Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van de Voleinding

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Van de Voleinding

18 minuten leestijd Arcering uitzetten

CCXVII.

ZESDK REEKS,

XL.

"Hij verlost en redt, en Hij doet teekenen en Wonderen in den hemel en op de aarde. Die heeft Daniël uit het geweld der leeuwen verlost. Daniël 6 : 28.

We komen thans tot Daniel, op wiens geschrift we iets uitvoeriger moeten ingaan. Tweeërlei dringt hiertoe. In de eerste plaats tie vèi-strekkende - beteekenis van geheel Daniels optreden en van wat hij ons zelf desaangaande bericht heeft, en ten andere de loochening van de-echtheid van zijn ons achtergelaten geschrift, gelijk dit begon in de laatste jaren der 18e eeuw, klimmend in de negentiende eeuw doorging, en nog steeds ook van ethische zijde wordt doorgezet. Ook toch. onder de. ethisch e god­ K geleerden ging de bestrijding van de echtheid van het boek Daniel mét zulk een hand over hand toenemende kracht door, dat ons noch ten onzent, noch in Duitschland ook maar één theoloog meer bekend is. die historisch aan Schleiermachers school zich aansloot, en toch voor de echtheid van het boek Daniel het pleit noig dorst opnemen. We behoeven slechts Kliefoth, Kranichfeld en Zündel te noemen, om te doen uitkomen, hoe Daniel's geschrift ook onder de streng wetenschappelijke exegeten in Duitsehland nog warme verdedigers vindt, maar even stellig 'staat vast, dat ge deze pleitbezorgers onder de ethischen niet meer vindt. Men moet zich, vooral wat het boek Daniel betreft, den loop van zaken helder voorstellen. In de pas opkomende Kerk des Nieuwen Testaments is het geloof aan de echtheid van het boek Daniel als vanzelf uit de heilige traditie van Israel overgegaan. Alleen van Porphyrius, een heidensch zeloot, die het Christendom in zijn eerste opkomen fel bestreedi wordt ons gemeld, dat hij de loochening van de echtheid van Daniel's geschrift aandorst. Dit feit is ons door den kerkvader Hiëron}mus medegedeeld, die tevens op de onbeduidendheid en nietszeggendheid van Porph}Tius' beweren afdoende critiek gaf. Sinds echter is de echtheid van het boek Daniel alle eeuwen door zoo onder de Oostersche als onder de Westersche Christenen, en evengoed onder 'de Roomsche als onder de Protestantsche theologen, vaste regel geweest; iets ^vat gelijkelijk geldt van de Luthersche en de Gereformeerde exegeten. Eerst in den jammerlijken tijd van geloofsverval die met de opkomst van het Rationalisme inging, heeft het ongeloof, e\'en beslist als tal van andere heiligheden in de Schrift, zoo ook d het boek Daniël aangetast. Het begon bij Michaelis. Dit vond bijval bij diens geestverwanten Berthold en Gesenius, en later vooral in de Wette, en na hen en op hun voetspoor hebben toen Rosenmuller, Hitzig, Knobel, Ewald en Lücke den strijd tegen dit Oud-Testamentisch geschrift voortgezet. En sinds hebben Kamphausen. Gall, Riessler en Marti, naar ze zich inbeeldden, voor goed' aan dit Oud-Testamentisch geschrift den geiiadeslag toegebracht. Een hunner schreef zelfs in 1901 : »De poging, nog tot in den laatsten tijd aangewend, om ter wille van de oude traditie de herkomst van het boek Daniël uit den tijd der ballingschap te handhaven, verdient zelfs geen wederlegging meer".

Nu staat hier van Hengstenberg tot Zündel gelukWglijk een even achtbare reeks van mannen der wetenschap tegenover, die, aan deze critiek alle eere der wederlegging gevend, met beslistheid voor het standpunt der vaderen zijn opgekomen. Men versta dus wel, dat de Kerk van alle eeuwen zich onder het oud en het nieuw Verbond aan de volstrekte geloofwaardigheid van Daniels geschrift heeft vastgeklemd, en dat de tegenspraak der critiek nog geen anderhalve eeuw zich geroerd heeft, opgekomen is in de gelooflooze dagen van het kilste Rationalisme, en, zoo men de ethische school ter zijde afschuift, dusver nog uitsluitend onder de modernen en half afgedoolden bijval vond. Hengstenberg, Havernick, Ebrard, Delitzscn, Hofmann, Auberlen, Keil, Kliefoth, Kranichfeld en Zündel, om alleen deze gevierde namen te noemen, hebben, wel verre van met deze gelooflooze critiek mee af te dolen, veeleer gee.n moeite ontzien, om alle tegenspraak in haar onhoudbaarheid ten toon te stellen, en met kracht en beslistheid voor de volwaardigheid van het boek Datiiei op te komen. Ook onder de Joden houdt het geloof aan het boek Daniël nog steeds aan. Zelfs is in Gallicië van den ood Peisach Thau, te Vöslau-Gairnfahrenj nog pas een geschrift in twaalf hoofdstukken verschenen, ten betooge, dat ook de thans woedende wereldoorlog geheel beantwoordt aan wat door den Profeet Daniël was aangekondigd. Al kan nu aarr dit geschrift van Peisach Thau, daar hij koopman was en geen rabbijn, geen-hooge wetenschappelijke beteekenis worden toegekend, toch verdient het de aandacht, dat ook onder Israel het vasthouden aan Daniel's profetie zulk een beteekenis behield.

Natuurlijk mag en moet van meetaf op dit eeuwenlange gebruik van Danii-l zoo in de oude als in de Christelijke kerk volle nadruk worden gelegd. Het is steeds in ' hooge mate verdacht, indien het geloof aan een indrukwekkende verschijning of gebeurtenis eeuw na eeuw stand houdt, en daarna voor het eerst aangetast en verzwakt wordt in een periode, waarin twijfelzucht en onloof de vastigheid der belijdenis in Christus erk begint los te wrikken. Kon men zeggen, dat Michaelis en zijn medepleiters voor heit overige warm-gejoovige matmen waren geweest, en dat ze slechts op dit ééne punt van Daniël ernstige tegenspraak hadden' doen verluiden, men zou van zelf aan hun protest nog meerdere waarde kunnen toekennen; Maar zoo stond het van meet af niet. Het stond bij het eerste verzet dat opkwam, zoo heel anders. Michaelis en de zijnen waren nog niet wat wij «modernen»: noemen. Er was in hun overtuiging een nog te waarneembare supra-natureele neiging. Maar zóóver was bij deze mannen toch het ongeloof reeds voortgeschreden, dat ze met de groote geloofsmj-steriën reeds gebroken hadden, en op tal van wondere heiligheden met twijfelenden blik neerzagen. Zoo had men' in hen niet te doen met vurige geloofshelden, die slechts op dit ééne punt aan het wankelen waren geraakt, maar moet veeleer erkend, en steeds in het oog gehouden, dat in heel dezen kring van tegensprekers anker na anker was prijsgegeven, en dat hun geloofssterkte, althans bij hun studiën en in hun wetenschappelijke werken, reeds met 40 van de 100 pCt. gedaald was. Steeds is die geloofsverwatering bij deze geknakte belijders toen verder doorgegaan. Schier in elk tiental jaren werd opnieuw een fundamentstuk van onder het geloofsgebouw van deze mannen weggenomen. En nu zijn velen reeds zoover, dat J ze niet aarzelen zelfs de zondeloosheid en onbesmette heiligheid van den Christus prijs te geven.

Heil tegenover dit loslaten van de H. Schrift werd toen door deze mannen steeds meer in het subjectieve gezocht, en het is hieraan, dat ze een tijdlang zelfs zeker succes dankten. 'Vergeet toch niet, at de meer getrouwe belijders bij hun vasthouden aan de Heilige Schrift maar al te vaak verliepen in een te eenzijdig nadruk leggen op het uitwendige van de Openbaring. Hoevele reeksen van predikers hebben niet eeuw na eeuw de Gemeente Gods van hun kansel pogen te stichten met vast beroep op de wondere feiten en gebeurtenis.sen, waarvan de Schrift meldt, zonder dat ze er ook maar van verre in slaagden, tolk te zijn van den geest die achter die Openbaring school en ze had voortgebracht. Hoevelen zijn er niet, die nu nog de Godspraken uit de Schrift lezen, zonder dat de geestelijke bezieling die er in tintelt, tot hun eigen ziel doordringt. Het is, helaès, eenmaal zoo, dat slechts weinigen er in slagen om de beide zijden van het geloofsleven even krachtig tot gelding te brengen. Zij die 't mystiek geestelijke min­ J nen, laten zoo licht de feiten en de stellige uitspraken los, en omgekeerd, diegenen die met klem en kracht aan de feiten en aan die vaste uitspraken vasthouden, verstijven zoo vaak in een geestelijke .ongevoeligheid, 't Rijkst zijn uiteraard zij er aan toe, die met vasten blik op de feiten, van het heilige weten te getuigen, en met vaste klem van het geloof de uitspraken op heilig gebied in zich weten op te nemeh, maar die dan ook tegelijk in de ziel den geestelijken drang, de heilige aandrift gevoelen, die uit die feiten en uit die woorden tot hen komt. Hieruit vooral nu is het te verklaren, dat vrijere geesten de feiten meer naar eigen zin en lust poogden te vervormen, en het geopenbaarde woord meer op den klank af aanpasten aan hun eigen overleggingen, ten einde op die wijs niet anders vast te houden, dan wat voor hen persoonlijk leefde, en hen bezielen kon. Rïen wilde nu eenmaal geen letterkrfecht, men wilde geen naprater wezen. En zoo kwam het er dan ten slotte toe, dat men eenerzijds warme geestelijke kringen kreeg, maar die alle vastigheid opstnol-' ten, en dat daartegenover ten slotte een kring van stoere belijders stond, maar die geestelijk schier doof was. Het was dit proces tusschcn het vaste in zijn vorm' en het gee.telijk plooibare en vrije, waaruit door Schleiermacher ook ten onzent de ethische school opkwam. Vandaar dat het geen zweem van verwondering behoeft te wekken, dat ook ten onzent de etl^ische school reeds in 1875 geneigd bleek, Daniël prijé te geven, baniël was nu eenmaal niet echt, en daarom Daniël moest steeds meer door de Kerk worden losgelaten.

Deze houding van da Rationalisten, de Modernen en de Ethischen zou op zichzelf nog minder geschaad hebben, indien deze alsoortige bestrijders tegen het boek Daniël met spot en felheid waren losgebrand. Felheid hunnerzijds zou vanzelf geleid hebben tot onverzettelijkheid van geloovige zijde. Maar juist dat meed men. Veeleer is geen critische strijd zachtzinniger gevoerd dan juist de critiek op het boek Daniël. Hiervoor nu bestond een sterk sprekende reden, een reden hierin met name gelegen, dat wie de echtheid van het boek Daniël aanrandde, rechtstreeks in botsing kwam met de stellige uitspraken van den Heer. Ook onzerzijds moet daarom op het hier intredend getuigenis van Christus en zijn apostelen met vollen nadruk gewezen worden. We zullen dit zelfs met eenige uitvoerigheid doen, wijl het voor ons en voor een, ieder die vast met zijn geloof in Christus staat, de zaak uitwijst. Eerst echter moet er op gewezen, hoe 't mede uit het beroep, dat de Christus op Daniël deed, verklaard moet worden, dat de bestrijders, van Daniels echtheid zoo zachten toon aanslDt^en. Geen v.-oord van berisping zelfs kreeg men ten laste van de valsche verzinners van Daniels boek te beluisteren. Veeleer werd over die verzinners op de meest eervolle, op een bijna vereerende wijze geoordeeld. Zelfs poogde men den indruk te vestigen, alsof zij, die in den Makkabeeëntijd dit boek hadden opgesteld, het niet anders hadden gedaan dan met een goed en nobel doel.' Deze opstellers en verzinners, hetzij één schrijver of meerderen saam, doorleefden zei ven, zoo zegt men dan, den jammer en de ellende, waarin Antiochus Epiphanes de vromen te Jerusalem gedompeld had, Het was nameloos wat deze heiligen te Jerusalem destijds te verduren hadden-. Het scheen hun uf het einde nabij was. Om zich heen ziende, ontwaarden ze dan ook, hoe hoog het gevaar onder de vromen klom, om ten slotte zelve onder den niet meer uit te houden druk te bezwijken, en van hun geloof af te vallen. Dit waarnemende, heeft toen de samensteller van dit' boek zijn durf doen dienen, om aan deze vervolgde vromen nieuwen geloofsmoed in te boezemen. Zij die dit boek samenstelden, zegt men dan, waren mannen met staatkundig doorzicht, die reeds de voorteekenen bespeurden van den val van Antiochus. Het kwam er dus nog maar op aan, om de vervolgde en gepijnigde vromen voor zeg een drietal jaren stand te doen houden. En om dit te bewerken, stelden ze toen dit^geheele boek van Daniel saam. Daaruit toch moest blijken, dat, zoo men nog maar een drietal jaren volhield, de redding uit Egypte nabij was.

Dit nu vonden de verwerpers van Daniel's echtheid zoo teeder bedacht, dat ze over de phantasie die toen te hulp werd geroepen, als over een goede, onschuldige inkleeding heenzagen, en het veeleer loofden en bewonderden, dat er toen althans nog een enkele Jood te Jerusaleni werd gevonden, die blijkbaar door zulk een verzonnen verhaal als hier werd opgedischt, zijn volk nog poogde te redden. Het was dan wel alles verzinsel en geheel onware voorstelling, maar het was toch zoo lief, zoo echt patriottisch, en zoo geloovig bedoeld, dat er hier althans zeer wel van een heiliging van het middel door het edele doel mocht gesproken worden. Deze beschouwing nu bracht teweeg, dat de verwerpers van Daniels geschrift geen hard woord uit hun pen lieten vloeien, en veeleer den nobelen zin loofden, die de productie van dit verzonnen geschrift had ingegeven. Ploe hard* en wreed de handlangers van, Antiochus Epiphanes te Jerusalem ook te ' werk gingen, er was dan toch een kleine schaar van vromen, die tot den einde toe volhard heeft. De Makkabeeërs hebben het initiatief voor hun heroïsme juist aan Antiochus wreedheid ontleend. En al is 't niet meer tot een herstel van Davids Koningschap gekomen, de uitkomst leidde dan toch tot vlak het tegendeel van wat Syrië's wreede Koning 'bedoeld had. Zijn toeleg was t^fiwci st oin den dienst van Jehovaircens t; n vi.'or aiiïj I te niet te doen, en de uitkomst leidde er toe, dat juist omgekeerd in de tweede helft der tweede eeuw vóór Christus het geloof zich te Jeruzalem vaster inzette, dan het dit zelfs in Davids dagen vermocht.

Dat nu de Rationalisten eerst, en na hen de Modernen, voor-dit spel der phantasie, gelijk dit in Daniels boek voor ons zou liggen, niets dan waardeering hadden, laat zich begrijpen. Wie van de vastigheden der Schrift overstapt in de dichterlijke verzinning, en de phantasie meent te mogen eeren, voelt zich ten slotte 'aan niets meer gebonden, en kan in een spelen thet het heilige, gelijk de pseudo-Danie! zich dan ^ou veroorloofd hebben, moeilijk iets zondigs zien. Maar althans de ethischen hadden zich nooit mogen laten verleiden om hetgeen ons ' in Daniels geschrift geboden wordt, aldus te verklaren. Op hun standpunt hadden deze ethische critici zonder bedenking kunnen toegeven, dat in de zware, harde tijden onder Antiochus Epiphanes een pseudo-Daniel zich had aangediend, om het bang benarde volk te sterken en te bemoedigen. Stel een geestelijk ziener in die dagen had zich veroorloofd onder den naam van Daniel een geschrift uit te geven, dat' bemoedigende taal te hooren gaf en een profetie inhield van een eindelijke verlossing die ten slotte toch op deze verdrukking volgen zou, het zou ons niet hebben toegelachen, en we gelooven niet, dat zelfs zulke schijnbetiteling er mee zou hebben door gekund; maar ware het hierbij gebleven zoo kon men er een poëtische 'uiting in zien van wat ter bemoediging van het arme, bedrukte volk moest strekken. Alleen maar, en dit is het hoofdbezwaar, waarop men hier stuit, wat Daniels geschrift ons biedt, is volstrekt niet enkel een bemoedigende poëtische en profetische toespraak, veeleer is het in hoofdzaak een mededeeling van feiten, en wel een mededeeling van beweerde feiten, die'volstrekt verzonnen en gelogen waren, waarvan niets aldus geschied was, en zulks wel van feiten met inlasschingen van Goddelijke verschijningen en openbaringen, die puur uit 's mans eigen bedenkselen waren bijeengevoegd. En dit nu overschrijdt zeer verre de grens die zelfs voor de stoutste fantasie des geloofs toelaatbaar is. Zoo speelt men met het heilige niet, en zoo mag men er niet meê spelen. Onder artisten veroorlooft men zich alles, maar op heilig terrein als geloovig kind Gods aldus met het heilige, met den Naam Gods, met de engelen en hemelgeesten, en met de bezweringeti Gods om te springen, is voor een kind van God dat 't niet maar heet, doch waarlijk is, volstrekt ondenkbaar. En stel al, er ware toen ter tijd een Jood geweest, die zulk een stoute verzinning en zulk een spelen met het heilige had aangedurfd, dan zou 't ons in elk geval voegen, dit met geen J woord te verontschuldigen, maar zou 't onze plicht en roeping zijn, al zulks onvoorwaardelijk en wel zeer gestrengelijk af te keuren. Dat de heidensche fantasie aldus met de afgoden en hun satellieten speelde, zij daargelaten, maar op Israëlitisch terrein was voor zulk een met het heilige spelen der fantasie geen plaats. Ze dook in Israel nimmer op. De eerbied voor Jehovah verbood het. En nu zich in te beelden, dat zulks toch in Israel niet aljeen geschiedde, maar geoorloofd was, en zelfs prijs en lof verdiende, juist op een oogenblik toen de worsteling om leven of dood op 't hoogst gespannen stond, is me* de belijdenis van een waarachtig geloof volstrekt onvereenigbaar.

Rationalisten en Modernen moeten voor zich zelf weten, of zij metterdaad kans zien, een fantasie, gelijk dan in Daniel voor ons zou liggen, historisch in Israels omgeving en levensovertuiging plaats te geven. Wat ons aangaat, we ontkennen met beslistheid, dat dit kan. Zulk een puur verzinsel, zulk een looze poësie, zulk een geheel zwevende fantasie, als naar de bedoelde voorstelling in Daniels boek voor ons zou liggen, is in het milieu waarin het dan verschenen zou zijn, ten eenenmale overklaarbaar. Die verzinner toch leefde dan niet in het Oosten, niet te Ecbatana of te Susan, maar in Jerusalem zelf, en wel op een oogenblik toen de strijd voor den Jehovah-dienst er op 't uiterste gespannen was. En bij zulk een Jood kon van een fantasie als hier dan voor ons zou liggen, eenvoudig uit letterkundig en historisch oogpunt geen sprake zijn. Een letterkundig product als hier voor ons ligt, zou bij een omgeving als Jerusalem in Antiochus dagen aanbood, gepast noch gevoegd hebben. Vooral voor de Ethischen bestaat zelfs mogelijkheid niet, om in de uitvlucht (Ier Rjiüonalistcn en Modernen meê af te dolen. Voor hen toch zou een verzinner, die uit pure fantasie, alle feiten en gebeurtenissen ons voorspiegelde, gelijk ze in Daniel's zeven eerste hoofdstukken voor. ons liggen, niet een artist maar een man der leugen zijn geweest, die zich niet ontzag, onder inroeping van Gods bestel en onder de aandrift des Geestes, heel een reeks van gebeurtenissen te verhalen, waarvan niets geschied was, en die hij eenvoudig, "wat wij platweg noemen, uit zijn duim had gezogen. Zulke verzinnende verhalen kunnen artistiek zelfs schoon zijn, indien ze blijven op het hun aangewezen terrein van het gewone, menschelijk leven, maar ze zijn in Israël voor een ieder die gelooft, ontoelaatbaar, wanneer ze, gelijk in Daniel's geschrift, als handelingen, daden en wonderen Gods worden voorgesteld, die met Goddelijke overmacht in het menschelijk leven indrongen. Beweert derhalve een ethisch Godgeleerde of ethisch belijder, dat ook hem de grens die het heilige van het onheilige scheidt, nog volle ernst is, dan mag ook hij 't niet voorstellen, alsof zulk een pseudo-Daniël zich aan een onschuldige fantasie zou hebben overgegeven, en zou hij veeleer met ons een spelen met het heilige als in zulk een geval zou hebben plaats gevonden, onvoorwaardelijk moeten afkeuren.

Geldt dit nu reeds voor wie ethisch van professie is, dan geldt het natuurlijk in nog voller zin voor vsrie Gereformeerd belijder zegt te zijn. De mogelijkheid zelfs van een pseudo-Daniël is voor ons uitgesloten. Is wat in het boek Daniël voor ons ligt, niet echt, niet van Daniël zelf herkomstig, en niet in de 6e eeuw voor Christus te boek besteld, maar eerst in de tweede eeuw voor Christus valsch verzonnen, dain mag "hier het doel nimmer geacht worden het ongeoorloofde middel te verschoonen. Bovenal, er zou dan geen sprake var) mogen zijn, om zulk een pseudo-Daniël nog langer in onzen Bijbel te dulden. De opsteller van dit boek zou dan, hoe goed ook zijn bedoeling ware geweest, zich door het schrijven en publiek maken van dit werk veeleeer aan zeer ernstige zonde tegenover zijn God hebben schuldig gemaakt. Dan toch ware het een boek der meest plompe bedriegerij. Doch juist daarom moet dan ook met name op wat de Christus omtrent het boek Daniël betuigde, worden teruggegaan. Ook maar te onderstellen, 'dat ook de Christus door zulk een bedricgelijke fantasie misleid zou zijn, en zou geëerd hebben als een openbaring Gods, wat dan enkel product van een onheilige fantasie ware geweest, zou niet slechts aan de H. Schrift, maar aan de eere en de majesteit van Christus zelven te kort doen. Uit wat de Christus ten deze betuigde, blijkt toch, dat de Christus het boek Daniël gelezen had, de verhalen kende die er in stonden, en die verhalen geloofd heeft. Vrage, zou dit nu ook bij ezus zelfbedrog en misleiding des geloofs zijn geweest ?

Dit artikel werd u aangeboden door: Vrije Universiteit Amsterdam

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 september 1916

De Heraut | 4 Pagina's

Van de Voleinding

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 september 1916

De Heraut | 4 Pagina's