om dit te doen.

Maar in dit tweeërlei dienen van uw God èn door uw inwerking op de aardsche èn door die op de menschelijke natuur is het toch geen dienen van Hem als iets behoevende.

Aan Zijn volzaligheid wordt daardoor niets toegebracht.

Niet God, maar het schepsel wordt daardoor verrijkt, veredeld.

En evenzoo wil nu God genadiglijk aannemen de hulde uwer aanbidding in den geest, en zoekt Hij zelfs dezulken die Hem alzoo aanbidden (Joh. 4 : 23), maar oneindig minder nog dan waarlijk menschelijke grootheid ook maar iets vermeerderd wordt doordat andere menschen haar erkennen, brengt uw aanbidding iets toe aan de grootheid van uw God.

Al wat gij uw God geven kunt is uw hart; de liefde van uw hart; en als gij dat doet stelt gij ook uw lichaam tot een levende en Gode welbehagelijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst (Rom. 12:1).

Maar zoo verstaat ge dan ook, dat gij met uw eeredienst, met de uitwendige vormen waarin deze bestaat. God in den letterlijken zin xA& t dient.

Uw God heeft er, om het eens kras uit te drukken, geen voordeel van.

Hij heeft niet noodig het bewegen uwer lippen bij uw gebed; het luisteren van uw oor bij het hooren naar Zijn woord; het sprenkelen van het water of het uitdeelen van brood en wijn bij het sacrament. Niet noodig uw opgaan tot en uw neerzitten in de vergadering van Zijn volk; niet noodig die vergadering zelf.

Hij als niets behoevende maar alles gevende.

Gij dient met uw kerkgang, met uw huiselijke godsdienstoefening, met uw knielen voor Hem in de eenzaamheid, met uw heilige oefeningen, uw God niet.

Van een dienst, een cultus in den eigenlijken zin, kan bij dat alles dan ook geen sprake zijn. «

Alleen omdat deze uitwendige handelingen zich richten op God, dus in enger zin een religieus karaker dragen, eischen ze zekeren eerbied bij hare verrichting; zekere oplettendheid of opmerkzaamheid. Ook onder menschen toont de mindere aan den meerdere zijn eerbiedookinde wijze waarop hij dien uit.

Een kind groet of spreekt zelfs maar zijn ouders anders aan dan zijn makkers; een knecht zijn patroon anders dan zijn medearbeiders; een leerling zijn meester anders dan zijn medediscipelen.

Zij doen het met meer oplettendheid; met minder achteloosheid, met meer zorg.

Er spreekt een zekere eerbiedige opmerkzaamheid uit.

En alleen in dien afgeleiden, en oneigelijken zin kan men nu ook van een dienen van God met of bij onzen eeredienst spreken.

Nu bestaat er echter tweeërlei eenzijdigheid op het stuk van den Christelijken eeredienst.

De eerste maakt den eeredienst tot godsdienst in den eigenlijken zin.

Velen vereenzelvigen den godsdienst met het kerkgaan, het bijbellezen, het zingen van een psalm, het uitspreken van een gebed; met den eeredienst dus.

Van betrouwbare zijde hoorden wij hoe een gereformeerde vrouw, omdat zij geen tijd had in de week Gods Woord te lezen des Zondags geregeld een-en-twintig hoofdstukken achter elkaar las. Het tekort in „godsdienst" gedurende de zes werkdagen werd op deze wijze dan weer aangevuld op den Rustdag. En zelf lazen wij in een roomsch blad, hoe zich te Amsterdam een vereeniging heeft gevormd om niet slechts hen, die gewoon zijn de Mis te verzuimen tot haar bijwoning aan te sporen, maar wier leden zich ook verbinden, door het bijwonen van een grooter aantal Missen, het tekort in „godsdienst", ontstaan door het verzuim der anderen, te dekken; Gods eer te herstellen.

Evenals bij het inhalen op den Zondag van het in de week verzuimde bij bellezen, hebben wij hier te doen met die beschouwing volgens welke de uitwendige religieuze handeling op zichzelf reeds godsdienst is. Een beschouwing, die ons toeschijnt in strijd te wezen met het woord van Christus in Joh. 4 : 23 over de geestelijke aanbidding.

Maar vlak hier tegenover staat de andere eenzijdigheid volgens welke alle eeredienst eigenlijk overbodig zou wezen; de uitwendige religieuze handelingen onnoodig zijn.

Zoo vindt men het in die overgeestelijke kringen, waar men niet kerkt omdat men genoeg heeft aan het inwendig woord; bij die overgeestelijke lieden, die nooit tot het Heilig Avondmaal komen, omdat zij Avondmaal houden met de Heere in hun hart.

Een beschouwing, die in strijd is met het tweede gebod, waarin God de Heere Zijn ordinantie ons oplegt Hem ook in uitwendige handelingen te vereeren en wel op de door Hem in Zijn Woord bevolen wijze.

Deze tweeërlei eenzijdigheid nu ontgaat men alleen, wanneer men in den eeredienst niet meer, maar ook niet minder ziet dan een middel tot sterking der religie; tot sterking van de godsvrucht en van den godsdienst. Is de heilige liefde wortelend in het oprechte geloof, het beginsel waaruit het leven niet alleen naar sommige, maar naar al de geboden Gods moet opkomen, hij in wiens hart deze heilige liefde is, zal zijn God ook willen gehoorzamen in het oplettend gebruik dezer door Hem bevolen middelen.

Dat het Gods wil is, dat er ook onder het Genadererbond in zijn nieuwe bedeeling, dat er ook bij de Christelijke religie een Christelijke eeredienst zij, volgt reeds uit het „natuurlijke" of blijvende bestanddeel van het tweede gebod,

In aard en wijze moge hij al verschillen, maar eeredienst behoort evenals religie tot het wezen van den mensch.

En wij zien ook uit de Schrift hoe de Christus door de inzetting zoo van den heiligen Doop en het heilig Avondmaal als van de prediking des Woords en het leeren aan de zijnen van het: Onze Vader, nog vóór hij bij zijn l!.„.i< »riVcidrt onze aarde verliet, zekere vormen van eeredienst heeft geordineerd.

Van de eerste pinkstergemeente te Jerusalem, — op den dag dat in de opperzaal het groote feit had plaatsgegrepen van het: „zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest, " reeds vermeerderd met drie duizend, — lezen wij dan ook, dat een nieuwe wijze van eeredienst door haar werd geoefend.

In Handelingen twee vs.. 42 toch vinden wij: En zij waren volhardende in de leer der Apostelen, en in de gemeenschap en in de breking des broods en in de gebeden.

In dit vers nu worden ons enkele gebruiken in den eeredienst der Jerusalemsche geloovigen geteekend.

Zij, de eerste Christenen, volhardden in de leer, d. w. z. in het onderwijs der Apostelen. Deze waren hun leeraars, die hen onderwezen in Gods woord, in Zijn openbaring, gelijk zij die zelf kenden èn uit hun Bijbel: het Oude Testament met zijn Wet, de Profeten en de overige Schriften, èn uit wat Christus hun had geleerd en waarin zij door den Heiligen Geest al dieper werden ingeleid.

De Nieuw-Testamentische Schriften toch bestonden toen nog niet, en alleen het Oude Testament, verbonden met de levende stem der Apostelen, was de norm of het richtsnoer voor het geloof der Gemeente.

Na te hebben vermeld hoe ze ook volhardden in de gemeenschap, d. i. wat Petrus later in zijn brief zal noemen de „broederschap" (i Petri 2 : 17 en 5 : 9) en waarmee hij dan bedoelt de geestelijke verwantschap van Christus geloovigen als kinderen, door en in hem, van den hemelschen Vader, — zegt Lukas ons hier verder dat zij volhardden in de breking des broods.

Hierbij hebben wij te denken aan gemeenschappelijke avondmaaltijden, zooals Jezus ze ook met de zijnen had gehouden en waar wij o. a. van lezen in het verhaal der Emmaus-gangers: n het geschiedde als Hij met hen aanzat, nam Hij het brood, en zegende het, en als Hij het gebroken had, gaf Hij het hun. (Lukas 24 : 30). Droegen deze maaltijden, waartoe ieder zijn gaven bracht, het karakter van een „liefdemaal", zij werden evenals bij den laatsten maaltijd, die Jezus vóór zijn sterven met zijn discipelen had gehouden, met het toen door hem ingezette „heilig Avondmaal", tot zijne gedachtenis, besloten.

En eindelijk wordt hier verhaald van de eerste Christenen, dat ze volhardden in de gebeden, waaronder wij zoowel nieuwe christelijke gebeden, als Israels Psalmen en de gewone joodsche gebeden die betrekking hadden op den Messias en zijn rijk, hebben te verstaan.

Deze enkele trekken geven ons zeker nog geen volledig beeld van den Christelijken eeredienst. Zij kunnen aangevuld door wat ons in Hand. 2 : 41 omtrent den Doop; door wat ons in Matth. 26:30: n als zij den lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar den Olijfberg — omtrent de zede in Jezus' kring van het gemeenschappelijk gezang, wordt vermeld.

Dan, zooveel blijkt uit het bericht van Lukas in Handelingen twee vs. 42, dat er van den eersten Christelijken Pinksterdag af, in de Gemeente des Heeren een eigen eeredienst, een eigen wijze van uitwendige Godsvereering is geweest.

En nu weten wij b. v. reeds uit het samen opgaan van Petrus en Johannes naar den tempel, omtrent de ure des gebeds, (Handelingen 3:1); uit Petrus hechten aan de Joodsche spijswetten (Hand. 10:14); en uit het vasthouden der Joden-Christenen aan de 'Besnijdenis, dat de Gemeente te Jerusalem ook nog deel nam aan den Joodschen eeredienst, doch ook hierin heeft de Heilige Geest de Gemeente al dieper ingeleid en tot een breken met deze, in den tijd der vervulling, zinledig geworden vormen gebracht; de specifiek-Christelijke eeredienst tot al rijker ontwikkeling doen komen.

Verstaat men onder Christelijken eeredienst gewoonlijk kerkedienst of, zooals men het ook wel uitdrukt, publieken eeredienst, dit is in zooverre min juist, wijl het begrip van Christelijken eeredienst ruimer is en dus meer omvat. Immers ook de religieuze handelingen van den Christelijken huisvader in zijn gezin en van den Christen in de eenzaamheid moeten tot den eeredienst gerekend.

En zoo is er dus niet alleen een publieke of kerkelijke, maar oók een private eeredienst, welke laatste dan weer te onderscheiden is als een huiselijke en een individueele. Ja, ook waar een gezelschap van vromen bijeen is om met elkander te bespreken Gods Woord en de bevindingen van het geestelijk leven, om saam te zingen en te bidden, draagt wat bij dit alles plaatsgrijpt wel degelijk het karakter van eeredienst. En evenzeer is het openen van een vergadering met 'n Christelijk gebed, al of niet gevolgd door het lezen van een gedeelte der Schrift; is de godsdienstoefening waarmee onder christenen op een fabriek, een werkplaats of school des morgens de arbeid wordt aangevangen, een Christelijke eeredienst.

Doch, publiek of privaat altijd bedoelt of moet men althans bedoelen met dezen Christelijken eeredienst: de sterking van de religie, van de godsvrucht en den godsdienst.

Die met deze handelingen zelf zijn God meent te dienen, verwart tot zijn eigen schade religie en eeredienst en bedriegt zichzelf wanneer hij zich alleen op grond van zijn nauwgezet waarnemen van zijn eeredienst reeds voor een godvruchtige houdt.

Valt nu zoowel de publieke als de private saam onder het algemeene begrip vaneeredienst, toch is er tusschen beide een soortelijk verschil.

De publieke of kerkelijke eeredienst heeft een gansch eigenaardig karakter, dat elke andere eeredienst mist.

Waar de geloovigen kerkelijk saamkomen is het heel iets anders, dan wanneer zij niet-kerkelijk saamvergaderd zijn.

En ook is de eeredienst van den Christen in de eenzaamheid gansch iets anders dan wanneer hij als lid der kerk aan haar eeredienst deelneemt.

Wat het eerste betreft — het verschil tusschen het particulier saamkomen en het kerkelijke vergaderen van geloovigen — hier ligt alles aan het ambt.

En dit nu kan' niet duidelijker worden gemaakt dan het gedaan is door Dr. Kuyper wanneer hij in zijn Encyclopaedic der Heilige, Godgeleerdheid, Deel drie, p. 514, schrijft: „Het is er mede als met het onderscheid tusschen leden van de rechtbank, die op een gezelligen avond bij elkaar zijn, en een debat houden, dat door een hunner wordt ingeleid, en anderzijds diezelfde leden van de rechtbank, den dag daarop in openbare zitting hun zetels innemende, en nu recht sprekende in naam des Komngs, onder de leiding en bij monde van den door den Koning aangewezen president. Immers zulk een vergadering der geloovigen wordt op wettige wijze door het Kerkbestuur saamgeroepen. Alle leden der kerk hebben recht, en zijn verplicht te verschijnen. Alleen wie niet komt, ontneemt daardoor aan de vergadering haar wettig karakter niet. En in deze, aldus wettig saamgeroepen vergadering, verschijnt een ieder in zijn qualiteit, de geloovigen in hun qualiteit van opgenomenen in het Genadeverbond en de verschillende ambtsdragers, bovendien, om in naam van den Koning der kerk te doen wat hun bevolen is."

En wat het tweede betreft, het verschil tusschen het deelnemen van den geloovige aan den publieken eeredienst en zijn religieuze handelingen in de eenzaamheid, zouden wij dat willen vergelijken met het verschil tusschen het deelnemen van den soldaat aan de exercitie van het leger, dat in den dienst des Konings staat, en de wapenoefeningen die hij voor zich afzonderlijk houdt.

Het eigenaardig kenmerk van den kerkelijken eeredienst tegenover den particulieren, dat onder meer uitkomt in de bediening van het Woord tegenover het spreken van 'n stichtelijk woord; in het ambtelijk opleggen van den zegen tegenover het met en voor elkaar afbidden van 'n zegen; zal des te helderder voor het bewustzijn worden, naarmate men inzicht heeft in het karakter der kerk als instituut.

In een volgend artikel, waarin wij 's Heeren ordinantiën voor den publieken eeredienst hopen te onderzoeken, om daarna die voor den privaten na te speuren, zal dit eigenaardig kenmerk nog nader worden aangetoond.

Hier zij tenslotte nog gewezen op een onderscheiding, die onze oude schrijvers maakten bij den publieken eerdienst tusschen, wat zij noemden: cultusprimarius en secundarius.

Wat zij daarmede bedoelden is dit.

Alle cultus, in den zin van Christelijken eeredienst, is niet dan middel tot sterking van de religie; van de gemeenschap der geloovigen met hun God. De daartoe door Hem ingezette middelen zijn de bediening van het woord, van de Sacramenten, en de dienst der gebeden.

Het deelnemen hieraan nu is wat zij noemden den cultus primarius of voornaamsten eeredienst.

Al wat daarentegen slechts strekt om de instandhouding of het recht gebruik dezer middelen te bevorderen is wat zij cultus secundarius of eeredienst van den tweeden rang noemden.

En daartoe rekenden zij dan de verkleuring van personen tot de verschillende ambten en hun bediening van het hun opgedragen ambt naar zekere vaste regelen; de werkzaamheden der kerkelijke vergaderingen; het toezicht op de leer; het in acht nemen van zekere ceremoniën of kerkelijke gebruiken; het vaststellen van vaste tijden voor de samenkomsten der geloovigen; de oefening van kerkelijk opzicht en tucht.

Het kerkelijk saamleven toch eischt als alle saamleven een zekere regeling, zonder welke geen duurzame orde mogelijk is.

Ook voor onzen kerkedienst toch geldt het woord van den Apostel: aat alle dingen eerlijk, d. i. welvoegelijk, en met orde geschieden, (i Korinthe 14:40).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 mei 1904

De Heraut | 4 Pagina's

Van de tien genoden.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 mei 1904

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken