Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Genadeverbond en zelfonderzoek.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Genadeverbond en zelfonderzoek.

10 minuten leestijd

XXV,

Na het advies van de Kerk van Geneve beluisterd te hebben, komen we thans tot het gevoelen van Calvijn zelf.

Hoofdbron voor wie Calvijn's gevoelen kennen wil, blijft natuurlijk de Institutie. In dat meesterwerk, dat Calvijn tot het einde zijns levens heeft herzien, omgewerkt en verrijkt, wordt zijn dogmatische gedachte het helderst en het scherpst uitgedrukt. In het IVe boek, het i6e hoofdstuk handelt Calvijn daar uitvoerig over den kinderdoop en bestrijdt hij het gevoelen der Wederdoopers en van Servet, die den kinderdoop verwierpen. Het hoofdargument voor den kinderdoop, waarop Calvijn telkens weer terugkomt, is dat het Genadeverbond door God is opgericht met Abraham en zijn zaad en daarom onder de Nieuw-Testamentische bedeeling, die nog rijker in genade is dan de Oud-Testamentische, de kinderen van het Genadeverbond en van het teeken des verbonds niet buitengesloten mogen worden,

Calvijn denkt er echter niet aan om deze zegening tot alle kinderen zonder onderscheid uit te breiden; telkens herhaalt hij weer, dat de belofte alleen gegeven is aan de kinderen uit geloovige ouders geboren, omdat deze alleen in het verbond der genade begrepen zijn. Zoo zegt hij in § 6: „Daarom, gelijk de kinderen der Joden een eilig zaad genaamd werden, omdat ze, rfgenamen van dit verbond geworden zijnde, van de kinderen der goddeloozen ondercheiden werden, alzoo worden om diezelfde eden de kinderen der Christenen heilig gecht, al zijn ze van zulke ouders geboren, an welke éen alleen geloovig is, en door et getuigenis van den Apostel worden ze nderscheiden van het zaad der afgodendieaars, dat onrein is". Calvijn handhaaft ier dus uitdrukkelijk, dat alleen de kineren uit geloovige ouders voor heilig zijn e achten; de kinderen van niet geloovige uders of afgodendienaars staan niet in het enadeverbond, ze zijn onrein.

Het teeken des verbonds, de doop, komt aarom alleen aan de kinderen der gelooigen toe, § 24: „Indien de kinderen der d d o eloovigen aan het Verbond deel hebben zoo heeft men geen reden om hen van het teeken des verbonds af te houden. Maar die ongeloovig is en van ongeloovige ouden afkomstig, die wordt van de gemeenschap des verbonds vreemd geacht. En daarom is het geen wonder, dat men den zoodanige het teeken niet geeft, welks beteekenis in hem ijdel en bedriegelijk wezen zou".

Niet minder beslist laat Calvijn zich uit in zijn commentaar op i Cor, 7 : 14: ^^ Apostel leert ons hier, zegt hij, dat de kinderen der geloovigen van andere kinderen onderscheiden worden door een zekeren voorrang, opdat ze voor heilig in de kerk zouden gerekend worden". Wel zijn alle kinderen, hetzij se uit geloovige of uit ongeloovige ouders geboren zijn, van nature kinderen des toorns en worden ze in ongerechtigheid geboren. Maar al is hun toestand in zooverre gelijk, „de kinderen der geloovu gen hebben een bijzonder privilegie, dat voortvloeit uit de weldaad des verbonds door welks tusschenkomst de vloek, die van nature op hen ligt, wordt uitgedelgd". Daarom komt alleen aan de kinderen der geloovigen de doop toe: Indien de kinderen der geloovigen worden uitgezonderd en bevrijd van het gemeene lot van het menschelijk geslacht, opdat ze Gode worden afgezonderd, waarom zullen we hen dan van het teeken des verbonds afhouden? "

Nog scherper komt dit eigenaardige standpunt van Calvijn uit in zijn polemiek met de Lutherschen. Met de Wederdoopers liep de strijd over het goed recht van den kinderdoop zelf, maar met de Lutherschen over de vraag, welke kinderen mochten gedoopt worden. De Lutherschen wilden dat alk kinderen zonder onderscheid zouden gedoopt worden, en ze veroordeelden daarom Calvijn, omdat hij leerde dat alleen de kinderen der geloovigen heilig waren en dat de doop ontheiligd werd, wanneer deze bediend werd aan kinderen van niet geloovige ouders. Een onbekend Luthersch theoloog had Calvijn daarover aangevallen naar aanleiding van Calvijn's critiek op het Interim. Calvijn heeft daarop In een Appendix of aanhangsel bij deze critiek op het Interim zich tegen dien aanval verdedigd. „Welke dwaling, zegt hij, legt men mij ten laste ? Dat ik zeg, dat de doop ontheiligd wordt, wanneer hij bediend wordt aan degenen, die vreemd zijn van het verbond der genade". Hij wijst er nu eerst op, dat de Lutherschen zelf, wanneer ze met de Wederdoopers te doen hebben, het recht van den kinderdoop evenzeer verdedigen met een beroep op de leer der Schrift, dat God niet alleen de ouders, maar ook de kinderen in het genadeverbond opgenomen heeft; maar daarna gaat hij dieper op de quaestie in. Zijn tegenstander had zich n, l. beroepen op het doopbevel van Christus, „die bevolen had niet alleen de geloovigen en kinderen van geloovigen maar alle volkeren te doopen"; hetzelfde argument dus, dat de voorstanders van den volksdoop ook thans nog aanvoeren. Calvijn, wel verre ^an de juistheid van dit argument te erkennen, noemt dit schertsend „Duitsche bierphilosophie". „Gewis", zegt hij, die goede vader, die naar ik zie, gewoon is onbekommerd onder het genot van een glas wijn of bier te philosopheeren, heeft dieielfde driestheid thans nog verder willen uitstrekken. Hij zegt, dat Christus wil, dat allen gedoopt worden? Maar wil Christus dan niet, dat eerst het evangelie gepredikt wordt? Want die volgorde beveelt hij zgn apostelen aan, dat ze eerst onderwijzen en daarna doopen (Matth. 28:19), Onze berisper handelt derhalve dwaselijk, omdat hij het eene deel van Christus' bevel weglaat, ja wat door Christus verbonden en vereenigd was, uiteenrukt en van elkander scheidt. Mijn antwoord op dit argument is daarom kort dit: el worden door Christus' woord tot den doop geroepen degenen die vreemd zijn van het verbond der genade, maar nadat ze vooraf door de prediking van het evangelie in het hulsgezin (der Kerk) mede opgenomen zijn. Zoo was Abraham een huisgenoot des geloofs voordat hij het teeken der besnijdenis ontving. En wat de kinderen aangaat, zoo worden ze niet voor vreemdelingen maar voor erfgenamen der genade gerekend, omdat God ook hen in zijn verbond begrijpt, zooals we o. a. uit de prediking van den Apostel Petras leeren." (Calv. Opera, ed, Brunsvic t. VII p. 679 en v.v)

Hoe beslist Calvijn in zijn verschillende dogmatische geschriften dit standpunt tegenover Wederdoopers en Lutherschen handhaaft, toch deed zich bij de toepassing van dien regel in zijn dagen een eigenaardige moeilijkheid, voor waarop ook het bekende advies van Geneve doelt, n.l. hoe men te oordeelen had over de kinderen der roomschen, wanneer deze in de gereformeerde kerken ten doop aangeboden werden.

Op dit punt bestaan er twee adviezen van Calvijn, het eene aan Farel en het andere aan John Knox, die schijnbaar lijnrecht tegenover elkander staan.

Farel, die predikant was te Neuchatei, had met een zijner ambtgenoolen tv/ist gekregen over den doop van een kind. De vader van het kind was roomsch; de moeder, die vroeger in de Gereformeerde Kerk belijdenis had gedaan, was door het huweijk met dien man afvallig geworden; maar e grootmoeder, die nog gereformeerd was, oewel ze een weinig stichtelijk leven leidde, ilde het kind van haar dochter in de geeformeerde kerk laten doopen, Farel was ier beslist tegen: „Ik heb geantwoord, chreef hij 14 Juli 1553 aan Calvijn, dat et kind niet mocht worden toegelaten tot en doop, omdat het niet In het verboiid taat, daar geen der beide ouders geloovig s en wij niemand kunnen doopen, die niet n het verbond is, " Zijn ambtgenoot ooreelde, dat de doop wel plaats mocht vinen, wanneer de grootmoeder als getuige ptrad, Men besloot nu het advies van Cal-

ijn en de kerk van Geneve in te winnen. Calvijn^ antwoordde daarop 15. Juli 15S3, mede uit naam zijner ambtgenooten: „Ge vraagt» of het geoorloofd is, dat predikanten van onze kerk, die de zuivere leer van het evangelie belijden, een kind tot den doop toelaten, welks vader vreemd is van onze leerken en welks moeder tot het pausdom is afgevallen, zoodat beide ouders roomsch zijn. W* hebben gemeend u daarop te iitoeten antwoorden, dat het een dwaasheid is hen te doopen, die niet gerekend kunjfin worden leden te zijn van onze gemeenschap. Daar de kinderen der papisten hieronder behooren, zoo zien we niet in, dat het geoorloofd ts hun den doop te be-Oenen." Ook den uitweg, dat de grootmoeder als getuige zou optreden, verwerpt Calvijn, omdat die grootmoeder geen het minste zeggenschap heeft over haar kleinkind en dus niet beloven kan, dat het kind gereformeerd zou worden opgevoed; waar nog bij komt dat deze vrouw, die haar dochter aan een roomschen man uithuwde, reeds daarom verdiend had van de kerkte worden afgesneden en niet eens als lid der kerk meer beschouwd mocht worden (t. XIV

p. 570-) Geheel anders luidde het antwoord, dat Calvijn zes jaar later aan John Knox, den bekenden hervormer van Schotland gaf. John Knox had aan Calvijn 28 Aug. 1559 de vraag gedaan: „of men tot den doop mocht toelaten onechte kinderen, kinderen van afgodendienaars (waarmede roomschen bedoeld zijn) en kinderen van geëxcommuniceerden, voordat de ouders zich bekeerd hadden en aan de Kerk zich hadden onderv/orpen? " Calvijn antwoordde daarop, wederom mede uit naam zijner ambtgenooten, 8 Nov. 1859 dat Knox deze vraag wel terecht gedaan had, daar men er vooral op letten moest, dat het sacrament niet ontheiligd werd, wat zeker geschieden zou, indien de doop zonder onderscheid aan vreemden werd toegestaan of ontvangen werd zonder geschikte doopgetuigen, die lidmaat der kerk waren. Maar aan de andere zijde, zoo merkt Calvijn op, mag men bij de bediening van den doop niet vergeten, dat in de eerste plaats moet gevraagd worden, wie God door zijn Woord tot den doop roept. „De belofte Gods nu omvat niet alleen de nakomelingschap van ieder geloovige in het eerste geslacht, maar strekt zich uit over duizend geslachten." Al was in het pausdom de ware godsvrucht een tijd lang te loor gegaan, dit nam de kracht en werkzaamheid van den doop niet weg. De nakomelingschap, uit heilige en vrome voorouders gesproten, behoorde daarom tot de gemeenschap der kerk, al waren de grootouders en ouders afvallig geworden. Wel keurt Calvijn het misbruik der Roomsche kerk af, die kinderen van Turken en Joden roept om te doopen, maar, zoo gaat liij voort, overal waar de belijdenis van het Christendom nog niet geheel is ondergegaan of uitgebluscht, daar worden de kinderen van hun recht berooid, wanneer ze van den doop worden geweerd. Het zou toch onbillijk zijn, aangezien God voor driehonderd jaren of meer hen verwaardigde met zijn aanneming, dat de goddeloosheid der ouders, die daarna gevolgd is, den loop der hemelsche genade zou afbreken." Alleen moet in zulk een geval geëischt worden, dat er Gereformeerde doopgetuigen optreden, (t. XVII. p. 662).

Het verschil tusschen deze beide adviezen springt in het oog. Zelfs kan men tot verklaring van dit verschil niet zeggen, dat Calvijn na 1553 tot een ander inzicht is gekomen en daarom in 1559 zoo aan Knox schreef; want reeds in 1550 had Calvijn hetzelfde gevoelen uitgesproken in het reeds genoemde Aanhangsel bij het Interim. Zijn Luthersche tegenstander had Calvijn gevraagd, hoe hij het maakt met den doop der roomsche kinderen, en Calvijn antwoordde daarop: „Wat de kinderen der papisten aangaat, is het antwoord gemakkelijk. Wanneer mijn berisper als vaststaand aanneemt, dat de kinderen der papisten terecht gedoopt worden, dan geef ik hem dit gaarne toe. Maar hij oordeelt ten onrechte, dat ik deze kinderen voor buiten het verbond staande beschouw, omdat ze noch uit een heiligen vader gegenereerd, noch uit een heilige moeder geboren zijn. Want ze houden daarom niet op, kinderen van heiligen te zijn, wanneer de stamboom van hun geslacht wat hoogerop gezocht moet worden. Want God blijft ook niet bij één geslacht staan, maar breidt de belofte des levens over duizend geslachten uit" (VIII p. 681).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 april 1907

De Heraut | 4 Pagina's

Genadeverbond en zelfonderzoek.

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 april 1907

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken