Bekijk het origineel

Pro Rege.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Pro Rege.

19 minuten leestijd

DERDE REEKS. (Derde gedeelte).

Christus Koningschap en het Gezin.

XVII.

En gij vaders, verwekt uwe kinderen niet tot toorn, maar voedt ze op in de leering en vermaning des Heeren. Efeze 6 : 4.

Aan de beteekenis van Christus' Koning schap voor het lichaam sluit zich vanzelf de beteekenis van ditj Koningschap voor de opvoeding aan. Bij elke nieuw geborene begint toch de opvoeding met een bijna geheel lichamelijke verzorging te zijn, en de zorge voor den lichamelijken welstand van het kind, gaat tot aan het einde der opvoeding door. Ook bij de opvoeding is de zorge voor het lichaam geen verdrietelijke bijzaak, maar integreerend deel van uw zorgen, en wie zich maar steeds herinneren wil, dat ook het lichaam van zijn kind een lid van Christus is, zal nooit ten opzichte van de lichamelijke zorge voor zijn kind in die averechtsche meening kunnen vervallen. Ook het lichaam heeft een eeuwige bestemming, en feil gaat wie waant, dat met het oog op het eeuwig aanzijn van 't kind, alleen met de ziel te rekenen viel. Hierop dient gewezen, om geheel het huiselijk leven, voor wat de kinderen aangaat, te verheffen. Er gaat aan de lichamelijke verzorging ook van het kind zulk een groot deel van de dagtaak in het huiselijk leven heen. Wie nu dit alles be schouwt als buiten Christus omgaande, doorleeft een leven, waarin het grooter deel der kracht besteed wordt aan wat buiten Christus omgaat, en waarin slechts nu en dan een enkel oogenblik aan hooger doel wordt gewijd. Dit maakt dan den indruk van een verdrietelijk, ongeestelijk leven, waarin slechts nu en dan het geestelijke opvonkt. Weet en verstaat ge daarentegen, dat ook al uw zorge die ge aan het lichamelijk welzijn van uw kind wijdt, opgenomen is in den kring van uw heilige bezigheden, die ge in dienst van uw hemelschen Koning verricht, dan wordt over heel uw huiselijk leven en over heel uw opvoeding een zachte glans gespreid, en is er in uw opvoeding eenheid. God zelf plaatst bij de jonge moeder die zorge voor het lichaam van haar kinderen op den voorgrond door de moedermelk die Hrj uit haar eigen lichaam doet vloeien, om haar zuigeling te voeden. Spreken tot haar lieve wicht kan ze nog niet. Al noemt ze den naam van Jezus over haar kindeken, haar lieveling aan de borst verstaat dit nog niet. En zelfs als het ten doop wordt opgeheven, en God Drieëenig zijn trouwbelofte over haar lieveling hooren laat, weet dit kleine kindeken er niets van. Het moet gevoed, het moet gereinigd, het moet gekleed worden; zoo het pijn heeft moet 't worden gesust; over zijn slaap moet gewaakt worden; maar alles bepaalt zich tot de zorge voor het lichaam, en van die zorge kwijt de moeder zich in Godes heiligen dienst. Vooral de eertijds vaak zoo ontzaglijke kindersterfte toont, wat er aan die lichamel^'ke zorge hing. Niets minder hangt er aan dan het leven van het kindeken, en wie nóg de doodenlijst van de jonggeborenen nagaat, ontvangt een maar al te pijnlijken indruk van den schat van jonge levens, die zoo veelszins enkel als gevolg van het gemis aan goede zorge voor het lichaam, voora! onder de lagere standen, is teloor gegaan. Hierop nu heeft zeer stellig de onderschatting van de lichamelijke zorge ingewerkt. Die onderschatting is met den wreeden dood van zoo menig pas ontloken leven gestraft. En daarom voegt het ons, op dit kwaad allcr-Mrst den vinger te leggen. Nog ergert ons de Kindermoord te Bethlehem, maar wat zijn de enkelen die bij dien Kindermoord te Bethlehem stierven, vergeleken bij de duizenden en tienduizenden, die wegkwijnden omdat moeder de zorge voor hun lichaampje had onderschat.

Maar hierbij blijft 't niet. Wat richt ook later allerlei kinderziekte niet verwoesting Mn, en wat is die kinderziekte niet vaak 'e wijten aan ontoereikende of slordige ''«ge voor het lichaam.? Wat loopen er niet tal van gebrekkige personen rond, d'e allen gebrekkig zijn, gebrekkig zijn voor hun leven, alleen omdat in hun jeugd de noodige zorge voor hun welstand ontbrak.? **at erven niet tal van ziekten over, en *8t grijpen er niet tal van infecties plaats, ™e men had kunnen voorkomen. Wat zijn "niet tal van andere kwalen die gestuit Hadden kunnen worden, zoo men in de jeugd reeds het kwaad had tegengewerkt. Een krachtig lichaam herbergt een krachtigen geest, en wat is niet vaak veel te weinig gezorgd, om door rationeele voeding, door frissche lucht, door goedgeordende beweging en oefening, het lichaam te harden en te stalen. Zwakke spieren en overprikkelde zenuwen bederven soms een heel leven, en prikkelen met valschen prikkel tot onheilige zinlijkheid, en hoeveel komt ook van dit bankkroet niet voor rekening van gebrekkige moederlijke zorge.' Ontspanning is voor goeden groei vereischte, en hoe menig kind wordt niet in zijn frissche ontwikkeling gestuit, doordien men het te vroeg in de schoolboeken stak, en te ingespannen zijn leerea doordreef. Eer het stekje nog geworteld is, drukt men het reeds, en zijn groei wordt verstoord. Het spel is de eigenaardige wereld voor het kifid, waarin het zijn wondere weelde ontplooit, en een leven heeft, zooals het bij de kinderfantasie hoort, en dat spel breekt men te vroeg af, om het kind cp te leggen, wat het nog niet dragen mag. Dat heet dan, dat men voor den geest van het kind moet zorgen, en dat het lichaam er toch voor den geest is. En juist die onderschatting van het lichaam wreekt zich dan later zoo wreed in een vroegrijpheid, die geen vrucht kan afleveren, in een gestoord .zenuwgestel, in een bedorven humeur, en in zekere weerbarstigheid in den omgang. Ernst is goed, en ook het kind heeft zijn eigenaardigen ernst, maar nooit moogt ge aan het jonge kind den ernst van den man opleggen, of ge toont zelf den waren ernst bij de opvoeding van uw kind niet te bezitten.

Dit alles nu hangt er aan, hoe ge uw kind beschouwt, en juist daarom legden de Gereformeerden op den Heiligen Doop steeds zoo vollen nadruk. Ze beschouwden in den Doop hun kinderen niet als een neutraal object, dat Christus zich pas later zou komen aantrekken, maar als een wezen, dat door het Verbond reeds krachtens de geboorte uit geloovige ouders met Christus in betrekking stond, hem toebehoorde, en als onderdaan van Christus te beschouwen was. Ze wisten daarom. zeer wel, dat de genade geen erfgoed is, en dat het ook hun overkomen kon, dat een van hun lievelingen later bleek tegen Christus te kiezen; maar om die mogelijkheid, mocht de blik op hun kind als zoodanig niet vervalscht worden. De mogelijkheid, de waarschijnlijkheid was er toch evengoed, dat uit hun lieveling straks een discipel van Jezus zou opgroeien, en ware dit zoo, dan mocht de waardschatting van hun kind geen oogenblik buiten Jezus omgaan. Daarom waagden ze zich liever aan de kans van een latere teleurstelling, dan dat ze diegene hunner kinderen, die Jezus wel waarlijk toebehoorden, niet van der jeugd af als „zijn eigendom" zouden hebben beschouwd en bejegend. Die kinderen waren aan hen, als ouders in het gezin toevertrouwd, dit huisgezin wilden ze Christus wijden, van dit gezin was de vader het hoofd, maar het hoofd van den vader was Christus, en alzoo strekte zich het Koningschap van Christus over het gezin ook rechtstreeks tot hun kinderen uit. De ouders v/aren immers aan Christus onzen Koning verantwoordelijk voor de wijze waarop ze huishielden en het ge zin, - verzorgden, en dit nu sloot van zelf in, dat ze in de eerste plaats aan Christus als huH Koning rekenschap schuldig waren van hetgeen ze met hun kroost hadden gedaan, met dat kroost, dat in den Doop aan Christus was opgedragen en dat ia dien Doop de belofte van God Drieëenig ontvangen had. In andere gezinnen denkt men daarbij alleen aan God, en niet aan het Koningschap van Christus. Geheel ten onrechte. Ook het kindeke toch is in zonde ontvangen en geboren. Ook dat kindeke heeft behoefte aan verzoening en verlossing. Sterft het wicht in het eerste levensjaar weg, dan rust de hope op het eeuwig geluk van zulk een lieveling toch alleen op Christus kruisverdienste en op het eeuwig leven, dat hij door zijn opstanding aan het licht bracht. Daarom is het, dat de Vader het zeggenschap ook over hét gezin aan Christus heeft overgedragen, Christus als hoofd ook over het gezin heeft aangesteld; en hoe zou dan dit Koningschap wel zien op vader en moeder, en niet ook op hun kroost i* Dit alles nu ligt voor tijd en eeuwigheid uitgedrukt in den Heiligen Doop, en daarom verschijnt een gedoopt kind in zoo geheel andere gestalte dan een kind dat den Doop niet ontving. Vader en moeder voelen zoo geheel anders voor hun lievelingen, zoo ze weten dat ook hun kinderen *onder de heerschappij van den Christus staan, en alle Christelijke opvoeding moet in deze ver­ heven gedachte haar uitgangspunt vinden. Haar uitgangspunt zeer zeker in hoofdzaak voor de opvoeding van H^t zieleleven. maar toch evenzeer voor de opvoeding van het lichamelijk leven. Het is op het lichaam dat de besprenging met het doopwater ontvangen wordt, zoodat ook het lichamelijk bestaan van het kindeke in den Doop meetelt.

Ook op het kind zelf maakt dit een geheel eigenaardigen indruk. Bij het opgroeien is het kind zoo licht geneigd om het lichaam te doen heerschen, en den geest achter te stellen. Groeit het nu op in de meening, dat zgn lichaam buiten Christus staat, ' dan voelt het Christus niet als vriend, maar ais vijand van zijn lichaam in zijn kinderlijk streven. Alle zedeles die dan wordt aangepredikt, alle religie waartoe het geleid wordt, stoort het kind in hetleven van zijn lichaam. De ouders zelve hebben dan dit dualisme tusschen de lichamelgke neiging van het kind en den Christus op den voorgrond geschoven, en juist dit wordt oorzaak, dat zoo vaak een jongen in zijn jongelingsjaren zoo weinig van den Christus weten of hooren wil. Is daarentegen van meet af de indruk ontvangen, dat ^ijn ouders ook zijn lichaam als een lid van Christus beschouwen; leert en voelt hij dat van meet af ook tusschen Christus en zijn lichaam een band, een heilige betrekking bestaat; dan valt die tegenstelling weg, en leeft hg op in het besef, dat Christus de Zaligmaker is van ziel en lichaam beide. Het kind begrijpt dan waarom het ook voor, eten en drinken bidden en danken moet; dat ontspanning niet is een van Christus afgaan, maar een zich geven aan w^t de Christus voor hem bestemd heeft. Kortom, alle strijd valt weg. Ziel en lichaam worden dan in krachtige eenheid sa? .mgevat. En de vrerking die van Christus over het gezinsleven, en zoo ook over de opvoeding uitgaat, strekt dan niet om het leven te verwaarloozen, maar juist om ook het lichaam gezond en veerkrachtig te maken, en het juist daardoor aan de macht der zinlfjke neigingen te onttrekken. Het blijft dan één bedoelen, één streven, het kind wordt als kind recht kinderlijk opgevoed, en de heilige zin waarvoor het kind zoo ontvankelijk is, spreidt zich uit, èn door wat het doet om zijn ziel te verrijken, èn door wat het doet en ondergaat, om den welstand van het lichaam te bevorderen. Beiden ziel en lichaam worden door Christus verzorgd, maar staandan ook beiden in zijn dienst.

Doch hoe hoog in de opvoeding ook de zorge voor de lichamelijke opvoeding en de wijding van het lichamelijk leven sta, er is in de opvoeding meer, en iets veel hoogers, wat de apostel uitdrukt in zijn vermaan aan de ouders in de Kerk van Epheze : „Gij, vaders, tergt uw kinderen niet, maar voedt ze op in de leering en vermaning des Heeren." Nu lette men er al aanstonds op, dat des Heeren hier beteekent, in de leering en vermaning van Christus. De meesten denken hier niet aan, en verstaan dit: des Heeren, alsof het bedoelde: in de leering en vermaning van God. En toch is dit niet zoo. Des Heeren beteekeat hier, gelijk bijna overal in de apostolische brieven, van Christus. Iets waarop nadruk moet worden gelegd, omdat men anders de beteekenis van Christus' Koningschap in de opvoeding zoo licht uit het oog verliest. Als jjedoopten in Jezus naam, moeten de kinderen zóó worden opgevoed, dat de leering en vermaning van Christus in hen gerealiseerd worde, en ze alzoo als onderdanen van Christus in de we reld en in de Kerk kunnen optreden. Slechts is het jammer dat de woorden, die hier in het Grieksch geschreven staan, zoo pover zijn overgezet. „Leering en vermaning" toch maakt op ons zoo licht den indruk, alsof er catechisatie en zedelijk vermaan m£ê ware bedoeld; een opvatting, die dan maakt dat de breedere opvoeding er ge^ heel buiten valt. De zin van wat er in het Grieksch staat, is dan ook veel rijker. Voor opvoeden staat een woord, dat letterlijk beteekent: grootbreng«i, d. w. z. het kind tot mensch doen worden. Eerst is het klein, maar het moet opwassen tot vollen wasdom, naar lichaam en ziel. En dit grootbrengen van het kind nu moet plaats hebben zóó, dat het kind opwast in de tucht van Christus, zooals Christus wil dat uit een kind een man worde; en in de tweede plaats moet zijn ^^ze/».; ^ leven zoo worden vastgezet, dat zijn denkwereld met de denkwereld die Christus tot middenpunt heeft, overeenstemme. Uit de kiem moet het leven opwassen, maar niet in het wild, niet naar eigen aandrift, maar onder tucht, en die tucht moet de tucht van Christus zijn. Het moet zoodanig voedsel ontvangen als Christus voor het kind bestemt; het moet zoo besnoeid worden, als Christus het leven besnoeid wil zien; en onder dit opwassen moet zijn innerlijk bewustzijn dien vasten vorm aannemen, dien Christus wil, dat als vrucht des geloofs in zijn verlosten heerschen zal. Leven ea bewustzijn zijn twee, en daarom is het niet genoeg, dat het leven van het kind tot ontwikkeling kome; ook zijn bewustzijn moet opwaken, en vasten vorm aannemen. En waar nu de wereld aan dit bewustzijn van het kind een geheel anderen vorm wil opdrukken, dan Christus, is het plicht der ouders bij de opvoeding er op toetezien, dat in hun gedoopte kinderen een bewustzijn op wake, gelijk het past b^ Christus, en waarvan hrj het middenpunt vormt. En dit volstrekt niet alleen, opdat het kind gevoele, dat het Christus van noode heeft voor de verzoening van zrja zonden, om dan voorts iia verkregen verzoening weer buiten Jezus om te dolen, maar ook en evenzeer, om in het bewustzijn van het kind de overtuiging diep in te prenten, dat Christus zijn Koning is, dat hij een onderdaan van Christus is, en dat alzoo de Christus heel zijn opgroeien en heel zijn verdere levensexist^ntie moet beheerschen.

Hierbij nu moet van meet af de dwaling worden te keer gegaan, alsóf hetgeen Christus beoogt alleen zag op de opvoeding van het kind voor de eeuwigheid, en dat alzoo tegenover de Christelijke opvoeding in enger zin, de burgerlijke opvoeding als een vreemd element overstaat. Niets toch heeft meer in de opvoeding bedorven, dan deze rampzalige splitsing. Men wilde zijn kind opvoeden eenerzijds voor de wereld, en anderzijds voor de eeuwigheid, gevolg waarvan was, dat de opvoeding voor de eeuwigheid zich maar al te vaak tot de catechisatie bepaalde, en da opvoeding voorde burgeri^aatschappij allen overigen lijd innam. Vanzelf moest hierdoor bij het kind wel de indruk worden gewekt, dat de opvoeding voor de wereld hoofdzaak, en dat de opvoeding voor de eeuwigheid iets was, dat er als een nevenzaak van bijkomstige orde zoo bijkwan; !. Geheel deze voorstelling is door en door valsch. Christus treedt als onze Koning ook \a de opvoeding op, om ons voor heel ons leven, zoowel op deze aarde, als daarna in de eeuwigheid, te vormen. Het is Christus zelf, die wil, dat we eerst onze levensjaren in deze wereld zullen doorbrengen, om daarna, als die levenstaak zal zijn afgewerkt, in zijn hemelsch Koninkrijk over te gaan. Burgerlijke en Christelijke opvoeding mogen daarom niet tegenover elkaar worden gesteld. Het is opvoeding deels voor dit leven, en deels voor de eeuwigheid, en beide deze opvoedingen moeten een Christelijk karakter dragen en geheel door Christus worden beheerscht. Volstrekt niet alleen de predikant, de catechiseermeester, de Evangelist en de zendeling staan in Christus dienst. In Christus dienst staat elk verloste al de jaren van zijn leven op deze aarde, onverschillig of hij koopman, winkelier, ambtenaar, huisknecht of landbouwer zijn. Ook in al die andere levensbetrekkingen moet een kind van God ih den dienst van Christus staan en Hem verheerlijken. Hieruit volgt de plicht om voor wat levensbestemming men ook koos, zich zoo voor te bereiden, dat men er later met eere in kan optreden, er het zondige in bestrijden kunne, en door den invloed van zijn levensbestemming een gewtjden levenstoon in zijn omgeving aankweeke. Heel onze schoolstrijd rustte op dit beginsel, en daarom was het zoo kortzichtig van veel lieve vromen, dat ze wel ijverden voorde Christelijke lagere school, maar aanvankelijk noch voor het Christelijk gymnasium, noch voor de Christelijke burgerschool, noch voor de Christelijke Universiteit hart hadden. Gevolg waarvan dan ook was, dat juist in die kringen, waaruit later onze geleerden, kooplieden en ambtenaren voortkwamen, het jonge geslacht zoo bijna geregeld van het geloof afviel en zich verloor in de wereld, meedoende met alle kwade practijken, en zich in niets van de lieden der wereld onderscheidend.

Vaders, die als gevolg vah die jammerlijke splitsing tusschen burgerlijke en Christelijke opleiding, alzoo hun zoons opvoedden, hebben nooit verstaan, dat £: ^'wel het hoofd van hun gezin zijn, maar dat Christus hun hoofd is. Ze hebben Christus als hun Koning in de opvoeding van hun kroost verloochend, en in den afval van het geloof bij hun kinderen ontvingen ze de rechtvaardige straf voor deze vergrijping aan de majesteit van Christus. Toch is hiermede nog niet genoeg gezegd. Veeleer hebben maar al te velen, zonder het te bedoelen, het geloof big hun kinderen ver­ zwakt, doordien hun kinderen in het leven van hun ouders zoo weinig van onderworpenheid aan het Koningschap van Christus bespeurden. Ze wisten, ja, dat hun ouders onder de vromen werden gerekend, dat ze doorgingen voor orthodox, dat ze baden en den bijbel lazen, en ter kerk gingen; maar in de gewone huishouding, in den omgang, In het dagelijksch leven merkten ze van den invloed dier vroomheid zoo weinig. Er ging zooveel in het leven buiten alle vroomheid om. Van een invloed van Christus Koningschap op het doen en laten hunner ouders viel zoo weinig te bespeuren. Kortom, ze ontvingen niet den levendigen indruk, dat het voor beide ouders met het dienen van Christus als Koning in het gezin ernst was. Ze bespeurden een tweeheid in het leven van hun ouders. Een Zondagsch leven en een leven van allen dag. In wat beredeneerd, overlegd en besproken werd, hoorden ze zoo nooit anders dan de gedachtenuiting die ze ook in wereldsche gezinnen aantroffen. En daar voorbeelden trekken, wenden ze zich ook zelve maar al te spoedig aan die tweeslachtigheid. Dit boezemde geen eerbied voor het Koningschap van Christus .in, en deed hen al spoedig dit Koningschap van Christus als een bijzaak beschouwen, waar ze In het volle leven toch niets aan hadden. Dit ontzenuwde het geloof. Ze begonnen het steeds meer als minderwaardig te beschouwen, en maakten ten slotte den band los, die hen als kinderen eerst nog aan Jezus verbonden had. Gelukkig is dit in Gereformeerde gezinnen niet zoo vaak het geval. Geheel de Gereformeerde levensopvatting leidt er vanzelf toe, om over heel het leven het net van vromen zin uit te spreiden. Maar toch mag niet verheeld, dat ook hierin verachtering is, en dat de Christelijke opvoeding door het Christelijk voorbeeld en voorgaan der ouders ook in Gereformeerde kringen hier en daar is verzwakt.

Leer daarentegen uw kind van jongs af besefïsn, dat het Christus toebehoort; behandel en bejegen het met dien stillen eerbied die al wat Christus toebehoort, vergen mag; prent diep aan uw kind de overtuiging in, dat het naar ziel èn lichaam, bij ernst en bij spel, bij inspanning en bij ontspanning, van Christus is, zijn onderdaan, , aan hem onderworpen, zoodat het steeds en bij alles met Christus als zijn Koning te rekenen heeft, en toon dan In uzelf, In uw levenswijs, in de keuze van uw omgeving, In den levenskring van uw gezin, In uw sympathieën en In uw antipathieën, dat gij u steeds cordaat en doortastend bewust zrjt van uw plicht en roeping, om Christus als uw Koning te eeren, en ge zult vanzelf op uw kind een blijvenden indruk maken, die er levenslang niet meer uitgaat. Ge zult zijn wereld van gedachten en voorstellingen haar middenpunt in den Christus doen vinden, en onder het opgroeien zal uw kind vanzelf opwassen tot een trouwen dienstknecht des Heeren. Merkt uw kind dat ge uw zoon of dochter alleen als een sieraad van uw eigen huis opvoedt, en dat ge ze straks van u laat gaan, om nu In de wereld hun eigen weg te zoeken, zonder dat er uw hart aan hangt, of uw kind èn In deze wereld zijn Koning zal verheerlijken èn na zijn sterven der eeuwige zaligheid deelachtig zal worden, — dan ontvangt uw kroost den Indruk, dat ge het eigenlijk met uw Christelijke voeding niet recht meent, en dat het ook voor u hoofdzaak is, zoo uw kind maar een goede betrekking krijgt, gelukkig huwt, en voorspoedig Is in het leven der wereld. Maar dan ligt hierin ook opgesloten, dat ge uw kind niet voor Christus als zijn en uw Koning hebt opgevoed; dat niet de eere van uw Koning, maar het slagen van uw kind in de wereld voor u de richting van uw opvoeding aangaf; en zult ge het u zelven te wijten hebben, zoo uw opvoeding onder het oordeel doorgaat, en_ zoo ge den zegen van uw dusgenaamd Christelijke opvoeding derft. In zijpaden kunnen we hier niet afdalen, in bijzonderheden kunnen we hier niet treden, alle aandacht moest ook hier op het Koningschap van Christus worden saamgetrokken. In dit Koningschap van Christus over het gezin ligt h«t beginsel van alle Christelijke opvoeding. Ook die opvoeding toch moet van Christus uitgaan, door Christus gedragen worden, en op de eere van den Christus doelen. Aan wat daarbuiten gaat, moge een Christelijk tintje zijn, en men moge het Christelijk noemen, maar Christelijk is het niet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 juli 1909

De Heraut | 4 Pagina's

Pro Rege.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 juli 1909

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken