Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Genadeverbond en zelfonderzoek.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Genadeverbond en zelfonderzoek.

9 minuten leestijd

XXVI.

Krasser tegenspraak is wel nauwelijks denkbaar dan tusschen de beide adviezen van Calvijn, die we een vorig maal meedeelden. Aan Farel schreef Calvijn, dat alleen kinderen van Gereformeerde ouders mochten gedoopt worden en ontried hij daarom den doop van een kind uit roomsche ouders geboren. Aan John Knox, die bezwaar maakte om kinderen van Roomsche ouders te doopen, schreef Calvijn, juist omgekeerd, dat zulke kinderen wel recht hadden op den doop, daar het verbond Gods tot in het duizendste geslacht doorgaat en de zonde der ouders of voorouders de lijn des verbonds niet afbreekt. En nog zonderlinger is, dat Calvijn dit laatste gevoelen niet alleen in 1559 tegenover John Knox verdedigd heeft, maar evengoed in zijn Aanhangsel bij het Interim, negen jaar vroeger verschenen.

Toch kan bij een man als Calvijn, die steeds zoo helder logisch dacht en zoo getrouw bleef vasthouden aan hetgeen hij eenmaal uit de Schrift als waarheid had leeren kennen, kwalijk worden aangenomen, dat hij op een zoo cardinaal punt binnen enkele jaren driemaal van overtuiging zou veranderd zijn.

Beziet men de genoemde adviezen nauwkeuriger, dan blijkt het verschil volstrekt niet zoo principieel te zijn, als men op der schijn afgaande zou oordeelen. En de verzoening tusschen beide is dan ook niet zoo moeilijk te vinden, als men maar in het oog houdt de geheel verschillende kerkelijke toestanden, v/aarin Farel en Knox leefden,

John Knox was in 1559 — dus in hetzelfde jaar, waarin Calvijn hem dit advies, gaf — door enkele der Reformatie gunstig gezinde Lords naar Schotland geroepen om daar de reformatie der kerk ter hand te nemen. Een der belangrijkste vragen, waar voor Knox stond, was, hoe men handelcu zou met ouders, die wel nog niet geheel met het roomsche bijgeloof gebroken hadden, maar toch bun kinderen in de Gereformeerde Kerk wilden laten doopen. Knox zelf neigde er blijkbaar toe, om aan zulke ouders den doop hunner kinderen te wei geren; hij zag in die ouders niets dan „af godendienaars", die buiten het verbond dei genade stonden en wier kinderen daarom geen recht hadden op den doop. Tegenover die al te gestrenge opvatting van hei Genadeverbond heeft Calvijn terecht geprotesteerd. Hij hield vast aan de grond gedachte der Reformatie, dat er niet een nieuwe christelijke kerk mocht gestich) worden, maar dat de bestaande kerk to! hervorming moest worden gebracht. D. radicale beschouwing van sommigen, alsof de Roomsche Kerk niet anders was dar» een anti-christelijire macht, zoodat de Kerk van Christus eigenlijk eeuwenlang van de aarde verdwenen was geweest, heeft Calvijn nooit gedeeld. In de Roomsche Kerk zag hij wel een verbasterde, een gedeformeer de Kerk, maar een .scheldbrief had Goc haar nog niet gegeven; of wil men liever, in de Roomsche Kerk maakte Calvijn onderscheid tusschen de superstitiën en misstanden van het pausdom en de christelijke kerk, die onder die misbruiken nog was blijven voortbestaan. Vandaar dat Calvijn dan ook de ambten in da Roomsche Kerk niet als schijn-ambten beschouwde, maar volhield, dat de ambtsdragers, zelfs de bisschoppen, wei degelijk een Goddelijke roeping hadden, maar een roeping die alleen dan werd nageleefd, wanneer zulk een ambtdrager zijn ambt vervulde naar de eischen van Gods Woord. En dit is ook de reder. waarom Calvijn het recht van de Roomsche ouders op den doop hunner kinderen verdedigen kon. Ook in de Roomsche Kerk bleef nog het Genadeverbond doorwerken; de doop, daar bediend, was trots alle superstitiën, toch een christelijke doop; en de kinderen uit zulke gedoopte ouders gebo ren, moesten nog beschouwd worden als „kinderea van geloovige ouders", ook al waren & & ouders niet „geloovigen" in den zin van Gereformeerden.

Zoo zal het duidelijk zijn, waarom Calvijn in dit schrijven aan Knox er zich op beroepen kon, dat het Genadeverbond niet een geslacht omvat, maar zich uitstrekt over duizend geslachten, en, daarom zeggen kon. dat al waren de vader en moeder geen „heiligen", men dan terug moest gaan tol een vroeger geslacht. Natuurlijk heeft Calvijn dit niet bedoeld in dien zin, alsof trots openlijk ongeloof en geheelen afval van God, bij de ouders het Genadeverbond toch bleef doorgaan, Calvijn maakte er uitdrukkelijk de beperking bij : „wanneer het Christendom niet geheel was te loor gegaan of uitgebluscht". En ook de Kerk van Gsnève waakte tegen misbruik van dezen regel door te schrijven, dat men „daarom nog niet overhoop allerlei kinderen, die men ten doop aanbiedt, ontvangen mag. onder het deksel dat de voorouders daaf van van over duizend jaar geleden Christenen geweest zijn". De bedoeling was alleen, gelijk dit zelfde advies het zoo duidelijk zegt, dat „wanneer God zijn vervallen Kerk in een land wilde oprichten, dat men dan, al waren vele lieden nog niet zoo haastig gereformeerd, hun kinderen (die aan de Kerk toekomen) daarom van den doop . niet moest buitensluiten."

Hieruit volgt, dat in die landen zooals d chotland, waar de reformatie pas ter hand h enomen werd, de kinderen van roomsche G uders konden gedoopt worden. Men had aar een overgangstoestand. De reformatie was voor heel de Kerk bedoeld; men mocht daarom niet beginnen met buiten te sluiten, wat zichzelf niet buitensloot.

Tegenover allen, die niet beslist vijandig tegenover de reformatie stonden, moest toe­ E gevendheid gebruikt worden. Uit het feit h nu, dat zulke ouders voor hun kinderen T den doop in de Gereformeerde Kerk begeerden, bleek, dat ze niet geheel afkeerig war^n van de Gereformeerde religie. Al mochten ze uit menschenvrees of uit gewoonte zelf nog bij de Roomsche Kerk blijven, ze begeerden dan toch voor hun kinderen een opvoeding in de zuivere religie. En wanneer zulke ouders aan bekwame doopgetuigen, die wèl lid waren van de Gereformeerde Kerk, de macht gaven om hun kinderen in de Gereformeerde religie op te voeden, dan oordeelde Calvijn, dat onder die omstandigheid de doop ook aan zulke kinderen mocht bediend worden. Aan den eisch van bekwame en geautoriseerde doopgetuigden hield Calvijn echter onverbiddelijk vast. Dat was de conditio sine qua non voor den doop. Men kon in zulke overgangstoestanden desnoods geduld oefenen tegenover zwakke ouders, maar dan moest ook vast staan, dat het te doopen kind in de Gereformeerde religie zou worden opgevoed. Indien de afdoende waarborg daarvoor ontbrak, zou de doop ontheiligd worden en mocht zulk een kind niet worden gedoopt.

Zoo zal het duidelijk zijn, dat dit advies van Calvijn alleen gold voor de cxceptioueele omstandigheden, waarin de eerste reformatoren verkeerden. Wat Calvijn hier aanried, was niet de gewone en blijvende regel, die voor de Kerk te gelden had in rtormale omstandigheden, maar was een overgangsmaatregel, welke in die ganscb verwarde toestanden tijdelijk moest worden toegepast Calvijn haastte zich dan ook, aar. het slot van dit advies aan John Knox te schrijven, dat zoodra de kerk behoorlijk geconstitueerd was en daardoor de scheidslijn tusschen wie roomsch wilde blijven en wiü met de reformatie wilde meegaan, voldoende getrokken was, deze toegevendheid ; n est ophouden en de Kerk alleen zulke kinderen te doopen had, wier ouders zelf a's doopgetuigen konden optreden: „Voeg hieraan toe, zoo zegt hij, dat op een andere wijis moet gehandeld worden in een kerk, dirt pas weer begint te herleven, dan in een kerk, die op de rechte wijze is gevormd en saamgesteld. Want zoolang als de kerk wordt bijeenverzameld uit hare verschrikkelijice verstrooiing, moet het recht op den doop, dat door een lange reeks van geslachten tot onzen tijd toe stand heeft gehouden, nog wel erkend worden, maar in het vervolg van tijd moet de losbandigheid, die binnengeslopen is, worden verbeterd CD de ouders moeten genoodzaakt worden, dat ie zelf hun kinderen ten doop aanbieden £1? de eerste doopgetuigen zijn", (t, XVII p. 66T)

En zoo zal ook duidelijk zijn, waarom Calvijn aan Farel een geheel ander advies gaf en geven moest. Farel leefde in Zwitserland, waar de reformatie reeds een kwart seuw geleden tot stand was gekomen en de Ovïrheid met kracht die reformatie had gesteund en doorgevoerd. Er was een geslacht voorbijgegaan, sinds de eerste prediking van het evangelie was gebracht geworden ; het zuivere licht van Gods Woord was doorgedrongen in alle steden en dorpen; de macht der Roomsche kerk was feitelijk hier te niet gedaan. Van een overgangstoestand was hier geen sprake meer. Wie midden in een Protestantsch land nog Roomsch bleef of, nog erger, na gereformeerd te zijn geweest, weer tot de Roomsche kcik terugviel, kon niet meer geacht worden tot de onbeslisten of twijfelaars te behooren. Vandaar dat Calvijn evenals zijn ambtgenooten zoo beslist aan Farel schreven, dat in zulk een geval alleen kinderen gedoopt mochten worden van ouders, die tot de gemeenschap der Gereformeerde Kerk behoorden, en daarom de doop aan kinderen van Roomsche ouders niet mocht w; > rden toegestaan,

We hebben deze historische quaestie, die betrekkelijk alleen voor die dagen belang heeft, zoo breedvoerig uiteengezet, omdat de voorstanders der volkskerk zich bij voorkeur op het advies van Calvijn aan John Knox beroepen en meenen dat daardoor de dooppractijk in de Hervormde Kerk gedekt wordt. Men zal thans inzien, waarom dit niet juist is en zeker niemand sterker dan Calvijn die dooppractijk veroordeeld zou hebben. Een doop aan kinderen uit gezinnen, die geheel met het Christendom hebben gebroken; een doop waarbij elke waarborg voor een behoorlijke Christelijke opvoeding ontbreekt; zulk een doop is niet in overeenstemming, maar lijnrecht in strijd met Calvijn's gevoelen,

In de dagen onzer vaderen, dat vergeet men te veel, was er wel een tegenstelling tusschen de ware en de valsche kerk, maar het Christendom beheerschte nog de volkeren. Zelfs een man als Servet, die wegens Godslastering ter dood veroordeeld werd, riep stervende nog den naam van Jezus aan. Van een openlijk verwerpen van Gods Woord, een loochenen van Christus' bovennatuurij ke geboorte en opstanding, was toen geen sprake. De geschillen, die de gemoederen verdeelden, lagen nog binnen de grens der christelijke religie.

Daarom zijn de adviezen over den doop, destijds gegeven, nooit toepasselijk te maken op de toestanden in onze volkskerken, waar men duizenden aantreft, die nooit een kerk meer bezoeken, bij wie aan God nauwelijks meer gedacht wordt, die voor het Christendom niets meer over hebben. En wanneer de Kerk dan toch de kinderen derzulken doopt uit gewoonte of sleur, dan wordt daar-' oor het verbond Gods steeds meer onf. eiligd en de toorn Gods over de gansche emeente gebracht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 april 1907

De Heraut | 4 Pagina's

Genadeverbond en zelfonderzoek.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 april 1907

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken