Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Buitenland.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Buitenland.

4 minuten leestijd

Duitschland. Gebrek aan Veldpredik'ers. Verootmoediging.

Ds. Werner Werthem van Bonn heeft in de Reichsbote er over geklaagd, dat terwijl voor den bewonderenswaardigen opmarsch van het leger alles tot in de kleinste bijzonderheden geregeld was en alles even prachtig van stapel liep, de geestelijke verzQrging der oprukkende troepen veel te wenschen overlaat. Te Bonn trokken een groot aantal Roomsche geestelijken met de troepen mede. Maar een predikant der Evangelisch Luthersche kerk was niet te vinden. Vele Evangelische • soldaten klagen er over, dat zij geen veldprediker te zien krijgen, terwijl hun Roomsche krijgsmakkers daarover geen klagen hebben. Dat op dit gebied niet alles in orde is, blijkt uit een brief van een jong predikant, die, omdat hij den officiersrang niet heeft, als hospitaal-verpleger den veldtocht medemaakt. Deze schreef den 21 sten Augustus uit België: „In het Jezuïetenklooster alhier vond ik enkele Nieuwe Testamenten. Het bleek, dat een Belgische broeder die aan de inwendige zending arbeidt, deze verdeeld had. Ik ging tot hem, en hij verhaalde mij, dat hij aan vier Duitsche soldaten het Avondmaal bediend en twee begraven had. Bovendien had nog een Protestantsch predikant onder de soldaten gewerkt. Des Zondags heb ik voor 500 soldaten in verschillende hospitalen gesproken. De blijdschap, waarmede soldaten en officieren het wijzen op God ontvangen, maakt zelfs den meest inspannenden arbeid licht".

Uit een andere plaats in België, waarheen de hospitaal-afdeeling waartoe de jonge predikant behoorde, gezonden werd, schreef hij: Als hospitaalverpleger heb ik vele moeilijkheden te overwinnen. Maar ik kan toch volgens mijne roeping arbeiden. En dat is de hoofdzaak. Ik hoop, dat daarin geen verandering komt, want de nood op godsdienstig gebied is zeer groot. Men denke zich in:2000 gewonden, waarvan sommigen zwaar gewond zijn, en geen predikant! Als ons hospitaal verderop wordt opgeslagen, is daar voor de vele gewonden weder geen predikant. Het is haast niet te gelooven. Maar het is zoo. Wanneer zal er eindelijk iets gedaan worden ? De Roomsche kerk heeft beter gezorgd."

De Feldprobst Dr. Wölfling heeft zich dit schrijven aangetrokken; hij verklaarde dat, behalve de veldpredikers, voor elke divisie een gelijk aantal buitengewone veldpredikers medegetrokken zijn. Dit is niet geschied nadat een brief aan de Keizerin gezonden was, maar op initiatief van de bevoegde autoriteit. Maar al is het aantal veldpredikers verdubbeld, daarmede is niet bewezen, dat er genoeg veldpredikers zijn om geestelijken bijstand te verleenen aan gewonden en stervenden.

Gelukkig kan men constateeren, dat in Duitschland een geest van verootmoediging bij velen gevonden wordt. Het volk is zich van den ernst van den tijd dien het doorleeft, bewust. Dat bewijzen de vele bidstonden die overal gehouden worden, en die door duizenden worden gevolgd. Er is belijdenis van zonde en schuld. In een Duitsch weekblad werd de volgende belijdenis gevonden: „Wij zijn in de laatste jaren een verdorven volk geworden. Wij zijn ontzenuwd en verwijfd geworden. Wij zijn een volk van geldbejag en geldgewin geworden. Wij hebben ons laten beheerschen door weelde en wellust, om daarin op en onder te gaan. Wij zijn nu bijna aan Sodom en Gomorra gelijk geworden !"

Hoeveel namelooze ellende deze vreeselijkste van alle oorlogen teweeggebracht heeft, toch doet het weldadig aan, zulk een toon te beluisteren. Ach, mochten blijvende vruchten daarvan gezien worden!

Men is er in Duitschland van overtuigd, dat het land geen schuld heeft aan het uitbreken van den oorlog. Maar het wordt ook gevoeld, dat de oorlog een tuchtroede Gods is. En dat Duitschland die tuchtroede verdiend heeft, wordt beleden. Gedurende den langen tijd van vrede zijn ongeloof, Godvergetelheid, materialisme, Mammondienst, genotzucht, weelderigheid, onzedelijkheid, in alle geledingen des volks pp verontrustende manier doorgedrongen. Hebben niet ernstige mannen telkens weer opnieuw moeten zeggen: „Zoo kan het niet voortgaan, de gerichten Gods kunnen niet uitblijven". Het Duitsche volk heeft oorzaak genoeg om zich diep voor God te verootmoedigen en te zeggen: «Wij hebben gezondigd, Heere, vergeef ons". Wanneer het deze taal niet weet te vinden, heeft het bij de vele tegenstanders nog de allerernstigste: God zelf. Is het Duitsche volk daartoe gekomen ? Als ons niet alles bedriegt, dan meenen wij dat de beginselen daarvoor aanwezig zijn. De Heere ontferme zich niet alleen over Duitschland, inaar ook over de andere volken die door de ontzetting van den oorlog aangegrepen zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 oktober 1914

De Heraut | 4 Pagina's

Buitenland.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 oktober 1914

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken