Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van de tien geboden.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van de tien geboden.

16 minuten leestijd

CVII.

HET ACHTSTE GEBOD.

VIII.

De arbeider is zijn loon waardig. Lucas Io : 7.

Bij de beoordeeling van de sociaal-democratie in betrekking tot den eigendom, aangevangen in ons vorig artikel, hebben wij haar eene grondstelling: de materialistische opvatting der geschiedenis als onjuist leeren kennen. Thans, die beoordeeling voortzettend, zullen wij hare andere grondstelling, de theorie der meerwaarde, de „tweede groote ontdekking van Marx'\ nader onderzoeken.

In dit artikel alzoo over de theorie der meerwaarde.

Bij de beschrijving van het stelsel der Sociaal-democratie, verbonden aan den naam van Karl Marx, hebben wij in ons 5e artikel over het achtste gebod, van deze theorie der meerwaarde reeds een vrij uitvoerige uiteenzetting gegeven.

Kort saimgevat en zoo eenvoudig mogelijk uitgedrukt, komt deze theorie op het volgende neer.

Wat de ondernemer koopt is de arbeidskracht van den werkman in den vorm van handenarbeid; wat hij verkoopt zijn de waren, de goederen waar? » de arbeid van den werkman vervat is, en die aan deze hun waarde, volgens Marx hun eenige waarde geeft; en de meerdere waarde nu van wat hij verkoopt boven hetgeen hij gekocht heeft, de meerwaarde, is de winst, zijn winst.

Dit is wat Marce noemt het „geheim van de plusmakerij", — van plus „meer"; de ontdekking van „het mysterie der ongerechtigheid, " en deze theorie van de meerwaarde bedoelt dan ook niets anders dan een beschuldiging van onrechtmatigheid in te brengen tegen de ondernemingswinst; tegen de kapitalistische bedrijfswijze; tegen de inrichting der tegenwoordige maatschappij.

De ondernemer is hier de kapitalist of de privaatbezitter vandeproductiemiddelen, van de arbeidsmiddelen, van grond en bodem niet alleen, maar ook van werkplaatsen en fabrieken, werktuigen en machines, en grond stoffen ; de werkman is hier deproletariër, de man, die behalve zijn „proles, " zijn „kroost", niets bezit dan de arbeidskracht in zijn handen.

Bij het huurcontract tusschen ondernemer en werkman — het „vrije contract" — koopt de eerste van denf laatste diens s^rheidskracht; een koopwaar wier waarde, wier eenige waarde volgens Marx, bepaald wordt door den arbeid, die in haar vervat is, dus het resultaat van de voeding van den werkman; en de prijs waarvoor de ondernemer deze kracht van den werkman koopt — de waarde waarmee hij deze waarde vergeldt, is het loon.

De privaateigenaar van dearbexdsmiddelen, thans ook eigenaar geworden van de vreemde zthevdskracht, laat nu met die kracht en die middelen voor zich arbeiden, en de voortbrengselen, de producten van dien arbeid, zijn dan zijn eigendom.

Slechts tegen haar ruil^^aarde heeft hij de arbeidskracht gekocht; haar veel hoogere gebruiksvia.a, rde, d. w. z. de waarde, die haa gebruik heeft: het voortbrengen, van waarden, van dingen die waarde hebben, omdat er arbeid in vervat is — heeft hij op den koop toe gekregen. En zoo gelukt het hem, de voortbrengselen van de arbeidskracht zijner werklieden tot veel hooger prijs te verkoopen, dan waarvoor hij die arbeidskracht gekocht heeft; zijn meerwaarde te maken.

Terwijl de werkman slechts zijn kost verdient en niet meer, maakt de ondernemer fortuin en wel door de meerwaarde; door zich steeds „vreemden" arbeid toe te eigenen.

Marx onderscheidt hierbij tusschen tweeerlei kapitaal; of beter nog, hij deelt het geheele kapitaal in tweeën: het constante en het variabele.

Constant, standvastig, is dat deel van het kapitaal, dat tot aanschaffing van grondstoffen en werktuigen of ook tot instandhouding en verbetering der werktuigen noodig is. Met dit constante kapitaal nu is geen meerwaarde te verkrijgen. Hier wordt slechts gekocht en verkocht tegen ruilwaarde en ook de machine kan geen meerwaarde leveren, wijl zij aan het product juist zooveel waarde geeft als zij zelf verpest, en welk verlies dan moet worden afgeschreven.

Variabel, veranderlijk kapitaal, daarentegen is de arbeidskracht van de werklie­ den, welke de kapitalist zich voor loon in den vorm van geld heeft verworven en die juist wèl meerdere waarde kan opleveren dan zij als ^««/waarde, waarvoor zij gekocht is, zelf heeft. Zij, de arbeidskracht, toch brengt niet slechts aan den ondernemer den prijs op dien hij voor haar heeft betaald — het loon —, maar-boven dit aequivalent, door het gebruik dat de ondernemer van haar maakt, een surplus, een overschot, een meerwaarde, die, omdat zij nu eens grooter, dan eens kleiner, dus „veranderlijk" is, deze arbeidskracht tot „variabel" kapitaal maakt.

De ondernemer, die zijn winst uit de meerwaarde gemaakt, weer in zijn bedrijf steekt, vermeerdert, hoopt zijn constant kapitaal telkens of door middel en ten koste van zijn variabel kapitaal of de arbeidskracht zijner werklieden.

Zoo verrijken zich de bezitters van de arbeidsmiddelen ten koste van de bezitters van de arbeidskracht; de eene klasse der maatschappij ten koste van de andere.

Het is een voortdurend proces, waarbij het kapitaal al meer toeneemt, accumuleert, ophoopt.

Een voortdurende kringloop van geld, dat met de arbeidsmiddelen, door de arbeidskracht, wordt omgezet in arbeidsproducten en steeds aangroeiend zijn loop opnieuw weer begint.

En van dit zich verrijken van het kapitaal, ten koste van den arbeid; van dituituitbuiten van de proletariërs door de kapitalisten, is de meerwaarde het geheim.

De meerwaarde, verbonden aan de kapitalistische bedrijfswijze. En deze bedrijfswijze is de voorname oorzaak der maatschappelijke ellende. Voor het Marxisme is daarom geen wezenlijke verbetering van de sociale toestanden te wachten, voordat aan deze bedrijfswijze een einde zal zijn gemaakt; voordat het privaat-bezit der productiemiddelen zal zijn opgeheven en veranderd in communaal bezit; alle productiemiddelen, grond en bodem ingesloten, eigendom zijn van den Staat; uit deze „kapitalistische" maatschappij zich zal hebben ontwikkeld de socialistische.

Deze theorie van de meerwaarde is in staat indruk te maken.

Zij leert, dat het geheele systeem van den loonarbeid een verkapt systeem van slavenarbeid is.

De vraag naar hooger loon krijgt bij het licht dezer theorie slechts een zeer betrekkelijke beteekenis. Heel het loonsysteem deugt niet en moet weg; evenals heel de slavernij niet deugde en weg moest.

Zeker berust het systeem der sociaaldemocratie niet alleen op de theorie der meerwaarde; het berust ook op de materialistische opvatting der geschiedenis; maar metterdaad is deze theorie een der grondstellingen van dit systeem.

Men moet hier toch twee zaken niet verwarren.

De aanleiding tot het ontstaan van het systeem der Sociaal-democratie of het Marxisme, en de grondslagen van dit systeem. Niet verwarren de door niemand, allerminst door ons Christenen, te ontkennen sociale nooden, met name de wanverhouding tusschen rijk en arm, welke Marx aanschouwde en welke de maatschappij onzer dagen, zij het ook in mindere mate, nog te aanschouwen geeft, — en de oorzaken welke Marx voor die nooden en die wanverhouding meende te hebben ontdekt.

r En die oorzaak was voor Marx vooral de kapitalistische bedrijfswijze met haar meerwaarde.

Alles komt er dus op aan of zijn theorie van de meerwaarde al of niet juist is.

Hier, bij de behandeling van het achtste gebod : gif zult niet stelen, heeft deze vraag daarom belang wijl zij die andere in zich bevat, of de „kapitalistische bedrijfswijze", uit een oogpunt van zedelijke beoordeeling, al dan niet diefstal is; of de privaat-eigendom van de productiemiddelen zedelijk dan wel on-zedelijk is.

Nu is de theorie van de meerwaarde metterdaad, uit een oogpunt van juistheid, niet boven bedenking verheven, al is zij uit een oogpunt van propaganda voor de Sociaaldemocratie een niet te versmaden middel.

Wij hebben vroeger, in ons Se artikel over dit gebod, toen wij de. Sociaal-democratie in verband met den eigendom beschreven, reeds doen zien hoe de theorie van de meerwaarde op het innigst samenhangt met die over de waarde.

Wij schreven toen: „Om nu deze theorie van de meerwaarde, een der machtigste wapenen waarmee de sociaal-democratie de tegenwoordige inrichting der maatschappij bestrijdt, des te beter te doen verstaan, zal het noodig zijn kortelijk te wijzen op de waardeleer die er aan ten grondslag ligt."

Als in het voorbijgaan, is er toen op gewezen, dat men onder waarde, in oekonomischen zin, verstaat de voorkeur, die het eene stoffelijk goed — d..» al wat ons voldoening ver.'schaft en Initsdieri door ons wordt begeerd — boven het andere stoffelijk goed voor ons heeft. En verder, hoe op de moeielijke vraag waarom de mensch voorkeur geeft; waarom voor hem het eene stoffelijk goed hoogere waarde heeft dan het andere; waarom de graad van begeerlijkheid naar het eene hooger is dan naar het andere — hoe op die moeielijke vraag de verschillende waardeleeren een antwoord trachten te geven.

Zonder ons verder bezig te houden met de andere waardeleeren, hebben wij toen alleen melding gemaakt van die, waarop Marx zijn theorie van de meerwaarde bouwt. Zij was de waardeleer, volgens welke de grondslag van alle waarde zou zijn de arbeid van den mensch, en elk ding meer of minder waarde zou hebben naarmate het een meer of minder aanzienlijken arbeid had gekost.

Wijl nu Marx theorie met deze leer op het innigst saamhangt, er op gebouwd is, en er alzoo mee staat of valt, zal men verstaan, hoe de juistheid of de onjuistheid van de theorie der meerwaarde afhankelijk is van de juistheid of de onjuistheid van de waardeleer, volgens welke de grondslag van alle waarde zou zijn de arbeid van den mensch.

Wij hebben thans, om tot een beoordeeling van de theorie der meerwaarde te komen, alzoo de juistheid van deze waardeleer te onderzoeken.

Wanneer Marx in zijn hoofdwerk: Het kapitaal, van waarde zonder meer spreekt, heeft hij daarbij steeds op het oog de ruilwaarde.

Wij hebben toch v.'oegcr gCzien, hoe hij onderscheidt tusschen gebruikswaarde, en ruilwaarde en deze voor geheel van elkander onafhankelijk houdt. De eerste bestaat in de nuttigheid van een ding tot bevrediging van menschelijke behoeften; de tweede, de ruilwaarde, is de verhouding waarin de waren moeten staan om tegen elkaar te kunnen worden verruild. Wat nu waarde, ruilwaarde aan de dingen geeft, is de menschelijke arbeid, die er in vervat is; als het ware in „gekristalliseerd" is; die er de „waardevormende substantie" van is.

Een voorbeeld, ontleend aan een de beste kenners van de Marxistische theorie, moge dit verduidelijken.

Wanneer in den handel twintig el linnen tegen een kleed, of tegen dertig liter wijn omgeruild worden, zoo is deg^ebruikswaarde zeer verschillend. Het linnen kan men gebruiken om er allerlei goed van te maken, het kleed om zich te dekken, den wijn om op te drinken, — maar als waren, als ruilwaarden, zijn zij gelijkwaardig. En dat wel omdat èn in dat stuk linnen èn in dat kleed èn in dien wijn dezelfde hoeveelheid mensehc' lijke arbeid vervat is. Want wel verschilt de arbeid van den wever, met dien van den kleermaker en van den wijnbereider, — maar het is bij alle drie toch menschelijke arbeid.

Tegen Marx onderscheiding nu van gebruikswaarde en ruilwaarde valt niets te zeggen. Zij is volkomen juist, en reeds Aristoteles, die 322 voor Chr. stierf, kende haar. Van alle goederen, die men bezit, schrijft deze wijsgeer, is tweeërlei gebruik te maken; een aan zulk een goed eigenaardig gebruik en een aan zulk een goed nieteigenaardig gebruik.

Een schoen b.v. kan men gebruiken, óf door hem aan zijn voet te doen, of door hem voor iets anders te ruilen. Het eerste is dan het aan schoenen eigenaardig gebruik: men trekt ze aan zijn voeten en daarvoor kan men alleen schoenen gebruiken; het tweede echter hebben schoenen b.v. met levensmiddelen gemeen, men kan ze ruilen voor andere dingen, en dat is dan het niet-eigenaardig of algemeen gebruik, dat wat ze met andere gemeen hebben.

Maar al zijn nu de gebruikswaarde en de ruilwaarde van een goed te onderscheiden, zij mogen daarom nog niet van elkaar worden afgescheiden en dus als geheel onafhankelijk van elkander worden gedacht. De hoogere mate van ruilwaarde eener zaak toch wordt metterdaad óok bepaald door de hoogere mate van haar gebruikswaarde. Schoenen, die nuttiger, voordeeliger zijn in het gebruik, zullen ook voor een hoogere waarde kunnen verruild, dan die in he gebruik minder voordeelig zijn, en dat zelfs afgezien van den arbeid die hun vervaardiging heeft gekost.

En dit nu ontkent Marx.

In zijn hoofdwerk: Het kapitaal, schrijft hij: „In het ruilverkeer der waren is de ruilwaarde iets wat van hun gebruikswaarde geheel onafhankelijk is."

Deze bewering nu, dat de gebruikswaarde geen omstandigheid is die bij de ruilwaarde in rekening komt, acht Marx klaarblijkelijk. Bij den ruil toch worden waren vergeleken, en gelijk bij alle vergelijken, moet er dan iets gemeenschappelijks "zijn; iets wat alle gemeen hebben. Dit nu kan volgens hen niet wezen de „natuurlijke" eigenschappen der waren, want daarin verschillen zij onderling. De eigenschap van brood, kan niet vergeleken met die van wijn of die van een schoen of een kleed. En wijl nu juist deze natuurlijke eigenschappen aan de dingen hun gebruikswaarde geven, is het klaarblijkelijk, dat niet deze bij de ruilwaarde in rekening komt; maar dat, wijl uitsluitend de „menschelijke arbeid", die in alle waren zit, het aan alle waren gemeene is, deze arbeid de ruilwaarde vormt.

Toch is dit alles niet klaarblijkelijk.

Zeker, klaarblijkelijk is, dat er bij den ruil van waren iets gemeenschappelijks moet zijn om ze te vergelijken, te meten. Wanneer waren tegen waren worden omgezet, dan moet er een maatstaf zijn, die hun waarde bepaalt; die bepaalt wat zij gelden; hun prijs.

Buiten bespreking moet hier blijven de marktprijs, vastgesteld door vraag en aanbod, of liever geregeld door „de wet op de markt, " die wordt gesteld wanneer dekooper, die 't minst behoefte heeft te koopen, en de verkooper, die 't minst geneigd is te verkoopen, elkander hebben gevonden.

Hier toch gaat het om de waarde van den arbeid op zich zelf.

Maar dan is het klaarblijkelijk, dat niet de arbeid die in de waren zit, uitsluitend haar ruilwaarde bepaalt, maar wel, en dat in de eerste plaats, iets anders, wat meer nog dan de arbeid aan alle waren gemeenschappelijk is: haar bruikbaarheid.

Wat voor niets bruikbaar is, heeft ook geen ruilwaarde. Alleen wat deugt voor de bevrediging van een menschelijke behoefte, wat bruikbaar is, heeft waarde.

Dit is klaarblijkelijk.

Maar indien dit zoo is, dan is ook de bewering van Marx onjuist, dat de ruilwaarde van de gebruikswaarde geheel afhankelijk is. En ieder nu, die niet de theorie der meerwaarde te verdedigen heeft en daarom vast staat in 3e leer, dat de arbeid alleen en uitsluitend de ruilwaarde r bepaalt, zal toegeven, dat de bruikbaarheid^ van een waar, vo'or de bepaling van haar waarde, zoo al niet het eenige, dan toch het eerste is, waar men rekening mee houdt. De arbeid aan het voortbrengen der waren besteed; de arbeid die er in zit, moge ook en zelfs veelal invloed hebben op de bepaling der waarde, maar zeer ver is het er van af, dat de arbeid hier het eenigste zou zijn; dat arbeid zonder meer reeds waarde zou scheppen. Terecht is hier door een der bestrijders van het Marxisme als voorbeeld gewezen op, met de grootste inspanning, zoodat er heel wat arbeid in zit, uit bordpapier vervaardigde schoenen, die desniettemin, omdat zij onbruikbaar zijn, geen ruilwaarde hebben, niet zijn te verkoopen.

Zeker, daar zijn dingen, zooals de lucht en het daglicht, die uitsluitend gebruikswaarde en geen^a^Vwaarde hebben. Dan, hieruit volgt niet, dat er ook dingen kunnen zijn die ruilwaarde hebben zonder dat zij ook gebruikswaarde hebben; volgt alleen dat bij de gebruikswaarde nog iets bij moet komen om ruilwaarde te doeft ontstaan. Dit bijkomstige nu kan zeker de arbeid zijn; doch ook weer niet eens altijd. Men denke b. v. aan een mineraal water bron of een petroleumbron, aan guano, die door de zeevogels is aangebracht —, dingen die zeker èn gebruikswaarde èn ruilwaarde hebben, en die toch geen producten van arbeidskracht zijn, waarin geen atoom menschelijke arbeid zit.

De leer alzoo, dat de ruilwaarde alleen en uitsluitend bepaald wordt door den fl^^^/< die in de waren is vervat, is alzoo onjuist.

Is nu deze waardeleer onjuist, dan volgt daaruit ook de onjuistheid van de theorie der meerwaarde, die op haar gebouwd is.

Al is het nu ook juist, dat wat de ondernemer koopt, niet de arbeid, maar de arbeidskracht van den werkman is; dat de werkman, die zich zelf bij contract aan den werkgever verhuurt, daarbij tegen loon zijn arbeidskracht verkoopt; onjuist is, dat arbeidskracht de ruilwaarde van de waar: menschelijke arbeidskracht, alleen en uitsluitend door haar productie, door haar kosten van voortbrenging zou worden be­ t paald. Dit toch is een gevolgtrekking uit Marx onjuiste waardetheorie: dat de ruilwaarde van een waar alleen en uitsluitend wordt bepaald door den arbeid die in haar vervat is.

De arbeid in de waar: arbeidskracht vervat, zou dan zijn het resultaat van al wat de arbeider voor zijn levensonderhoud verricht heeft, bepaaldelijk zijn voeding.

De physieke sterkte, de spierkracht vjm den arbeider zou dus dé eenige en uitsluitende waarde van zijn arbeidskracht zijn, en deze waarde zou dan met een daarmee overeenkomstig loon worden vergolden. Een werkgever, die zijn werkman dus juist zooveel loon geeft, dat hij den kost heeft, zou daarmee voldoen, en om de kapitalistische bedrijfswijze te oordeelen, beweert Marx dan ook dèt hij voldoet. Heel het loonstelsel toch is volgens hem verkeerd.

Wij hebben echter zooeven gezien, dat de ruilwaarde volstrekt niet alleen uitsluitend door de in een waar vervatten arbeid bepaald wordt, maar eerst en vooral door haar bruikbaarheid.

Dit nu geldt ook van de waar: arbeidskracht.

En tot de bruikbaarheid van deze waar behoort dus niet alleen en uitsluitend haar physieke sterkte, maar ook of de arbeider, de mensch die haar bezit en uitoefent, daarbij meerder of minder ervarenheid, talent, geschiktheid en betrouwbaarheid heeft.

Bij de vraag waarom het ons hier, bij het achtste gebod, alleen te doen is: óf de „kapitalistische bedrijfswijze", óf het privaatbezit der productiemiddelen op zichzelf zedelijk te veroordeelen is; een vraag, die het Marxisme of de sociaal-democratie bevestigend beantwoordt; blijkt dus, dat alles afhangt van de waarde die wordt toegekend aan de menschelijke arbeidskracht, aan de arbeidskracht van den werkman.

Kent men aan die kracht een ruilwaarde toe alleen en uitsluitend door wat zij den werkman heeft gekost om er toe te geraken en er bij te blijven, en koopt men haar voor een daarmede overeenkomstigen prijs, dan heeft men haar gekocht beneden haar wezenlijke waarde, en is dus zedelijk te veroordeelen; dan is ook meerwaarde of winst, uit het gebruik van deze, beneden haar waarde, gekochte waar — onrechtvaardig en mitsdien onzedelijk.

Doch dit alles behoeft met de „kapitalistische bedrijfswijze" nog niet verbonden te zijn.

De ondernemer, die óók aan de bruikbaarheid van de arbeidskracht zijner werklieden waarde toekent, en wanneer hij ze koopt, een daarmee overeenkomstigen prijs, in den vorm van loon, ervoor betaalt, geeft den werkman het zijne; en doet hem dus recht; en dat hij dan èn uit wat dus rechtmatig het zijne is geworden, èn uit zijn productiemiddelen, èn uit zijn arbeid — er is toch ook nog andere menschelijke arbeid dan alleen handenarbeid — waarden produceert, die meer waarde hebben dan de arbeidskracht van zijn arbeiders — is noch uitbuiting, noch diefstal.

De arbeider is zijn loon waardig — zegt de Schrift (Lukas 10 : lo; i Tim. 5:18) — en alleen die kapitalistische bedrijfswijze welke den arbeider het hem waardig loon onthoudt, is zedelijk te veroordeelen; is een vergrijp aan 'sHeeren ordinantie, aan zijn gebod.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 juli 1906

De Heraut | 4 Pagina's

Van de tien geboden.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 juli 1906

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken