Bekijk het origineel

Gravamen tegen. Art. XXXVI.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Gravamen tegen. Art. XXXVI.

14 minuten leestijd

Nu de Utrechtsche Synode allengs in het zicht komt, worden de verschillende rapporten en adviezen aan de Kerken toegezonden. Het advies in zake de herziening van de Kerkenorde ging voorop. Thans verscheen het advies in zake het bekende gravamen tegen Art. 36 der Belijdenis. En ook dat in zake de verzorging der emeritipredikanten, weduwen en weezen is reeds versonden.

Hoe gaarne we ook elk dezer adviezen in zijn geheel aan onze lezers zouden meêdeelen, toch verbiedt dit onze plaatsruimte. Het advies in zake de herziening der Kerkenorde bepaalde zich, na korte motiveering van het door de deputaten ingenomen standpunt, tot meêdeeling van de wijzigingen, die noodzakelijk werden geacht. Volledige weergave was hier mogelijk. Maar de zaak staat geheel anders met het advies in zake het gravamen tegen Art. 36. Dit advies dijde uit tot een brochure van een vijftig bladzijden; het geeft in beknopten vorm de vrucht van een nauwkeurig exegetisch en historisch onderzoek naar de beteekenis van de gewraakte zinsnede; het toetst dit deel onzer belijdenis aan Gods Woord en de beginselep van het Calvinisme: en het geeft in extenso de wijzigingen, door de buitenlandsche Gereformeerde Kerken met het oog op een gelijksoortig gravamen in haar belijdenis aangebracht. We moeten daarom volstaan met alleen de conclusies uit dit rapport hier over te nemen:

Het resultaat van hun onderzoek kort saamvattende meenen uwe deputaten tot de volgende conclusies te mogen komen:

Vooreerst dat de gewraakte zinsnede blijkens de bewoordingen van de confessie zelve in verband met het getuigenis der historie onzer eigen kerken, de overeenstemming der gereformeerde belijdenisschriften van alle landen en het algemeen gevoelen der gereformeerde theologen, metterdaad bedoelt, dat de Overheid met middelen van dwang en geweld de afgoderij en den valschen godsdienst, waaronder in de eerste plaats de Roomsche kerk verstaan wordt, zal tegengaan en het rijk van den Antichrist zal te gronde werpen.

Ten tweede dat dit gevoelen, alsof de Overheid geroepen is om met straf ketterij en valschè of minder zuivere religies tegen te gaan, niet alleen niet gedekt wordt door de Heilige Schrift, maar in strijd is met wat Gods Woord ons leert omtrent het onderscheid tusschen de bedeeling van Oud en Nieuw Testament, het geestelijk karakter van Christus' Koninkrijk en het verbod om in den dienst van dit Koninkrijk van andere dan geestelijke wapenen zich te bedienen.

Ten derde dat dit gevoelen, dat zijn oorsprong vindt deels in Augustinus' opvatting van de roeping der Overheid om ketters te straffen, deels in het oude Byzantijnsche recht, dat des tijds heel de rechtsbeschouwing beheerschte, wel verklaarbaar is bij onze Vaderen, omdat het de algemeene geloofsovertuiging was van hun tijd, en omdat de religieuse worsteling dier dagen tegelijk een politiek karakter droeg, maar toch in strijd is'met de groote beginselen, die dóór Gods genade het Calvinisme zelf verwaardigd is te verkondigen, met name de-vrijheid van ieder om God naar zijn geweten te mogen dienen; de onafhankelijkheid en autonomie der Kerk, die alleen aan Christus heeft te gehoorzamen, en de roeping der Os^erheid om zoowel deze vrijheid der conscientie, als deze autonomie der Kerk te eerbiedigen en te erkennen.

Ten vierde dat die Gereformeerde Kerken, die voor een gelijk gravamen stonden tegen hare Confessie als onze Kerken, dan ook eenparig hebben geoordeeld door wijziging of nadere verklaring aan dat bezwaar te moeten te gemoet komen; een feit dat te zwaarder weegt, omdat dit niet geschied is door Kerken, die allengs van de. belijdenis onzer vaderen waren losgeraakt, maar die integendeel haar hartelijke en oprechte instemming met deze Belijdenis volmondig hebben uitgesproken en haar overigens ongeschonden wenschen te bewaren.

en ten vijfde dat deze verandering van inzicht omtrent hetgeen God de Heere in Zijn Woord ons geopenbaard heeft aangaande de roeping der Overheid, — mits hierbij scherp onderscheiden worde tusschen het valsche begrip van neutraliteit, dat in religieus indifferentisme zijn oorsprong vindt, en de erkenning, dat de Overheid uit eerbied voor de Kerk des Heeren en de conscientie harer onderdanen zich van alle inmenging in zaken der religie te onthouden heeft, — te erkennen en te eerbiedigen is sis de vrucht van de leiding des Heiligen Geestes, die naar de belofte door Christus aan zijn discipelen geschonken, hen in alle waarheid leiden zou.

Het is op deze gronden, dat uwe deputaten u adviseeren het gravamen der bezwaarde broederen tegen de bedoelde zinsnede in fle Confessie gegrond te verklaren en zoodanige maatregelen te nemen als noodig zullen zijn om hunne conscientiën te ontlasten.

Terwijl deputaten ook hebben aangewezen, hoe de Synode, indien zij het gravamen wettig oordeelde, het bezwaar uit-den weg kon ruimen :

Hoewel de Synode aan deputaten niet uit drukkelijk heeft opgedragen haar voorstellen te doen, op welke wijze aan dit gravamen tegemoet kan worden gekomen, wanneer de Synode het wettig oordeelt, meenen zij toch niet tegen de bedoeling der Synode te handelen, wanneer zij ten slotte ook over die vraag u dienen van advies

Zooals uit de hierboven meegedeelde beslissingen der buitenlandsche Gereformeerde Kerken bleek, heeft men hiertoe vierderlei weg ingeslagen; enkele Kerken hebben een nieuw geloofsartikel geformuleerd of enkele uitdrukkingen-in de Confessie gewijzigd; andere hebben de woorden, waartegen bezwaar bestond, uit de Confessie geschrapt; nog andere hebben aan de Confessie een nadere verklaring toegevoegd, waardoor het bezwaar ondervangen werd, en een laatste groep heeft in de onderteekenings formule een clausule opgenomen, waardoor de moeilijkheid uit den weg werd geruimd. Feitelijk laten deze vier middelen zich tot twee terug brengen: wijziging der Confessie of nadere verklaring, hoe de Confessie moet worden opgevat.

Het laatste middel, dat vooral door de Kerken in Engeland en Schotland is toegepast, heeft zeker het voordeel, dat daardoor de Confessie zelve ongeschonden blijft. De Confessie behoort niet alleen aan onze Kerken toe, maar is het gemeen bezit van alle Gereformeerden in den lande, en zoolang de kerkelijke verdeeldheid het onmogelijk maakt, om met medewer king van alle voorstanders der Gereformeerde religie de Confessie te herzien, gevoelen uwe deputaten al het bezwaar dat er in ligt, indien een deel van de belijders der Gerefwmeerde religie in de Confessie wijzigingen aanbrengt.

Hierbij komt in de tweede plaats, dat het bezwaar door een nadere verklaring betrekkelijk gemakkelijk te ondervangen zou zijn. Wanneer de Synode bijv. verklaarde dat zij de woorden: „dat het ambt der Overheid is om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valschen godsdienst en het rijk des Antichrists te gronde te werpen" niet verstond of bedoelde in dien zin, dien de opstellers der Confessie en de Kerken, die de Confessie hebben vastgesteld, daaraan gehecht hebben, alsof de Overheid dit doen moest door middelen van dwang of geweld, maar aldus dat de Overheid door de prediking van het Evangelie vrij te laten en te bevorderen mede arbeiden moest om de afgoderij en den valschen godsdienst te weren en uit te roeien en het rijk van den Antichrist te gronde te werpen, dan zou daarmede zonder eenige krenking der eerlijkheid en waarheid, die vooral aan de Kerk van Christus niet voegen zou, het bezwaar tegen deze uitdrukking uit den weg zijn geruimd.

Toch meenen uwe deputaten na ernstige overweging u dit middel niet te mogen aanraden.

Een nadere verklaring van eenig betwist deel der Confessie is zeer zeker geoorloofd en door onze Vaderen, zoowel op de Synode te Dordt bij den strijd over de praedestinatie, als later in de zoogenaamde Walchersche artikelen wel gegeven, maar dan was het doel steeds om hetgeen in de Confessie beleden werd nog scherper en pricieser uit te drukken en alle misverstand te voorkomen.

Dient zulk een nadere verklaring echter om aan de woorden van de Confessie eene i.itlegging te geven^ die lijnrecht in strijd is met de bedoeling onzer Vaderen, uit wier handen wij deze Confessie ontvangen hebben, dan wordt daarmede een zeer gevaarlijke weg voor de toekonst geopend. Rees toch in later tijd op veel ingrijpender punten bedenking tegen de Confessie, dan zou men op dit precedent zich kunnen beroepen, om door een soortgelijke verklaring het bi zwaar te ondervangen. In schijn zou de confessie aldus ongeschonden worden bewaard, maar feitelijk haar inhoud worden prijsgegeven. Het is om dit gevaar te voorkomen, dat deputaten de Synode moeten afraden dezen weg in te slaan.

En nog veel minder kunnen zij u aanraden in de onderteekeningsformule een clausule in te lasschen, waardoor instemming met dit stuk der belijdenis niet meer geëischt wordt. Behalve het bezwaar toch, dat een onderteekeningsformule, die op één punt den band aan de Confessie doorsnijdt, of instemming met hetgeen de Confessie belijdt, facultatief laat, als precedent het zelfde gevaar oplevert, waarop uwe deputaten u boven wezen, achten zij dat daardoor het karakter der Belijdenis als uiting van het geloof der geheele Kerk op zeer bedenkelijke wijze zou ondermijnd worden.

Het is daarom dat uwe deputaten het beter oordeélen, dat de Synode niet door een min of meer willekeurige verklaring van de Confessie of door een beperkende clausule in de onderteekeningsformule, maar door wijziging van de Confessie' zelve het bezwaar tot oplossing brenge, gelijk ook de Gereformeerde Kerken in Amerika zulks gedaan hebben.

Het bezwaar, dat de Confessie, die gemeen bezit is van alle Gereformeerden in ons land, niet gewijzigd mag worden, zoolang niet alle Gereformeerden daartoe mede kunnen werken, kunnen uwe deputaten niet deelen. Ware het juist, dan zouden, zoolang de vereeniging van alle Gereformeerden in ééne Kerk niet tot stand is gekomen, alle gravaminr-onopgelost moeten blijven en daarmede het primordiale recht van elk geloovige, om op grond der H. Schrift bedenkingen tegen de confessie te mogen inbrengen, waarover de kerk te oordeélen heeft, te niet worden gedaan.

Indien dus wijziging der Confessie de meest gewenschte weg is, dan kan dit geschieden èf door een nieuwe tormuleering in de plaats van de oude te stellen 6f door de gewraakte woorden te schrappen.

Het eerste achten uwe deputaten niet raadzaam om de reeds vroeger opgegeven redenen-De verschilleede formuleeringer, die de Amerikaansche Kerken kozen, toonen hoe weinig overeenstemming nog op dit punt bereikt is, en hoe moeilijk het valt hier zoo volledig te zijn, dat alle misverstand buitengesloten wordt.

Zoo blijft dan alleen dit middel over, dat de Synode de bedoelde woorden van onze Confessie schrappe of desnoods tusschen twee haakjes plaatse, en in een noot verklare, waarom deze woorden door de Gereformeerde Kerken thans niet meer beleden worden.

De bedenking, dat de Synode door deze woorden te schrappen den indruk zou kunnen geven, alsof volgens haar de Overheid geen roeping heeft tegenover afgoderij en valschen godsdienst en niet desnoods met straf zou mogen optreden tegen valsche religies als bijv. de Anabaptisten of Mormonen, die de zedewet aantasten of revolutionnaire beginselen in toepassing brengen, achten uwe deputaten niet juist. Het ingediende gravamen toch richt zich uitsluitend tegen deze uitspraak der Confessie, dat de Overheid met dwang en geweld deze taak heeft te volvoeren en dit doen moet tegenover alle afgoderij en valschen godsdienst als zoodanig. Door de bedoelde woorden te schrappen (die blijkens het getuigenis der historie dit metterdaad bedoelen) verklaart de Synode alleen, dat zij zulk een optreden van de Overheid met straf en dwang niet conform den Woorde Gods acht. En wat de taak der Overheid betreft om met geestelijke wapenen d. w. z. door de prediking des Woords enz. tegen de afgoderij en den valschen godsdienst op te treden, zoo ligt dit reeds voldoende uitgedrukt in de woorden, die onveranderd in de Confessie blijven staan, dat de Overheid „het Koninkrijk van Christus Jezus heeft te doen vorderen en overal het Woord des Evangelies heeft te doen prediken." Alleen met deze geestelijke wapenen behoort de Overheid de afgoderij en den valschen godsdienst te bestrijden en te wederstaan.

Bovendien bestaat er naar de overtuiging uwer deputaten geen noodzakelijkheid om zulk een uitspraak over de taak der Overheid tegenover afgoderij en valschen godsdienst in de Confessie op te nemen of te behouden.

Uwe deputaten achten het dan ook opmerkelijk, dat Calvijn in de door hem opgestelde geloofsbelijdenissen vermeden heeft over dit punt een besliste uitspraak op te nemen. Bij een zoo scherpzinnig denker als Calvijn kan hier van vergeten geen sprake zijn. Daarvoor is elk woord in zijn Confessies te wèl gewogen en te ernstig overdacht. Bovendien bestonden in Calvijn's dagen reeds tal van Confessies, die over dit punt zich uitvoerig uitspraken en waren deze Calvijn zeker niet onbekend.

Voorts wijzen zij er u op, dat ook onze Gereformeerde kerken op de Synode te Dordt in 1619, toen zij een nieuw artikel hebben opgesteld, waarin over de roeping der Overheid tegenover de kerk gehandeld werd (att. 36 der kerkenorde), hierin wel verklaard hebben dat het „ambt der christelijke overheden is den Heiligen Kerkedienst in alle manieren te bevorderen, denzelven met haar exempel den onderdanen te recommandeeren en aan de Predik

kanten, Ouderlingen en Diakenen in allen ï^oSlenden noSd de hand te bieden jnb, Kare ffoede ordening te beschermen , maar aai S den plLht der overheid om de afgoderij en dL valschen godsdienst te weren en uit te roeien, in dit artikel niet op nieuw hebben uit gesproken.

Weglating van de bedoelde woorden schijnt wegiaung V genoemde gronden dus r'^me'Ta beveCwSdig. Terwijl de Sy S e om alle misverstand af te snijden na-ZkkS zou kunnen verklaren, dat zij me £ schrapping dezer woorden alleen bedoelt dat 3e Overheid niet, gelijk onze Vaderen meenden, Zt middelen van geweld de afgoderij en valchen godsdienst heeft te weren en uit te roeien, maar dat zij daarom geenszins ontkent, dat de Overheid de roepicg heeft om door de prediking des Evangelies te bevorderen, de afgoderij en den vals^^en godsdienst tegen te gaan.

Aan de wijsheid uwer Synode en aan de leiding des Heiligen Geestes laten uwe deputaten het over om in deze gewichtvolle zaak een zoodanige beslissing te nemen, als het meest strekken zal tot welzijn der kerken en tot eere van Zijnen heiligen naam.

Het verheugt ons, dat deze zaak, die van de Middelburgsche Synode af sleepende was, thans rijp is geworden voor discussie op de Synode. Niemand zal toch ontkennen, dat het vraagstuk, voorzoover dit in zulk een rapport mogelijk was, thans voldoende is toegelicht. Onze kerken beschikken nu over alle gegevens, die haar tot een oordeel in staat kunnen stellen. En de goede ontvangst, die dit advies aireede in de kerkelijke pers vond, geeft recht om te onderstellen, dat het ook bij de kerken op geen al te ernstige bezwaren stuiten zal. Wijziging in de Belijdenis behoort, zoo mogelijk, met eenparigheid te geschieden.

Het schijnt ons een goede gedachte, dat deputaten dit advies publiek verkrijgbaar hebben gesteld. Het geldt hier toch een zaak, die niet alleen den kerkeraden, maar elk lid der gemeente aangaat. En bovendien zijn er ook buiten onze kerken tal van personen, die met belangstelling den loop van dit gravamen volgen en gaarne kennis zullen nemen van hetgeen de door de Synode benoemde deputaten daaromtrent hebben geoordeeld.

Met het advies der deputaten^ kan ook onze redactie zich van harte vereenigén. Al hadden wij liever gewild, dat de revisie van Art. 36 geleid had .tot formuleering van een nieuw geloofsartikel, we erkennen, dat deputaten door hun mandaat gebonden waren aan het ingediende gravamen en het niet voorzichtig zou geweest zijn, thans een meer ingrijpende wijziging voor te stellen.

Ten slotte veroorloven we ons nog de opmerking, dat . het bezwaar door Prof. Noordtzij in De Bazuin en door Dr. Wagenaar in de Zuider Kerkbode geopperd, dat de deputaten door de woorden: „dat de Overheid de roeping heeft om door de pre diking des Evangelies te bevorderen, de afgoderij en den valschen godsdienst tegen te gaan, " den schijn op zich laden, alsóf zij financieele" ondersteuning uit de-staatskas voor de predikantstractementen en den dienst der zending niet ongewenscht achten, orjuist is. De bedoelde woorden zeggen niets anders, dan hetgeen onze confessie zelve belijdt, dat het ambt der Overheid is, „om de hand te houden aan den heiligen kerkdienst, het Koninkrijk van Christus Jezus te doen vorderen, en het Woord des Evangelies overal te doen prediken." Gelijk Prof. Noordtzij terecht opmerkt, hebben onze vaderen, die dit beleden, op grond der Schrift even beslist vastgehouden, dat de gemeente zelve te zorgen had voor de verzorging harer dienaren, zoodat noch historisch noch exegetisch uit deze woorden mag worden afgeleid, dat de Overheid van Gods wege geroepen zou zijn, deze taak over te nemen. Intusschen zal er bij deputaten wel geen bezwaar bestaan, om tot wering van alle misverstand, mocht dit noodig blijken, hun conclusie alsnog te verduidelijken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 maart 1905

De Heraut | 4 Pagina's

Gravamen tegen. Art. XXXVI.

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 maart 1905

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken