Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van de Voleinding.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van de Voleinding.

21 minuten leestijd

LXX.

DERDE REEKS.

VII.

Daarom, gelijk door éénen mensch de zonde in de wereld iogekomen is, en door de zonde de .dood; en alzoo de dood tot alle menschen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben. Romeinen 5 : 12.

De vraag, of de Dood er eerst door de zonde gekomen is, zoodat er, ware de mensch niet in zonde gevallen, van sterven, hoe dan ook, nooit sprake zou geweest zgn, grijpt zoo diep In het groote geheel van onze Belijdenis in, dat het niet aangaat zich, wat dit punt betreft, met een algemeene verklaring tevreden te stellen. Men moge zoo in een algemeene Dogmatiek te werk gaan, die van zelf niet toelaat, voor elk ondergeschikf-punt tot in de kleinste bQ zonderheden af te dalen, maar zoo mag aen er zich niet van afmaken, indien men een leerstuk als dat van de Voleinding in het bgzonder te berde brengt. Ging toch door, wat op het terrein van de natuurlijke wetenschappen grif door b^na alle deskundigen beleden wordt, dat de dood en de ondergang van het uitgekomen leven, om voor lüeuw verjongd leven plaats te maken, de oorspronkelijke orde der natuur voor aile organische creaturen is, dan, 't behoeft wel geen nader betoog, ligt geheel ons Dogmatisch samenstel omver geworpen, ca ontstaat er een onoplosbare strijd en tegenstelling tusschen hetgeen de natuur ons predikt, en de Belijdenis van onze Christelgke Kerk ons op de Hppen legt. Het past ons daarom, dit punt van naderb^ te bezien, en er ons helder rekenschap van te geven, wat de voorstelling van de Heilige Schrift ten deze beteekent. Hierbij nu doen zich meerdere vragen voor, die eik afzonderlijke bespreking vorderen. Zoo al aanstonds de hoogst natuurt^ ke vraag: Zou, buiten zonde, een nu doodel^k ongeval, welic dan ook, geen doodelijk treffen voor hem wien het overviel, met zich hebben gebracht? Allerlei gevallen komen hierbij voor onzen geest. Ook al ware geen val in zonde voor gekomen, zoo ware het toch zeer goed denkbaar, dat Iemand, om zijn boomvruchten in te zamelen, hoog in de takken van een boom was geklommen, in die takken een mistred had gedaan, uit den boom op den grond was neergeslagen en in dien val zijn nek had gebroken. Zou er buiten zonde niet even goed brand in het nachtelijk uur kunnen zijn uitgebroken, en oorzaak zijn geworden, dat iemand, in zgn slaap overvallen, in de vlammen ware gestikt.' Ook al had er geen val plaats gegrepen, zoo zou toch wel de zee bevaren ? ijn, ea ware het hier niet zeer wel denkbaar, dat schipbreuk iemand het leven had gekost.' Zoo zouden de vragen te vermenigvuldigen zijn, alle hierop neerkomende, dat ook in een leven buiten zonde toch allerlei ongelukken, allerlei ongevallen hadden kunnen plaats grijpen, en dat zoo toch allerlei sterfgeval denkbaar zou zgn geweest. En tcch ware dit niet met de voorstelling der Heilige Schrift overeen te brengen. Staat toch eenmaal vast. dat de afsnijding van het leven nooit anders dan gevolg van de zonde kan zijn, dan zou in een geheel onzondige wereld nooit en nimmer iemand gedood kunnen zijn.

We spreken nu niet van geweld door den eenen mensch tegen den anderen gepleegd. Af!\'ezigheid van zonde sloot dit dan uit. Zelfï behoeft het geval niet ter sprake te komen, dat iemand door onvoorzichtigheid zijn naaste zou gedood hebben. Zeer goed tcch is de stelling verdedigbaar, dat buiten zonde niet alleen geen geweld door den man jegens zijn naaste zou gepleegd zijn, maar dat ook de onvoorzichtigheid die men thans zoo vaak uit eigen leven kent, ons niet zou zijn overkomen. We vereenzelvigen daarom onvoorzichtigheid en boos opzet niet Het onderscheid tusschen overvallen te worden omdat u Iemand haat, en manslag uit onvoorzichtigheid staat in de Wet van Mozes te duidelijk aangegeven, dan dat we het op zij kunnen schuiven; maar dit neemt toch niet weg, dat onoplettendheid, onnadenkendheid, onvoorzichtigheid altoos iets is, waartegen we op onze hoede moeten zqn, èn waarover we vaak, 200 er kwade gevolgen uit voortkomen, leed dragen en schuld gevoelen. Op zichzelf Is dus zeer wel aan te nemen, dat in geheel zondeloozen toestand zulk een onvoorzichtigheid niet zou kunnen plaats grijpen. En hierom dient er dan ook in dit verband op gelet, dat bij zondeloozen toestand o, zoo velerlei, dat nu den dood ten gevolge heeft, niet zou zgn voorgekomen, Men heeft wel gevraagd, of, bulten zonde, het wild gedierte Iemand niet van het leven had kunnen berooven, maar ook d|t kan in zulk een zin worden beantwoord, dat de verscheurende aard van het wild gedierte oorspronkelijk niet aanwezig was; gelijk we dan ook zien, dat in het Paradgs al dat gedierte tot Adam geleid werd. Onverschillig nu, of de verscheurende aard in dat gedierte ontbrak, of tewel dat de mensch een biologeerende macht bezat, om het wilde dier in te toornen, is het zeer wtl denkbaar, dat van dat gedierte geen bedreiging des doods naar den mensch uitging. Evenzoo zou men kunnen oordeelen over 't sterven door vergiftiging. Gelijk thans de natuur zich aan ons voordoet, is er gif van allerlei aard In vaste stoffen, in plantaardige stoffen, in Insecten, in dol geworden gedierte, en zooveel meer, en ook hierdoor wordt veelvuldig de dood veroorzaakt, niet alleen waar de mensch opzettelijk zich aan dit gif blootstelt, maar ook waar hij, zonder het te willen, of tegen zijn zin en bedoelen, met al zulk gtf in aanraking komt. Doch ook dez; opmerking zou niet afdoende zijn, daar het zich denken laat, dat de vloek die op de zonde gevolgd is, al zulk gif eerst ontstaan deed, of althans het voor den mensch gevaarlijk maakte. Hetzelfde geldt van ziekte en eenigszins ernstig het leven bedreigende krankheid. Men kan toch zeer wel aannemen, dat bij zondeloozen toestand de gezondheid zoo sterk zou geweest zijn, dat geen krankheid den mensch ware overkomen.

Maar al zondert men al deze gevallen uit, toch blijft nog altoos de vraag over, of ook afgezien van dit alles, puur en louter ongeval niet ook bij zondeloozen toestand den mensch kon overkomen z^n, en of ongelukken van dien aard niet hetzelfde gevolg konden gehad hebben als thans, zoodat de mensch er het leven b^ Inschoot.

Het hieruit opr^zend bezwaar moet men wei onder de oogen zien. Natuurlijk geven we toe, dat de dood als gevolg van de zonde, voor den mensch niet alleen zijn existentie op aarde afsngdt, maar ook geestelgke gevolgen heeft, en het spreekt wel vanzelf, dat in een staat buiten zonde deze gevolgen zouden uttbigven ook al werd een menschenleven afgesneden. Maar toch zijn we hiermede niet uit de moeilijkheid. In de Schrift toch wordt het verband, dat den dood aan de zonde als zgn oorzaak verbindt, absoluut gesteld. Er wordt ons niet geleerd, dat de zonde alleen oorzaak is van wat den mensch na zijn sterven in deSjtöI kan wachten, maar er wordt in den meest stelligen zin gezegd, dat de dood door de zonde is opgekomen; wat geen andere uitlegging toelaat, dan dat er buiten zonde van geen dood sprake zou ztjn geweest. Al wordt dus toegegeven dat er tusschen vele: hi soort van dood onderscheid kan worden gemaakt, de afsnijding van het leven als kenmerk van den dood blijft toch aan deze alle gemeen, en of dan het sterven, d. i. het verlies van het leven, veroorzaakt Is door ouderdom, door gewelddaad, door vergiftiging, door ziekte ol Aoot een puur ongeval, maakt principieel geen verschil. Sterven is sterven, en zoo er buiten zonde geen sterven zijn zou, moet er aan vast gehouden, dat bij zondeloozen toestand ook wat wat wij een ongeluk of een ongeval noemen, den dood niet tengevolge kon gehad hebben. Voor ons nu is bet uiterst moeilijk, ons hiervan éen eenigszins duidelijke voorstelling te maken. Wij kennen proefondervindelijk slechts één soort leven, en het Is ons bijna niet mogelijk, ons een geheel daarvan verschillend menschelQk bestaan voor te stellen. Toch mogen we voor deze moeilijkheid niet terug deinzen. Wat we belijden, moeten we in zijn volle consequentie belijden, ook al kunnen we slechts onderstellenderwijs er ons een verklaring van geven. Dit nu komt er op neer, dat we in een van de drie volgende voorstellingen ons een uitweg hebben te zoeken. We moeten of aannemen, dat er geen ongevallen konden voorkomen, die een doodelijk gevolg hebben konden. Oftewel we mosten vaststellen, dat onze organische gesteldheid buiten zonde zoodanig zou geweest zijn, dat't water ons niet verdrinken of het vuur ons niet verbranden kon. Of eindelgk, het zou buiten zonde een zoodanige toestand moeten geweest zijn, dat we steeds tijdig aan een ons dreigend ongeval konden ontkomen. Hetzij het voorkomen van het ongeval, hetzij het schaden van 't ongeval, hetzij het ons niet genoegzaam dekken voor het ongeval, zouden te rekenen zijn onder die vele wijzigingen van onze levensexistentie, dis we geestelgk saamvatten onder den naam van den vloek. Dit stuk van den vloek is In onze Belijdenis, in de verklaring van onze Belijdenis, en In de Dogmatiek dan ook op verre na niet genoegzaam uitgewerkt. Feitel^'k heeft men gemeend, genoeg gedaan te hebben, zoo men de absentie van den Dood bij absentie van zonde, als eene ons geopenbaarde waaiSeid geconstateerd had, en wat hieruit voortvloeide, is daarom niet nader ulteecgezst. Men heeft daarom wel er op gewezen, dat de vloek oorzaak werd van de schending van het paradijs en het opkomen van doornen en disteien, maar van de geheel andere levecsexlstcntie die door den vloek veroorzaakt en op alle manier teweeggebracht !s, heeft men zich geen genoegzaam helder denkbeeld gevormd. Ea toch, daarop komt het aan. Ooi zich met eenige klaarheid een menschelijke levensexistentie, waarin de afsnijding van het leven onmogelijk was, voor te stellen, moet de uitwerking van den vloek veel breeder en veel verder reikend genomen worden, dan in den zin alsof ze alleen op de gesteldheid van den bodem, enz. zou slaan. De gevolgen en uitwerkingen van den vloek hoioeten dan als reëel worden aangenomen voor bodem en atmosfeer, voor de drie rijken der natuur, eii zoo ook voor den mensch in geheel zijn bevinding en optreden. En dan is het niet moeilijk, zich een menschelijk leven te denken, waaruit alle stoornis wegviel Op allerlei wijs toch heeft onze verbeelding aan de hand van de Schrift zich een voor stelling weten te vormen van wat 't men schelijk leven onder den nieuwen hemel en op de nieuwe aarde zgn zal, en in dit toekomstig leven schakelde ook onze ver beelding geen enkel ongeval, geen enkel misdrijf, geen enkele gewelddaad, geen enkele krachtsvermindering in Het kind dat bij 't hoi van een adder speelt, het Iim dat met de wolf nedsrligt, waren de beelden, die de Schrift zelf ons aangaf, om ons in zulk een volkomen wereld in te denken. Gaat men nu terug op de Schepping, stelt men zich voor wat toen het Paradijs en de mensch in dat Paradgs geweest Is; en nemen we aan dat buiten zonde van geen verdrijving uit dat Paradijs sprake zou geweest zgn, en dat In dat Paradijs den mensch een levensexistentie was gegeven zonder moeite, zonder gevaar, in stil geluk en steeds voortgaande vreugde, dan blijft er slechts ^én verschil over tusschen den Paradijstoestand en wat ons op de nieuwe aarde ea in den nieuwen hemel wacht, t.w. een verschil in graad van ontwikkeling. De heerlijkheid die ons hierna wacht, zou altoos de heerlijkheid van het Parades verre te bo? en zgn gegaan. Het zal eens op de nieuwe aarde een heerlijkheid zijn, zooah za in geen 's menschen hart is opgeklommen, en zooals geen oog ze gezien en geen oor ze gehoord heeft. Doch dit is en blijft een verschil In graad. Het verheerlijkt lichasm, dat ons hiernamaals wacht, en dat gelijk zal zijn aan het verheerlijkt lichaam van den Christus, zil de heerlijkheid van het menschelijk lichaam in het Paradijs zeer verre overtrefifsn, maar niet in beginsel, niet In aanleg, en uitsluitend in graad van volkomenheid. Stelt ge u dus principieel voor, dat zonde en dood en vloek niet waren ingekomen, zoo zou de mensch zonder sterven wel tot hooger glorie zijn opgeklommen, maar de soort van zijn existentie zou geheel dezelfde zijn gebleven, en ook in het Paradijs zou noch ramp, noch leed, noch ongeval hem genaakt hebben. Zoo nu verstaan, behoeven we niets op de stelling der Schrift te laten afdingen, dat er buiten de zonde geen dood op aarde voor ons zou bestaan hebben.

Een tweede, geheel ander vraagstuk, dat hiermee samenhangt, maar toch een geheel andere moeilijkheid met zich brengt, is de vraag, of de dood, die dan buiten zonde den mensch niet overvallen kon, oorspronkelijk ook in de overige natuur uitbleef. Behalve met de wereld der menschenkinderen, komt btj de vraag naar den dood ook het dierenrijk en zelfs ook het plantenrijk in aanmerking. Hoe hebben we het ons nu voor te stellen ? Zou, ware de dood van den mensch uitgebleven, de dood ook de dierenwereld niet hebben aangetast, en zou de dood ook in de plantenwereld zijn verwoesting en vernieling niet hebben aangericht? Tot vaste en zekere oplossing brengen kunnen we deze beide vragen niet, omdat er ons niets positiefs over geopenbaard is, maar onder de oogen gezien moet toch ook dit dubbele vraagstuk worden. Vanzelf ligt er iets aantrekkel^ks in de gedachte, dat zich een wereld denken laiit, waarin de pracht van het woud en de bloemenweelde door geen storende hand werd aangetast, en waarin evenzoo van het dooden en sterven van het dier geen sprake zou zijn. Merk er nu op, dat beide vragen met de gesteldheid van ons menschelijk leven tot op zekere hoogte samenhangen. Gelijk thans het leven zich aan ons voordoet, ! is het hout onmisbaar, en hout spreekt van 't vellen van het geboomte in het woud. Het hout was, toen er nog geen steenkool was, voor ons noodig om vuur te stoken In onze woningen en allerlei gereedschap te verkrggen. Oaze menschelijke existentie is alzoo een gestadige bedreiging voor de phntenwereld. De mensch tast de plantenwereld op gewelddadige wijze aan. We sparen de planten niet, maar snijden haar laven af, zoo dikwijls 't ocs lust, of kappen de heerlijkste cederen ter versiering van OQze woningen. Vraagt men nu of dit ook in 't Paradijs a!zoo was bestemd, d. I. in een zondelooz* menschehwereld evenzoo noodzakelijk zou geweest zijn, dan kan het antwoord moeilijk anders dan ontkennend luiden, In het Paradijs was de natuur zelve al wat de mensch ter woning ontving, en hout om 't vuur te voeden, was bij de heetlijke temperatuur, en bij een voedsel dat enkel uit boomvruchten bestond, niet noodig.

In California bevinden zich nu nog gehcele kolonies van wat men noemt Fruitarians, d. w z. van menschen, die niets eten dan rauwe boomvruchten, zoo geplukt en ongekookt gegeten. Professor Jaffi, die deze kolonies bezocht en bestudeerde, gaf er een verslag van in zgn werk: Investigations among Fruitarians, opgenomen in het Verslag van het Departement van Landbouw van de Vereenigde Staten, zie Carrington p. 156 Ziekte komt in deze kolonies zoo goed als niet voor. Allen die er toe behooren, zijn zonder uitzondering zeldzaam gezond en sterk, en als regel vond Jaffi dat ze veelal zeer oud werden. Nu blgkt uit het Paradijs verhaal zeer duidelijk, dat de mensch er op was aangewezen, niet om de aarde te bebouwen, en door daarop volgende plantvernieling, gelijk 't bij ons oogsten op den akker toegaat, het noodige voedsel te vinden, maar dat er ten eerste van het eten van dieren geen sprake was, en ten andere, dat enkel boomvrucht in 's menschen behoefte voorzag. Zoo zelfs, dat we ook op de nieuwe aarde alleen hooren van hoornen, die twaalf vruchten per jaar dragen. De noodzakelijkheid om planten van 't leven te berooven, gelijk die nu bestaat, bestond dus aanvankelijk niet, noch wat 't bouwen van woningen, noch wat 't branden van vuur, noch wat 't kweeken van voedsel betrof, en op zichzelf zou zich dus zeer wel een toestand van de plantenwereld hebben laten denken, die, wat ons aangaat, 't voortbestaan van wat eenmaal 't leven ontving, had toegelaten. De heel andere vraag, ^of de plant, na zekeren tijd geleefd te hebben, niet vanzelf zou gestorven zgn, laten we hier rusten, omdat ze op één lijn ligt met de vraag, of wij menschen enkel van ouderdom moeten sterven, zoodat de eenige ernstige bedenking die opkomt, deze is, dat het gewas, eenmaal opgegroeid, zich tot In het eindeiooze vermenigvuldigt, en dat, zoo tegen deze vermenigvuldiging geen versterving overstond, na niet zoo lange periode elk soort gewas tegen andere soorten den strijd op a leven en dood zou aanbinden, en dat het sterke gewas het zwakke toch verdringen en vernietigen zou. Nu kan men hier wel d tegenover stellen, dat deze ontzaglijke a verraecIgyuHigiag van het gewas ook kon getemperd zijn, en ten slotte geheel kon b zgn uitgebleven, gelijk het ook niet wel o denkbaar is, dat ze op de nieuwe aarde gelijk thans door zal gaan, doch hier verliezen we ons in beschouwingen, die aile vasten grond missen, en daarom niet verder zijn voort te zetten. We bepalen ons daarom er toe, aan te toonen, dat het gebruik dat de mensch van de plantenwereld maakt, zich in het P^aradgs tot het plukken van de gereede vrucht bepaalde, zoodat in den mensch geen oorzaak lag, die het versterven of teniet doen van het leven in de plant onherroepelijk elschte. Dit geeft ons recht om het versterven ia de plantenwereld geheel af te scheiden van den dood in het menschelijk geslacht. Ook al stond het vast, dat krachtens ds Schepping het plantenrijk op gestadige versterving ware aangelegd, hieruit zou nog geenszins volgen, dat ook het menschelijk geslacht aan gestadigen ondergang door den dood onderworpen was, We laten daarom het plantenrijk hier verder rusten, ea doen dit te eer, omdat het verdorren en versterven van de plant op ons niet dan in zeer verwgderden zin den indruk maakt vaa aan het versterven van den mensch verwant te zijn. Er Is wel verwantschap, maar ze spreekt ons zoo niet toe.

Veel sterker daarentegen is dit het geval met de dierenwereld, waarin de macht van den dood zich op zoo ontzettende wijze openbaart. Nu scheelt het zeker veel, of we rekenen met het ééne of met het andere dier; maar op welke diersoort men ook de aandacht vestigt, steeds bevindt men dat de dood er een wreede heerschappij op uitoefent, en dat bij onderscheidene diersoorten zelfs ons menschelijk gevoel door dit Igden wordt aangegrepen. Te onderscheiden valt hier natuurlijk tusschen het var. zelf sterven van het dier door ouderdom, het dooden van het dier ten behoeve van den mensch, en het onderling elkander dooden van dieren ten eigen bate of ter afwering van eigen gevaar. Ds dood is, veelmeer dan in het plantenrijk, in de dierenwereld een gecompliceerd versch^nsel. Het onderling elkaar verslinden in de wateren is een algemeen verschijnsel, dat volstrekt normaal schgnt. Ook in de Insectenwereld nemen we hetzelfde waar. De vogelenwereld weet van gelijke wreedheid te verhalen. Onder de landdieren is het niet anders. En de mensch handelt even gelijk. Bij dier en mensch toch spreekt altoos tweeërlei motief. Het dier wordt door het dier of door den mensch gedood, om gevaar af te wenden, of om er profijt van te trekken, meest tot voedsel, maar ook met sociaal doel voor kleeding, wapentuig of sieraad. Nu weten we zeer weinig van de dierenwereld af; en niet dan op zeer gebrekkige wijze kunnen we ocs rekenschap geven van wat in de dieren omgaat. Bg het paard, bij den hond en bij otz; stal-of huisdieren gaat dit iets beter. Soms zelfs ontvangt men den indruk, alsof er aan het menschelijk gevoel verwante gewaarwording in hen opkomt. Meer dan één onderzoeker heeft zelfs pogen vast te stellen, dat het innerlijk bestaan van sommige dieren, en hun wijze van saamleven, zeer na aan ons menschelijk leven verwant is; maar toch blijft hun wereld, hun leven, en vooral hun zielsbestaan ons vreemd, zóó vreemd, dat het ons zelfs min of meer afstootend aandoet, zoo dikwijls bij een dier van een ziel gesproken wordt.

Toch weet wie aan de Schrift vasthoudt , dat de Schrift zeer stellig en zeer duidelijk ook aan het dier een ziel toekent. Zelfs van de visschen heet het in Gen. 1:21: God schiep de groote walvisschen en alle wriemelende ziel, welke de wateren overvloediglijk voortbrachten naar hun aard." Ook in vs. 24 heet het van het landgedierte: De aarde brenge voort levende zielen, vee en kruipend en wild gedierte der aarde naar zi^n aard." En mocht men tegenwerpen, dat hier de dieren zelf „zielen" genoemd worden, maar dat er niet staat dat de dieren een ziel hebben, lees dan in vs. 30 van hetzelfde hoofdstuk in Genesis, hoe God daar zegt: aan al het gedierte, waarin een levende ziel is, heb ik het groene kruid tot spijze gegeven." Of wilt ge het nog sterker, zie dan hoe In Gen, 9:9 en 10 gezegd wordt „Ik richt mijn verbond op met u en met uw zaad na u, en met alle levende ziel die met u Is, van het gevogelte, van het vee, en van alle gedierte der aarde met u." Zelfs staat er van den regenboog „Dit is het teeken des Verbonds, dat ik geef tusschen Mij en tusschen u en tusschen alle levende ziel die met u is, tot eeuwige geslachten." Veilig kan men dan ook zeggen, dat de Schrift het dier hooger stelt, dan hst groote publiek het gemeenlijk doet, al mag evenmin verheeld, dat enkele dierenvrienden, en vooral dierenvriendinnen, het bijna dwepen met de dieren al te zeer op de spits drgyen.

Doch uit welk oogpunt ook bezien, vast staat, dat we bij het dier veel meer dan bij de plant gewaarworden wat de dood voor het dier Is. Ook bij de plantenwereld mogen we van „dood hout" spreken, maar zelfs In het omkappen en omvallen van een z waren boom zien we geen sterven, al staat het met 't slachten van een dier, wat het levensbeginsel betreft^ ongetwijfeld op één lijn. Bij het dier van hoogere formatie vooral spreekt niet zelden het ter dood brengen, en zelfs het door ziekte sterven, ons schier op gelijke w^ze toe, als bi^ den mensch. We zien bij slachting het bloed vloeien, en bij sterven de ademhaling minderen en het oog zich sluiten. Er is in het sterven van sommige dieren een kreunen, dat soms aan het kreunen van den stervenden mensch doet denken. En al is het nu, dat dit alleen bij de hooger georganiseerde dieren voorkomt, toch voelt Ieder dat het wreede spel, dat de spin met het In zijn web gevangen vliegje drgft, niet minder wreed is. Wei mag men aannemen, dat er verschil in graad bestaat tusschen het gewaarwordittgsgevoel van een visch ea van een lam, maar lijden is er toch bij het gedoodworden in geheel de dierenwereld, en althans zekere overeenkomst tusschen den Dood in dit beneden ons staande dierenrijk en In onze eigen mecschenwereld kan daarom niet worden ontkend. Een verwantschap, die in niet geringe mate zelfs door de offerande van het dier in 's menschen plaats versterkt wordt. Zelfs mag gezegd, dat in de bedeeling van het Oude Testament deze slachting van het dier, waar de mensch zelf des doods waardig was, een

nog sterker beteekenis gekregen heeft dan in eenigen anderen eeredienst. Iets wat te meer in liet oog springt, omdat ook bij het optreden van den Christus, als bestemd om voor ons in den dood te gaan, de beeldspraak van het Lam, dat geslacht zal worden, herhaaldelqk op hem wordt toegepast. Vanzelf bracht dit, in verband met wat we zelf van het lijden van het dier in de natuur waarnemen, in breeden kring zekere sympathie voor het stervende dier teweeg, zoodat we den dood, het sterven, het geslacht worden van het dier zoo moelijk geheel van 's menschen dood kunnen losmaken. Het zou ons dan ook toelachen zoo we wisten, dat dit gestadig en vreeselijk l^den des doods voor het dier niet door God In zijn Scheppingsordinantie was ingezet, maar eerst in een latere gebeurtenis, die tegen Gods wil plaats greep, zijn oorsprong vond. Schooner is dat verlangen nooit uitgedrukt dan in wat de apostel in Rom. 8 : 19—21 schreef. Die hoop van alle kinderen Gods, dat ook het schepsel, en hiermee is hier vóór alles de dieren wereld bedoeld, „zal vr^'gemaakt worden van de dienstbaarheid des verderfs", drukt zoo juist uit dat de verwoesting, die de Dood in de dierenwereld aanricht, niet uit Gods Scheppingsordinantie zgn kan. Voors hands kunnen we intusschen niet verder gaan, dan vaststellen, dat dit lijden voor de dierenwereld reeds bestond, en dat de bedreiging in het Faradgs: Zoo ge van dien traom eet, zult ge den dood sterven", juist daarom zoo ontzettend was, omdat ze den mensch bedreigde met wat in de dierenwereld reeds zoo vreeselgk te zien was. Dat ingrepen van den Dood in de dierenwereld verklaart Paulus, gelijk het schijnt verstaan te moeten worden, uit satanische Werking, als hö zegt: om diens wil die het der edelheid onderworpen heeft". Al te gader raadselen, maar die toch het onderscheid tusschen den Dood in de dierenwereld en In ons menschel^k geslacht eenigszins ophelderen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 oktober 1912

De Heraut | 4 Pagina's

Van de Voleinding.

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 oktober 1912

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken