Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van de tien geboden.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van de tien geboden.

18 minuten leestijd

LIII.

HET DERDE GEBOD.

XXIV.

En gij zult niet valschelijk bij Mijnen Naam zweien, want gij zoudt den Naam uws Gods ontheiligen ; Ik ben de Heere! Leviticus 19:12.

Van ons onderzoek naar den geestelijken zin van het derde gebod brengt dit artikel het slot.

Wij hebben vroeger gevonden hoe God ons gebiedt Zijn Naam in het saamleven met onze medemenschen godvruchtig aan te roepen en wel: om het goddelooze te keeren in den heiligen vloek; om trouw en waarheid te bevestigen in den eed; om een beslissing te krijgen in het lot.

Bij de tegenwoordige bespreking van de negatieve zijde van het derde gebod of van wat God ons daarin verbiedt, moest alzoo gehandeld van wat met dit drieërlei aanroepen een tegenstelling vormt, en alzoo allereerst van den onheiligen vloek.

Dit nu is geschied in ons vorig artikel dat van de profanatie in enger zin handelde en waarbij toen zoowel \\& X onheilig vloeken als ook het onbedachtzaam aanroepen van Gods Naam, en de blasphemie QÏgodslastering zijn ter sprake gebracht.

Thans rest ons nog te spreken van wat een tegenstelling vormt met het godvruchtig aanroepen van Gods Naam: om trouw en waarheid te bevestigen in den eed; en om een beslissing te verkrijgen in het lot.

In dit artikel moet het alzoo gaan over het misbruik van den eed en het misbruik van het lot, en dat bepaald uit een religieus oogpunt; als een ontheiligen ofprofaneeren van den Naam.

Bij de bespreking van de positieve zijde van het derde gebod, hebben wij in ons achtste artikel gevonden, hoe men den eed kan omschrijven als: een religieuse handeling, waarbij men den alwetenden en heiligen God tot Getuige aanroept voor de waarheid van wat men verklaart of belooft.

Hieruit volgt, dat ook de eed, als aanroeping van Gods Naam, een gebed is; dat alle zweren bidden is.

Tevens volgt uit deze omschrijving van den eed de gewone onderscheiding tusschen den eed van ^^/««^^«wof denassertorischen, van het latijnsche woord „asserere": iets beweren, verzekeren, als waar verklaren; en den eed van belofte of den promissorischen, van het latijnsche woord „promittere": iets toezeggen, beloven.

Er is alzoo tweeërlei eed.

_ Bij den eed van getuigenis verbindt men zich voor God om de waarheid te getuigen, d. w. z. niet anders te spreken dan men denkt; bij den eed van belofte, om trouw te houden wat men belooft.

Dat de eed om de zonde is, en dat hij in een zondelooze wereld overbodig, ja ondenkbaar zou wezen, wijl daar geen leugen of trouweloosheid zou bestaan, is reeds in ons achtste artikel besproken en behoeft dus hier niet herhaald.

De eed, een instituut of instelling onder alle volkeren en in alle eeuwen, is een geschenk van Gods gemeene Gratie tot stuiting van de zonde; tot wering van onwaarachtigheid en trouweloosheid.

Als specifiek religieuse handeling, verlevendigt de mensch bij het doen van een eed in zijn bewustzijn het besef, dat God alwetend en almachtig is.

Alwetend, zoodat Hij ook weet wat in 's menschen binnenste omgaat; er Getuige van is wat een mensch op het oogenblik, dat hij een eed doet, èn deukt èn zegt, en dus weet of dat zeggen in overeenstemming is met 's menschen denken, m. a. w. waarheid is.

Almachtig, zoodat Hij dien mensch zal bijstaan wanneer hij de waarheid; zal straffen wanneer hij leugen zegt.

Ook over het voor een christen geoorloofde van den eed, m. a. w. of het onder bepaalde omstandigheden aan een Christen vrij staat een eed af te leggen, hetzij dan krachtens het openbaar gezag of krachtens private noodzakelijkheid, is, in verband met Matthcus 5 : 33—37 en Jacobus 5 : 12, reeds in ons achtste artikel uitvoerig gehandeld. Zoowel direct als indirect is toen aangetoond, dat in deze twee bijbelplaatsen de eed niet absoluut wordt veroordeeld.

Wij komen daar niet weer op terug.

Anders staat het echter, waar wij thans over het misbruik van den eed hebben te handelen, met de in ons achtste artikel reeds besproken drie vereischten van den eed of wat een rechten eed begeleidej moet.

Daarop moeten wij hier nog even terugkomen, omdat juist de ontstentenis van een of meer dezer voorwaarden met het misbruik van den eed samenhangt.

Wij hebben in ons achtste artikel gevonden, hoe de christelijke zedeleer, en dat vooral onder invloed van de latijnsche Bijbelvertaling, die drie voorwaarden ontleent aan Jeremia 4:2a. Maar zweer: oo waarachtig als de Heere leeft! in waarheid, in recht en in gerechtigheid.

De latijnsche overzetting heeft hier „in veritate, in iudicio et in iustitia."

Nu hebben wij gevonden hoe men onder het in veritate of „in waarheid" verstaat de z.g. zedelijke waarheid, d. w. z. datmen niet anders spreekt dan men denkt, dat er overeenstemming js tusschen gedachte en woord. Bij hem die „in waarheid" zweert is dus overeenstemming tusschen zijn uitwendig woord en zijn innerlijke overtuiging, indien hij een eed van getuigenis aflegt; tusschen zijn uitwendig woord en zijn oprechte bedoeling en ernstig voornemen, indien hij een eed van belofte aflegt.

Vlak nu tegenover dit zweren „in waarheid" staat het afleggen van een'valschen , eed; het doen van een „meineed".

In ons woord „mein-e^é" zit de gedachte van een valschen, in den zin van een onwareh of leugenachtigen eed. In het Duitsch komt dit woord „mein" voor in samenstellingen waar het evenzeer den zin heeft van leugenachtig, valsch, slecht. Zoo in „Meinrath", slechte, valsche raad; in„Meinsprache, " godslastering; in „Meinthat", mis­daad.

Bij den meineed ofvalschen eed ontbreekt de waarheid in het gemoed van hem die zweert, en kwam daarvoor in de plaats de leugen.

Dit nu geschiedt bij den eed van getuigenis, wanneer men getuigt waar te zijn wat men weet leugen te wezen. '^

En evenzoo is de eed van belofte een meineed, wanneer men daarbij belooft wat men niet voornemens is te houden of ook wat men weet niet te kunnen houden.

In beide gevallen is zulk een meineed zonde voor God.

Een uiterste van goddeloosheid dat zelfs in de heidensche wereld als zedelijk slecht werd gekeurd.

Wij hebben vroeger gezien, hoe voor het bewustzijn van den Israëliet in het derde gebod dan ook allereerst de valsche eed werd verboden.

Ons Avondmaalsformulier vermaant ook van de tafel des Heeren zich te onthouden „alle godslasteraars en alle meineedigen".

De meineed is dan ook niet slechts onzedelijk in enger zin, d. w. z. een zich vergrijpen aan den plicht tot waarheid spreken tegenover den naaste, maar, wijl de eed allereerst is een religieuse handeling, diep goddeloos.

Een mensch, in wien de vreeze des Heeren is, schrikt er voor terug.

Het is toch niet minder dan onder aanroeping van God als Getuige, en het dus bij zich zelf verlevendigen van de gedachte aan Zijn alwetendheid en almacht, de leugen bekrachtigen.

Een schrikkelijke profanatie of ontheiliging van den Naam.

Met een „zoo waarlijk helpe mij God Almachtig!" bij wat men getuigt of belooft met voordacht een onwaarheid uitspreken.

In geen enkele geval is meineed dan ook geoorloofd.

Tot zulk een prijs mag het heil van ons zelf of van onze medemenschen nooit gekocht.

En al is, bij oprecht berouw, ook voor deze zonde vergeving te vinden in het bloed van Christus, God doet er bezoe king over.

Om echter niet mede schuldig te worden aan zulk een zware zonde van zijn naasten, IS het dan ook geraden, in het onderling verkeer, niet dan in de uiterste noodzakelijkheid van een ander een eed te vergen. En al mag de Overheid van hare onderdanen zeker den eed vorderen, ook zij heeft dit niet dan in de uiterste noodzakelijkheid te doen.

Bij Israël waren de gevallen, waarin althans een eed voor het gerecht door de wet was voorgeschreven, vrij beperkt.

Het eene was, wanneer iemand van een ander geld of goed in bewaring had ontvangen en dit dan uit diens huis was gestolen. Werd nu de dief niet ontdekt, dan moest de man, aan wien het was toevertrouwd, zweren, dat hij zijn hand niet had uitgestoken naar het eigendom van zijn naaste. (Exodus 22 : 7 en 8).

En het andere geval was, wanneer iemand van een ander een stuk vee in bewaring had ontvangen, én dit dan, zonder dat iemand het had gezien, was gestorven of beschadigd. De man aan wien het vee was toevertrouwd, moest dan zweren, dat hij aan het ongeval onschuldig was. (Exodus 22 : 10 en 11).

Zelfs een eed, door getuigen af te leggen, kende de Israëlitische wetgeving niet.

Wel heeft men gemeend, dat er van zulk een eed sprake is in Leviticus 5 : i en Spreuken 29 : 24.

Op de eerste plaats staat: Als nu een mensch zal gezondigd hebben, dat hij gehoord heeft een stem des vloeks, waarvan hij getuige is, hetzij dat hij het gezien of geweten heeft; indien hij het niet te kennen geeft, zoo zal hij zijn ongerechtigheid dragen.

Op de tweede: Die met een dief deelt haat zijn ziel; hij hoort een z//(7^/è en hij geeft het niet te kennen.

In beide plaatsen wordt het woord, dat in onze statenvertaling met vloek is overgezet, door sommigen vertaald met eed. Ook dan echter is in beide plaatsen geen sprake van een onder eede stellen van getuigen; de getuigen legden geen eed af, maar zij hoorden slechts de bezwering van den rechter, of van de beschuldigers, om te zeggen wat zij wisten. Wie dan, voor het geval, dat hij iets van de zaak wist, zweeg, bezondigde zich.

Daarom zegt dan ook de spreukendichter, dat „wie deelt met een dief, zijn ziel haat", want het gevolg van zijn oneerlijkheid kan wezen, dat waar hij straks voor het gerecht de bezwering hoort om te zeggen wat hij weet van den diefstal, hij zwijgt en zich dus nog zwaarder bezondigt.

Gelijk bekend is, wordt ook ten onzent de meineed door den aardschen rechter gestraft. Hij, die opzettelijk een valsche verklaring onder eede aflegt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren Indien de valsche verklaring onder eede is afgelegd in een strafzaak ten nadeele van den beklaagde of verdachte, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren. Volgens het Mozaïsche recht werd echter, even als bij de oude Romeinen, de meineedige uitsluitend overgelaten aan de goddelijke straf. Niet alleen in het derde gebod, maar ook in Leviticus 19 : 12: n gij zult niet valschelijk bij Mijnen naam zweren, want gij zoudt den Naam uws Gods ontheiligen: k ben .de Heere! — wordt op den valschen eed, als profanatie, de wrake Gods gedreigd.

In ons achtste artikel hebben wij als een tweede vereischte voor den eed leeren kennen, dat hij moet afgelegd „in iudicio" wat zeggen wil, dat er oordeel des onderscJteids zij bij of in hem, die zweert, en hij dus versta èn de beteekenis èn de heiligheid van den eed.

Hiertegenover nu staat wat men noemt het onbedachte zweren of, zooals het in onze Catechismus heet, met onnoodig zweren „temere iurando" den Naam ontheiligen. DiS zweert, moet wèl weten wat de eed beteekent. Kinderen en zwakzinnigen mogen daarom geen eed afleggen. En het is plicht van de Kerk haar leden omtrent den eed te onderwijzen, waartoe zoowel de catechisatie als de catechismusprediking over Zondag 37 ons gereformeerden gelegenheid biedt. Maar die dan ook weten kan wat de eed beteekent, mag nimmer zweren zonder dit ook te bedenken. Hij zal het dan niet onbedacht en onnoodig maar met ernst en slechts om zeer gewichtige redenen doen.

Niet alleen gaat daarom in tegen den christelijken waarheidszin van het eenvoudige: „uw ja zij ja", maar ook tegen het met „vreeze en eerbiedinge" gebruiken van den Naam, al dat aanroepen van God als Getuige bij wat men in het dagelij ksch gesprek verklaart of belooft.

En daaronder vallen ook die „sterke uitdrukkingen" welke toch zoo volkomen overbodig zijn; die plechtige verzekeringen welke zoo onplechtig worden uitgestooten. Het: „zoo waar er een God in den hemel is!" en ook het „waarachtig!" — naar wij in ons vorig artikel zagen, verkorte uitdrukking voor: zoo waar als God! — behoort tot die „krachttaal", welke niet dan profanatie; niet dan onnoodig en onbedachtzaam zweren is. Misbruiken van den Naam.

Eindelijk hebben wij in ons achtste artikel als een derde vereischte voor den eed leeren kennen, dat hij moet afgelegd „in iustitia", wat zeggen wil, dat de zaak waaromtrent de eed gaat, rechtvaardig zij.

Hiertegenover nu staat wat men noemt den onrechtvaardigen eed, waarbij men dus onder cede iets belooft wat onzedelijk is. Van zulk een eed kan uiteraard alleen sprake zijn bij den promissorischen of den eed van belofte. Iets getuigen wat b.v. laster IS valt onder den meineed.

Behalve door het niet voldoen aan de drie genoemde vereischten voor den eed, — dus door valsch, onbedachtzaam en onrechtvaardig zweren, — zondigt men ook door zijn eed te breken.

Eedbreuk is geen minder zware zonde dan meineed.

Toch kunnen er gevallen zijn, en dit geldt bepaald van den promissorischen eed of den eed van belofte, waarin de eed niet mag of kan gehouden.

Een onrechtvaardige eed mag niet gedaan, maar ook wanneer hij gedaan is, mag hij niet worden gehouden. Dit laatste toch zou de schuld nog zwaarder maken. Nooit kunnen wij voor God verplicht zijn te doen wat slecht is.

Een bekend voorbeeld hiervan is de eed van Herodes, waarvan ons verhaald wordt in Mattheus 14. Deze eed was reeds een onbedachtzame eed, want Herodes mocht niet, zonder verder nadenken, aan de dochter van Herodias „onder eede beloven te geven wat zij eischen zou" (vs. 7). Uit vs. 8: — „doch om de eeden" — weten wij daarbij, dat de koning zulk een belofte aan Herodias' dochter gedaan had onder veelvoudig zweren. Maar bovendien werd deze eed, dien de koning, om voor zijn gasten geen meineedige te schijnen, meende te moeten houden, tot een onrechtvaardigen eed, toen Salome op aanstoken van haar moeder zeide: Geef mij hier in een schotel het hoofd van Johannes den Dooper! (vs. 8.)

Zulk een onrechtvaardige eed was niet verbindend; kon Herodes niet verbinden de moordenaar van den Dooper te worden.

Wanneer dan ook David, na in de woestijn van Maon onder eede te hebben gezworen het huis van Nabal uit te roeien, door Abigail's tusschenkomst, van dit voornemen afziet, is hij door het niet houden van zijn onrechtvaardigen eed allerminst een eedbreker, (i Sam. 25 : 22 en 34).

Is men verplicht den onrechtvaardigen eed niet te houden, er zijn twee gevallen, waarin men niet verplicht is den rechtvaardigen eed te houden.

Het eene is dat, waarin de partij, tot wier voordeel de eed van belofte gedaan is, van de vervulling der belofte ontslaat; en het andere wanneer de z.g. „stilzwijgende voorwaarden" waarop de belofte rust, vervallen.

Tot deze „stilzwijgende voorwaarden" rekent men dan, dat de zaak waaromtrent de belofte gaat, niet door onvoorziene omstandigheden een wezenlijke verandering ondergaat, zoodat hare vervulling physiek onmogelijk wordt; en ook dat de andere partij haar verplichting nakomt.

Behoudens deze gevallen moet de eed onvoorwaardelijk gehouden.

Als uit het volbrengen van wat men beloofd heeft, later zal blijken voor hein, die gezworen heeft schade te volgen, mag de eed toch niet gebroken. Tot de trekken waarin ons psalm IS het beeld van den godvruchtige teekcnt, behoort ook deze: „heeft hij gezworen tot zijn schade, evenwel verandert hij niet".

Ook wanneer iemand, om aan een gevaar te ontkomen, onder eede iets beloofd heeft, —b.v. wanneer hij onder roovers gevallen, aan deze gezworen heeft, voor het geval dat zij hem vrijlaten, een losprijs te betalen, ' — is hij verplicht zijn eed te houden. Evenwel mag hij, in dit geval, na zijn geld betaald te hebben, de zaak aan de Overheid bekend maken.

En zelfs al ware er ook bedrog bij de partij aan wie men onder eede beloofde, moet toch de eed worden gehouden, gelijk dan ook Israël, door de Gibeonieten bedrogen, toch den eed aan hen gedaan hield. (Josua 9 : 15—20).

Dat verder een eed, waarbij aan niet-chris tenen en ketters iets beloofd wordt, niet gebroken, maar gehouden moet worden, is door onze zedeleeraars nooit zelfs maar als twijfelachtig gesteld. En eindelijk is door de gereformeerde moralisten ook altijd beslist veroordeeld de z.g. reservatio mentalis of de leer van het „voorbehoud". Men verstaat daar onder, dat men aan de woorden waarmee men bij den eed iets getuigt of belooft, stilzwijgend een anderen zin geeft, dan te verwachten is, dat de hoorders er aan hechten zullen, en dat met het voornemen, om hen te misleiden.

Dit toch gaat in tegen den eisch, dat er waarheid zij inden geest van hem die zweert, en is feitelijk niet dan meineed.

Men mag niet bij den eed anders spreken dan men denkt.

Tot de christelijke eedsleer behoort ook de vraag, hoe de Overheid in betrekking tot den eed heeft te handelen, zoo tegenover christenen als ongeloovigen, die, zij het ook op verschillende gronden, bezwaar hebben tegen den eed als zoodanig. Deze vraag kan echter bij een systematische uiteenzetting van de tien geboden eerst bij de bespreking van het vijfde gebod worden behandeld.

Wij komen ten slotte tot het misbruik van het lot.

Ook het gebruik van het lot is, zooals wij bij de bespreking van de positieve zijde van het derde gebod, in ons zevende artikel vonden, een heilige handeling; een aanroeping van Gods Naam om Zijn beslissing in gevallen waarin ons verstand of onze beslissing te kort schieten.

Loten is bidden.

Een zeer ernstige zaak; een religieuse handeling.

Immers wijl er geen toeval is, al zijn er ook voor ons contingente, d. i. gebeurlijke of toevallige dingen, gaat ook het lot niet buiten Gods voorzienigheid om,

Van het drieërlei lot : .dat van wöfjr/^tóWg-; van raadplegitig; en van verdeeling is, zooals wij in ons zevende artikel vonden, alleen het laatste den christen geoorloofd.

Het misbruik van het lot gaat dan ook bepaaldelijk tegen deze „sors divisoria" of dit lot van verdeeling.

Juist nu wijl het lot is een heilige zaak, is er dan ook een religieus bezwaar, afgezien nog van de in enger zin zedelijke bezwaren, tegen het verloten van geld waarbij de winst van den een uit het verlies van den ander ontstaat; tegen de „geldloterij".

Het lot mag gebruikt in gevallen waarin men in het onzekere is, aan wie goederen en dus ook geld, eerbewijzen, arbeid, lasten moeten toebedeeld, welke allen niet tegelijk kunnen ontvangen of behoeven te verrichten of te dragen; en waartoe toch alle bevoegd of verplicht zijn.

Onder godvruchtige aanroeping van Gods Naam hetzij met woord of gedachte, mag dan door het lot een beslissing gezocht. Ieder wien het lot aanwijst ontvangt dan niet meer dan het zijne. Zijn recht uit te oefenen of zijn verplichting te vervullen wordt hem dan van God toegewezen. Maar, bij de „geldloterij" bedoelt wie er aan deel neemt altijd eigen winst uit het verlies van het eigendom van den naaste, en veroorzaakt ook, althans in de meeste gevallen, wat onze Moralisten noemden, de expilatiopauperum, „de uitplundering van de armen", die door hoop op winst verlokt, mee doen. Bij de „weldadigheidsloterij" geldt bovendien nog, dat men den weldadigheidszin bederft door de hebzucht.

Bij al zulke „loterij" wordt dus het heilige lot misbruikt.

Op dezelfde religieuse gronden is daarom ok het kaartspel den Christen niet georloofd.

Zeker, daartegen zijn ook andere gronden,

Schopenhauer, de ongeloovige Duitsche ijsgeer, noemde scherp maar juist het kaartpel : „een verklaard bankroet aan gedachen." En hij voegde er aan toe: „Wijl zij een gedachten hebben uit te ruilen, ruilen ij kaarten uit en zoeken elkaar guldens f te nemen."

Dan, die andere gronden kunnen eerst ater besproken.

Ook weten wij wel, dat het kaartspel venals domino-en lotto-spel en ook het chijnbaar zoo onschuldige „ganzenbord" tegen welke laatste spel reeds in de 17e euw onze Wittewrongel in zijn Christelijke uishouding waarschuwde, — evenals alle pelen waarbij geen gelijk begin is, tot de gelukspeten" of het „hasardspel" behoort, n ook daarom zondig is, doch voor den hristen bestaat geen „hasard."

Het gelukspel of het hasardspel — an het Arabische woord „sehar" met het rtikel er voor „assehar, de dobbelsteen — nderstelt het toeval, het geluk, als een geeimzinnige macht naast of in plaats vali en levenden God.

Van zulk een geluk óf toeval wil echter e christen ook bij het kaartspel en aide traks genoemde spelen, niets weten.

Ook in deze dingen rekent hij met de oorzienigheid Gods.

Maar wijl nu juist, — of nieii al of niet m geld sreelt, doet er hier niet toe — ij al deze spelen, door het niet-gelijk-begin, e uitslag, niet als bij de geoorloofde gezelchapspeïen, zooals billard-dam-en schaakpel slechts afhankelijk is van verstandelijk

overleg of vaardigheid, maar ook van een boven onzen wil staande oorzaak, die dan voor den christen niet het „Geluk" of „de Fortuin" maar alleen God kan zijn — vallen zij onder het lot.

Wanneer de kaarten' of steenen bij het begin worden verdeeld, waar anders hangt het dan van af, of ge een goed dan een slecht spel hebt ?

Er is toch geen toeval.

En daarom valt al dit spel onder het/0/. Maar zoo verstaat ge dan ook, hoe al dit spel, wijl het lot, hetzij dan bewust of onbewust, aanroepen van den Naam is, niet dan misbruiken is van het lot.

Van het heilige lot.

Profanatie van den Naam.

Men mag het lot, dat heilig is, niet gebruiken tot tijdverdrijf.

Het is met name op dezen grond, dat het kaartspel en alle lotspel door onze gereformeerde Moralisten steeds is veroordeeld.

Zij zagen er, voor den Christen, een zonde in tegen het derde gebod.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 19 maart 1905

De Heraut | 4 Pagina's

Van de tien geboden.

Bekijk de hele uitgave van zondag 19 maart 1905

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken