Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Pro Hege.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Pro Hege.

17 minuten leestijd

TWEEDE REEKS.

XXIII.

Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat het gelijkvormig worde aan zijn heerlijk lichaam, naar de werking, waardoor hij ook alle dingen zichzelven kan onderwerpen. Phil. 3: 23

Niet geheel mag gezwegen worden van de wijze, waarop we ons de uitoefening van Jezus Koningsmacht te denken hebben. De apostel betuigt ons, dat zijns de „werking is, waardoor hij ook alle ding zich zelven kan onderwerpen." In de Openbaringen spreekt de Christus zelf „van 't zwaard djns monds (2 : 16). De Christus wordt gezegd den wederpartijder te zuilen „verdoen door den geest zijns monds." En ook wordt hij ons geteekend met in de hand „een scherpen sikkel, om den oogst der .aarde te maaien." We hooren op Pathmos den lofzang opgaan, dat „het Lam waardig is te ontvangen de kracht' (5 : 12), en straks den jubelzang dat nu „de macht geworden is van den Christus" (12 : 10). De Hebreërbrief zegt ons, dat de Christus „alle dingen draagt door het woord zijner kracht." Het is de vurige bede van den apostel, dat „de kracht van Christus in hem moge wonen, " en waar hij den apostolischen ban slaat, zegt hij dat te doen „met de kracht o^van onzen Heere Jezus Christus" (i Stóv. 5 : 4). Reeds tijdens zijn omwandeling op aarde lezen we herhaaldelijk, „dat er kracht van Jezus uitging (Lukas 8 : 46) en dat hij „met kracht den onreinen geest gebood" (Lukas 9 i). En bij zijn heengaan van deze aarde laat hij ons het woord der vertroosting achter: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde." Doch al wordt door deze reeks van uitspraken de overtuiging gevestigd, dat de Christus, om zijn Koninklijk ambt uit te voeren, een alzijdige macht te zijner beschikking heeft, zulk een algemeene betuiging bevredigt niet, en het loont daarom de moeite, eenigszins nader op de machtsuitoefening van den Christus in te gaan. Niet natuurlijk, alsof het ons ooit zou kunnen gelukken, deze machtsuitoefening zóó te ontleden, dat we haar werking geheel doorzagen. Zelfs in alle physieke kracht blijft altoos ten slotte een onverklaarbaar iets over, dat we hebben aan te nemen, zonder het ons te kunnen verklaren; en vooral in alle geestelijke kracht ligt op den bodem altoos een zeker mysterie, dat alle nadere uitlegging tart. De kracht der liefde, de kracht van 't geloof, de kracht van den heldenmoed boeien ons, zonder dat we haar in heur wezen doorgluren kunnen, en hoe zou 't ons dan ooit gelukken kunnen, de wondere kracht, die in Christus èn eertijds werkte èn nog werkt, tot in haar wortel te kunnen naspeuren.? Maar ook al weten we deswege vooruit, dat het raadsel, waarvoor we hier staan, niet geheel voor oplossing vatbaar is, toch behoeft deze beperktheid van onze kennis geen beletsel te zijn, om te streven naar een algemeene voorstelling van de wijze, waarop de machtsuitoefening van Christus als onzen Koning toegaat.

Zoo ligt het aanstonds voor de hand onderscheid te maken tusschen werkinget» die Jezus rechtstreeks zelf volvoert, en die andere, die hij tot stand brengt door zijn bestelde dienaren en onderdanen. Bij die dienaren hebben we voorts niet alleen aan menschelijke personen te denken, maar naast deze evenzeer aan de engelen. Een aardsch koning gebruikt voor het voeren van zijn bewind een heirleger van ambtenaren, en beschikt over een gewapende macht. Door die ambtenaren laat hij zijn bevelen overbrengen aan wie het aangaat, en met den sterken arm dwingt hij gehoorzaamheid aan zijn bevelen af. Tot op zekere hoogte nu staat 't hiermede gelijk, dat ook de Christus, krachtens zijn Koninklijke majesteit, som migen gegeven heeft tot apostelen, anderen tot evangelisten, tot opzieners, tot herders en leeraars, om zijn kudde te weiden. Deze dienaren toch hebben niet uitsluitend in last, om het Evangelie aan te kondigen en tet bevel tot gelooven over te brengen, maar ze zijn ook bekleed met zekere macht, met die macht oefenen ze tucht uit, en door het middel van die tucht wordt er zeker geestelijk regiment op aarde in stand gehouden. Telt men nu al deze dienaren des Woords, al deze opzieners en diakenen uit alle kerken, over heel de wereld, saam, dan vindt men als uitkomst een onafzienbare heirschare van duizenden en tienduiin aanmerking komen. zenden ambtsdragers, die den Christus in zijn Koninklijk regiment ten dienste staan, en voor zoover ze getrouw zijn, metterdaad in Jezus naam een deel van dat regiment uitoefenen. En toch is deze heirschare van dienaren onder de menschen nog klein, vergeleken bij de onafzienbare heirschare der engelen, die in de wereld der geesten steeds tot zijn dienst bereid staan. Deze engelen zijn altoos trouwe dienstknechten, die vaardig passen op het bevel dat uit 'sKonings mond uitgaat; ze zijn aan geen aardsche beletselen gebonden, en steeds weer worden ze „uitgezonden om dergenen wil, die de zaligheid beërven zullen". Men tast daarom geheel mis, zoo men zich de positie van onzen Koning aan de Rechterhand Gods als een geïsoleerde denkt. Integendeel, er is geen keizer of koning op aarde, die ook maar van verre de breede reeks zqner ambtenaren en de rijke ontplooiing van zijn gewapende macht, met de phalanx van de dienstknechten en krijgsknechten en onderdanen van onzen Koning vergelijken kan. Ook al vernamen we dus niets naders van het mysterie der wondere kracht, die Jezus zelf uitoefent, dan nog zouden we oas van zijn regiment niet licht een te omvattende voorstelling kunnen vormen. Zijn twaalf discipelen zijn in den loop der eeuwen uitgebreid tot duizenden en tienduizenden, en de twaalf legioenen engelen, waarvan hij kort voor zijn sterven sprak, zijn thans uitgedijd tot al de heirscharen des hemels. Zijns is in geen enkel opzicht een geïsoleerde positie, maar zelfs in de hoogere sferen verschijnt hij omstuwd door „de engelen zijner kracht."

Toch elscht reeds deze machtsuitoefening door zijn dienaren op aarde en door de engelen zijaei kracht nadere toelichting. Immers het gewone raderwerk van de ambtenaarswereld, v; aarover de aardsche koning beschikt, ontbreekt hier. Bij een aardsch koning verschijnen zijn hoogste raadslieden in eigen persoon, om zijn welbehagen te vernemen en te raden en te overleggen; schriftelijke orders worden in gereedheid gebracht; en er is een breede dienst van klerken en boden, die door koeriers, door post en telegraaf en drukpers 'skonings wil en bevelen ter kennisse van zijn onderdanen brengen. En ook, bij een aardsch Koning geschieden de benoemingen van de dienaren en de aanstellingen van de hoofden zijner krijgsmacht doorgeschreven orders, en bestaat tusschen alle dienaren onderling een hiërarchisch, van persoon tot persoon overgaand verband. Bij Koning Jezus daarentegen valt dit alles weg. Hij is niet op aarde. Hij troont in de hemelen. En geen dienaar op aarde heeft den Koning gezien, heeft zijn stem ooit gehoord of ontving ooit van hem een persoonlijke dagorder. Wel bestaat er op aarde in de Kerk zekere organisatie, waardoor de aanstelling van zijn dienaren tot stand komt, en toezicht en tucht over de gemeente wordt uitgeoefend, maar dit alles gaat buitenpersoonlijk, zichtbaar contact met den Koning toe. Hrj blijft in den hemel, en geheel deze organisatie van zijn Kerk gaat op aarde, onder menschen, als we 't zoo mogen uitdrukken, op eigen gelegenheid toe. Vandaar het misbruik dat hierbij telkens insloop, en zoo vaak geheel deze organisatie verdierf. Zoo verdierf, dat maar al te dikwijls zijn dienaren op aarde niet alleen insliepen, en tot niets-doen vervielen, maar ook ten slotte zich organiseerden tot een massa, die zich tegen den Koning stelde, en zijn trouwe onderdanen vervolgden en verdrukten. Vergeleken bij de regeeringsorganisatie waarover een koning op aarde beschikt, maakt alzoo deze organisatie van zijn dienaren op aarde een hoogst gebrekkigen indruk. Er ontbreekt het persoonlijk contact, er ontbreekt het uitgaan van een rechtstreeksch bevel ad hoc, er ontbreekt de rechtstreeksche persoonlijke aanstelling, en de mogelijkheid bestaat, dat deze aardsche organisatie zich keert tegen haar doel. Wel liet onze Koning aan de Kerk op aarde zijn Woord achter, met den eisch, dat zijn Kerk naar dat Woord leven en uit dat Woord haar kracht zou putten, maar dat Woord is geen Khoran. Dat Woord IS een historisch product. Het is in den loop der eeuwen in Israel opgekomen en draagt daardoor een historisch-Oostersch type. Het geeft geen gereede reeks van wetten en besluiten, maar verhaalt historie, verhaalt de macbtdaden Gods, en geeft uitspraken en betuigingen van profeten, maar niet in dien gereeden vorm, dat het geheel als een wetboek zou kunnen gelden, waarin men voor ieder voorkomend geval het toepasselijk artikel slechts zou hebben op te slaan. Hoe groot de macht van dat Woord dan ook zij, het draagt een geheel ander ka rakter dan het wetboek van een aardsch vorst; het oefent zijn invloed op geheel andere wijze; en het bewerkt de geesten om ze aan Jezus wil te conformeerea, maar op heel andere wijze dan eG'^.'vet of besluit op aasde werkt. Hieruit volgt aat ét over den zin en de beduidenis van dat Woord allerlei geschil kan rijzen; dat er èn wetenschappelijke èn geestelijke studie vereischt wordt om dat Woord te verstaan en het op de gelegenheden des levens toe te passen; en dat er alzoo bij dat Woord een hooge, geestelijke leiding vereischt wordt, die niet van menschen kan uitgaan, maar uitgaan moet van den Koning zelven. Ook al bepalen we ons tot de gewone organisatie van de Kerk op aarde, en tot de regeering die za in Jezus naam uitoefent, dan is hier reeds een onzichtbare inmenging van den Koning zelven noodig en onmisbaar, die een geheel mystiek karakter draagt, en niet uit de aardsche instelling is te verklaren. Bij de engelen is deze mystieke inmenging door een daad des Konings evenzoo onmisbaar. De Koning moet zijn engelenwacht kennen, weten voor welken dienst elke engel geschikt is. Hij moet aan eiken engel zijn bevel mededeelen, zoodat zulk een engel wete wat zijn taak is, en de Koning zelf moet hierbij zijn engelen alzoo beschermen en leiden, dat ze zijn hoog bevel op de door hem gewilde wijze uitvoeren. Reeds dit deel van het Koninklijk regiment, dat bediend wordt door ambtsdragers of door dienaren uit de engelen of uit de ment'chen, vordert alzoo een macht in den Koning, om tot in het kleinste toe te weten wat er op aarde omgaat, en het alles zoo te schikken, te sturen en te regelen, dat zijn wil doorga, zija bevel worde uitgevoerd, ea zijn Koninklijk gezag gehandhaafd worde.

En naast deze uitoc'sir'ng van Jezus' Koninklijke macht door inicdei van onderdanen, ambtsdragers en engelen, staat dan in aog veel dieper mystieken gloed gedompeld de rechtstreeksche inwerking van den Koning op heel den gang van ons menschelijk leven. Onze Koning is geen lijdelijk Koning, die, gezeten aan de rechterhand des Vaders, slechts toeziet en afwacht, wat zich op aarde uit den dienst van zijn aanhangers ontwikkelen zal, maar hij regeert daadwerkelijk, werkt op de dingen dezer wereld in, en oefent persoonlijk zijn Koninklijke heerschappij uit. Velen hebben daar geen oog voor. Ze denken zich Jezus als opgevaren ten hemel, en nu in het Vaderhuis verkeerende, wel in omgang met de engelen en de gezaligden, maar verstoken van rechtstreekschen invloed op de dingen hierbeneden. Hij stelde zijn Kerk in, hij gaf ons zijn Woord, hij begiftigde ons met de Sacramenten, en voorts maakt hij de vrucht van zijn offerande geldende bij den Vader, maar voorts is hij huns inziens afwachtende wat er op aarde gebeurt, toeziende hoe de dingen op aarde loopen, lijdelijk gedoogende wat er voorvalt, en zoo verbeidende het einde der dingen, als wanneer hij nogmaals in den loop der dingen zal ingrijpen. Er zijn er, die dan nog wel zekere vrij-sterke gemeenschap tusschen Jezus en de verloste ziel aannemen, en zelven in die onderstelde gemeenschap met hun Heiland genieten, maar dit alles gaat om buiten zijn Koninklijke macht, zelfs buiten zijn Koninklijk ambt. Het is in alles de Hoogepriester hunner belijdenis, dien ze hierbij zoeken, die nu leeft om voor hen te bidden en plaatse voor hen zal bereiden in het Vaderhuis, maar als Koning is Jezus ook hun een roi faineant, d, w. z. een Koning in naam, die afwacht wat er komende is, maar zonder feitelijk een regiment op aarde uit te oefenen. Anderen geven zelfs die mystieke gemeenschap niet toe, en stellen het zich zoo voor, dat Jezus alleen de heugenis van zijn verschijning achterliet, dat de indruk van zijn leven, lijden en sterven nog altoos voortduurt, dat zijn voorbeeld nog altoos wint en trekt, en dat zijn Woord, dat hij ons achterliet, wel als teekening van een heilig ideaal de harten vermeestert, maar dat er voorts van eenigen rechtstreekschen invloed, dien Jezus voorbedachtelijk en met volle bewustheid ook nu nog op aarde zou uitoefenen, geen sprake kan zijn. Een Koningschap van Jezus staat huns inziens misschien met zijn wederkomst te wachten, maar in de eeuwen, die tusschen zijn hemelvaarten zijn wederkomst op de wolken verloopen, is hier geen sprake van. Wel als eeretitel, en voorts onder de engelen en de gezaligden daarboven, maar niet voor wat aangaat ons menschelijk leven op deze aarde. Thans op aarde hebben we zekere gemeenschap met Jezus' geest door zijn woord en voorbeeld dat hij ons achterliet, en door de heugenis van zijn gansche verschijning, en eens zullen we in het Vaderhuis een geheel nieuwe gemeenschap met Jezus ontsloten zien, als we hem zien zullen gelijk hij is; maar in de jaren die we hier op aarde doorbrengen, o e d r o t v o g h d n h t Aanvragen en vermelding van l is er niets anders voor ons dan de historie en het ideaal, en berust alle persoonlijk contact met Jezus op inbeelding en fictie. Feitelijk de vernietiging van Jezus Koningschap, of althans een op non-activiteit stellen van dat Koningschap, en een gelijkstelling van Jezus' positie raet die van elk gezaligde die van ons ging en in de gewesten der heerlijkheid werd opgenomen.

Geheel deze voorstelling intusschen druischt in tegen wat de Schrift ons geopenbaard heeft. Ge behoeft slechts de reeks brieven van Jezus aan de gemeenten in Klein-Azië in het 2e en 3 e hoofdstuk van de Openbaringen op te slaan, om de tegenstelling te voelen. Ia die brieven spreekt Jezus zelf de gemeenten zóó Joe, dat hij toont ze tot in bijzonderheden te kennen; haar doen en laten tot in het kleine en onderscheidenlijke te beoordeelen; haar lot in zijn hand te hebben; en zóó over haar toekomst te beschikken, dat hij met koninklijke macht nu reeds allerlei oordeel over haar voltrekt, ze straft en zegent, ze bedreigt of met beloften verrijkt en haar toekomst in zijn hand heeft. Van een afwachtende, lijdelijke houding is hier geen oogenblik sprake. Jezus is in de gemeente tegenwoordig, Jezus kent haar, Jezus beoordeelt haar verleden en haar tegenwoordigen toestand, hij kent ook zelfs de enkele dwaalleerarea die in haar midden zijn opgestaan, en zegt haar aan, dat zoo ze zich niet bekeert, hij zal ingrijpen, haar zijn macht zal doen gevoelen, en ten slotte haar kandelaar van haar zal wegnemen. En geheel dezelfde voorstelling geven de apostelen in hun brieven op elk punt en op elk terrein. Jezus is de Koning, Jezus is de Heere, die kracht geeft aan wie kracht behoeven, om zijn wil te volbrengen. Jezus heerscht als Koning over elk persoon, over eiken dienaar, in elk levensmilieu. Het is altoos de Heere, de Koning die op den voorgrond treedt, en zijn werking en inwerking aan de personen en in de gemeente ervaren doet. Ja, sneed niet Jezus zelf elke voorstelling alsof zijn Koningschap slechts nominaal en titulair zou zijn, vlak vóór zijn hemelvaart af, toen hij het doopsbevei tot inlijving van de volken inleidde met de plechtige verklaring, dat hem alle macht in den hemel en op de aarde gegeven was ? Let wel, niet alleen in den hemel, maar ook op de aarde. Niet alleen in de gewesten der zaligheid zou hij schitteren in majesteit, maar die majesteit zou ook op aarde openbaar worden. Gelijk zijn apostelen dan ook na de eerste wondere genezing het openlijk uitspraken, dat niet zij, maar Jezus dat wonder der genezing volbracht had.

Zoo bezit dan Jezus macht om de zielen te naderen, op de geesten der menschen in te werken, hen te leiden, te richten en te sturen naar zijn wil. Alle afstand valt hier weg. Zooals onze Catechismus het uitdrukt: „Naar zijn menschelijke natuur is hij niet meer op aarde, maar naar zijn Godheid, majesteit, genade en Geest wijkt hij nimmermeer van ons." In het geestelijke is geen afstand. Geestelijk zijn aarde en hemel één geestelijke eenheid. Niets scheidt ons van onzen Koning of onzen Koning van p ons. Hij weet niet maar, dat er op aarde v een Kerk is, maar hij kent in die Kerk een w iegelijk van de zijnen hoofd voor hoofd. Hij s slaat hen gade. Hij deelt met Goddelijke „b deernis in hun lijden en in hun worsteling. Hun leven is in hem verborgen. En eiken morgen o en eiken avond gaat zijn leidende kracht uit den Hooge op de zielen uit. Ea niet enkel persoonlijk gaat dit koninklijk regiment toe, maar het omvat evenzoo den gang, het lot en het verloop van een geheele gemeente, ja van heel zijn Kerk op aarde. En daar het lot van zijn Kerk op aarde telkens afhangt van en beheerscht wordt door de lotgevallen der natiën en volken, strekt zijn invoed en inwerking zich evenzoo tot de historie en de lotwisseling der volken uit. Dit laatste niet alleen, en zelfs niet voornamelijk, genomen met het oog op de oorlogen die ze voeren en de gedaantenwisseling die ze ondergaan, maar ook .wat betreft hun innerlijke verwording, ontwikkeling en vervorming. Het lot van een volk wordt beheerscht door de geesten die in dit volk heerschappij voeren, op religieus, op zedelijk, op wetenschappelijk, op artistiek en op maatschappelijk gebied. De worsteling van deze geesten heeft tot uitkomst de geestesstemming van dat volk, zijn aspiratiën, zijn geestelijke inzinking of verheffing, en hiermee staat in onlosmakelijk verband de stemming der geesten die in de Kerk van dat land zal heerschen. Zoo hangt het lot der Kerk met de geestesontwikkeling van elk volk op het nauwst saam. Zal dus Jezus als Koning in zijn Kerk heerschen, dan moet hij ook heerschappij voeren over geheel de geestesontwikkeling die zulk een volk doormaakt. Het een is van het ander niet af te scheiden, en wie Jezus' Koninklijke macht over de volken en natiën te niet doet, doet van zelf ook zijn Koninklijke macht over zijn Kerk te niet. En daarom moet onvoorwaarelijk vastgehouden aan wat v/e in onzen atechismus aldus belijden: „Dat Christus daarom ten hemel gevaren is, opdat hij zich zelve daar bewijze als het Hoofd zijner hristelijke Kerk, door wien de Vader alle ingen regeert."

Er gaat alzoo van onzen Koning een egeerende, sturende en leidende macht uit, iet enkel op de personen der geloovigen, aar op het leven der wereld in zija geeel, op personen en toestanden, op den oop der historie en op de gebeurtenissen, p de ontwikkeling der natuur en op de eesten, die zich als machthebbend onder e volken opwerpen. Ge komt hier niet uit et de nawerking van Jezus' verschijning, och met de heugenis van zijn leven en terven. De mystieke gemeenschap van de eloovigen met hun Heiland is zielsgenot, aar is niet het Koninklijk regiment. Om at Koninklijk regiment te grijpen als een noodzakelijke waarheid, die het lot der ereld beheerscht, m: et aan Jezus, gelijk ij gezeten is aan de rechterhand des Vaers, een macht, een kracht, een invloed, en inwerking ten dienste staan, die door iets kan gestuit worden, die geen grenzen indt waarop ze stuit, en die, in alles doorerkend, feitelijk alle dingen aan hem onerwerpt, voor hem toegankelijk maakt, oor hem ontsluit, en door zijn Koinklijk gezag doet beheerschen. V/ie in nzen Koning niet anders eert, dan de ermogens die in de menschelijke natuur ij de schepping van den eersten mensch ijn gelegd, kan die kracht, die macht, die ogendheid niet in hem vinden, ook al zet en die vermogens van onze menschelijke atuur uit tot in haar hoogste spanning. an daar dat de apostelen, zoo dikwijls ze it Koninklijk regiment ons toelichten, geduig op de Godheid van den Middelaar terugaan, van wien te belijden is, dat „hij is óór alle dingen en dat alle dingen door em te zaam bestaan, "

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 maart 1908

De Heraut | 4 Pagina's

Pro Hege.

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 maart 1908

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken