Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van de Voleinding

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van de Voleinding

20 minuten leestijd

LX.

TWEEDE REEKS,

XXII.

In al hunne benauwdheid was Hij benauwd, en de Engel zijns aangezichts beeft ze beboudeti. Door zijne liefde en door zijne genade heeft Hij ze verlost; en Hij nam ze op, en Hij droeg ze alle de dagen van ouds. Jesaja 63 : 9,

Met een kort woord zg op dit punt van ons betoog de opmerking afgewezen, alsof allerlei voorstelling die we in de Schrift, vooral in het Oude Testament, omtrent de Geestenwereld vinden, een zóó sterke overeenkomst met wat we aangaande die wereld met name in de Perzische mythologie vinden, zou vertoonen, dat er grond zou z^n voor het vermoeden, als ware deze voorstelling, aan de Perzische religie ontleend, van buitenaf in de Oud-Testamentische teekening der dingen ingeslopen. Dat er, wat den vorm der voorstelling betreft, metterdaad zekere gelijksoortigheid in het oog springt, wordt hierbij voetstoots toegegeven, mits onder het voorbehoud, dat er meer gelijk dan eigen is. Op tweësrlei vooral valle hier de aandacht. Vooreerst is er in beide voorstellingen bg veel gelijkheid een nog veel sterker uiteenloopen, vooral in de grondstrekking. In het Oude Testament loopt alles langs de monistische lijn, d. w. z, dat het Opperbestuur nooit gedeeld wordt, maar steeds in Gods hand blijft. Het goede en het boe ze element, die op het Perzisch stramien zoo telkens als twee zelfstandige, schier gelijke machten tegenover elkander geborduurd worden, komen in de Schrift nimmer zoo dualistisch tegenover elkander te staan, en steeds is het Jehovah, die ook over het mach tigste booze element met volstrekte opper heerschappij regeert. Reeds dit ééne verschilpunt brengt te weeg dat de Perzische en de Israëlitische voorstelling z'ch in den grond der zaak langs geheel verschillende lijnen bewegen, ook al blijft het alleszins begrijpelijk, dat volken, die in zoo nauw contact kwamen, in den vorm van hun voorstellingen dan ook soms zeer nauw contact vertoonden. En hier bij komt dan nog een tweede iets bij. Ook de Perzen behoorden tot die groep volken, die hun woonplaats kozen het dichtst bij de streek waarin ons menschelijk geslacht is opgekomen. Het lag daarom in den aard der zaak, dat in Ur der Chaldeën, waaruit Abraham uittrok, en in de nabggelegen landen, traditiën uit het Paradijs, en uit wat daarna kwam, zich hadden voortgeplant, die verband hielden met de oorspronkelijke Openbaring. Zekere gelijksoortigheid, wat den vorm aangaat, in de geschriften van beide groepen kan daarom niet bevreemden. Het opmerkelijkste is nu maar, dat, waar deze verwantschap in het licht treedt, men steeds er toe overhelt om te besluiten, dat derhalve Israël dit alles overnam van de volken van het Oosten, terwgl toch evenzoo de verklaring volstaan zou, dat beiden ten deele uit gelijke bron hadden geput, en het soms zelfs veel aannemelijker zou zijn, dat anderen hun profijt hadden gedaan met wat Israel verrgkt had. Er zg nog aan toegevoegd, dat op meer dan één punt binnen het perk der Schrift zelve, de vorm der voorstelling in de b^zonderheden vaak w^ziging onderging, en dat ook dit zich 't best ver< klaart, zoo men uitgaat van een aanvankelijk bij meerdere volken bekende en aangenomene traditie, die eerst daarna door verdere Openbaring zuivering onderging. In elk geval draagt wat ons omtrent de Geestenwereld in het Oude Testament wordt medegedeeld, een genoegzaam zelfstandig karakter van diep religieusen aard, en dat geheel past in den samenhang der aan Israel gegeven Openbaring, terwijl ook tegenover de beweringen van hen die meer de afgoderijen der Oostwaarts gelegen volken bestudeerden en de aldus door hen verkregen gegevens voortrokken, altoos het groote, niet weg te cqferep feit staat, dat het Nieuwe Testament, wel verre van de engelenr en demonenleer der Oud Testamentische schr^vers te verdenken, veeleer de Geestenwereld nog in beteekenis klimmen doet en er zich nog breeder, nog omstandiger, maar dan ook steeds even zelfstandig over uit laat.

Alleen dit moet toegegeven, dat in de Schrift de Geestenwereld in hoofdzaak alleen met de ontplooiing van het Koninkrijk der hemelen in verband wordt gebracht. De opmerking, dat de engelen „allen gedienstige geesten z^n die uit worden gezonden pm dergenea wil di^ de eatUghdd bejirven w d v s w b zullen«, drukt bijna overal op de Schriftuurlijke voorstelling een eigen stempel, en met het oog hierop is het ten volle begrijpelijk, dat ook onder ons nog altoos de indruk voortleeft, alsof de engelen schier geen ander emplooi hadden, dan om de uitverkorenen te hulp te komen. Toch wezen we er reeds op, waarom het niet aangaat, om bq deze uiterst beperkte voorstelling te blgven staan. Ze is toch niet in overeenstemming te brengen met het talloos heir van engelen dat God'ten dienste staat, en dit te minder zoo men het optreden der engelen, gelqk dan nog veelal geschiedt, zoo goed als uitsluitend laat plaats hebben in de Openbaringsperiode van Abraham in Ur tot Johannes op Patmos. Maar ook al kan deze voorstelling niet bevredigen, en ook al moet wel worden aangenomen, dat de beteekenis van de werkzaamheid der engelen zich veel verder uitstrekt, toch valt niet te ontkennen, dat ons hieromtrent zoo goed als niets geopenbaard is. Van een optreden van de Geestenwereld in den gewonen loop der dingen viel ons geen enkele eenigszins duidelgke openbaring ten deel, die ons toonen kan, op wat wijs de engelen als factor in het gewone bestand der dingen en in den gewonen gang der historie zijn ingevoegd. De Openbaring der Schrift, dit is nu eenmaal zoo, dient niet om ons een alomvattende wereld-en levensbeschouwing te geven, noch ook om onze nieuwsgierigheid te bevredigen, maar treedt eeniglijk op, om ons de worsteling van zonde en genade in beeld voor oogen te stellen; en hieruit verklaart het zich vanzelf, dat ook de Geestenwereld in de Schrift z}o goed als uitsluitend onder dit gewichtige opzicht ter sprake komt. Over de verdere beteekenis der Geestenwereld wordt bijna geheel gezwegen, en het zqn meest niet dan terloops ingevoegde mededeelingen, die ons in staat stellen onzsn blik iets verder uit te slaan.

Hiertoe behoort, om een zeer concreet voorbeeld te noemen, hetgeen ons in Joh. V : 4 verhaald wordt over de opwelling van het badwater te Bethesda. De beteekenis van dit badwater moet zeer belangrgk geweest zijn, want er waren bq dat water niet minder dan vqf zalen voor de kranken aangebouwd, iets wat vooral voor dien tijd zeer veel was. En nu wordt met opzicht tot dit badwater gezegd, dat de beroering, de opwelling, die dat water nu en dan onderging en die er de geneeskracht aan leende, bewerkt werd van uit de Geestenwereld. Dit nu stond met geen enkele openbaring in verband, en bij Jezus optreden wordt dit badwater slechts in zooverre ter sprake gebracht, dat Jezus een patient genas, die niet tgdig genoeg in het badwater had kunnen afdalen. Het geldt hier alzoo iets dat voorviel in het gewone, natuurlqke leven, of wilt ge, iets waarbq de gewone toeschouwer aan geen engelen zou gedacht hebben; en toch wordt ons medegedeeld, dat deze genezende opwelling van het water door engelen werd teweeggebracht, niet als een wonder, maar als een ordinaire, zich telkens herhalende gebeurtenis. Hiermede is althans de mogelijkheid gegeven, dat ook bij andere voorvallen en gebeurtenissen in het natuurlijk leven, waar geen onzer er aan denken zou, inwerkingen van factoren uit de Geestenwereld plaats grijpen. Eh rekent men dan weer met het eindeloos aantal der engelen, dan ligt 't zelfs voor de hand, aan te nemen, dat de werkingen van deze factoren over heel ons leven gespreid zijn. Het nauwkeuriger onderzoek van de stoffelijke wereld en van de in haar werkende rachten heeft langzamerhand tot het inicht geleid, hoe er allerwegen en op elk unt verschqnselen zijn waar te nemen, die p de werking van krachten en elementen uiden, wier bestaan vóór enkele eeuwen elfs nog niet vermoed werd. De verwantchap tusschen kracht en stof wordt voor het oekend oog steeds kleiner. Zelfs het phyieke en psychische blijkt telkens in steeds auwer contact te staan. Wie nu hiervoor en open oog kreeg, moet wel gevoelen oe er ook van Gods z^de factoren kunen te werk gesteld zqn, wier actie wij og niet onderscheidenlijk kunnen waaremen. En als we dan voor zeker aanemen, dat God de Heere zulk een nameloos n niet te noemen heir van geestelijke ezens tot zijn dienst bereid heeft, wat reemds zou er dan voor ons in gelsgen ijn, aan te nemen, dat deze geestelijke ezens niet alleen met het regiment der ingen, maar ook met de bestaande orde an alle dingen in rechtstreeksch verband taan, j uist zooals we dit omtrent het badater van Bethesda vernemen.

Dit nu is het probleem in bet zeer kleine ezien, jaaax In de So^rift vinden we eve«b w goed aanduidingen, die wijzen op een veel omvattender inmenging van de engelen in het gewone leven, bijzonderlijk met het oog op de historie der volken. Met name in Daniel vinden we onder den naam van Vorsten herhaaldelqk engelgestalten vermeld, die 't zij ten goede, 't zq ten kwade in de geschiedenis der volken een eigen rol vervullen. Vreemd is dit niet. Ook wij toch zijn gewoon van ten volksgeest te spreken, te gewagen van den natienaUn geest, en vast te stellen, dat het een andere geest is die in het Russische, een andere die in het Chineesche, en weer een andere die in het Turksche volk heerscht en het leidt. Het verschil is alleen, dat wij zulk eén volksgeest onpersoonlijk verstaan, en er mee bedoelen, dat in het karakter van een volk iets eigenaardigs ligt, dat zich in zqn historie vastzet en zqn daden veelszins beheerscht. Diep doorgedacht is dit zeker niet. Indien eeuw na eeuw zekere vaste karaktertrek zich in miUioenen en millioenen personen voortzet, zich steeds meer afrondt, en zich de elementen schept die noodig zijn om zich te doen gelden, zoodat er gedachte en wil zich uit, — dan is het zeker al zeer ongenoegzaam, om hierin niets anders te zien, dan iets eigenaardigs dat zich in al die personen herhaalt. Het is dan ook opmerkelqk, hoe men In schier alle talen bij zulk een verschqnsel van een geest spreekt, en dat zulk een^£«/van een volk zich de ééne maal bqna niet uiten, en dan weer onverhoeds zich aangrqpen kan, om naar allen kant zijn macht te doen gevoelen. Zulk een volksgeest is heel iets anders dan wat men wei gesproken heeft van den beschermgeest of den bescherm-engel van een volk. Zulk een bescherm-engel staat toch buiten een volk en gebruikt niet zelden zijn macht en invloed om den verkeerden trek of schadelqke actie in den volksgeest te onderdrukken. Beschermgeest en volksgeest zijn daarom twee, en niet zelden kan er zelfs tusschen beide strijd ontstaan. Begrijpel^k is 't hierbij, dat niet de bescherm-engel, maar de geest die als „geest van het volk optreedt", Vorst wordt genoemd. Het is toch de volksgeest die geheel de ontwikkeling van het volk beheerscht, over het volk heerschappij uitoefent, en als zoodanig den vorstelqken eeretitel dragen kan. In' dien zin nu lezen we in Daniel 10 : 13: De Vorst des Koninkr^ks van Perzië stond tegenover mij, en zie, Michael, een van de eerste Vorsten, kwam om mij te helpen". En in vers 20: Weet gij waarom ik tot u gekomen ben.' Doch nu zal ik wederkeeren om te strijden tegen den vorst der Perzen; en als ik zal uitgegaan zijn, zie, zoo zal de Vorst van Griekenland komen ... en er is niet één, die zich met mij versterkt tegen deze, dan uw n vorst Michael". Nu sta op den voorgrond, g dat hier met het woord Vorst alle drie de e keeren niet een aardsch koning, maar een engel i bedoeld werd. Dit blqkt met stellige zeker­ d heid daaruit, dat deze titel van Vorst ook „ op Michael wordt toegepast, daar het toch h vast staat, dat Michael een engel was, en s niet een mensch. Reeds zijn naam Michael, h die beduidt: ie is als God? — getuigt dit.

Vooral met het oog op de historie is deze uitspraak in hooge mate opmerkelijk. Van Michael zegt de spreker tot Daniel: „Uw Vorst Michael." Zoo treedt hier dus de engel Michael op als de speciale engel van het volk Israel, en in die hoedanigheid staat Michael tegenover twee andere engelen, t. w. tegenover dien van Rome en dien van Griekenland. Zoo is er sprake van drie engelen, in wier hand het lot van drie volken ligt, maar die juist daarom in strijd geraken. De engel van het ééne volk staat tegen den engel van het andere volk over. In den zin van beschermengel mag dit nu iet worden verstaan; dan toch gaat geheel de beteekenis van het verhaal verloren. Een beschermengel gaat van God uit. Zoo twee of meer volken elk van Godswege een beschermengel hebben, kunnen deze dus nooit tegen elkander overstaan. Is daarentegen e engel van een volk de geest uit de eestenwereld die dit volk bezielt en leidt n zQn nationaal karakter stempelt, dan igt het in den aard der zaak, dat Israel een oede engel tot geleigeest kan hebben in ichael, en dat daarentegen Perzië en Grieenland, die tegen Israel overstaan, tot geeigeest of geestelqken vorst kunnen hebben en onheiligen geest. In verband hiermee zij r dan ook aan herinnerd, dat satan b^ de verzoeking in de woestijn zeggen kon, dat e koninkrijken der wereld hem gegeven aren, en dat hij ze vergaf aan wie hq wilde. Hoe is dit nu te verstaan? Wil dit eggen, dat satan zelf alle heidensche volken ezielt en tot geleigeest strekt? Stellig niet, ant h% Daulül wordt geaprokea vaa af zon' G a v „ o h „ s d m z I r u H m h v d g w z g I d w d g m O t l v V t derlijke Vorsten voor de onderscheidene volken. Het kan daarom niet wel anders verstaan worden, dan dat 't bij goddelooze volken demonen of gevallen engelen zqn, die den volksgeest beheerschen, en dat deze als zoodanig tegen Michael, den volksgeestvan Israel, overstaan. Ook hierb^ bleven mysteriën over. Indien toch een eerst goddeloos en heidensch volk tot bekeering komt en in het Christenland wordt ingelijfd, hoe komt 't dan van zijn demonischen geleigeest af, en hoe ontvangt 't dan een goeden geleigeest? We staan ook hier voor raadselen, maar zooveel blijkt dan toch, dat de Geestenwereld volstrekt niet alleen uitkomt in de zaak van het Koninkrijk der hemelen, tnaar dat er ook in de gewone geschiedenis der volken als zoodanig invloeden uit de Geestenwereld van zeer groote beteekenis kunnen werken, en dat alzoo de engelen ook in de historie als onmisbare elementen optreden.

Met name geldt ook dit echter van Israel. In Jesaja 63 : 9 heet 't zelfs: In al hun benauwdheid was Hq benauwd, en de Engel z^ns aangezichts heeft hen behouden; door zijn liefde en door zijn genade heeft hij hen verlost; en h^ nam hen op, en droeg hen al de dagen van ouds." Zelfs doet zich ten opzichte van Israel het opmerkelqk verschqnsel voor, dat de engel die als Israels heiUge engel optreedt, zich steeds meer met den Messias vereenzelvigt. Deze overgang begint van meet af. Zelfs in de verschqningen van Israels Bondsengel bespeurt men al spoedig een meerdere dan een engel. Soms is het of de Christus reeds in volle klaarheid zich als den Zone Gods openbaart. Steeds is de Engel des Aangezichts en de Engel des Verbonds van de gewone engelen onderscheiden. Uit alles blqkt, dat hetgeen bij andere volkeu niet verder kan komen dan tot de ineengroeiing van het volk piet een creatuurlqken engel, bij Israel zich voorbereidend richt op de Vleeschwording van het Woord. Een enkele maal twijfelt men zelfs, of met Michael wel nog een engel, en of veeleer met Michael niet de Messias zelf bedoeld is, tot straks toch weer het tegendeel blqkt. Beide figuren, die van den Messias die komen zal, en die vanden Engel schuiven gedurig voor elkaar. Als er sprake is van engelen, wordt er, wat Israel aangaat, altoos aan iets meer dan aan een Engel gedacht, en toch is de verschijning van Messias ten slotte altoos weer een engel-verschijning. Doch hoe zich dit ook verklare, altoos wordt 't toch ook hier voorgesteld, alsof het lot van Israel, gelijk het zich in zijn historie zal afteekenen, zijn bestiering wel van God, maar dan tocti door het intermediair van de Geestenwereld ontvangt. Echter is de werking uit de Geestenwereld, voor wat Israel betreft, toch ook weer iet zóó In den Engel des Verbonds saametrokken, of ook de overige engelen mengen r zich in. Men ziet dit uit wat ons n I Kon. 22 : 19 bericht wordt van Micha en profeet, die betuigde dat hQ gezien had den Heere, zittende op zgn troon, zoodat et gansche heir des hemels nevens hem tond, aan zqn rechter-en aan zijn linkerand", en, zoo gaat hij dan voort: gt; De eere zeide toen: ie zal Achab overreden at hq optrekke en valle te Ramóth in ilead? De een nu zeide aldus en de ander lzoo. Toen ging 'een geest uit en stond oor het aangezicht des Heeren en zeide: k zal hem overreden". Hier is het dus, f heel het engelenhelr zich met deze istorische beslissing bezighoudt. Ook de wachter, de heilige", waarvan in Dan. 4:14 prake is, geefc geheel dezelfde voorstelling; e engelen worden niet slechts een enkele aal voor een geheel bij zonderen dienst uitgeonden, maar zqn gemengd in al wat 't lot van srael en 't lot der volken raakt. God alleen egeert, van God alleen gaat 't albestuur it, maar de Heere is daarbij steeds de eere der heirscharen, die de tienduizend aal tienduizend engelen tot zqn dienaars eeft gesteld en door hen het lot der olken en het lot der enkele personen, als oor zqn instrumenten, leidt.

In verband hiermee kan dan ook de e elijkheid der engelen onderling niet g orden toegegeven. Op zichzelf was het h eer begrijpelijk, dat men, om het verkeerd G ebruik dat van den dienst der engelen vaak r n de Middeneeuwen gemaakt was, er in g e dagen der Reformatie op bedacht is ge­ te eest, om de engelen min of meer terug te ju ringen. Tot op zekere hoogte althans le old toen, wat ons van de demonen viel op te g erken, evenzoo van de goede engelen. O ok zij, die hun bestaan erkenden en hun op­ G reden in de Schrift in 'tminst niet loochenden, eefden toch zelven jaar in jaar uit meest oort, alsof er geen engelen bestonden. eilig kan men dan ook zeggen, dat de beeekei^B, die de goede engelen voor OM leveo hebben, steeds beheerscht wordt door de beteekenis die de demonen of gevallen engelen voor ons behielden. Vroegere overdrijving heeft toen onder ons tot onderschatting geleid, en noch 't één noch 't ander kan voor de Schrift bestaan. En zoo nu kan met name het fdt niet weggecijferd, dat niet alle engelen wezens van één soort en in elk opzicht gelijk zijn. Op het onderscheid tusschen de paleiswacht en de uitgaande engelen wezen we reeds, maar ook onder de uitgaande engelen zijn er ordinaire engelen en engelen van bijzondere waardigheid, gelqk Michael en Gabriel. Later moge men ook hierop te veel voortgeborduurd hebben om ook Uriel en Raphael te verheerlijken, en allengs tot een zevental engelen van eerste rangorde te komen. Dit nu is altoos gewaagd, maar dat er onderscheid is, laat zich met de Schrift in de hand toch moeilijk weerspreken. Te meer nadruk moet hierop gelegd, omdat de ontkenning hiervan ook de demonólogie niet tot haar recht doet komen. Waren toch alle engelen in oorsprong gelijk, dan zou ook onder de gevallen geesten geen ongelqkheid bestaan kunnen, en dit nu wordt door heel de Schrift rechtstreeks weersproken. Satan is altoos hoofd der demonen. Hij bekleedt onder de gevallen engelen een geheel eigen plaats. Hij is de hoofdschuldige, die tegen God in opstand kwam en viel. De anderen zijn als zwakkere geesten door hem meegesleept. En na den val der engelen vormen de gevallen geesten een eigen rijk, waarin satan vanzelf als aller heer en meester optreedt. Zóó overwegend wordt zelfs satan's macht ons voorgesteld, dat er in den regel alleen van hem gesproken wordt, en al 't overige demonenheir vanzelf onder hem wordt begrepen. Vandaar dan ook Luther's zeggen, dat satan „de broeder van Christus" was. Dit meten met twee maten nu gaat niet door. Men kan niet In de wereld der goede engelen gelijkheid van waardij en rang voor allen op den voorgrond stellen, en hieruit afleiden dat er van ongelijkheid onder de engelen geen sprake kan zijn, om dan daarna toch in e wereld der gevallen geesten een zoo prinipieel verschil in rang als heel de Reforatie tusschen satan en de demonen aanam, te laten doorgaan. Van tweeën één, lle geesten zijn gelqk, maar dan valt ok elk verschil tusschen satan en de deonen weg, of wel satan staat ver boven lle demonen, maar dan moet ook erkend, at er rangverschll in de geestenwereld estaat, en vervalt elke grond om zulk erschil onder de goede engelen te loochenei|. Dit nu is daarom van belang, omdat de ngelen niet een wilde hoop of groep van in^ ividuen kunnen zqn, maar etn georganiseerde acht moeten vormen. Tot deze bewering ebben we recht, omdat de Schrift er on$ elkens In voorgaat om ons de geestenmacht ls een georganiseerde massa in 't eeld van een heirschare voor te stellen. e geesten zijn geen op zichzelf staande, os van elkander rondzwevende wezens, maar e vormen een heir, een legerschare; en it is zoo weinig bijzaak, dat zelfs de rieëenige God hieraan den naam ontleent an Heere der Heirscharen, of Heere der egerscharen. Een helr nu, een leger, wordt ist daardoor uit de massa gevormd, dat ie massa wordt ingedeeld; dat de deelen an die massa eigen hoofden ontvangen; n dat deze hoofden in verband met hun oogere verantwoordelijkheid met rijker eest bedeeld zqn. Zelfs ontga 't uw aanacht niet, dat ook het optreden van „de agens" In de engelenwacht op gelijke orgaisatie wijst. „Gods wagenen, lezen we in salm 68 : 18, zijn tweemaal tienduizend, e duizenden vermenigvuldigd." Dit doelt atuurlijk op de strijdwagens, die in die agen de plaats innamen van het geschut ij ons. Er was het gewone voetvolk, er aren de ruiters, en er waren de wagens. oor nu ook van de heirscharen der engelen e melden, dat ze in hun midden een roote menigte „wagens" hadden, zelfs tot p één vijfde van het geheel, betuigt de chrift ons, dat onder dez: eirmacht verchil was; dat niet allen in macht gelijk tonden, maar dat er waren van een groote n van kleine mogendheid. Dit alles nu zou een zin hebben, zoo de engelen, gelijk velen et zich denken, slechts een ornament om ods troon waren, maar komt tot zqn volle echt, zoo we het engelenhelr als een der ewichtigste factoren in geheel de historie n volle in hun realiteit opvatten. En dit nu ist is oorzaak, waarom de engelen ook in de er der Voleinding krachtig €p den voorrond moesten treden, gelijk dan ook in de penbaring op Pathmos 't zich alles in de eestenwereld naar het einde toebeweegt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 juni 1912

De Heraut | 4 Pagina's

Van de Voleinding

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 juni 1912

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken