Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van de breking des Broods.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van de breking des Broods.

13 minuten leestijd

Xlll (Slot)

Tot ons leedwezen is door een ongeluk van den zetter ons slotartikel over de s Breking des Broods geheel in wanorde onder de oogen onzer lezers gekomen. De verschillende stukken der kopie zijn niet in de juiste volgorde afgedrukt, maar door elkander geraakt, zooals de lezer wel gemerkt zal hebben. Daardoor is het geheele stuk onbegrijpelijk geworden, en zou het zelf.i weinig baten de juiste volgorde thans aan te geven. Er schiet dus niet anders over, dan het artikel, nu in goede orde, nog eens te laten drukken; waarbij we onze verontschuldiging voor deze fout van den zetter onzen lezers aanbieden.

De treffende overeenstemming, die tusschen ons Avondmaalsformulier en Calvijn's opvatting van het Avondmaal bleek te bestaan, zoowel wat het dogmatische als wat het ritueele gedeelte betreft, kan natuurlijk niet toevallig wezen, maar wijst er op, dat de opstellers onzer liturgie welbewust zich bij het voorbeeld door Calvijn gegeven, hebben aangesloten. Toch is het noodig dit punt in dit slotartikel nog nader te behandelen, omdat telkens weer de voorstelling wordt gegeven, alsof de oorsprong van onze liturgie niet bij Calvijn, maar bij Zwingli te zoeken ware. Nu is onze liturgie, gelijk men weet, niet zelfstandig door Datheen . opgesteld, maar grootendeels een vertaling en navolging van de Paltzische liturgie. De opstellers dezer Paltzische liturgie hebben bij hun arbeid weer ruimschoots gebruik gemaakt van de oudere Nederlandsche liturgie, die door den nobelen a Lasco voor de vluchtelingengemeente te Londen was opgesteld*. De vraag, waarom het hier gaat, is derhalve, of deze oudste Nederlandsche liturgie, de zoogenaamde Forma ac Ratio, van a Lasco een Calvinistischen of een Zwingliaanschen oorsprong heeft, m. a. w. of k Lasco daarbij het voorbeeld van Geneve, dan wel dat van Zurich heeft gevolgd.

Nu is het wel te begrijpen, dat diegenen, die van het Calvinisme niet veel weten willen en meer met de zoogenaamde öud-Gereformeerde of Zwingliaansche type dwepen, het liefst zoo voorstellen, alsof ook onzeGereformeerde Kerken in Nederland van huis uit Zwingliaansch waren en het Calvinisme later hier geïmporteerd zou zijn geworden. Vooral de vluchtelingengemeente te Londen moet dan als bewijs daarvoor dienst doen. Zoo zegt Dr. A. J. van 't Hooft in zijn proefschrift De Theologie van Bullinger, Blz. 159, dat »men in de vreemdelingengemeente te Londen zich de gemeente van Zurich tot voorbeeld stelde". Met name zou dit dan gelden ten opzichte van het Avondmaal: Prof. Gooszen, in zijn reeds meermalen aangehaald werk p. 371, wijst er met zekeren nadruk op, dat de Londensche gemeente aan wier hoofd k Lasco stond, ïop het voetspoor van Zurich" de breking des broods bij hét Avondmaal invoerde, in tegenstelling met de Geneefsche liturgie, die deze breking des broods niet kende. En waar dan nog enkele stemmen zich dowi hooren, die een ndere voorstelling geven, , zogals Dr.' J. H.; unning, - dié in-TAycï.Qnze Eercdienst 1890 p. 23 - schreef: »wij constateere.n, dat'zoo el' de 'Forriia--ac. Ratio van. a Lasc'ö, als'' e liturgie van: de P.altz en dus ook van" elf de uit beiden geputte Nederlandsche iturgie in hoofdzaak niet slechts Gereforeerd, maar ook Calvinistisch kunnen eeten", daar schudt Prof Gooszen óver ulk een dwaze bewering het achtbare oofd en verklaart hij, dat het hem een xraadsel" is, hoe een verstandig man als r. Gunning nog zulke ongerijmdheden schrijven kan (blz. 369).

Nu zou ik kunnen volstaan mét de' opmerking, dat in heel ons Avondmaalsformulier, noch zooals 't oorspronkelijk door a Lasco is opgesteld, noch zooals het door de. Paltzers is omgewerkt en door Datheen is vertaald, óók maar één. zinsnede voorkonit, die aan de Avondmaalslitvr-gie van Zwingli ontleend is. Wel staat het daarentegen vast, gelijk ook Mensinga bij zijn ontleding van het Avondmaalsformulier toegeeft, dat geheele stukken van dit formulier woordelijk uit Calvijns liturgie sijn overgenomen en kan er voor niemand, die beide; formulieren met elkander vergelijkt, ook maar, eenigétwijfel over bestaan, dat de geheele opzet van ons formulier, de volgorde der behandelde onderwerpen en de liturgische inrichting van het Sacrament zelf, aan Calvijn's liturgie zijn ontleend, zoodat ons Avondmaalsformulier eigenlijk een uitbreiding van Calvijn's liturgie zou moeten genoemd worden. Het Avondmaalsformulier van Zwingli heeft daarentegen zoo weinig invloed op ons formulier uitgeoefend, dat zelfs met den scherpsten microscoop niet een regel in dit formulier is te ontdekken, die aan Zwingli's formulier herinnert. Het heeft veeleer al den schijn, alsof de opstellers van onze liturgie het formulier van Zwingli óf niet gekend hebben, óf, wanneer ze het wèl kenden, het alsdan met opzet juist geheel terzijde hebben gelaten.

En dat deze indruk niet onjuist is, blijkt wel op de meest afdoende wijze, wanneer men de voorrede opslaat, die a Lasco zelf voor de uitgave zijner liturgie in 1555 schreef. Hij vermeldt daar welk voorbeeld hij gevolgd heeft: nos id quidem. (se. instaurationem cultus legitimi secundum Verbum Dei) conati sumus sumpto exemplo a Genevensi et Argentinensi peregrinorum ecclesia (a Lasco opera ed. A. Kuyper, t. II, p. 50) d. w. z. »wij hebben gepoogd den wettigen eeredienst volgens Gods Woord weder in te stellen, waartoe we het voorbeeld ontleend hebben aan de Kerk van Geneve en aan de vreemdelingengemeente van Straatsburg*. Van Zurich wordt hier dus met geen vv^oord gerept; het model is alleen geweest de liturgie van Geneve en van de Fransche gemeente te Straatsburg d. w. z. de liturgie van Calvijn. Nu was tot op, zekere hoogte dit 'feit ook aan'^de vroegere onderzoekers onzer liturgie niet onbekend gebleven; de groote overeenkomst tusschen de liturgie van a Lasco en de Liturgia Sacra, die Poullain, eertijds predikant der vreemdelingen-gemeente te Straatsburg, in 1551 in hét licht had gegeven, was ieder in het oog gesprongen. Alleen men wist niet, dat deze Liturgia Sacra niets anders was dan de oude liturgie van Calvijn, zooals deze te Straatsburg door hem was ingevoerd, en meende, dat Poullain deze liturgie zelfstandig had opgesteld. Eerst aan Dr. Gcbius du Sart is het te danken, dat aan deze legende voor goed een einde is gemaakt; hij heeft in zijn proefschrift over De geschiedenis der liturgische geschriften, aangetoond op grond èn van PouUain's eigen getuigenis èn van den inhoud dezer liturgie zelf, dat deze liturgie niets anders is dan de oude liturgie van Calvijn, zooals hij haar te Straatsburg had ingevoerd. De liturgie van Geneve en die van de Straatsburgsche vluchtelingengemeente, waarheen a Lasco zelf ons verwijst, zijn dus niet twee liturgieën, maar ééne; het is de liturgie van Calvijn, zooals hij deze eerst te Straatsburg heeft opgesteld en later te Geneve heeft gewijzigd. Nu heb ik vroeger aangetoond, dat de Straatburgsche liturgie veel zuiverder Calvijn's denkbeelden weergeeft dan de latere liturgie van Geneve, en waar de liturgie van è Lasco veel getrouwer de Straatburgsche liturgie dan die van Geneve volgt, is dit derhalve niet een afwijking van Calvijn, maar, juist omgekeerd, een volgen van den oorspronkelijken Calvijn, of wil men, van de liturgie zooals Calvijn zelf deze het meest overeenkomstig Gods Woord achtte. De fout van vroegere onderzoekers was, dat ze a Lasco's liturgie met die van Geneve vergeleken, en dan is er zeker op menig punt verschil; maar dit verschil is alleen daaraan te danken, dat a Lasco trouwer de Straatsburgsche liturgie van Calvijn volgde, dan de latere omwerking dezer liturgie te Geneve.

Daarmede is dan ook het eenige argument vervallen, dat voor Prof. Gooszen zoo gewichtig was, dat hij hieraan een geheel boek wijdde, nl. dat a Lasco in zijn Avondmaalsliturgie op de breking des broods nadruk had gelegd. Juist deze breking des broods zou toch het typische kenmerk van de Zwingliaansche Avondinaalsliturgie wezen. Nu echter-achteraf bleek, dat Calvijn deze breking des broods, waarover zijn Geneefsche liturgie niet spreekt, wel degelijk bij het Avondmaal heeft ingevoerd, ze in de Straatsburger uitgave zijner liturgie uitdrukkelijk had voorgeschreven, en è. Lasco ze juist uit deze liturgie van Calvijn heeft overgenomen, vervalt dit argument vanzelf en keert het zich zelfs tegen Prof. Gooszen. Want deze ceremonie van de breking . des broods, . al komt. ze bij Zwingli en Calvijn beide voor, neemt toch bij Zwingli een andere plaats in dan bij Calvijn. Wat over de historische verwantschap beslist, is dus niet de .ceremonie zélve, maar lio.e ze plaats vindt eii door wie Bij Zwingli geschiedde de breking deg

broods door den Dienaar onder de voorlezing der inzettingswoorden , en daarna bij het gebruiken van het Sacrament door de geloovigen zelf. In de liturgie van a Lasco is hiervan geen sprake ; de breking des broods geschiedt alleen dooiden Dienaar, en ze geschiedt niet onder de lezing van de inzettingswoorden maar bij het uitdealen van het Sacrament met de woorden: Het brood dat wij breken, is de gemeenschap des lichaams van Christus, precies als ook in de Straatsburgér lituro-ie was voorgeschreven.

Toch heeft k Lasco daarom niet.slaafs CalfIJn nagevolgd; hij bracht niét alleen in het didactische of leerstellige gedeelte wijzigingen aan, maar ook in het liturgische of ritueele gedeelte. Wat dit laatste betreft, raken deze wijzigingen de drie volgende punten. Vooreerst, dat a. Lasco, in plaats van de zoogenaamde wandelende, de zittende communie invoerde. Bij Calvijn was het gewoonte, dat ieder geloovige van zijn zitplaats opstond, naar de Avondmaalstafel toeging, daar staande de teekenen van brood en wijn ontving en dan wederkeerde naar zijn plaats, èi Lasco heeft in dit opzicht zich nauwer aangesloten aan de oorspronkelijke inzetting van het Avondmaal, waarbij Christus en zijn discipelen aan den disch aanlagen, en daarom bij de Londensche gemeente het gebruik ingevoerd, 't welk nog altoos onder ons gehandhaafd wordt, dat de Avondmaalgangers gezamenlijk aan den disch aanzitten. Hieruit volgde van zelf de tweede wijziging, dat de Dienaar dan ook niet aan ieder Avondmaalganger persoonlijk het brood toereikte onder het telkens herhalen van de sacrameateele formule, gelijk dit bij Calvijn voorgeschreven was, maar dat het uitspreken dezer formule bij eiken disch slechts éénmaal geschiedde, het brood, dat gebroken was, door den Dienaar persoonlijk alleen werd uitgereikt aan de naast hem zittenden, en - het voorts op twee schotels werd neergelegd, die nu naar beide zijden van de tafel werden doorgeschoven, zoodat elk Avondmaalganger zelf een stuk van het gebroken brood nam. Evenzoo geschiedde met de drinkbekers, vier in getal, die eveneens na het uitspreken der sacramenteele formule werden rondgegeven door den Dienaar en door de Avondmaalgangers elkander werden toegereikt. En de derde wijziging betrof de sacramenteele formule : terwijl Calvijn alleen de swoorden van Paulus« gebruikte, ontleend aan I Cor. 10 : 16: het brood dat wij breken, is de gemeenschap des bloeds van Christus* en: de drinkbeker der dankzegging, dien wij zegenen, is de gemeenschap des bloeds van Christus*, voegde a Lasco bij het uitdeelen der teekenen aan de Avondmaalgangers daaraan nog de woorden toe: Neemt, eet en gedenkt, hoe het lichaam van onzen Heere Jezus Christus voor ons in den dood is overgeleverd aan het hout des kruises tot vergeving al onzer zonden«; en bij den drinkbeker: Neemt, drinkt en gedenkt, dat het bloed van onzen Heere Jezus Christus vergoten is aan het hout des kruises tot vergeving al onzer zonden«, het bekende »toevoegsel«, dat later ook door onze Nationale Synodes steeds aanbevolen is bij het Avondmaal, maar later in onbruik is geraakt. De opstellers van de Paltzische liturgie hebben dit drietal wijzigingen niet overgenomen en zijn op dit punt aan de liturgie van Calvijn getrouw gebleven. Er staat in hun liturgie, dat de Dienaar aan ieder geloovige het brood des Heeren zal breken en het hem reiken zal onder het uitspreken van de woorden: et brood, dat wij, breken, is de gemeenschap des lichaams van Christus, en dat daarna de andere Dienaar ieder den drinkbeker zal reiken met de woorden: e drinkbeker der dankzegging, waarmede wij dankzeggen, is de gemeenschap des bloeds van Christus. Ook onze Heidelberger Catechismus gaat van de gedachte uit, gelijk we zagen, dat ieder het gebroken brood en den drinkbeker uii des Dienaars hand ontvangt. Hoewel deze Paltzische liturgie, die door Datheen vertaald Werd, later de liturgie van a Lasco bij onze Kerken verdrongen heeft, is echter de wijze ' van Avondmaalsviering, zooals deze door k Lasco was ingevoerd, algemeen in gebruik gebleven; we hebben niet de wandelende communie van Calvijn en de Palts, maar de zittende communie van a Lasco overgenomen.

Eenig reëel verschil schuilt hier echter niet in, Calvijn zelf heeft meermalen verklaard, dat het gebruik om aan den Avondmaalsdisch saam aan te zitten of het Avondmaal staande te ontvangen, voor hem geen onderscheid maakte en iedere Kerk daarin haar eigen gebruik volgen moest. En nog veel minder kan in deze Avondmaalsviering van a Lasco een nawerking van Zwingliaanschen invloed bepeurd worden, waritte Zurich bleef iedei" geloovige op zijn eigen zitplaats zitten en was er van een gezamenlijk aanzitten aan één Disch dus in het geheel geen sprake. Nu is er zeker voor beide wijzen van Avondmaal vieren, die van Calvijn en die van a Lascó, iets te zeggen. De wandelende communie biedt het voordeel aan, dat ieder geloovige uit des Dienaars hand de teekenen ontvangt en hem persoonlijk de sacramenteele woorden worden toegesproken; het persoonlijk element treedt hier sterker op den voorgrond, en woord en teeken worden nauwer saam verbonden. Ook nu wordt het belang hiervan wel gevoeld, want het liefst zal mèn bij het Avondmaal naast den Dienaar zitten en onder het uitspreken der sacramenteele woorden de teekenen uit zijn hand ontvangen. Toch brengt deze wijze van Avondmaalsviering tegelijk niet geringe bezwaren mee, die ook door Calvijn wel gevoeld zijn. Aangezien het schier ondoenlijk is, vooral bij een groot getal Avondnriaalgangers, om door één Dienaar brood en beker aan allen te laten reiken, moet mèn er dan ookwetto? : .komen. ; gelijk Cialvijn en de I^altzische liturgie dan ook doen, om de tee'keheh'te^'scEêiden eö-; het. brood, door den • eerien Dienaar» den beker 'door .eetf 'anderen-Dieriaar'te laten .uitdeelen-, V waardoor dé eenheid var^ het Sacrament niet g^noégzaanï tot uitdrukkingkpmt, . evenmin.. als .de "éénheid van Hêm, die ons - zijn Hchaam, «a'bloed töt een voedsel en drank onzer . zielen geeft. En eveneens is het telkens herhalen derzelfde woorden bij iederen Avondmaalganger, vooral wanneer er zeer velen zijn, te ééntonig, loopt de Dienaar deswege gevaar het. mechanisch te gaan doen, en duurt het Avondmaaldaardoor te lang; bezwaren die Calvijn te Geneve er zelfs toe gebracht iiebben om de sacrameiitéelé formule geheel te laten vervallen, wat zeker niét wenschelijk - is. Ojttze Kerken hebben daarom' wijs-^ gedaan - met de iBanier van Avondmaalsviering • vari a-Lasco te behouden; ze sluit zich nauwer bij de oorspronkelijke iristelling van het Avondmaal aan; ze yerinijdt de ' genpemde bezwaren, doordat , nu bij eiken disch de sacramenteele woorden slechts éénmaal behoeven gesproken te worden en het één Dienaar is, die het broöd, ons breekt én den beker ons reikt; terwijl.hier eindelijk nog bij' komt, dat. .de gedachte aan een broederlijken maaltijd, waaraan we gezamenlijk aanzittélf öiö-Ghristus' dood te verkondigen, op deze wijze ook rijker tot uiting komt.

Maar al is er op dat ééne punt een zeker verschil tusschen de wijze van Avondmaalsviering van Calvijn, en die, - welke in onze Kerken gevolgd wordt, met Zwinglianisme heeft dit niets te maken. Onze Avondmaalsliturgié wijst èn wat haar dogmatischen inhoud en wat het liturgische gedeelte betreft, niet naar Zurich, maar naar Geneve, niet'naar Zwingli maar naar Calvijn als haar oorsprong terug, en bevestigt zoo, wat Groen van Prinsterer van onze.Nederlandsche Kerken zoo terecht schreef: nous sommes issus de Calvin.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 11 januari 1914

De Heraut | 4 Pagina's

Van de breking des Broods.

Bekijk de hele uitgave van zondag 11 januari 1914

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken