Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van de tien geboden.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van de tien geboden.

18 minuten leestijd

XCVIII.

HET ZEVENDE GEBOD.

III.

Of weet gij niet, dat ulieder lichaam een tempel is van den Heiligen Geest, die in u is, dien gij van God hebt, en dat gij uws zelfs niet zijt ? I Korinthe 6: 19

Wanneer in een zondaar uit het, door den Heiligen Geest in zijn ziel gewrocht, geloof de heilige liefde weer opbloeit, eerst dan wordt de Wet hem, als de Wil van zijn God, tot een lust en heeft hij een ernstig voornemen om niet alleen naar sommige, maar naar al de geboden Gods te leven.

Ook naar het zevende gebod.

Hij wil dan ook kuisch zijn en kuisch handelen.

Aan reinheid op het gebied van het sexueele leven, heeft hij dan lust.

Deze reinheid of kuischheid-is een onderdeel van de deugd der matigheid of matiging welke deugd men gewoonlijk als aelfbeheersching aanduidt, en waarvan, gelijk wij een vorige maal zagen, ook gesproken wordt in Titus i : 8, op welke plaats zij van den Opziener in de Gemeente geeischt wordt.

In den ruimsten zin is deze matigheid of zelfbeheersching des menschen een zich houden binnen de zedelijke grenzen; een niet overschrijden van die grenzen. Aan het menschelijk handelen toch zijn perken ge-.steld, ordinantien des Heeren, die 'nmensch wel kan, maar niet mag overtreden.

En zoo is dan de zelfbeheersching een onderwerpen van alle onzedelijke begeerten onder het gebod der onvoorwaardelijke gehoorzaamheid.

Wijl nu de mensch een geestelijk-zinnelijk wezen is, zit hierin tweeërlei.

Zijn ziel moet heerschen over zijn lichaam, opdat hij met ziel en lichaam God als zijn Heere diene.

Toegepast op het sexueele leven, op de geslachtsdrift, waarover het hier bij het zevende gebod gaat, openbaart zich deze zelfbeheersching als eerbaarheid, zedigheid, kuischheid; streng genomen slechts als de eerste twee, want in de eerbaarheid en de zedigheid toont zich de gezindheid der kuischheid. Der kuischheid als de verzedelijking van de natuurdrift of het brengen van haar onder de macht, de heerschappij van den goeden wil.

De hooge waarde van deze deugd der kuischheid voor het sociale leven komt ook hierin uit, dat men in de taal van het dagelijksch verkeer van haar spreekt als van de zedelijkheid.

Zoo noemt men ook het barmhartigheid oefenen het weldoen.

Nu is de beoefening van de deugd der kuischheid niet voor allen even zwaar of voor allen even licht.

In ons huwelijksformulier wordt gesproken van „de gave der onthouding".

Wat daaronder te verstaan is, wordt duidelijk uit I Kor. 7 : 7, waar de heilige Apostel zegt: ant ik wilde, dat alle menschen waren gelijk als ik zelf ben; maar een iegelijk heeft zijn eigene gave van God, de een wel aldus, maar de andere alzoo. — Paulus handelt in dit vers, gelijk in heel dit hoofdstuk, over het huwelijk. In verband daarmede spreekt hij, met het oog op de, naar bij meent, nabijzijnde komst des Heeren, hier als zijn wensch uit, dat alle menschen, de gave der onthouding mochten hebben; het charisma, hetzij dan de natuur-of de genade-^«w van zich van het huwelijk te kunnen onthouden; iets wat voor den Apostel, bij zijn gevaarvol en felbewogen leven, metterdaad een charisme was.

Deze „gave der onthouding", of dit i.donum continentiae", bedoelde ook de Heere Jezus toen hij tot zijn discipelen zeide: ant er zijn gesnedenen, die uit moeders lichaam alzoo geboren zijn (Matth. 19:12a).

Dit is beeldspraak.

Het woord eunuchen, — van eun'é bed en uhein in bewaring hebben — door onze Statenvertaling hier met „gesnedenen" overgezet, beteekend de ontmande dienaars en opzichters in den oosterschen harem. En nu bedoelt de Heere Jezus, dat er menschen zijn, die ook zonder düs door hun medemenschen te zijn verminkt, als die eunuchen, van hun geboorte af, heel hun leven lang, geen sexueele begeerten hebben.

En uiteraard is voor dezulken het kuisch zijn en kuisch handelen zeer licht.

Anders staat het echter met hen, die deze gave der onthouding niet bezitten.

Op zichzelf — hetzij met nadruk nog eens herinnerd — is de sexueele drift, evenmin als elke andere natuurdrift, zondig en maakt mitsdien het bezit of het gemis van het „donum continentiae" 'n mensch niet heiliger.

Alleen maar, in het laatste geval is een grootere zedelijke kracht noodig; is het zwaarder om, naar God van ons wil, kuisch te zijn.

Voor physiek krachtige naturen — en niet alleen voor hèn; de ervaring leert, dat ook zwakke, zelfs teringachtige menschen vaak een sterk sexueel leven hebben — is hier een strijd.

Een strijd tusschen zedelijkheid en zinnelijkheid. Een strijd, die, zoo door leeftijd als natuurlijken aanleg der individuen, — weer verschilt; lichter of zwaarder kan zijn.

Met name in den bloeitijd van het leven.

En dan bepaald nog weer in de jeugd.

De jeugd heeft haar eigenaardige gevaren,

In de vaag van het leven voelt de mensch zijn kracht.

Op ieder gebied.

In het bewustzijn van eigen sterkte en van een eigen wil te hebben, steigert het jonge leven op tegen de staketsels van recht en wet, die het zich overal gesteld ziet.

De jonge ziel wil vrij zijn.

Vrij, als de steen, die naar Abigails diepzinnig woord, „geslingerd wordt uitdeholligheid des slingers", (i Sam. 25 : 29? »).

Vrij, als de spreeuw, die na aan de doornhagen menige veder te hebben verloren, straks moe en ontredderd terugkeert tot het oude nest; als de vlinder, die verliest het stofgoud op de vlerken.

Het valt der jeugd zoo moeilijk zich te matigen.

Te matigen in haar eigen-wil-doorzetten.

Te matigen, te heerschen ook over den zinnelijken lust.

En toch is het rein houden van „de lente des levens", van zoo groote beteckenis voor heel het toekomstig levensgeluk. En daarom is ook van zoo groote beteekenis een opvoeding onder goede tucht; onder een met wijsheid geoefend gezag.

Niet slechts met het oog op de kuischheid, maar ook op al wat eerlijk is, al wat rechtvaardig is, al wat rein is, al watliefe lijk is, al wat wel luidt (Tim. 4:8), moet de jeugdige mensch er toe komen om in wat recht en wet is, geen belemmerende staketselen, maar de heilige ordinantien der zedelijke wereld te zien, die hij heeft te eerbiedigen,

De Gemeene Gratie vermag hier veel.

Maar toch niet alles.

Israëls Prediker vermaant zoo terecht: edenk aan uw Schepper in de dagen uwer jongelingschap (h. 12:1); en de dichter in den iigen Psalm geeft op zijn vraag: aarmede zal de jongeling zijn pad zuiver houden.? dit proef houdend antwoord : Als hij dat houdt naar Uw woord (VS. 9).

Zeker, opvoeding en omgeving, een matige levenswijze en getrouwheid in arbeid kunnen middelen zijn tot bevordering van kuischheid, maar eerst dan wordt door den jeugdigen mensch, in wien het bloed krachtig door de aderen stroomt, deze deugd recht beoefend, wanneer, naar dat andere woord van Abigail, zijn ziel, „ingebonden is in het bundelke der levenden bij den Heere" (i Sam. 25 : 29a).

Is het de kuischheid, zoo in als buiten het huwelijk, alzoo waar het bij het zevende gebod om gaat, deze kuischheid hangt op het nauwste saam met 's menschen lichamelijk bestaan. Ja, de Apostel Paulus schrijft zelfs: liedt de hoererij. Alle zonden, die de mensch doet, is buiten het lichaam; maar die hoererij bedrijft zondigt tegen zijn eigen lichaam (i Korinthe 6:18); iets wat natuurlijk niet zeggen wil, dat b. v. ook een dronkaard of een zelfmoordenaar zich niet zou bezondigen aan zijn eigen lichaam; en wat ook niet zeggen wil dat de zonde der onkuischheid in het lichaam zou zetelen ; zonde toch zit nooit in het lichaam maar uitsluitend in de ziel; doch wat waarschijnlijk bedoelt, dat, wijl de onkuischheid samenhangt met de geslachtsdrift en deze met het lichaam — engelen kunnen niet onkuisch zijn — er geen zonde is, die zoo met het lichaam verbonden is als deze. En dit zal u nog duidelijker worden wanneer gij maar even indenkt, hoe haat tegen God, lastering van den Naam, nijd en hoogmoed buiten het lichaam omgaan; hoe dergelijke zonden ook in den „staat der afgescheidenheid" door de verlorenen kunnen worden bedreven; maar hoe daarentegen een van haar lichaam beroofde ziel geen wellustzonden bedrijven kan. Maar juist daarom is het dan ook te opmerkelijker, dat God ons naast het ^, ^sde gebod, wat toch allereerst over het lichamelijk leven gaat, in het zevende nog een afzonderlijk gebod tegen de onkuischheid heeft gegeven. Een apart gebod toch tegen b.v. onmatigheid in spijs en drank heeft de Wet niet; ieder verstaat dat deze onder het zesde gebod valt.

Anders staat dit met de onkuischheid.

Hiertegen gaf God in het zevende wèl een apart gebod.

En dit nu heeft weer zijn grond in het feit, waarop wij reeds in ons eerste artikel over dit gebod wezen, dat in de verhouding van mensch tot mensch de zonde nergens zoo diep heeft doorgewerkt als juist op het gebied van het sexueele leven.

Hangt de deugd der kuischheid alzoo op het nauwste samen met het lichamelijk leven, wij kunnen haar omschrijven als den vasten en voortdurenden wil om de sexueele natuurdrift op Gode welbehagelijke wijze te beheerschen.

Wijl verder niet alle bevrediging van de geslachtsdrift verboden is, maar hare bevrediging in het huwelijk juist het van God verordineerde middel is tot voortplanting van het menschelijk geslacht — een ordinantie welke reeds aan het eerste in monogamen echt verbonden menschenpaar, nog vóór den val gegeven werd in de woorden van Genesis i : 2i. Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt, en vervult de aarde — zoo kan men onderscheiden tusschen echtelijke en buiten-echtelijke kuischheid.

Hiermede kruist zich een andere indeeling.

De kuischheid en OJM: de onkuischheid toch zetelt in de ziel, maar openbaart zich in het lichaam.

Op grond hiervan onderscheid men dan ook gewoonlijk tusschen inwendige en uitwendige kuischheid en denkt men bij de eerste aan de gedachten en begeerten; bij de tweede aan blikken, woorden en handelingen.

Ook is er nog een derde indeeling. Bij het zevende, evenals bij het zesde kan men op zijn individueele en zijn sociale beteekenis wijzen, of m. a. w. op den plicht tot kuischheid in betrekking tot ons zelf en op dien in betrekking tot onze naasten.

Daarbij mag echter niet worden overzien, dat, krachtens de eenheid van alle plichten: de gehoorzaamheid aan God, het onvoorwaardelijk Gij zult!— zoowel deze zelfplicht als deze naastenplicht hun eenheid hebben in ons willen en handelen overeenkomstig Gods Wil. Onkuischheid toch is niet slechts zonde in betrekking tot ons zelf, of tot onze naasten, maar allereerst zonde tegen God; overtreden van Zijn wet; ongehoorzaamheid aan Zijn Wil.

Eigenaardig komt dit laatste dan ook uit in het bekende en schoone woord van religieuse zedelijkheid, door Jozef tot de vrouw van Potifar gesproken: hoe zou ik dan dit een zoo groot kwaad doen, en zondigen tegen God" (Genesis 39 : 9^).

En eindelijk, wijl bij ieder gebod en dus ook bij het zevende zoowel op hetgeen God ons gebiedt als op wat Hij ons daarin verbiedt, dient te worden gezien, zoo hebben wij ook hier weer zoo de positieve als de negatieve zijde; zoo hel gebod als het verbod te bespreken. Wijl een systematische behandeling van de tien* geboden of de ordinantien des Heeren voor ons zedelijk l'even — waarbij het er op aankomt aan te wijzen, hoe de heilige liefde de ziel van hun vervulling is —ook rekening heeft te houden met de omstandigheid, dat de bevestiging altijd eerder is dan de ontkenning ; het gebod eerder dan het verbod; zullen wij ook hier weer de bespreking van de positieve aan die van de negatieve zijde van het gebod laten voorafgaan.

Wat dan den zelfplicht tot kuischheid betreft, komt het daarbij allereerst aan op wat we zooeven aanduidden als de inwendige kuischheid. Tot de vervulling van dezen plicht is de mensch geroepen wanneer ook bij hem, gelijk bij andere levende wezens, de geslachtsdrift ontwaakt. In heel de organische natuur toch, zien wij hoe, naar goddelijke ordinantie, eerst gezorgd wordt voor het individu en dan voor de soort. Het individu moet tot zekere mate van rijpheid gekomen zijn om zijn geslacht te kunnen voortplanten.

Zoo bij planten en dieren, zoo ook bij den mensch.

Het kind wordt tot jongeling of jongedochter.

Verstandige ouders zijn verplicht hun kinderen te wijzen op de gevaren, die met dit ontwaken der geslachtsdrift zijn ver bonden.

De vader zijn zoon; de moeder haar dochter.

Deze natuurdrift, op zichzelf niet zondig, is echter als gevolg van de zonde bij den mensch ontaard. In haar vaak overweldigende kracht dreigt zij de ziel te knechten onder het lichaam.

Hiertegen moet dan gestreden.

Het lichaam toch moet dienend orgaan of werktuig van de ziel blijven.

En alle bevrediging van de sexueele drift anders dan in het huwelijk, is tegen Gods ordinantie en mitsdien zonde.

Maar ook omdat de mensch naar Gods beeld is geschapen en hij dat beeld althans in ruimer zin, zij het dan ook verzwakt, óok als zondaar behield, is hij, uit achting voor zichzelf, verplicht alles te verhinderen wat zijn ziel zou maken tot een speelbal van den wilden lust.

Echte zelfiiefde, is het zichzelf liefhebben om God; het liefhebben van Zijn beeld in ons.

Voor den Christen, voor den geloovige in wien door Genade het beeld Gods in enger zijn, zij het dan ook nog „onvolmaakt in de trappen", weer hersteld is, komt daarbij nog een sterker motief. „Of weet gij niet, dat ulieder lichaam een tempel is van den Heiligen Geest, die in Uis, dien gij van God hebt, en dat gij uws zelfs niet zijt 'i —, zoo vraagt Paulus aan de geloovigen in Korinthe (i h. 6:19).

Hij doet deze vraag, zooals uit vergelijking met het hierboven besproken 18e vers blijkt, met het oog op de onkuischheid; de zonde waarvoor Korinthe en dat zelfs onder de heidenen, berucht was.

Gelijk hij in vs. 15: Weet gij niet dat uw lichamen leden van Christus zijn.? " — aan ds lichamen der Christenen toeschrijft, wat hij anders van de Christenen zelf zegt zoo ook hier in het 19e vers. Noemt hij elders b.v, i Kor. 3:16 „Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt, en de Geest Gods in ulieden woont, " en 2 Kor. 6:16: Gij zijt de tempel des levende Gods" — de Christenen „den tempel Gods" of van „des Heiligen Geestes", hier in vs. 19 zegt hij, dat hun lichaam een „tempel des Heiligen Geestes" is.

Dit nu wijst op de hooge waarde, die de Christen heeft toe te kennen ook aan zijn lichaam. Zeker, ' de Heilige Geest verbindt Zich met, woont allereerst in den geest des menschen, in zijn ziel. Maar krachtens den innigen band tusschen lichaam en ziel, een band die wel tijdelijk, om de zonde in het sterven wordt verbroken, doch in de opstanding weer zal worden hersteld — woont de Heilige Geest ook in het lichaam.

„De Heilige Geest", schrijft de Apostel verder, „die in u is", „dien gij van God hebt" en waardoor gij dus van Hem des te dieper af hankelijk zijt, en hij voegt er aan toe: „weet gij niet dat gij uws zelfs niet zijt? " In dit laatste ligt dan de gedachte, dat zij ook niet willekeurig over zich zelf hebben te beschikken; ook niet over hun lichaam; en dat zij mitsdien ook dat lichaam niet mogen prijs geven aan de onreine, wijl ongeoorloofde lusten, maar het alleen mogen gebruiken als een orgaan, een werktuig om er in dienst van God Zijn wil mee te volbrengen.

Letten wij nog op het volgende vers, waarin door verwijzing naar het werk der verlossing door Christus, het „niet uws zelfs zijn" nader wordt aangewezen: „Want gij zijt duur gekocht; zoo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uw geest, welke Godes zijn" (vs. 20); — dan vinden wij hier dezelfde echt christelijke gedachte terug die ook uitgesproken is in het kostelijk antwoord van onzen Heidelbergschen Catechismus op de vraag naar „den eenigen troost": Dat ik met lichaam en ziel, beiden in het leven en sterven, niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben. Maar ook valt hier een eigenaardig licht op de verplichting van den christen tot kuischheid.

Reeds als mensch zijt gij uwszelfs niet, maar het eigendom van uw Schepper; doch als Christen zijt gij ook het eigendom van uw Heiland, die u duur heeft gekocht.

Naar ziel en lichaam.

Daarom is onkuischheid ook onchristelijk.

En 'n christen, 'n mensch, die waarlijk gelooft, dat hij het eigendom van zijn Heiland is; dat zijn lichaam is een tempel des Heiligen Geestes; kan niet anders dan door zoo groote liefde hem betoond, zijn God liefhebben met heilige liefde; kan niet anders dan willen kuisch zijn.

Zal het zichzelf achten als mensch, als christen, er toe dringen om zichzelf onbesmet te bewaren, het komt daarbij voor alles aan op het niet laten overweldigen van het geestelijke door het zinnelijke.

De zinnelijkheid, de geslachtsdrift op zichzelf, is niet onrein; maar wat wèl onrein is en in zedelijk opzicht besmet, is de begeerte om haar te bevredigen anders dan in het huwelijk; wat wel onrein is en bezoedelt is, dat met name de verbeeldingskracht, de phantasie derwijs onder haar macht komt, dat schier alle combinatie van voorstellingen altijd en altijd weer, tot in den droom toe, zich op haar bevrediging richt.

Hiertegen nu te waken is plicht.

De goede wil, die, als wil naar binnen, heerschen moet over heel het zieleleven, moet zulk begeeren en phantaseeren terugdringen; mag niet toelaten dat het geestelijke onder de overmacht van het natuurlijke komt.

Wordt dit verzuimd, dan wordt de strijd zwaarder.

Er is een wet des zedelijken levens, krachtens welke de zonde, ook de zonde der onkuischheid, zich al verder ontwikkelt.

Innerlijke onkuischheid, niet tijdig weerstaan, treedt straks in woorden en daden ook als uitwendige naar buiten.

Dit laatste brengt ons als vanzelf tot de bespreking van den plicht tot kuischheid in het saamleven met onze medemenschen.

Hierbij komt het uiteraard vooral aan op de uitwendige kuischheid of de eerbaarheid, in woorden en handelingen.

Wijl de mensch, naar Gods scheppingsordinantie, alleen in het huwelijk de bevrediging zijner sexueele natuurdrift mag zoeken, eischt de eerbaarheid, dat al wat met de intimiteit van het huwelijk in verband staat, voor anderen als omsluierd blijve. Want wel is „het huwelijk eerlijk onder allen en het bed onbevlekt" (Hebr. 13 : 4), maar in de, door het huwelijk verzedelijkte, sexueele gemeenschap der menschen is een element, dat men moet schromen te ontwijden.

Wordt de geslachtsdrift, zooals wij in ons vorig artikel opmerkten, bij den mensch verzedelijkt door de geslachtsliefde, — bij normale verhoudingen ontwaakt tusschen een jongeling en een jongedochter, wat men gewoonlijk als de liefde aanduidt. De wederzijdsche aantrekking der geslachten verbijzondert zich dan tot die van twee individuen.

Ze worden op elkander verliefd.

De zedelijke mensch, de christen, heeft ook daarbij het natuurlijke te houden onder de tucht van het geestelijke. Inzonderheid hebben Christelijke ouders toe te zien, dat hun kinderen niet verkeeren in kringen, die óf uit godsdienstig óf ook uit sociaal oogpunt de hunne niet zijn. Wanneer uw zoon of dochter verliefd raakt op wie buiten uw kring staat, is dat zeker „een bitterheid des geestes" (Gen. 26:35); doch als ge ze met kinderen buiten uw kring hebt laten verkeeren is dat üw schuld, en die schuld maakt ge dan nog grooter met plotseling streng op te treden en wreed tegenover de jonge harten te handelen.

Leidt het op elkander verliefd worden tot een verloving, waarvan het doel altijd het huwelijk moet zijn, christelijke jongelieden zullen den ernst van een zoodanige verbinding verstaan. Zij zullen niet alleen op elkanders uitwendig-lichamelijke maar ook op elkanders innerlijk-geestelijke eigenschappen zien en daarbij ook of er eenheid van geloofsovertuiging is. En kinderlijk ontzag eischt, bij het zich verloven ook de toestemming der ouders te vragen. In de verloving is het plicht om, al is de onderlinge verhouding ook vrijer, toch de kuischheid te betvaren en terwijl het aan is, niets te doen waarover men zich schamen zou als het af is.

Het afraken van een verloving is echter in vele opzichten te betreuren. Vooral voor 'n meisje is het een schok in haar zedelijke levensontwikkeling. Zeker, de verloving moet dienen om elkander nader te leeren kennen; maar om zichzelf het smartelijke, het krenkende van een verbroken verloving te besparen, zij men uiterst voorztchtig met het aangaan van, hoede men zich voor overijlde verloving.

Naar wat zijn moet, mag de verloving alleen eindigen in het huwelijk in den echt.

Onder echt verstaat men de wettige, op wederzijdsche toestemming berustende, onlosmakelijke verbintenis van éen man en éen vrouw, aangegaan tot voortplanting van het geslacht en tot wederzijdsche bijstand en hulp in alle dingen, die tot het tijdelijke en, eeuwige leven behooren.

Wijl bij deze verbintenis zoowel de twee familiën, die van den man en die der vrouw, als de Overheid en de Kerk haar belangen

hebben, — komt aan alle drie daarbij zeker zeggenschap toe. Wij hopen in ons volgend artikel hierover nader te handelen,

Ot^er de wederzijdsche hulp en bijstand der echtgenooten is, evenals over de plichten der ouders jegens hunne kinderen, reeds gesproken bij de behandeling van het vijfde gebod.

Hier bij het zevende dient alleen gewezen op de kuischheid ook in het huwelijk. Deze toch eischt, wijl in het huwelijk man en vrouw elkander naar lichaam èn ziel toebehooren, niet slechts de onderlinge trouw, maar ook, dat men de achting, die men elkander als mensch verplicht is, beware.

Ten slotte zq hier nog opgemerkt, dat, wijl het huwelijk slechts een verbintenis voor dit leven is, tegen het aangaan van een tweede |iu^ijk, na het sterven van een der partijen, op zichzelf geen zedelijke bezwaren kunnen bestaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 april 1906

De Heraut | 4 Pagina's

Van de tien geboden.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 april 1906

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken