Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van de tien geborden.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van de tien geborden.

20 minuten leestijd

XCI.

HET ZESDE GEBOD.

VII.

De liefde is lankmoedig, zij is goedertieren; — de liefde is niet afgunstig, de liefde handelt niet lichtvaardiglijk, zij is niet opgeblazen, zij handelt nietongeschikkelijk, zij zoekt zichzelve niet, zij wordt niet verbitterd, zij denkt geen kwaad, zij verblijdt zich niet in de ongerechtigheid; maar zij verblijdt zich in de waarheid; — zij bedekt alle dingen, zij gelooft alle dingen, zij hoopt alle dingen, zij verdraagt alle dingen. I Corinthe 13 : 4—7.

In ons vorig artikel hebben wij de vijtien trekken of toetsen, waarin de heilige Apostel ons in dit deel van den brief aan Corinthe het beeld van de Liefde tot den naaste teekent, stuk voor stuk bezien.

Het is de Heide, die vereenigt en de haat, die scheiding maakt. — Ware er geen stonde in de wereld gekomen, die de liefde van de menschen voor elkander, in haat tegen eikander heeft doen omslaan, dan zou het menschelijk saamleven niet gelijk nu door zelfzucht zijn vergiftigd. En als God in Zijn gemeene Gratie daartegen geen stuiting gaf, zou reeds op aarde de hel losbreken. Dan zou het zijn een verwoede „strijd van allen tegen allen", zouden de menschen als wolven tegenover elkaar staan.

Metterdaad toch is de mensch van nature geneigd niet alleen God, maar ook zijn naaste te haten. Want al is er ook, krachtens de gemeene Gratie, een natuurlijke liefde onder de menschen, een menschelijkheid of humaniteit, op zichzelf is deze humaniteit niet sterk genoeg deze neiging ondertehouden. Zoodra toch de mensch die God naast een ander gezet heeft, dien ander hindert wordt de neiging om hem van die plaats te dringen zoo sterk, dat, als niets meer stuit, het tot een „verbreken" van diens leven, tot moord komt. Reeds op een der eerste bladzijden van de geschiedenis der menschheid staat de broedermoord van Kaïn.

Deze naasten-haat van het natuurlijk hart wordt eerst in de wedergeboorte omgezet in naasten-liefde; in die heilige naastenliefde welke Paulus ons schildert in i Cor. 13,

Eerst dan ontstaatdie gezindheid tegenover den naaste welke tot w//geworden, tot goeden wil, de deugd in betrekking tot den naaste is en ons alle plichten jegens hem, alle sociale of gemeenschapsplichten, doet willen, zij het dan ook door de nog inwonende zonde, met een zeer gebrekkig willen.

Het is met den wil, „die boos was, maar goed wordt, den wil waarin God nieuwe hoedanigheden storf^ (Leerregels van Dord h. III en IV § 9), dat een Christen, een kind des Heeren, ook wil wat God gebiedt in het zesde Zijner geboden, dat wij het leven van de naasten zullen achten, bewaren, bevorderen.

Van de naasten

In de niet-Christelijke kringen, waarin men bij voorkeur van egoïsme en altruïsme spreekt, heeft men het druk over de algemeene menschenliefde; over liefde voor de menschheid.

Nu heeft zeker ook het Christendom, omdat het gelooft, dat God „uit éenen bloede het gansche geslacht der menschen gemaakt heeft" (Hand. 17 : 26), de voorstelling der menschheid en de gedachte aan een heel de menschheid omvattende liefde is het Christendoca niet vreemd.

Met dit al is die algemeene menschenliefde en die liefde tot de menschheid een vrij zwevend begrip.

Werkzaam kan deze liefde tot wie zoo heel ver van u afstaan; met wie gij geen andere banden hebt dan dat zij met unaar Gods beeld zijn geschapen en dat er eenzelfde bloed — menschenbloed — krachtens afstamming van het éene, eerste menschenpaar door uw en hun aderen vloeit; werkzaam kan deze liefde niet worden.

Daarom is het dan ook zooveel inniger van naastenX\tid, & te spreken.

De naaste is de mensch, die God naast u en naast wien Hij u heeft gezet.

Op de vraag van zeker wetgeleerde: En wie is mijn naaste? antwoordde Jezus met zijn schoone gelijkenis van den barmharti' gen Samaritaan en wel om dien wetgeleerde te leeren, niet te vragen, wie is mijn naaste.' maar omgekeerd: wiens naaste ben ik.? Op het einde toch vraagt Jezus: Wien dan van deze drie dunkt u de naaste geweest te zijn desgenen die onder de moor denaars gevallen was? En dan antwoordt de Wetgeleerde: Die barmhartigheid aan hem gedaan heeft. — Niet de priester en de Leviet, maar de Samaritaan betoonde in werkzame liefde, dat hij de naaste was van den mensch die daar halfdood aan den weg lag.

Zeker, daar zijn menschen die God naast u gezet heeft in de schikking en ordening van uw leven, maar daar zijn er ook naast wien God u telkens zet en wiens naaste gi) dan zijt; de naaste om hen te helpen.

Ook in een ander opzicht is dit woord des Heeren van groote beteekenis. Het antwoord dat hij gaf op de vraag: Wie is mijn naaste? was van weieldhistorische beteekenis; wierp een nieuwe gedachte onder de menschen.

Vergeten wij toch niet, dat de oude wereld slechts den naaste zag in den stam-of volksgenoot. Zoo stond het zelfs voor het bewustzijn van den Israëliet. Wanneer in Leviticus 19 : 18 geboden wordt: ij zult niet wreken noch toorn behouden tegen de kinderen uws volks; maar gij zult uwen naaste liefhebben als u zelven: k ben de Heere, — dacht de Israëliet daarbij alleen aan zijn volksgenoot. En wel werd dit gebod ook uitgebreid tot den vreemdeling, en lezen wij in Leviticus 19 : 34: e vreemdeling, die als vreemdeling bij u verkeert, zal onder u zijn als een inboorling van ulieden; gij zult hem lief hebben als u zelven; want gij zijt vreemdeling geweest in Egypteland; lic ben de HEERE UW God — en lag hierin een kiem voor de toekomst; maar toch dacht dan de Israëliet alleen aan zulk een vreemdeling, die half volksgenoot was.

Buitenlanders en vreemdelingen zijn niet zijn naasten.

En ook, wanneer, in de laatste eeuwen vóór Christus geboorte, onder invloed van de stoïcijnsche Wijsbegeerte, de theorie van het kosmopolitisme, het „wereldburgerschap" opkomt en men van de „verwantschap der menschen" gaat spreken, gaat juist met deze theorie een praktijk van zeldzaam egoïsme gepaard. Eerst met de komst van Christus, in wiens Gods menschenliefde. Zijn liefde tot de menschen verschenen is(Titus 3 : 4), wordt, althans voor het Christelijk bewustzijn, niet maar alleen de volksgenoot, maar de mensch de naaste.

Al is dit nu een van die hooge gedachten welke de wereld alleen aan het Christendom dankt, toch heerscht, zelfs onder Christenen, omtrent deze naastenliefde nog allerlei verkeerde voorstelling.

Verkeerde voorstelling zoo omtrent haar verhouding tot de liefde jegens God eavootdX omtrent haar verhouding tot de zelfliefde, als omtrent de wijze en de mate waarop deze naastenliefde in de verschillende verhoudingen waarin menschen tot menschen als hun naasten staan, moet betoond.

Tegenover deze verkeerde voorstellingen, zullen wij daarom in dit artikel aanwijzen, wat naar Gods Woord de naastenliefde zijn moet.

Allereerst in haar verhouding tot de liefde jegens God en dien jegens ons zelf.

In deze verhoudingen moet zij eeau/èlgeordende wezen.

Wanneer de Heere zegt: „Gij zult uw naaste liefhebben als u zelven, " dan spreekt hij daarmede allereerst uit, dat wij onze naasten evenals ons zelf alleen moeten liefhebben om God, terwijl wij God alleen moeten lief hebben om Zich zelf en boven ons zelf. Maar ook stelt hij ons in dit woord de zelfliefde tot regel en richtsnoer van de naastenliefde, en wel èn als innerlijke gezindheid èn als uitwendige betooning. Daarom mag de laatste dan ook niet met de eerste in tegenspraak wezen. Om onze naasten te kunnen liefhebben en die liefde te betoonen, moeten wij beginnen met de van God gewilde zelfliefde. De zelflielde is, zooals wij een vorig maal schreven, het medium voor de naastenliefde, en mits wel verstaan, is dan ook de spreuk niet onjuist, dat de wèlgeordende liefde bij zich zelf begint. In het algemeen geldt daarom de regel, dat wij b.v, ons eigen leven meer te bewaren hebben dan dat van den naaste. Maar juist omdat de zelfliefde richtsnoer en maatstaf voor de naastenliefde moet zijn, zoo mogen wij b^ onzen naaste, evenmin als bij ons zelf, de eeuwige belangen opofferen aan de tijdelijke. Ook niet zijn eeuwige belangen aan onze tijdelijke, en zoo kan het b.v. in dagen van epidemie of vervolging plicht zijn voor den ambtsdrager in Christus kerk om, wanneer zijn naaste verkeert in wat men den „uitersten geestelijken nood" noemt, naar het voorbeeld van Christus zelf zijn leven te ofleren om de ziel van zijn naasten te redden.

Mag een mensch de belangen voor de eeuwigheid nooit opofferen aan de tijdelijke

en ook niet zijn eeuwige belangen aan de eeuwige belangen vaii zijn naaste, anders staat het in dit opzicht met zijn tijdelijke belangen. Want wel moet 'n mensch in het algem4e: i allereerst zorgen voor zijn eigen tijdelijk leven en goed, maar er kunnen omstandigheden zijn, waarin het eisch is zich in de zorg voor eigen tijdelijk goed ten behoeve van den naaste te beperken, of zelfs het eigen leven voor dat van den naasten te wagen, te offeren.

Zal alzoo de naastenliefde een welgeordende zijn, dan moet zij allereerst ondergeschikt zijn aan de liefde tot God en dat zoo in wijze als in maat.

In wijze, want gelijk gij uzelf moet liefhebben om God, zoo ook uw naaste.

Zoo alleen is het dan ook te verstaan waarom wij zelfs onze vijanden moeten liefhebben. Het woord vijand is eigenlijk het tegenwoordig deelwoord van een werkwoord dat haten beteekent. Dat wij nu den mensch, die ons haat, moeten lief hebben, is omdat ook hij 'n mensch is en wij al wat mensch is om God liefhebben moeten.

Maar ook in maat moet uw naastenliefde aan de liefde voor God ondergeschikt zijn. Gij moet Hem liefhebben boven alles, meer dan uzelf, meer dan uw naaste, en nooit moogt gij dan ook een mensch liever hebben dan God.

Ea in de tweede plaats moet onze naastenliefde ook ondergeschikt zijn aan onze zelfliefde en dat niet in wijze, maar in maat. Niet in wijze, want gij zult uw naaste liefhebben als uzelven, zooals gij uzelf moet liefhebben d. i. om God; maar wel in maat. Nu zal niemand beweren, dat wij onze naasten in meerdere mate moeten liefhebben dan onszelf, maar velen, — al verandert dit al heel weinig aan hun practijk, — beweren, dat men zijn naaste minstens in gelijke mate lief moet hebben als zichzelf.

Dit nu is onjuist.

In de eerste plaats ware zulk een eisch tegen de natuur der dingen, want ieder wezen tracht in zijn eigen bestaan te volharden.

Maar in de tweede plaats viel daarmee de mogelijkheid weg om, wanneer men hem metterdaad vervulde, ooit een daad van opoffering voor den naaste te verrichten. Opofferen toch onderstelt altijd, dat wat gij geeft waarde voor u heeft, dat het u iets kost. Tot Arauna zegt dan ook David:

„Ik zal den HEERE, mijnen God, niet offeren brandoffers om niet". (2 Sam. 24:24.

Een offer dat ons niets kost, is geen offer.

Een mensch, die God in meerdere mate liefheeft dan hij zichzelf liefheeft, kan Hem juist daarom een offer brengen.

Maar indien een mensch zijn naaste in gelijke mate lief had als zichzelf, de zelfliefde even zwaar bij hem woog als de naastenliefde, zou hij nimmer tot een keuze, een beslissing komen, zou hij nimmer een offer voor zijn naaste kunnen brengen. Hij toch zou dan verkeeren in het geval van den ezel uit het bekende verhaal, die staande tusschen twee met hooi gevulde zakken, verhongerde, omdat hij niet kiezen kon.

Dit nu is tegen de ervaring, die ons leert, dat menschen metterdaad voor hun naaste offers brengen, en hieruit volgt dus, dat de naastenliefde niet evenmatig met de zelfliefde kan zijn.

Wijl de vraag of zij overmatiger dan de zelfliefde kan zijn, naar wij boven zagen, zelfs buiten geding blijft, moet zij dus wel in maat aan de zelfliefde ondergeschikt zijn. Het feit, dat 'n mensch zijn eigen belang achterstelt bij dat van den naaste — vaak zijn goed en zelfs zijn eigen leven voor hem ten offer brengt, moet dan ook verklaard uit zijn besef van plicht; uit zijn besef, dat God dit van hem eischt en hij zijn God in grootere mate lief heeft dan zichzelf.

Evenzeer nu als de naastenliefde, om wèlgeordend te wezen, ondergeschikt moet zijn aan de zelffliefde en met die, aan de liefde tot God zoo is er ook —in dit is het tweede waarop wij hier hebben te wijzen— in de naastenliefde zelf verschil.

Wij moeten zeker alle menschen liefhebben omdat zij met ons uit éenen bloede geschapen zijn; omdat zij Gods beeld dragen. Zijn eigendom zijn, doch Hij eischt niet van ons, dat wij alle menschen gelijkelijk zullen liefhebben.

Ook dit zou zijn tegen de natuur der dingen.

Wien God naast u zet moet gij liefhebben met heilige liefde, al is en doet hij nog zoo onlief.

Maar toch staat de een nader tot u dan de ander.

Nader tot u, omdat gij reeds door banden van natuurlijke liefde aan hemverboa

den zijt. Zoo bij man en vrouw; ouders en kinderen; broeders en zusters. Nu is deze liefde op zich zelf allerminst zedelijke liefde, zij is niet meer dan natuurdrang, en men vindt haar evenzoo, denk slechts aan de klokhen met hare kiekens, bij de dieren. Doch ook waar nu een mensch, die gelooft en daarom liefheeft met heilige liefde, zijn naaste lief heeft met de Liefde zooals zij ons geteekend is in i Cor. 13, daar eischt God niet van hem, dat hij de banden der natuurlijke iiefde verbreekt, dat hij met deze heilige liefde een vreemde in gelijke mate zou liefhebben als zijn eigen vader of moeder, vrouw of kind; maar wel, dat hij door de Liefde deze natuurlijke liefde heiligen zal.

Zeker is ook die vreemde een mensch en moet gij daarom zijn welzijn willen, maar uw vader of uw moeder, uw echtgenoot of uw kind, heeft bovendien nog een andere, een geheel eigenaardige waarde voor u dan dat zij mensch zijn en gij moet daarom in hoogeren graad hun tijdelijk en eeuwig welzijn willen.

Maar ook in ander opzicht is er in de naastenliefde verschil.

Gij zult uw naaste lief hebben ^/.f u zelven, zoo als gij u zelf liefhebben moet, geldt van allen mensch, dien God naast u zet.

Doch behalve, dat de banden des natuurlijken levens, die van het gezin en zeker ook die van de maatschappij en den staat, voor u verschil maken tusschen menschen en menschen; — niet alleen uw echtgenoot en uw kind, uw vader en uw moeder u nader staan; maar ook de maatschappelijke stand en het maatschappelijk bedrijf en het gezellig verkeer; en ook het saamleven als burgers van éen dorp of stad, van een land; u aan sommige menschen nader doet staan dan aan andere, — maar ook, en zeker niet het minst, maakt de geestelijke band der Religie verschil tusschen menschen.

Zoo is het altijd en overal geweest, en zoo is het nog.

Het Christendom heeft hierin geen verschil gebracht.

Het Christendom, dat wel niet gebonden is aan éen volk, maar wereld-religie is, maakt scheiding tusschen christenen en niet christenen. Ja zelfs, binnen dezen kring tusschen christenen van verschillende belijdenis. Dit verschil te ontkennen of zelfs maar te willen wegdoeselen, is een even hopeloos pogen als het te willen doen de natuurlijke verschillen. Ons gezin staat ons nu eenmaal nader dan die er buiten zijn; de menschen, met wie wij dagelijks aan één taak samen arbeiden, of met wie wij gezellig verkeeren, nader dan anderen; en aan zijn dorp-of stad-of landgenoot voelt een mensch zich nauwer verbonden dan aan een vreemde.

Zeker, ook dit alles kan ontaarden, maar öp zichzelf is het goed. Op zichzelf is het de van God gewilde verbijzondering van het leven der menschheid, welke verbijzondering er juist tint en kleur, rijkdom en veelvormigheid aan geeft.

En zoo is het ook met de Religie, de christelijke Religie.

Moet ge uw naaste liefhebben als u zelf en geldt dit dus zoo algemeen mogelijk van alle menschen, hiermede is allerminst in strijd, dat gij den een toch weer anders moet lief hebben als u zelf, dat is om God, dan den ander. Allerminst meê in strijd, dat gij uw mede-christenen, uw medegeloovigen anders lief hebt als u zelf, dan de ongeloovigen.

Al moet ook uw naastenliefde voor den ongeloovige altijd zijn de lietde, de heilige Liefde, de liefde van i Corinthe 13, toch hebt ge met deze Liefde dengeloovige anders lief dan den ongeloovige.

En zoo wil het ook uw God en Zaligmaker.

Dit liefhebben toch bedoelde de Heere Jezus, Die de zijnen, die in de wereld waren, had lief gehad tot het einde (Joh. 13 : i), toen hij, nadat Judas uit de opperzaal vertrokken was, tot de elven zeide: Een nieuw gebod geef ik u, dat gij elkander lief hebt; gelijk ik u lief gehad heb, dat ook gij elkander lief hebt (vs. 34). En evenzoo de heilige apostel Johannes, wanneer hij schrijft: n dit is Zijn gebod: at wij gelooven in den naam van Zijnen Zoon Jezus Christus en elkander liefhebben, gelijk hij ons een gebod gegeven heeft (I Joh. 3 : 23).

Het gebod der Christelijke broederliefde.

Der heilige liefde, waarmee gij den broeder, dien God naast u zet, niet alleen lief hebt als mensch, maar ook als kind van God, Die in Christus zijnen en uwen Vader is; den broeder mèt wien gij bidt: „Onze Vader, Die in de hemelen zijt; " met wien gij geestelijk zijt geboren uit den éenen Vader.

En eindelijk is er nevens het natuurlijke en geestelijke, nog een derde opzicht, dat in de naastenliefde verschil maakt, en wel de zonde.

Gelijk toch in God de heilige haat de keerzijde is van Zijn heilige liefde, zoo moet het ook zijn in den mensch en is het in den mensch, die uit het geloof zijn God liefheeft. Deze heilige haat keert zich tegen de zonde, en daarom is het dan ook dat een kind van God de zonde haat zoo in zichzelf als in anderen.

Dan, gelijk hij, ook waar hij in zichzelf de zonde haat, toch zichzelf om God moet liefhebben, zoo moet hij, ook waar hij in den naaste de zonde haat, toch den naaste liefhebben.

Bedenken wij echter, dat de zonde vijandschap tegen God is en dat 'n mensch wiens hart nog niet door wederbarende genade is omgezet, willens zondigt en dus metterdaad een vijand Gods is, dan verstaan wij hoe zwaar het is om aan dezen eisch te gehoorzamen. Haten alteen en liefhebben alleen toch is gemakkelijk, maar zwaar is het tegelijk lief te hebben en te haten. Zoo licht toch wordt dan in de praktijk uit de liefde voor den zondaar, een liefde tot de zonde; of uit den haat tegen de zonde een haat tegen den zondaar.

Daarom is het ons, waar Hij, Die ook de zondaars lief heeft, ook van ons heilige liefde voor de zondaars eischt, zoo noodig in ons eigen hart wel te onderscheiden. Te onderscheiden ook in de praktijk, tusschen het haten van den zondaar in den mensch en het liefhebben van den mensch in den zondaar. Een liefhebben dat om heilig liefhebben te blijven, nooit mag worden een zich verblijden over de ongerechtigheid. Want de Liefde, verblijdt zich niet over de ongerechtigheid, maar Zij verblijdt zich met de Waarheid.

Maar zoo verstaan wij dan ook, dat al moeten wij allen, die onze naasten zijn, liefhebben als ons zelf, wij de vijanden van God toch anders moeten liefhebben als ons zelf dan Zijn vrienden, Zijn kinderen; dat het liefhebben ook van den naaste, in wien wij Gods kind, onzen broeder zien, anders zal zijn wanneer wij hem zien wandelen in de paden des rechts, dan wanneer wij hen zien vallen in zonde; zien ontrouw worden aan zijn God.

Maar tevens verstaan wij ook hoe, waar God ons gebiedt onze naasten, zelfs al zijn het Zijne vijanden, lief te hebben. Hij ons ook kan gebieden onze vijanden lief te hebben.

Den eisch tot vijandsliefde stelt Christus aan de zijnen wanneer hij in de bergrede, tegenover de Joodsche v/etsinterpretatie: ij zult uw naaste liefhebben en uw vijand zult gij haten, — welke laatste woorden nergens in het Oude Testament staan, — zijn woord stelt: aar ik zeg u: ebt uwe vijanden lief; zegent ze die u vervloeken; doet wel degenen, die u haten; en bidt voor degenen, die u geweld aandoen, en die u vervolgen. (Matth. S : 45). Dezen eisch stelt hij wanneer hij tot de schare zegt: aar ik zeg u, die dit hooren: ebt uw vijanden lief; doet. wel dengenen die u haten (Lukas 6 : 27). En zelf heeft de Christus deze eischen vervuld, toen hij op zijn kruis voor zijn vijanden bad: Vader vergeef het hun; want zij weten niet wat zij doen 1 (Lukas 23 : 34).

Zeker was vijandsliefde ook geboden in het Oude Testament.

In Exodus 23 : 4en s wordt den Israëliet bevolen den verdwaalden os of ezel van zijn vijand, als hij deze dieren vindt, zijn vijand terug te brengen; hem te helpen, a!s zijn ezel onder den last neervalt, om het dier op te krijgen.

En als Job over zijn verleden spreekt, zegt hij onder meer: oo ik verblijd ben geweest in de verdrukking mijns haters, en mij opgewekt heb, als het kwaad hem vond! (h 31 : 29). David zingt in den3Sen psalm van zijn vijanden: ls zij krank waren, was een zak mijn kleed; ik kwelde mijn ziel met vasten; en mijn gebed keerde weder in mijn boezem (vs. 13). En de Spreukendichter zegt: erblijd u niet, als uw vijand valt; en als hij neerstruikelt, laat uw hart zich niet verheugen (h. 24:17).

Toch mag met dit al niet worden voorbijgezien, dat in Israel de naastenliefde en dus ook de vijandsliefde beperkt was tot de volksgenooten.

Eerst het christendom dat de naastenliefde tot al wat mensch is uitbreidde, heeft ook de vijandsliefde tot alle menschen uitgebreid.

Reeds de eerste christelijke martelaar, Stefanus, bidt dan ook stervende, met de Liefde, die geen kwaad denkt, die het kwade niet toerekent, als zijn Heiland: eere Jezus, reken hun deze zonde niet toe! (Hand. 7:60). En Paulus schrijft: Indien dan uw vijand hongert, zoo spijzigt hem;

indiea hem dorst zoo geef hem te drinken; want dat doende zult gij kolen vuurs op zijn hoofd hoopen (Rom. 12 : 20). Een woord wel ontleend aan Spreuken 25 : 21 en waarin bij „de vurige kolen", — voor den Oosterling een beeld van doordringende en aanhoudende smart — moet gedacht aan de aandoening van schaamte en berouw, die door zulk weldoen bij den vijand wordt gewekt, — doch dat eerst in den brief van den Apostel zijn rijken, specifiek christelijken zin krijgt.

Aan de heidenwereld was vijandsliefde onbekend. En nog wordt zij in de wereld wel bewonderd of bespot, maar alleen door de christenen wordt zij verstaan; door wie er toe begenadigd wordt, beoefend.

In de wereld is ieder een vijand, die zich stelt tegen de zelfziichtige wenschcn van het natuurlijk hart; maar de christen, al heeft hij ook tegenstanders, heeft geen andere vijanden dan hen, die zijn God haten en dezen heeft hij als menschen lief, ook al haat hij hun onheiligen haat.

Zoo hebben wij ons dan, door de bespreking zoo van het wezen en de ordening, als van de wijze waarop de heilige liefde als naastenliefde werken moet, ons den weg gebaand tot de uiteenzetting van de plichten jegens den naaste ons geboden, zoo in de nu volgende geboden als in het zesde voor zoover dat gaat over zijn leven. Het zesde waarin God ons gebiedt het achten, bewaren en bevorderen van het leven onzer medemenschen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 februari 1906

De Heraut | 4 Pagina's

Van de tien geborden.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 februari 1906

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken