Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van de Voleinding.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van de Voleinding.

18 minuten leestijd

CXVII.

VIERDE REEKS.

XVIII.

En de rijke stierf ook, en werd begfraven. En als hij in de hel zijne oogen ophief, zijnde in de pijn, zag hij Abraham van verre, en Lazarus in zijnen schoot. Luk. 16 : 23.

Welke pogingen ook zijn aangewend, om op goede gronden het onderscheid tusschen geest en stof te ontkennen, geslaagd zijn ze niet. Met name wat ons eigen wezen als mensch betreft, spreekt het onderscheid tusschen ziel en lichaam te sterk, om de loochening ervan ingang te doen vinden. Niet alleen toch, dat het besliste onderscheid, ja, de tegenstelling tusschen ziel en lichaam in alle levensverhoudingen telkens weer tot uiting komt, maar wat meer zegt, we meten er zelf de meerdere of mindere voortreffelijkheid van den persoon naar af. Blijkt, dat in iemands leven de begeerte van het vleesch, de macht der zinnen, de behoefte van het lichamelijk aanzijn zoozeer den hoogsten toon voeren, dat het geestelijke in hem er onder lijdt, verkwijnt en allengs ten ondergaat, dan is zulk-een in aller oog een verloren man. En zoo ook, ziet men omgekeerd, dat iemand de genade ontving, om de zondige neiging der zinnen te bedwingen en den geest heiliglijk over het lichaam te doen heerschen, dan geeft dit niet enkel aan den persoon zelf een gevoel van zalige voldoening, maar wekthet ook anderer achting en bewondering voor hem op. De martelaar in wien dit 't sterkst uitkomt, bleef steeds in aller schatting een heilige figuur. Zelfs kan kwalijk ontkend, dat de onderschatting van het lichamelijke en de overschatting van het geestelijke soms afmetingen kan aannemen, die bedenking wekken. Vooral bij de zuilheiligen, bij strenge kloosterorden, en erger nog bij wat het Buddhisme in de Fakirs te aanschouwen gaf, voelde men schuldige overdrijving; maar omgekeerd wekte een onevenredig toegeven aan de zinlijke neigingen verachting en afkeuring. Vooralier hooger besef stond vast, dat de geest geroepen was om over het stoffelijke, de ziel om over het lichaam heerschappij te voeren.

Dit nu kan niet samengaan met de opvatting, alsof het geestelijke feitelijk niet anders zou zijn dan het verfijnd materieele, en alsof de stof niet anders ware dan het vergrofde zinlijke. Het eenvoudigste zedelijk besef gaf hier den doorslag. Afgezien van alle uitglijding in zonde stond het op zedelijk terrein toch vast, dat het geestelijke geroepen was om het zinlijke en stoffelijke in bedwang te houden, en dat er van gelijkwaardigheid geen sprake kon zijn. Ook al gaf men toe, dat ook het zinlijke en stoffelijke zijn eisch kon doen gelden, en in zooverre zekere rechten bezat, toch was het steeds de geest, de ziel in ons, die dit te beoordeelen had; en reeds in dat recht van beoordeeling school èn het onderscheid tusschen geest en stof, èn de meerderheid, de hoogere positie van ons geestelijk wezen. Het zinlijke en zienlijke was geroepen om te dienen, het geestelijke en onzienlijke had de taak ontvangen, om het zienlijke aan zijn bestemming te doen beantwoorden; en dat alzoo en niet anders de wederzijdsche verhouding zijn moest, was uitvloeisel van Goddelijk bestel.

Dit nu moest wel verzet doen opkomen tegen elke voorstelling, alsof met het wegvallen van het zienlijk kleed ook de persoon verdween. De persoon was, voor zoover dit hier waar te nemen viel, wel aan het stoffelijk lichaam gebonden, maar dit mocht nimmer zóó verstaan worden alsof met het wegvallen van het zienlijk kleed, de persoon zelf van den mensch, voor wat zijn bestaan aangaat, van het lichaam afhankelijk ware, afhankelijk in dien volstrekten zin, dat met het wegvallen van het stoffelijk lichaam ook de persoon ophield te bestaan. Men kon hierin niet verder doordringen, omdat alles wat op den dood volgde, zich aan onze waarneming onttrok. Men stond hier voor een onopgelost en op zich zelf onoplosbaar raadsel. Maar ook al konden de pogingen, die men onder alle volken aanwendde, om zich van de verdere existentie van de gestorvenen een voorstelling te vormen, niet tot eenheid van overtuiging geraken, onuitroeibaar bleef toch de overtuiging voortduren en zich handhaven, dat wie wegstierf er toch nog was.

Al spoedig echter ging men hierbij in tweeërlei richting uiteen. Van de ééne zijde toch bleef men zich zijn gestorvenen ook na hun dood voorstellen ais zich nog altoos bevindende in een gedaante, die overeenkwam met de lichamelijke verschijning, waarin ze zich bij hun leven aan ons hadden voorgedaan, terwijl men aan den anderen kant er toe neigde, om, nu die stoffelijke verschijning aan den gestorven persoon ontvallen was, al spoedig tot ontbinding overging, en ten leste zelfs wegrotte en afstiet, zich wat van den persoon overbleef enkel geestelijk te denken. Geheel onlichamelijk stelde men zich dan de ziel als iets louter geestelijks voor, en meende dat juist in het onlichamelijke het zalige van het voortbestaan te zoeken vfare. Het vroegere lichaam kwam daardoor in de voorstelling te staan als een last, waaronder de ziel vroeger gebukt was gegaan. De afglijding van het lichaam op 't sterfbed verwierf daardoor het karakter van een verlossing. Eenmaal van dat lichaam bevrijd, kon nu de ziel zich met engelenvlucht door het heelal bewegen. Als louter geest kon nu de ziel in het geestenheir ingaan en met dat geestenheir op hooger en geheel heiligen voet verkeeren. En daar immers God zelf louter Geest was en alleen in geest en waarheid mocht worden aangebeden, kwam men zoodoende al meer onder den indruk, dat 't voor nu en voor eeuwig van 't lichaam ontdaane n verlost zijn, het natuurlijk middel was, om met de Godheid zeh'e in nauwer en inniger gemeenschap te treden.

Dit dualisme, gelijk men het noemt, vond ook onder ons maar al te gereeden ingang, en al meer gaf men ook in onze kringen voet-aan de voorstelling, alsof met den dood niet alleen het stoffelijke, maar ook het lichamelijke in ons bestaan voor goed had afgedaan, zoodat men, van het oogenblik van het sterven en begraven af, eigenlijk alleen nog maar met het geestelijke in ons en alzoo met de ziel had te rekenen. Men loochende daarom niet, dat ons met het einde der wereld nog een wederkomst van Christus, nog een opstanding en nog een laatste oordeel stond te wachten, maar dit alles verschoof men in zulk een verte, dat het ten slotte geheel zonder uitwerking op de voorstelling bleef. Enkele kleine groepen van geloovigen mochten, bij wijze van reactie, juist er op aandringen om de wederkomst van Jezus en de opstanding die hiermee saam zou hangen, in de voorstelling te vervroegen en te verhaasten, maar op de overgroote meerderheid der belijdende Christenen had dit geen vat meer. o. Zeer zeker, men ontkende in 't minst niet, dat de Voleinding ons ook nog de opstanding uit de dooden brengen moest, maar ook al beleed men dit nog formeel, het leefde niet meer in de persoonlijke voorstelling. Als men de wederkomst van Jezus opzettelijk besprak, als men er de Schriftuurplaaten voor opzocht en las, en zich afvroeg hoe 't einde zou moeten zijn, dan, ja, beleed men wel, dat er nog groote gebeurtenissen ook in het zinlijke en zienlijke zouden moeten plaatsgrijpen, maar in het gewone leven en in de gewone voorstelling dacht men zich zijn lieve dooden schier nooit anders dan enkel als geesten, als in die hoedanigheid van geesten in het Vaderhuis ingegaan, en nu in dit Vaderhuis een volkomen zaligheid genietende, die eeuwiglijk voor geen verhooging vatbaar zou zijn.

Deze vrij algemeen geldende voorstelling nu is in openbaren strijd met wat de Heilige Schrift ons voorhoudt, niet alleen in het Oude, maar evenzoo in het Nieuwe Testament, en moet daarom bestreden. En dit te meer, omdat zulk een voorstelling van wat na den dood voor de geloovigen volgt, feitelijk geheel de opvatting van den mensch als mensch beheerscht. Deze eenzijdig-geestelijke voorstelling komt er toch op neer, dat de mensch, in de zaligheid ingegaan, aan de engelen gelijk is geworden, en als zoodanig niet anders dan een zuiver geestelijk bestaan leidt. Dat de mensch begint met geen engel te zijn, en eerst een zeker aantal jaren een lichamelijke existentie voert, is dan een hem opgelegde last, en eerst als die last hem van de schouders glijdt, en ook hij evenals de engelen zelf een louter geestelijk bestaan heeft erlangd, komt hij op zijn ware hoogte en breekt met dat lagere zienlijke bestaan, waartoe hij in zijn eerste opkomen in 't leven gedoemd was. Aan niets in het zienlijke hecht men dan meer, en ten slotte wordt men onwillekeurig bevangen door de voorstelling, alsof eenmaal al wat God in het zienlijke schiep, ondergaat en verdwijnt, dat zon, maan en sterren zelf hun bestaan verliezen, en er in het einde niets meer overblijven zal, dan God, die een Geest is, en de geesten, die zich als engelen of als geza­ ligde kinderen om Zijn troon. der mensch-n, verdringen

Nu gevoelt men terstunu**hoe deze voorstelling in haar consequentie niet alleen de schepping van de zichtbare wereld als een onverklaarbare feil laat beschouwen, maar ook de Vleeschwording, en al wat hieruit in het Evangelie wordt afgeleid, als van geheel bijkomstigen aard, van haar wezenlijke beteekenis berooft. Loopt heel de Schepping op de schepping van den mensch uit, en wel op zijn schepping in het zichtbare, hoe is daarmee dan overeen te brengen, dat geheel de zichtbare verschijning van den mensch slechts voorbijgaande beteekenis zou bezitten. En zoo ook, is heel ons lichamelijk aanzijn slechts een voorbijgaande vorm van bestaan, die hoe eer hoe beter moet worden afgeworpen, om ons geestelijk te zaligen, hoe zou dan ooit op afdoende wijze de Vleeschwording van het eeuwige Woord gerechtvaardigd kunnen worden ? Metterdaad werpt geheel deze opvatting dan ook de voorstelling, die ons in de Heilige Schrift wordt geboden, onderstboven, ze strijdt er op elk punt meê, en ze is op geenerlei manier met de belijdenis der Christenheid in overeenstemming te brengen. Erkend moet dan ook, dat we eenerzijds bij de Christenheid van oudsher een algemeen aangenomen belijdenis vinden, die de eeuwige beteekenis van de zienlijke dingen op den voorgrond stelt; maar dat we daartegenover een geheel andere voorstelling vinden van den toestand der geloovigen na hun sterven, die met deze belijdenis in onverzoenlijken strijd is. Het zijn twee voorstellingen die naast elkander loopen: de ééne, die de duurzame beteekenis van het zichtbare handhaaft, komt ons uit de Schrift toe, en de andere die al he, - zichtbare in het geestelijke wil doen ondergaan, is uit menschelijke verzinning daartegenover komen staan. Vooral is 't hierbij te betreuren, dat verreweg de meesten de tegenstelling die hierin schuilt, niet gevoelen, en niet minder te betreuren, dat de Evangeliebediening de laatste honderd jaren zich zoo zelden heeft aangegord, om de ware voorstelling, die de Schrift ons brengt, ook in de levende belijdenis des geloofs weer recht te zetten. Iets wat daarom te minder mag uitblijven, omdat reeds in Calvijn's dagen de neiging opkwam om aan deze dolende vergeestelijking den voet vrij te laten. Dit kwam vooral hierin uit, dat men er schier zonder bedenken toe overging, om zelfs in de voorstelling van den Christus al hetgeen van tegenovergestelde strekking was, voor louter beeldspraak te verklaren, zoo b. v. in de zeer opmerkelijke gelijkenis van den rijken man en den armen Lazarus.

Aangenomen mag, dat het beeld door den Christus ontworpen om de verhouding tusschen den rijken wellusteling en den doodarmen Lazarus in de twee stadiën, eerst aan deze en daarna aan gene zijde van het graf, weer te geven, niet uit de volkstraditie genomen, maar in Jezus heilige verzinning ontworpen is. Maar ook zoo blijft het dan toch een beeld, genomen uit de geestelijke werkelijkheid, en niet een verzinning uit het onmogelijke. Jezus hield-dit beeld dan toch aan zijn hoorders voor, opdat ze naar dit beeld de ontzettende werkelijkheid zouden afmeten. Dit nu sluit in zich, dat er voor Jezus geen enkele trek in kon voorkomen, waaraan niet iets wezenlijks beantwoordt. Nu teekent onsjezus het voorval buiten eenigen twijfel als iets dat werkelijk gebeurd kon zijn. Niet een ondenkbaar iets, maar iets dat zich gedurig en in alle land op die wijs denken liet. De verhouding tusschen den bedelaar en den rijken man is niet wat 't ten onzent zijn zou. In onzen kring kan zulk een bedelaar niet tot het feestmaal van den rijke doordringen. De gesloten deur belet dit, en nam de bedelaar de toevlucht tot geweld, dan zou 't dienstpersoneel van den rijkaard, of desnoods de te hulp geroepen politie, dit geweld hardhandig keeren. In het Oosten daarentegen is hetgeen verhaald wordt geheel op zijn plaats. Zoo gaat 't er soms nog toe. Hierbij nu sluit zich Jezus voorstelling aan, dat de bedelaar sterft, en kort na hem ook de rijke man. Daarbij nu had 't verhaal 't kunnen laten, en hetgeen aan de overzijde van 't graf volgde, ons niet in beeld behoeven te geven. Jezus had eenvoudig aan het verhaal nog de slotsom kunnen toevoegen, dat de arme bedelaar in het eeuwige leven gelukzalig en daarentegen de rijke man rampzalig werd. Doch zoo doet Jezus het niet. Uitvoeriger zelfs dan de schilderij van het feestmaal, geeft Jezus nu de teekening van wat er na het sterven met beide personen gebeurd is. De bedelaar wordt door de engelen Gods weggedragen, en zij brengen hem in het centrum van de gezaligden, waar, naar der Joden voorstelling, de oudpatriarch en stamvader van het verkoren volk, de zaliglijk afgestorvenen opwacht en ontvangt.

» Abraham's schoot* was een destijds gangbare uitdrukking voor wat Jezus zelf later het Vaderhuis noemde. Bedoeld is alzoo het middenpunt van de voorloopige verblijfplaats der gezaligden, en terstond na het intreden vanden dood, bevindt zich de gezaligde bedelaar in deze plaats der blijde vreugde, en dit zelfs in zoo sterk uitkomende mate, dat hij geteekend wordt als met Abraham in persoonlijke verbinding. Daarop sterft dan ook de rijke. man. Hij wordt rijk begraven, iets wat vari den bedelaar niet eenmaal vermeld wordt, doch bij het ontwaken in de eeuwigheid, is hij in een plaats der pijniging. Hij lijdt pijn. En nu, om zich ziende, ziet hij van verre het Goddelijkheerlijke tafereel, gelijk zich dit om den gezaligden bedelaar afspeelde. Hij ontwaart op dien verren afstand dienzelfden bedelaar, die hem aan zijn rijken disch gehinderd had, en hij ziet als voor oogen de zalige weelde, die nu aan dezen door hem verachten man ten deel valt. > Hij zag Abraham van verre, en Lazarus in zijn schoot*. Alzoo was hem een gezichtsvermogen eigen, veel sterker dan hier op aarde ons deel is. Wat de telescoop en telefoon ons nu reeds toonen van de mogelijkheid om onze zintuigen op veel grooter afstand te laten werken, brengt Jezus hier in 't voltooide beeld voor ons. Hoever ook van «Abrahams schoot" verwijderd, de rijke man ziet 't alles wat in de plaats der voorloopige gelukzaligheid voorvalt, en zelfs is hij *in staat met Abraham in gespreksgemeenschap te treden. Dat 't zien hier in eigenlijken zin genomen is, blijkt nog te sterker omdat er bij staat: Ï«/J hij zijn oogen ophief i.. Van een denkbeeldig zien is dus geen sprake. Het is juist, dat het woord uzienii tallooze malen gebezigd wordt zonder dat er van het gebruik van een zintuig sprake is, maar dit kan hier niet gelden, waar opzettelijk van de oogen gewag wordt gemaakt.

En nu wordt tusschen den ^ijken man in de plaats der pijniging en Abraham in de plaats der voorloopige gelukzaligheid een gesprek van zekeren omvang gevoerd, waarin zelfs sprake is van de gesteldheid der plaats. Er is, zoo betuigt Abraham, tusschen u en mij een groote klove gevestigd, die het over en weer tot elkander komen onmogelijk maakt. — Nu beweren we niet, dat geesten, b.v. engelen, elkander niet zouden kunnen herkennen en met elkander van gedachten zouden kunnen wisselen zonder uitwendig zintuig; en in zooverre zou het niet uitgesloten zijn, dat de afgestorvenen, in een louter geestelijk bestaan, van elkander kennis namen. Maar ook al geeft men dit toe, het feit blijft dan toch, dat Jezus met niet één woord op zulk een louter geestelijke gemeenschap doelt, maar in alles eén teekening geeft, die aan het zienlijke van de verschijning gebonden is. Dit nu laat zich niet verklaren, zoo . men onderstelt, dat Jezus hier zelf niet alleen niets van geloofd zou hebben, maar zelfs de voorstelling ervan beschouwd zou hebben als lijnrecht in strijd met wat in de toekomst ons wacht. Wat, bij elke uitlegging, hier overblijft, is altoos, dat naar Jezus uitspraak in het door hem geteekende beeld, de zienlijke verschijning van den mensch met zijn heengaan van deze aarde niet afgedaan is. Die zienlijke verschijning heeft ook voor wie wegstierf nog een toekomst. Ze hoort tot het wezen van den mensch.

Op de overige aanwijzingen in de Heilige Schrift, die tot gelijke uitkomst leiden, kunnen we eerst later ingaan; voorshands zij nog alleen maar herinnerd aan de verschijning van Mozes en Elia op Tabor. Ook hier blijkt toch eveneens de optreding van uit het aardsche leven uitgescheiden personen tot geen andere conclusie te kunnen leiden, dan tot de erkenning, dat het zienlijke, dat hier op aarde onze verschijning vormt, ook na den overgang in ijlen sferen, althans in zeker opzicht, nog altoos een onafscheidelijk element van ons persoonlijk aanzijn blijft vormen. Over de wijze waarop zulks na de afsterving uit het lichaam bestaan kan, zal nader te handelen zijn, zoo voorshands maar vaststaat, dat er door het sterven geen volstrekte afscheiding, wel van ons stoffelijk, doch niet van ons werktuigelijk bestaan plaats grijpt, maar dat zekere band, die in ons wezen ziel en lichaam samenbindt, ook na den dood voortduurt. Het lichaam, dat ons gedurende ons aardsche leven draagt, is herleidbaar tot een bijna niets, gelijk het uit een bijna niets is opgekomen. We wezen er reeds op, hoe het allereerste begin van ons menschelijk lichaam reeds in onze ouders bijna aan elk niet al te nauwkeurig onderzoek ontglipt, maar dat men zelfs hierbij niet mag blijven staan, daar het eerste beginsel van 't stoffelijke in ons wezen, uiteraard reeds in onze voorouders school, en ten slotte tot op den eersten stamhouder van heel ons geslacht terugwijst. Onderzocht men nu hetgeen in vader en moeder, en voorouders, het beginsel van ons lichaam in zich droeg, met de allerfijnsteinstrumenten, zoo zou het toch vanzelf volstrekt onmogelijk zijn, in dit beginsel van dit embryo ook maar op eenigszins waarneembare wijze het allereerste beginsel te ontdekken van de zes of zeven wezens, die weer uit den persoon, die uit dit embyro opkomt, zouden geboren worden. Vast staat derhalve, dat 't allereerste beginsel van ons lichamelijk aanzijn oorspronkelijk door drie, vier, ja tien en honderd geslachten heen, opkwam uit wat elke waarneming tartte. Stelt men zich nu voor, dat al wat in en aan ons lichaam uit dit allereerste begin is toegekomen, wegviel, zoo sluit toch niets de mogelijkheid uit, dat eenzelfde kiem als waaruit we eens opkwamen, in ons wezen overbleef, een tijdlang zich niet ontwikkelde, en eerst in de Voleinding weer een volledig en dan nog heerlijker lichaam uit zich deed opgroeien. De ziel verloor dan 't lichaam, maar bleef de lichaamskiem behouden, en hierin school de kern, waaruit eens 't verheerlijkte lichaam zou opkomen.

Hoezeer ook stoffelijk geheel gescheiden, bleven ziel en lichaam dan toch in den grond één, als vormende saam ons menschelijk wezen, maar het lichaam kon in tweeërlei gedaante met de ziel verbonden zijn. Het lichaam kon of stoffelijk verrijkt, volgroeid en ontplooid zijn, oftewel alleen in den vorm van de onontloken zaadkorrel bestaan. Toont ons nu het plantenrijk, hoe er planten zijn, die vol uitgroeien, en die men daarna tot op den bodem glad kan wegsnijden, zonder dat de kiem van de plant sterft, en wier kiem dan in de lente opnieuw uitloopt en in nog breeder vorm volgroeit, — wat zou er dan wonder in zijn, zoo het ook met ons lichamelijk bestaan als met die plant toeging? Dit zou dan zeggen willen, dat eerst uit de aan ons ingeschapen kiem ons lichaam was voortgekomen en volgroeid ; dat dit lichaam daarna verdord was en ten leste van ons werd afgesneden, zoodat onze ziel, van 't lichaam beroofd, enkel nog maar de kiem van het gewezen lichaam overhield; en dat deze kiem, na eerst gedurende een langere of kortere periode in onontplooiden toestand met onze ziel verbonden te zijn gebleven, tenslotte in de opstanding der dooden, onder versneld proces, 't lichaam weer om zich ontluiken zag, nu bekleed met hooger heerlijkheid. Zoo zou zich het sterven verklaren als aflegging van het eerst ontlokene; de daarna intredende tusschentoestand zou het wezensverband tusschen ziel en lichaam handhaven, maar alleen in de kiem, en zonder dat het lichaam zichtbaar werd; en in de voleinding zou, door een machtsdaad van Christus, hetzelfde lichaam weer aan ons opleven, opgewassen uit geheel dezelfde kiem van ons gewezen lichaam, alleen vernieuwd gelijk de dalia, die in den herfst werd afgesneden, maar die zich in de lente verjongt en nieuw opwast uit haar wortel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 januari 1914

De Heraut | 4 Pagina's

Van de Voleinding.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 januari 1914

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken