Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De kinderen des Verbonds.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De kinderen des Verbonds.

9 minuten leestijd

XXVIII.

De bedenking, die men wel ingebracht heeft, dat wanneer metterdaad het gebod' Gods bij de oprichting van het Genadeverbond om het teeken van dit verbond ook aan de kinderen des verbonds te geven, evenzeer voor ons als voor Israel geldt, we dan ook gehouden zouden zijn deze ordinanlie Gods stipt en letteriijk uit te voeren, d, w. z, dat de doop dan juist op den achtsten dag en alleen aan mannelijke kinderen zou moeten bediend worden; ja nog sterker, dat de kinderen dan niet alleen den ^ doop, maar evenzeer het avondmaal zouden moeten ontvangen, omdat onder Israel het pascha ook door de kinderen moest gegeten worden, is niet anders dan een uitvlucht om aan de klem van dit beroep op Gods ordinantie te ontkomen en toont alleen dat men niet genoegzaam weet te onderscheiden tusschen hetgeen in deze ordinantie Gods blijvende beteekenis heeft en hetgeen tot het ceremonieel karakter van het Oude Testament behoort.

Natuuriijk zijn we gehouden elk gebod Gods stipt en letterlijk ten uitvoer te brengen en mag geen mensch eigenmachtig daarvan afwijken. Vooral bij de Sacramenten heeft de Gereformeerde Kerk er daarom steeds nadruk op • gelegd, dat men zich stipt aan de instelling van Christus zou houden en daaraan niet af noch toe zou doen. Maar hieruit volgt geenszins, dat men geen onderscheid zou mogen maken tusschen hetgeen in een bepaald gebod Gods vorm en inhoud, tijdelijk en blijvend is. De Bijbel is geen wetboek, maar de openbaring Gods in historischen vorm ons gegeven, en met dit historisch karakter moet altoos rekening worden gehouden; anders vervalt men tot alleriei dwaasheden. Zelfs wat het Nieuwe Testament betreft, is zeker niet elk voorschrift door Christus of de Apostelen gegeven, door ons in letteriijken zin op te volgen. Wanneer Christus zijn discipelen beveelt zonder buidel of male op reis te gaan, d. w. z. zonder geldbeurs of koffer, dan denkt niemand er aan, dat dit nog in dien vorm voor onze predikanten gelden zou. He.t voorschrift van Paulus, dat de vrouw in de kerk alleen gesluierd mag erschijnen, wordt door niemand meer letteriijk opgevolgd, want dit voorschrift hing aam met eigenaardige gewoonten in die agen, die nu niet meergelden. En wanneer e Apostelen schier al hun brieven eindigen vt i\ea last, dat de Christenen elkander '.ic.f 1, 1, zullen met een heiUgen kus, is er wel

geen Christen, die meenen zal, dat dit thans nog in letterlijken zin voor ons geldt. En wanneer aldus reeds in het Nieuwe Testament onderscheid moet gemaakt wórden tusschen vorm en inhoud, tusschen letter en geest, dan geldt dit natuurlijk in. nog veel sterkere mate ten opzichte van het Oude Testament, omdat we hier te doen hebben met de bedeeling der schaduwen en ceremoniën, die voor ons is afgedaan. Volkomen terecht hebben onze Gereformeerde vaderen daarom zelfs in de wet der tien gebodet}, die toch de grondwet is voor heel het zedelijk leven, dit onderscheid aangenomen, waar ze leerden, dat in het vierde gebod onderscheiden moest worden tusschen hetgeen ceremonieel was en alleen voor Israel gold, en hetgeen moreel was en ook ons verbindt. Van menschelijke willekeur is hierbij natuurlijk geen sprake. Zelfs niet van een'toekennen aan de Kerk van de macht om eea gebod Gods te veranderen. Er moet altoos uit Gods Woord zelf worden aangewezen, waar de grond ligt voor zulk een onderscheiding. En het mag ons daarbij nooit te doen zijn om onze meening in plaats van Gods gebod te schuiven of dit gebod te verzwakken, maar juist omgekeerd om den waren zin en bedoeling van dit gebod Gods te leeren verstaan. • , : ' •• -

Past men dezen regel nu toe op hetgeen God de Ileere bevolen heeft onder Israel omtrent het teeken des verbonds, dan is de bovengenoemde bedenking ook niet moeilijk te weerleggen. Want dat de ordinantie Gods aan Abraham gegeven omtrent het teeken des verbonds, tot den dienst der ceremoniën behoorde, leert de Heilige Schrift ons duidelijk genoeg. Reeds bij het teeken zelf blijkt dit, want de besnijdenis is door den doop, evenals het eten van het Pascha door het Avondmaal vervangen. Toevallig is die verandering niet; ze hangt met de verandering in de bedeeling der genade saam. De besnijdenis, die met bloedstorting geschiedt, is vervangen door het onbloedige onderdompelen of besprengen met water, ook al blijft de beteekenis van beide teekenen gelijk en al verklaart de Apostel Paulus daarom, dat de doop een onbloedige besnijdenis is. En evenzoo is het met het paaschlam, dat op bloedige wijze geslacht werd, als symbool van Christus, ons pascha, dat voor ons geslacht is geworden, maar dat nu vervangen door het onbloedige teeken 'van het breken van het brood en hét uitgieten van den wijn, welke beide ons op het verbroken-worden van Christus lichaam en .het vergoten worden van zijn bloed wijzen. En evenzeer als de teekenen veranderd zijn, is er ook verandering in de wijze, waarop die teekenen bediend worden moeten. Vooreerst was onder Israel de besnijdenis niet alleen een Sacrament, maar tegelijk ook een nationaal teeken, wat daarmede samenhing, dat onder de bedeeling der schaduwen Israel als volk tegelijk het volk Gods representeerde. Onder het Nieuwe Testament is dit nationaal verbond te niet gedaan. De Apostelen verklaren telkens, dat Gods volk niet wnSër een uitwendige natie is, maar een geestelijk volk, Gods ware kinderen, die onder alle volkeren en natiën verspreid zijn. Vandaar dat de doop thans alleen bediend mag worden aan de kinderen uit dit volk Gods, d. w. z. uit de geloovigen, geboren, maar nooit als een nationaal teeken mag gebruikt worden. Een volkskerk en volksdoop kent het Nieuwe Testament niet. In de tweede plaats hangt evenzeer met die verandering der bedeeling saam, dat het sacrament van den doop nu ook geschonken wordt aan de vrouwelijke kinderen en niet aan de mannelijke alleen. Nog daargelaten dat het teeken der besnijnis uiteraard alleen bij mannelijke kinderen kon plaatsvinden, hing die beperking van het sacramenteele teeken bij Israel , tot de mannelijke nakomelingen ongetwijfeld ook daarmede saam, dat de positie der vrouw onder Israel een andere was dan nu. De volkomen vrijmaking der vrouw in geestelijk opzicht is eerst door Christus gekomen; onder Israel werd ze geestelijk nog onder den man gerekend en nam ze een inferieure positie in. De belofte Gods gold zeker ook haar, want die belofte was niet: Ik zal de God van uw zonen, maar Ik zal de God van uw s«a^ zijn, en onder dat zaad is ook de vrouw bedoeld. Alleen het teeken en zegel van die belofte werd onder Israël aan de vrouw in den man gegeven. Onder het Nieuwe Testament is dit anders geworden. In Christus is noch man noch vrouw. Vandaar dat de Apostelen niet alleen mannen, maar ook vrouwen hebben gedoopt. En vandaar dat de Kerk volkomen terecht dien doop bedient niet alleen aan de kinderen van het mannelijke, maar evenzeer aan de kinderen van het vrouwelijke geslacht. En evenzoo staat het in de derde plaats met de bepaling Gods, dat de besnijdenis op den achtsten dag moest bediend worden. Dat hiervoor een bepaalde dag wordt aangewezen, hangt wederom saam met het ceremonieele karakter van Israel's eeredienst. De eerste levensweek moest het kind nog blijven in de onreinheid, waarin het geboren was; maar óp den eersten dag der nieuwe levensweek moest het 't teeken van het genadeverbond ontvangen. Maar volkomen terecht heeft de Christelijke Kerk van meet af de bediening van den doop ook bij de kleine kinderen niet aan een bepaalden dag gebonden, wapt de Apostel neemt deze »ceremonieele onreinheid* onzer kinderen weg, door te zeggen, dat ze heilig zijn reeds van hun geboorte af. En waar de genade yan Christus reeds van dfe geboorte af onzen kinderen toekomt, daar behoeft het teeken van die genade niet tot den achtsten dag te worden uitgesteld üooals bij Israel, maar kan het zoo spoedig mogelijk hun geschonken'worden. Aan een bepaalden dag is de bediening van dit - "dcrament voorts niet gebonden, want onder het Nieuwe Testament is er geen «onderscheid der dagen«, en wie zulk een onderscheiding toch zou willen invoeren, zou tot Joodsche superstitie vervallen. Alleen in zooverre ligt '\n dit gebod Gods ook vobr ons een blijvende beteekenis, dat elk noodeloos uitstel van den doop ongeoorloofd is. Al was de besnijdenis een pijnlijke en veel gevaarlijker operatie dan de doop, toch wilde God de Heere niet, dat de ouders onder Israel de besnijdenis naar eigen willekeur zouden uitstellen tot het eerste of tweede levensjaar. Langer dan acht dagen met de besnijdenis te wachten om het kind des verbonds door dit teeken in het verbond Gods op te nemen, mocht een vader onder Israel niet. En op dien grond hebben onze Gereformeerde Kerken steeds geoordeeld, dat ook elk noodeloos uitstel van den doop ongeoorloofd is, want dat God de Heere wil, dat we onze kinderen zoo haast dit geschieden kan, het teeken des verbonds zullen geven.

Maar al stemmen we dus gaarne toe, dat wat dit drietal punten betreft: het nationaal karakter van de besnijdenis, het bedienen van dit teeken alleen aan mannelijke kinderen en het vaststellen van een bepaalden dag, waarop de besnijdenis moest plaats vinden, deze ordinantie Gods aan Abraham een ceremonieel karakter droeg en daarom voor ons in dien vorm niet meer geldt, toch mag daaruit niet worden afgeleid, dat dus heel deze ordinantie Gods tot de ceremoniën van Israel behoorde, die voor ons hebben afgedaan. Juist zou deze conclusie alleen dan wezen, wanneer men uit de Schrift kon aantoonen, dat ook datgene wat het wezen en de kern van deze ordinantie uitmaakte, d. w. z. het bevel om aan de kinderen des verbonds het teeken te geven tot den dienst der ceremoniën 'behoorde en daarom alleen voor Israel gold. En dat kan men niet. Want de belofte Gods in dit verbond geschonken, dat God de Heere de God onzer kinderen is, geldt evenzeer voor onze kinderen als voor de kinderen van Israel, en Gods ordinantie, dat de kinderen het teeken en zeigel van die belofte ontvangen moeten, blijft derhalve evenzeer voor ons van kracht.

Dr. H. II. K.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 9 april 1916

De Heraut | 4 Pagina's

De kinderen des Verbonds.

Bekijk de hele uitgave van zondag 9 april 1916

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken