Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Pro Hege.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Pro Hege.

19 minuten leestijd

DERDE REEKS. (Derde gedeelte).

Christus Kooiogscbap en het Gezin

IX.

Eer uwen vader en uwe moeder, opdat uwe dagen verlengd worden in het land, dat u de HEBRE uw God geeft. Exod. 30 : 12.

De geboorte van het kind uit zijn ouders handhaaft alzoo de organische eenheid van ons menschelijk geslacht, en doet in dit ons menschelijk geslacht de organische geledingen van familiën, geslachten, stammen en volken opkomen, in opgaande en afdalende en zij-linie, door bloedverwantschap en maagschap zich steeds verder uitbreidend. Maar hier blijft 't niet bij. Ook Jut Geza^ vindt in die geboorte zijn sterkte, en wel op een wijze die het gezag in het huisgezin in rechtstreeksch verband brengt met de hooge autoriteit der Overheid en met de hoogste autoriteit die in de Souvereiniteit Gods ligt. Steeds herinnere men zich hierbij, dat bg Babels torenbouw spraakverwarring en daardoor een uiteengaan van de volken is ingetreden. De vorming van Staten, gelijk ze allengs plaats had, nam uit dien hoofde een abnormaal verloop. £r kwamen scheuren in het organisch verband, dat eens heel ons geslacht saamhield, en niet naar oorspronkelijk bestel, „maar om der zonde wil, " gelijk onze Belqdenis in Art. XXXVI terecht zegt, is er een Overheid ingesteld. Stelt ge nu, gelijk we steeds doen moeten, de vraag: Hoe zou , het verloop geweest zijn, indien de krankheid der zonde niet ware uitgebroken, dan voelt ge aanstonds, hoe in het Patriarchaat als vanzelf de regeling van het Gezag gegeven zou zrjn geweest. Over elk gezin de vader als hoofd. Boven de gezinnen van broeders, geboren uit eenzelfden vader, zou vanzelf hun aller vader als grootvader eea gemeen gezag hebben uitgeoefend, het gezag over de familie. Had het familiehoofd zelf weer broeders, zoo zou, naar recht van eerstgeboorte, een van deze als geslachtshoofd deze velerlei familiën van eenzelfde geslacht onder zich hebben vereeoigd. Meerdere geslachten zouden vanzelf, naar gelijken regel, in één stam onder een gemeenschappelijk stamhoofd hebben geleefd. Deze stammen zouden straks, als in natiën vereenigd, zijn opgetreden, en geheel patriarchaal zou, zonder dat eenige band van buiten werd aangelegd, heel de menschheid feitelijk één geheel hebben gevormd, met als aller hoofd de man die in rechte linie, altoos naar eerstgeboorterecht, uit den oudsten zoon van den eersten mensch afstamde. Verbreking van 'deze lijn van afstamming ware buiten zonde ondenkbaar geweest. In een menschelijk geslacht zonder zonde zou noch ongeval, noch kinderloosheid, noch vroegtijdige dood stoornis hebben aangebracht, en heel ons menschelijk geslacht zou als één organisch geheel zich zuiverlijk in zijn organische geledingen ontwikkeld hebben. Naar uit Henochs opneming valt te vermoeden, zou, waar geen dood intrad, toch wel het leven op aarde een einde hebben gevonden, maar eerst na voleinde levensexistentie, zoodat altoos de nieuwe patriarch gereed stond, op wien het hoofd-zijn van heel ons geslacht overging. Zoo zouden er onder patriachaal bewind in opklimmende linie gezinnen, familien, geslachten, stammen, natiën en volken gekomen zijn, elk met een eigen hoofd, maar bovendien zou, in rechte eerstgeboorte-lijn van Adam afstammend, steeds één Grootpatriarch aan het hoofd van heel de menschheid hebben gestaan.

In Christus als het Hoofd van het mystieke Ltchaam is thans dit Grootpatriarchaat, als we het zoo noemen mogen, hersteld. Er is hierdoor uit de oude menschheid een nieuwe menschheid beginnen op te komen, die in het laatste oordeel van al het onherborene zal worden afgescheiden, om dan eeuwiglijk ons menschelijk geslacht uit te maken, en die hernieuwde menschheid zal alsdan weer onder één Hoofd éen zijn. Maar in het zondig verloop, dat ons leven nu eenmaal nam, 20U de formeele handhaving van die éénheid van ons geslacht een macht tngen God ^n geworden. Daarom is die eenheid bq Babels torenbouw opzettelijk verstoord geworden. En het is tengevolge hiervan, dat we thans wel een organische ontwikkeling van gezinnen, Jamilien, geslachten, .staramen «« natiën vinden, maar zóó dat de Staatvormlng haar zuiver organisch karakter ^'W'oor, en er wdl Staten en Rijken zijn opgekomen, en soms ook wel wat men noemt Wereldrijken, maar dat een saamvoeging van ^^^/ons menschelijk geslacht onder één Staatshoofd steeds uitbleef. De geslachten ontwikkelen zich nog steeds organisch, d.w.z, in vaste geledingen die zich vanzelf onder den natuurlijken drang van het leven voortzetten; maar de Staten, al hebben ze veelal nog een organischen ondergrond in de geslachtseenheid der natiën, zijn toch, gelijk ze nu bestaan, door menschelijken wil, onder den drang der omstandigheden, soms schier werktuigeüjk ineengezet.

Maar al volgt hieruit, dat men niet meer zeggen kan, dat een Staat of Rijk vanzelf uit het huisgezin opkomt, toch blijft het 't huisgezin, dat het voortbestaan van het volk waarborgt, en, iets waar niet minder nadruk op is te leggen, dat de aanzet is tot de formatie van een eigen kring, van een eigen wereld, die zonder gezag niet bestaan kan, en waarin het besef van het gezag vanzelf wordt ingeprent. Het gezag bestaat volstrekt niet alleen door de macht van het geweld, waarmee het zich handhaaft, maar in veel breeder kring zelfs door het bessf, dat er een gezag zijn moet, en dat men zich aan dat gezag heeft te onderwerpen. Een vorst gelijk de koning van Engeland, die over 400 miliioen menschen dea scepter zwaait, zou uiteraard nooit zijn gezag met louter geweld kunnen handhaven, indien niemand onder deze 400 miliioen anders dan voor geweld zwichtte. En regel is het dan ook, dat op elke honderd menschen negen-en-negentig zich van zelf onderwerpen, en dat er hoogstens op elke honderd één is, die met den sterken arm tot onderwerping moet worden gebracht, ^eker zijn er ook die zwichten omdat het gezag met geweld dreigt, maar de over-overgroote meerderheid eert toch het gezag otiidat een innerlijk besef hun dit ten pücht stelt en zij eigener beweging zich gedrongen gevoelen, om die verplichting na te komen. En dit besef nu, dat het onze plicht is, ons aan het gezag te onderwerpen, zoodat we ia een over ons gesteld gezag iets natuurlijks en vanzelf sprekends zien, wordt gekweekt in het gezin, en wel daardoor dat het kind uit zijn ouders geboren wordt. In de eerste levensjaren is het kind geheel op zijn ouders aangewezen; Hulpeloos zou het omkomen, zoo het geen ouders vond die voor het kind zorgden. Zulk een kind wordt gedragen en geleid, zonder dat het zelf weet hoe en waarom. En begint het zich eenigermate vanzelf te bewegen, dan spreekt het vanzelf, dat het doet, wat zijn ouders hem zeggen.Het loopt vanzelf in en aan den leiband. Dat later al spoedig poging tot verzet intreedt, is gevolg & QÏ zonde, maar trekt het gezagsbesef niet uit zijn voegen. Tot opstand tegen de ouders komt het niet zeiden, maar dit grijpt in het gezin nooit anders plaats dan met het klare besef dat het opstand is, en de algemeene opinie blijft dan ook nog steeds aan het kind den eisch stellen, dat het zich onderwerpen zal, keurt zijn opstand af en vindt steun in de Wet der meeste landen, die gehoorzaamheid en onderdanigheid aan de ouders van het kind, zoolang het in het gezin blijft, vordert. Zoo is het dat van jongs af, in het gezin, het leven zelf het besef, dat men zich aan een gezag te onderwerpen heeft, in de conscientie inprent, en het is dit van kindsbeen af ingeprente besef, dat straks op allerlei ander gebied gelijke verplichting tot onderdanigheid erkent, en ten slotte in het besef dat men zijn Overheid eeren moet, zijn Staatvormende werking oefent.

Later moge dit besef nog versterkt worden door het besef vïan onze volstrekte afhankelijkheid van God, en de daaruit vanzelf voortvloeiende verplichting, om ons te onderwerpen aan wie God over ons gesteld heeft, maar het eerste opwaken van dit besef van onzen plicht tot onderdanigheid vindt toch in het werkelijke leven zijnoorsprong in de hulpeloosheid van het kindeke, dat niet als volwassen persoon, maar als weerloos en hulpeloos wicht geboren wordt, en onder het opgroeien, vanzelf in de onderdanigheid aan zijn vader en moeder ingroeit. Werden we allen als volwassen personen geschapen, wat denkbaar ware geweest, zoo zouden we van onzen eersten levensdag af, als man tegenover man hebben gestaan en een leven der onderdanigheid zou onder gansch gelijken nooit geleerd zijn. Thans daarentegen is de groote ongelijkheid tusschea een pasgeboren wicht en zijn ouders de natuurlijke bron, waaruit de onderdanigheid en onderworpenheid opkomt.

Dit nu vindt in het samenstel der tien geboden zijn gewijde uitdrukking in het vijfde gebod : Bert uwen vader en uwe moeder, een in tweeerlei zin hoogst opmerkelijk gebod. Ten eerste toch staat er niet: Gehoorzaam uw vader of moeder, noch: Zijt hun onderworpen of onderdanig, maar wwdt ons voorgehouden dat we onze ouders eeren zullen. Nu sluit dlt^ifr^w wel vanzelf gehoorzaamheid in, maai ..et is tcch ieïs anders. Het wijst niet op zwichten voor den sterken arm van den vad«r, niet op vreeze voor straf en bedreiging met straf, maar doelt op iets hoogers. Een kind bij zfjn ouders is niet als Janmaat bij den zeeofücier. Er trekt bij het kind ten opzichte van zijn ouders een band des bloeds, een neiging der liefde, een gevoel van dank voor genoten zorg, en dit alles wordt, zoodra het vroom besef ontwaakt* geheiligd door de overtuiging, dat het God is, die tusschen het kind en zijn ouders dien band gelegd heeft. Eeren bedoelt, dat men iemand ais zijn 'meerdere erkent en zijn gezag huldigt uit overtuiging en liefde. Wie in ailes stipt doet wat zijn ouders hem zeggen, eert ze daarom nog niet. Eeren wordt het dan eerst, zoo men in het optreden van zijn ouders hooger bestel erkent, en hun gehoorzaamt uit inner lij ken zielsdrang. Zoo wordt door dit eeren de plicht der gehoorzaamheid verdiept en geheiligd. De gehoorzaamheid en de onderdanigheid zijn het gevolg dat er uit voortvloeit. En dit eerei^ maakt, dat wie te kort schoot in onderdanigheid, dit van achteren zelf voelt als plïchtverzaking, er iu de conscientie door getroffen wordt, berouw voelt opkomen, en verzoening met zijn ouders zoekt. Eerst 200 vindt het gezag zijn steun in het hart zelf, en handhaaft zich, veel meer dan door straf en dreiging, door de vreeze die voor het begaan van sonde doet terugdeinzen Alleen daar waar ds onderworpene voelt, dat verzet tegen het gezag zijner ouders zonde is, staat het gezag op zijn heiligen grondslag vast. En het tweede opmerkelijke in het vijfde getmd is de bijvoeging van de moeder. Velen spreken liefst aïlecn van het vaderlijk gezag, maar de Scii.'Ji n.eV; zij plaatst de moeder op éen lijn naast den vader; Iaat bij het kind geen ondeirscheid tusschen den eerbied voor zijn vader en den eerbied voor zgn moeder toe; verheft hierdoor de vrouw; tempert tevens de hardheid die het vaderlijk gezag zoo licht ontsiert; en doet nu gevoelen, hoe er bij alle gezag een nevengezag gewenscht en denkbaar is, dat met het veelszins vernederende van de gezagsidee verzoent. Dit plaatsen van de moeder naast den vader geeft aan de gezagsidee een plooibaarheid die ze anders missen isou. Van nature gehoorzaamt een kind aanvankelijk liever aan zijn moeder dan aan zijn vader. Hét voelt dat moeder het beter begrijpt en meer in zijn leven inkomt; dat het gezag bij moeder zich zachter en teederder uit; en dat het moeder geen verdriet mag doen. Van den vader voelt het jonge kind zich altoos meer op een afstand, en daar de moeder het vaderlijk gezag veelal dan eerst te huipe roept, als zij het zelve niet afkan, ontvangt het kind zoo licht - den indruk, dat het vaderlijk gezag meer dreigend dan in liefde winnend tegen het kind optreedt.

Toch verandert deze opneming van de moeder in het vijfde gebod in het minst niets aan den alles beheerschenden regel, dat de man voor heel zijn huis verantwoordelijk is, en dat hem het hoogste gezag over allen die met hem in zijn gezin samenwonen, van Godswege is toevertrouwd. En geldt ook hier de souvereiniteit in eigen kring, dan rust ia dezen gezinskring het souverein gezag op den vader. Men kan natuurlijk tegen het gebruik van souverein ook in dit geval opkomen, en zeggen dat souverein is, wie alles in zijn kring onder zich en niemand boven zich heeft, en dat de vader altoos God als zijn Schepper en Christus als zijn Koning boven zich heeft. Maar deze tegenwerping gaat niet op. Zóó verstaan toch zou men zelfs niet van de Souvereiniteit van een Koning of Keizer kunnen spreken, daar ook dezen nooit anders regeeren dan bij de gratie Gods. In volstrekten zin opgevat, is tf& ^f» God Almachtig Souverein, en zelfs de Christus niet. Ook de Christus toch als onze Koning heeft zijn gezag niet uit zichzelf, maar heeft het van den Vader ontvangen. Alle macht in hemel en op aarde is hem gegeven, en eens zal hij, in de voleinding der dagen, alle hem geschonken gezag weer aaa den Vader teruggeven, opdat God zelf zij alles en in allen. Verstaat men daarentegen onder Souvereiniteit, gelijk men gemeenlijk doet, dat de Souverein op aarde niemand boven zich heeft, dan is het volkomen juist ook in het gezin ten opzichte van den vader van een „Souvereiniteit in eigen kring" te spreken, daar ook de vader, wat het gezin aangaat, niemand boven zich heeft. Nu heeft men hiestegen wel opgemerkt, dat een vader toch van zijn gezag kan ontzet worden, en dat hij door verwaarloozing van zrjn kinderen TUM» s\xai kan beloopen, maar ook dit beslist de zaak niet. Al is het, dat de Overheid bij schandelijk wangedirag der ouders de roeping kan hebben om het kind te beschermen, hieruit volgt nog in het minst niet, dat de vader zijn macht over zijn kind aan de Overheid ontleent. Die macht en dat gezag ontleent hij rechtstreeks aan God. Even als de Overheid souverein bij de gratie Gods is in het land, is hij souverein bij de gratie Gods in zijn gezin. Het gezin is geen instelling van de Overheid, maar een schepping Gods. Het gezag van dsn vader over zijn kind vindt zijn wortel in de geboorte van het kind uit zijn ouders, en die geboorte heeft niet de Oi^erheid, maar God alzoo verordineerd. Bovendien, ook de Souvereiniteit der vorsten is, nu zelfs tot in Rusland en Turkije, constitutioneel getemperd, ea ook wat het buitenland aangaat onderworpen aan het volkenrecht. Er ligt dus niets vreemds in, dat ook het souverein gezag van den man en vader in zijn huis, door het moederlijk gezag getemperd wordt, en bij aanraking met de buren en met de Overheid, van zelf beperkt is. Dit geldt van elke Souvereiniteit, en daarom is het volkomen juist te zeggen, dat de man en vader Souverein 'm zijn eigen gezin is, en wel als drager van een Sonv& ïelmtQltinfigenkring. Het optreden van de moeder vermindert deze Souvereiniteit niet. Aller Heere blijft God almachtig; door God almachtig is het gezag gelegd op zijn gezalfden Middelaar; Christus als onze Koning is hoofd van den man en vader; en de man is en blijft het hoofd van zijn vrouw en van de kinderen die hij uitdie vrouw verwekt heeft. Christus oefent zijn gezag uit in volkomen overeenstemming met dea wille Gods, en zoo ook moet de man gijn gezag over vrouw en kinderen in volkomen overeenstemming met Christus zijn Koning uitoefenen. Waar de man die grenzen overschrijdt of van die lijn afwijkt, eindigt zijn gezag, en kan het zelfs voor vrouw en kinderea plicht worden, hem gehoorzaamheid te weigeren, juist zoo als het voor een onderdaan plicht kan worden zijn Overheid te weerstaan, waar ztj hem tot iets dwingen wil, wat tegen Gods wil ingaat. Toch ontleent daarom de moeder haar gezag over haar kinderen niet aan haar man. Ze ontving het van God daardoor, dat Hij haar moeder maakte. Geen vader kan zijn kind van den eerbied dien het aan zijn moeder schuldig is, ontslaan. Maar wel is het aan de vrouw opgelegd, dit haar gezag zóó uit te oefenen, dat ze haar man, als haar van God gegeven hoofd, hierbij niet verzaakt. De man mag ia de uitoefening van zijn gezag niet anders dan de eere van den Christus zoeken, en zoo ook mag de vrouw haar gezag als moeder niet anders aanwenden dan om, zooveel van haar afhangt, haar kinderen en heel haar gezin tot eere van den Christus te doen leven. Daarom nu ontving èn vader èn moeder een deels eigen, deels gemengde levensfeer. Al wat het gezin met de buitenwereld in aanraking brengt, moet de man beheerschen, maar de vrouw vindt in het eigenlijke huishouden baar eigen levenssfeer. Op de kinderkamer, in de keuken, bij het dienstpersoneel, in de verzorging van heel het huishouden, heerscht zij. En deze inrichting is zoo natuurlijk, dat de man ze van zelve eerbiedigt, en zich tot een belaching maakt, zoo hij in keuken en kelder zijn vrouw de wet ging stellen, ^y heeft zijn gezin te vertegenwoordigen bij het publiek, hij moet voor het onderhoud van zijn gezin zorgen, hif moet het geldelijk beheer in handen hebben, en hij moet op alle manier zijn gezin beschermen; maar het gezinsleven heeft ook een vrouwelijke zijde, en op dit terrein moet de vrouw de verantwoordelijkheid op zich nemen.

Doch afgescheiden van dit eigen terrein van den man en van de vrouw, is er in het gezin ook een gemengde sfeer, waaraan de welstand hangt van de harmonische saamwerking van man en vrouw. In deze gemengde sfeer staat de opvoeding en de bestemming van de kinderen op den voorgrond, waarbij dan komt het instandhouden van goede orde en regel in den gang van het leven des gezins, en niet minder de heilige dienst bij het huisaltaar. In dit alles nu is het van het hoogste belang, dat vader en moeder steeds als eenheid optreden. Conflicten op dit punt ondermijnen altoos het gezinsleven. Maar komen ze voor, en kan geen overeenstemming bereikt worden, dan moet ten slotte het gezag van den man zich doen gelden. Hij blijft het hoofd. En dat niet, omdat de man als sterkere het zoo wil, maar omdat God het zoo heeft ingezet, en zulks steeds onder beding, dat de man van zijn bewindvoering Gode rekenschap zal geven.

Juist daarom nu voegt de apostel aan het gebod dat de kinderen hun ouders ««ren en gehoorzaam zullen zqn, dit andere toe, dat de vader zijn kinderen niet tergen mag. Het kind is niet bestemd om kind te blijven. Straks wordt een zoon man, en zal deze man zijn vader eii moeder verlaten om een eigen gezin op te richten. Voor die toekomstige taak nu moeten de ouders hun kinderen opvoeden. Ze mogen dus niet den zelfzuchtigen regel volgen, om hun kinderen in hoofdzaak op te voeden en op te leiden voor hun eigen huislijk genot of voordeel. Dit grijpt wel plaats in de eerste levensjaren, als de kleine wichtjes een ornament in het gezin zijn, soms nog weinig meer dan de speelpop van moeder. Maar iiierbij mag het niet blijven. Vader en moeder moeten weten: mijn kinderen gaan straks van mij weg; dat is hun bestemming; en voor die bestemming heb ik ze gereed temaken. Hieruit nu volgt van zelf, dat de groote kinderen allengs tot zelfstandigheid moeten worden opgevoed. Ze moeten leeren op hun eigen beeaen te staan, om straks de verantwoordelijkheid voor een eigen gezinsleven op zich te kunnen nemen. Zoo doet wie zijn kinderen liefheeft, en daarom zal hij den eisch der onderdanigheid van lieverlede inbinden, niet maar zijn wil opleggen, maar de overtuiging, dat die wil goed is, aan zijn kinderen pogen in te prenten, en zoo aan zijn kinderen zelf gevoelen doen, dat ze in hun vader niet een dwingeland bezitten die hen tyranniseert, maar een steun, een heiper, een , beschermer, die hun een weg baant tot een zelfstandig optreden ia de maatschappij. Wie zijn kind het innigst liefheeft, zal zich het hartelijkst verblijden a!s zijn kind hem verlaat, en dat het bij zijn vertrek zóo weggaat, dat, dank zij opvoeding en opleiding, zijn toekomst verzekerd is. De liefde zal hier den weg wijzen, en de eerbied voor vader en moeder zal bij het kind dan eerst recht diep wortelen, zoo tusschen ouders en kroost een verhouding van innig vertrouwen, van teedere verkleefdheid en van hartelijke liefde heerschende werd.

Zoo is het ideaal, en zoo moest het naar Gods bestel in elk gezin zijn, maar, helaas, de feitelijke toestanden die ge in zoo menig gezin aantreft, toonen u maar al te bitter, hoe diep we beneden dit hooge ideaal gezonken zijn. In zoo menig gezin vindt ge man en vrouw niet als één, maar als twee. De vrouw altoos anders willend dan de man, en de man tyranniek zijn wil opleggend. Dan is vanzelf de eerbied van het kind voor zijn ouders ondermijnd. Gedurig bespeurt het twist en tweedracht insteê van vrede en liefde; een zondige toestand waarvan het zelfhetslachtofferv/ordt. Erger nog, ook in de kinderen woelt dan de zonde te sterker op. Ze willen dan niet buigen, verzetten zich, zijn weerbarstig, en zetten ook onder elkaar het leven van twist en tweedracht voort, dat ze van hun ouders afzagen. Dit nu stelt én de ouders én de kinderen schuldig, want ook al verzaken de ouders hun plicht, dit kan nooit het kind van den eerbied en de gehoorzaamheid ontslaan, die het van Godswege aan vader en moeder schuldig is, en allen in wat tegen Gods wil in zou gaan, mógen ze zich verzetten.

Dat dit nu in de wereld zoo voorkomt, is reeds bitter droef, maar nóg veel droever en jammerlijker wordt het, wanneer ook in Christelijke gezinnen zulke ellendige toestanden insluipen. Christus is tot hoofd van den man, en daardoor ook tot hoofd van het gezin aangesteld, juist om zulke misstanden te keeren, en het gezin weer tot het ideaal, ook wat de verhouding van ouders en kinderen betreft, op te heffen. Dit is dan ook veelszins alzoo geschied. Vergeleken bij wat buiten den invloed der Christelijke religie het gezin geworden was, mag geroemd, dat in den Christelijken kring, altoos in het gemeen genomen, ook de verhouding tusschen ouders en kinderen veel hooger staat, en veel inniger karakter draagt. Maar te stuitender is het juist daarom, zoo het Koningschap van Christus ook over bet gezin, nog telkens weer in een gezin dat zich Christelijk noemt, miskend en gestuit wordt, en indien het leven in een Christelijk gezin niet zelden door het gezinsleven in den ongeloovigen kring beschaamd wordt. Juist toch bij wie den Christus belijdt, komt dit neer op een aanranding van de majesteit, die God Almachtig op den Christus gelegd heeft. Het is niet om niet, dat Christus aan den man en vader tot een hoofd is gesteld. Juist toch deze oplegging van gezag is geroepen deze heilige vrucht te dragen, dat de geest van Christus niet alleen in de verhouding tusschen man en vrouw, maar ook in de wederzijdsche verhouding tusschen ouders en kinderen heersche.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 2 mei 1909

De Heraut | 4 Pagina's

Pro Hege.

Bekijk de hele uitgave van zondag 2 mei 1909

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken