Bekijk het origineel

Van de Voleinding.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Van de Voleinding.

22 minuten leestijd

CCXXVIII.

ZESDE REEKS.

LI.

Dit nu is het schrift, dat er geteekend is: ENÈ, MENÈ, TEKÈL, UPHARSIN. . Daniel 5 : 25.

Nog op, ééne bedenking in zake het beeld dat Nebucadnezar ter eere van zichzelf in het dal van Dura oprichtte, dient kortelijk geantwoord. Toen 't namelijk op de aanbiddirig van dit beeld aankwam, ontstond er wel een hevige strijd tusschen den Koning en Sadrach met zijn vrienden, maar vernam men niets van Daniël. Hoe nu was het denkbaar, zoo vroegen nu de bestrijders van Daniels echtheid, dat bij dit hoog opgevoerde Rijksfeest wel gewag wordt gemaakt van Sadrach, Mesach en Abednego, maar dat met 'geen woord notitie wordt genomen van Daniel. Dwingt Nebucadnezar al zijn hooge en lage ambtsbekleeders om bij ditRegeeringsjubileum tegenwoordig te zijn, moest dan ook Daniel hierbij niet zijn opgetreden; en hoe zou 't nu te verklaren zijn, dat, waar heel dit verhaal heusche historie en geen verzinning is, Daniel hier niets van zich liet hooren, en zelfs zonder een woord van protest zij a drie vrienden in den brandenden oven liet werpen ? Van zelf zou dit ook niet denkbaar' zijn geweest, en uit het verhaal blijkt dan ook duidelijk, dat Daniel bij wat in het dal van Dura plaats greep, niet tegenwoordig was. Dit nu, zegt men, kon niet, en zoo blijkt ook hieruit het verzonnen karakter van heel het verhaal. Deze bedenking ksmt. a!? oo neder op de vraag, of er een gegronde beweegreden bestaan kon, die maakte dat Daniel niet op het groote Rijksfeest verschenen is. Al aanstonds zij hierop geantwoord, dat hier velerlei reden voor kan bestaan hebben, en dat het op zich zelf wel het allereenvoudigst is, te onderstellen, dat Daniel te dien dage krank was, aan zijn leger was gebonden, en dus niet komen kon. Ongetwijfeld geeft heel het boek Daniel den indruk, dat sobere levenswijs den profeet gesterkt heeft, maar dit kan toch nimmer beteekenen, dat hem in zijn lange leven nimmer krankheid overviel. Niets belet daarom aan te nemen, dat Daniel op dit oogenblik genoodzaakt was zich bedlegerig te houden, en dat er voor hem van een gaan naar het groote Rijksfeest geen sprake kon zijn. Zodder zweem van aarzeling mag zelfs aangenomen, dat onder geheel het corps van ambtenaren, dat op was gekomen, en dat, alles saamgenomen, toch zeer zeker over de tienduizend liep, meer dan één ambtenaar zal geweest zijn, die wegens ongesteldheid zich verontschuldigen moest. Acht nu een ieder wie deze overgroote ambtenaarswereld even indenkt, het wegblijven van meerderen wegens krankheid niet slechts mogelijk, maar zoo goed als zeker, waarom zou het dan zoo ondenkbaar zijn, dat ook Daniel door gelijke oorzaak verhinderd was op te komen? Een explicatie zoo eenvoudig en zoo als van zelf sprekend, dat men nauwelijks verstaat, dat degelijke onderzoekers geheel verzuimden met deze mogelijkheid te rekenen.

Doch ook al ligt in wat \j'e mogelijk stelden de eenvoudigste en meest gereede verklaring, er kan toch ook op twee andere mogelijkheden gewezen worden. Er staat toch in Daniel III : 3, dat zich in de vallei van Dura voor de inwijding van het Beeld verzamelden, »de Stadhouders, de overheden, de landvoogden, de wethouders, de schatmeesters, en al de heerschappers der landschappen*. Vat men dit nu letterlijk op, zoo zou dit derhalve beduiden, dat gedurende de dagen van de heenreis naar Dura, van het verblijf in Dura, en van de terugreis naar huis, in heel het machtige rijk geen enkel ambtenaar op zijn post was achtergebleven. Daar nu de reis er heen, en ook de reis terug, voor de bestuurders van de verder afgelegen gewesten allicht soms eènige weken nam, zou dit alzoo, letterlijk opgevat, zeggen willen, dat er gedurende eenige weken aan heel den buitenkant van het uitgestrekte Rijk niet één enkel bestuurspersoon was achtergebleven. Dit nu ware volstrekt ondenkbaar. Zoo iets kan niet, en is nergens ooif'gebeurd. Wat in Daniel III : 3 ons wordt medegedeeld, is alzoo niet anders te verstaan, dan dat wel uit allerlei ambtelijke rangen vertegenwoordigers in de vallei van Dura opkwamen, maar dat er toch evenzoo allerwegen arr.btslieden in het bewind bleven om voor de orde intestaan. Geldt dit voor de ondergeschikten, dan moet het ook gegolden hebben voor de hoogwaardigheidsbeklceders, en zoo laat het zich uiteraard zeer wel denken, dat juist Daniel werd aangewezen, om, gedurende het groote Rijksfeest in de vallei van Dura, voor de handhaving van 's .Konings macht in het Rijksbewind te waken. In zijn niet opkomen zóu dan zelfs een eerbetoon gelegen hebben. Zelfs kan men nog verder gaan, en, aannemen, dat Nebucadnezar opzettelijk en met voorbedachten rade Daniel voor die dagen met het opperbestuur van het Rijk belastte. Tweeërlei kon hem daartoe brengen. In de eerste plaats de hooge hoedanigheden, die hij in Daniel had leeren waardeeren, maar ook ten andere zijn beduchtheid, dat oproeping naar het groote Rijksfeest allicht tot botsing zou geleid hebben, en dat hij het gevaar hiervan liever meed. Nebucadnezar had Daniel leeren kennen als een onverzettelijk belijder van Israels God, metwien op dit punt niet te onder handelen viel. En daar nu Nebucadnezar juist daarin van zijn opvolger verschilde, dathijwel in zijn trotsche hoovaardij doorging, maarten slotte toch ook de ure van berouw en boete kende, belet niets om aan te nemen, dat hij, van Daniels kant ernstige moeilijkheid duchtende, de kans daarop liever meed, en daarom, ten einde geen conflict uit te lokken, Daniel liefst niet op riep, en hem inmiddels met de waarneming van het Rijksbewind belastte. In elk geval ziet men, hoe nietszeggend 't is, wat men uit Daniels niet-verschijnen op het Rijksfeest heeft afgeleid. .Alleen mag en moet gezegd, dat een verzinner, die dit alles aan zijn fantasie zou hebben ontleend, zeer stellig Daniel niet zou hebben vrijgelaten. Iets waaruit volgt, dat Daniels niet verschijnen op 't feest, juist in.niet geringe rnate voor de onhoudbaarheid der verzinning-theorie pleit.

- Gaan we nu over tot het vijfde hoofdstuk, dan trekt het de aandacht, dat hier op eens Nebucadnezar uitgevallen is, en dat er een andere Koning die den naam van Belsazar draagt, hem is opgevolgd. Er ligt alzoo tusschen wat het tweede hoofdstuk bericht, en hetgeen hier verhaald wordt, een lange reeks van jaren. Het droomgezicht van het vier-metalen beeld kreeg Nebucadnezar in het tweede jaar van zijn bewind. Hij regeerde 43 a 45 jaar. Toen nu het Menè, menè, te kei upharsin op den wand van het paleis geteekend werd, was geheel dit bewind van Nebucadnezar reeds afgeloopen. Belsazar was hem opgevolgd. Er kan alzoo tusschen J het verhaal van Daniel II en hetgeen nu, komt in kapittel 5 een kleine halve eeuw hebben ingelegen. Nebucadnezars regeering wordt gesteld van 605 tot 562, en de Vorst die , na hem optrad en hem verving, regeerde van 562—5^0 v. Chr. Hieruit volgt, dat we in het tweede kapittel in Daniel te doen hebben met een jongen man in de kracht van zijn leven, en dat hij in dit vijfde kapittel daarentegen reeds oud en welbedaagd begon te worden. Wel overleefde hij ook dezen Koning, en gelijk uit 't zesde kapittel blijkt, trad hij zelfs nog onder Darius, den Medischen vorst, op, en straks nog onder het Perzische Bewind, maar toch is wel in het oog te houden, dat de Daniel va.n kapittel twee en van kapittel vijf in "leeftijd zeer uiteenliepen. Veel is' nu getwist over de vraag, wie'te verstaan is onder dezen Belsazar, die in dit vijfde kapittel als de Koning voorkomt. Hij is nog Koning van Babyion. Babel was dus nog niet gevallen, maar over den persoon van dezen Vorst liepen van vroeg af de meeningen uiteen. Onze Staten-kantteekenaren meenden ook, dat hij niet de zoon, maar de kleinzoon van Nebucadnezar was, en wel op grond hiervan, dat men in-die dagen steeds wel meer ook den kleinzoon aanstonds met grootvader als zoon in verband bracht.

Nu is er in het voorafgaande reeds op gewezen, dat men in het Oosten, en vooral in die dagen, niet te veel hechten moest aan den naam waarmee iemand vermeld wordt, omdat het zoo telkens voorkwam, dat iemands geboortenaam van lieverlee wegviel, en dat de persoon optrad onder een geheel anderen naam, die hem met het oog op zijn qualiteiten en levensbijzonderheden gegeven werdv„JIier nu leidde dit er toe, dat Daniel niet zelden den naam van Beltsasar kreeg, en dat zoo ook de.ze vorst veelal Belsasar "genaamd werd. Wel deed zich nu hierbij het kleine verschil voor, dat in den "naam dien Daniel ontving, een / voorkwam, die in den naam van den koning ontbrak, doch ook aan dit kleine verschil moet niet te veel gehecht worden. De bedoeling was één. Alleen blijft zich dan nog de vraag voordoen, of deze koning Belsasar die 't gezicht van het Mene, tekel, i upharsin kreeg, zelf Evil-Merodach was, dan wel diens opvolger. Vroeger neigde men er sterk toe, om ÉvilWerodach voor Nebucadnezars zoon, en Belsasar vooi-een zoon van Evil-Merodach t-s houden. Sinds men echter meer op de , .nogte kwam van de gedurige naamswisseling, en met de berichten van Berosius en anderen uit de Babelsche wijzen meer rekening kon houden, won steeds meer de overtuiging veld, dat Evil-Merodach en Belsasar geheel dezelfde persoon zijn, en dat de naam Belsasar niets dan een qualiteitsnaam was die hem later werd toegevoegd. Sterk pleit biervoor hetgeen in vers 10 v.v. door de Koningin wordt gezegd. Die Koningin toch was de koninginmoeder, d.i. de gewezen vrouw van Nebucadnezar, en deze nu zegt letterlijk tot Belsasar: Daniel was »in de dagen uws vaders« een man bij wien hooger licht en wijsheid werd gevonden". En hierop ingaande sprak Koning Belsasar zelf tot Daniel, toen hij in het paleis verscheen: »Zijt gij die Daniel, een uit de gevankelijk weggevoerden uit Juda, die de Koning, mijn vader, uit Juda gebracht heeft*. 'Daar dit stellige zeggen, dat Nebucadnezar zijn vader was, bovendien bevestigd wordt door wat in de Babylonische oudheden werd gevonden, wordt thans, en naar ons dunkt, geheel terecht, meest aangenomen, dat deze Belsasar niemand anders dan Evil-Merodach geweest is, zoodat hij de rechtstreeksche opvolger van Nebucadnezar was, en den naam Bel sasar slechts als bijnaam kreeg. Alle moeilijkheid van tijdrekenkundigen aard vervalt dan, en het. ééne sluit zich als vanzelf aan het andere aan. In elk geval echter moet met het aanmerkelijk tijdsverloop gerekend, dat tusschen Daniel II en Daniel V inligt, en dit te meer omdat in het zevende kapittel op dezen Belsasar, als Koningvan Babel, wordt teruggekomen. .

Wat ons nu in het vijfde kapittel van dezen zoon van Nebucadnezar verhaald wordt, is een zeer aangrijpende gebeurtenis, waarbij allereerst te letten is op het merkelijk verschil in karakter tusschen dezen Belsasar en zijn vader. Gelijk in het voorafgaande telkens uitkwam, was Nebucadnezar een Koning, die nog altoos ten deele een drager van de Gemeene Gratie was. . In Nebucadnezar sprak ten slotte nog altoos zekere eerbied voor den God van Israel; Hij zag in Jehovah wel niet den God, die als de eenige God, alle afgoden van zich stoot en terneerwerpt, maar telkens kwam hij weer tot de erkentenis, dat, al stond Jehovah, als de nationale God van Israel, vanzelf naast de nationale goden van Babel en naast die van de aan Babel onderworpen landen, Israels God onder deze vele goden toch één der eersten, zoo niet de eerste was, en dat het daarom schier zaak ook voor hem kon zijn, meê op dien Jehovah van Israel te rekenen. Zijn trots en hoovaardij prikkelt hem wel gedurig om-in zichzelf een hoogheid te zoeken, en voor zijn eigen naam een eere te begeeren, die alles te boven gaat, maar er volgen bij Nebucadnezar toch telkens nog oogenblikken van berouw, en dan belijdt hij veelal zijn trots, en zoekt heil in verootmoediging. Vooral na zijn verlagen tot den dierlijken staat was het hem zelfs behoefte, dezen zijn eerbied voor den God van Israel, in een officieel manifest, ter kennis van alle aan hem onderworpen volken te brengen. Men kan daarom zeggen, dat in Nebucadnezar de wereldmacht tracht zich tegenover het rijk Gods te verheffen, maar dan toch allengs zoo, dat hij gedurig weer aarzelt, en dat er een vreeze in hem opkomt, of hij den God van Israel niet te zeer voorbij is gegaan. Bij Nebucaditezar vindt ge gedurig oogenblikken, en in die betere oogenblikken uitspraken, dat ge hem bijna lief krijgt, en, na zijn val in zonde, soms een voorbeeld aan hem zoudt willen nemen, zoo volmondig als hij zijn berouw doet uitkomen, en zelf zijn volk tot het brengen van eere ook aan den God vian Israel oproept.

Juist dit echter is nu bij zijn zoon Evil-Merodach zoo gehed anders. Ge merkt van dezen Belsasar op alle manier, hoe bij hem het laatste vleugje van eerbied voor den Almachtige geheel ophield te werken, en hoe bij dezen zoon van den grooten Vorst alle hooger besef week voor zinlijken lust-en overmoed. Bij Nebucadnezar begint de splijting en splitsing die de antithese tusschen het wereldrijk en het Godsrijk toen reeds deed uitkomen, maar dan steeds nog met zekere neiging om zich weer aaneen te sluiten ; doch hier bij Belsasar of Evil-Merodach is alle neiging tot weder aaneensluiting geheel weggevallen, en vindt ge niets dan een spottenden trots van de hoovaardij .der wereldmacht, die den God ivan Israel tot zelfs in het heilig tempelsieraad op het brutaalste hoont. Zeker, Nebucadnezar had den tempel op Sion verwoest en het heilig tempelgerei naar Babel weggesleept, maar dan toch altoos zoo, dat hij 't als heilig gerei in den tempel van zijn eigen afgod wegborg, en alzoo nog altoos toonde het heilige tot, in • dit tempelgerei te willen eerbiedigen. Maar heel anders ziet ge het nu bij zijn zoon, Evil-Merodach of Belsasar. Bij hem is alle eerbied voor het heilig karakter van wat uit Sion kwam, spoorloos verdwenen. Belsasar richt een groot paleisfestijn aan. Hij noodt een schare van grooten die tegen de duizend loopt. En op dit groote festijn komt hij zelf aanzitten met zijn vele vrouwen en bijwijven. De wijn bevochtigde ook dezen disch. En toen nu de sterke wijn reeds invloed, op Belsasar kreeg, had hij op eens een inval, en gaf last om uit een der tempels van Babel uit te halen en naar het festijn te brengen al wat zijn vader, Nebucadnezar, uit Sion naar Babel vervoerd had. Het moest nu met dien quasi-eerbied voor wat uit Sion's tempel gekomen was, eens en voor goed uit zijn. Geen eerbied voor dien God van Israel kwam meer te pas. Israël was overwonnen. Het was de wereldmacht van Babel, die van nu af alleen heerschen en gelden moest hebben. En om dit nu klaar en voor aller oog te doen uitkomen, gaf hij last, dat het heilig tempelsieraad van .Sion naar dit wilde, weelderige en woeste festijn zou gehaald worden, en dac zijn gasten en zijn vrouwen en bijwijven uit dat Sionsgerei drinken zouden, om wel te doen verstaan, dat menSions God tartte, om te zien of Hij deze verguizing van zijn' eere door de wereldmacht weerstaan en wreken zou.

Wat Evil-Merodach of Belsasar ondernam, was alzoo een rechtstreeksch en opzettelijk aanranden van het Heilige, en zulks niet om eigen eere te dienen, maar om zijn verachti^ig en minachting voor het Heilige van Sion scherp te doen uitkomen, en te midden van zijn brooddronken festijn duidelijk en klaar voor de ambtsdragers uit heel zijn Rijk te doen uitkomen, dat men voor Sion's God ifiet dan spot en verachting moest overhebben. Wat aan Sion nog hing, moest opzettelijk aan alle hoon en minachting prijsgegeven. En in dien zin, en met die bedoeling, zat Belsasar dan aan den disch met zijn dienaren, vrouwen en bijwijven aan. De God van Israel zou gehoond worden, en die hoon moest zich uitspreken in het brutaalweg ontheiligen van wat eens in Sion heilig was geweest. De snerpende tegenstelling lag dan nu hierin, dat deze zoon van Nebucadnezar 't et opzettelijk op toelegde, om het laatste overblijfsel van eerbied voor Sion te niet te doen, en het aan al^ijn geweldigen, die om hem heen zaten, te toonen, hoe hij om .dien God van Sion niets hoegenaamd meer gaf, ja, er prijs op stelde duidelijk te doen uitkomen, dat de wereldmacht over Sion triomfeerde en hoe in dezen triomf eeniglijk gedoeld was op de terugzetting van al wat ook maar den schijn had, als koesterde men voor den God-van Israel nog vreeze.

Hiermede nu hangt het rechtstreeks samen, dat tegenover deze majesteitsschennis het ingrijpen van Gods macht zoo overweldigend is. En zulks wel in tweeërlei opzicht. Ten eerste in het wonderteeken van het Menè, Tekel, Upharsin, en ten andere in Babylons verovering, die schier onmiddellijk volgde. Zelfs moet hier in de derde plaats aan toegevoegd, hoe de verovering van Babyion, die schier onmiddellijk na het demonisch festijn intrad, mee tengevolge had de opbreking, de aantasting en. den ondergang van heel het Babylonische rijk. Al zijn er toch straks, na Belsasar's plotselingen dood, nog Vorsten uit anderen kring vooreen korte wijleopgetreden, het einde van het Babylonische bewind trad toch schier onmiddellijk daarna in, en de Vorsten der Meden en Perzen hebben kort daarop voor goed aan Babels glans een einde gemaakt. Plotseling sloeg schrik in de brooddronken schare, die met den Koning aanzat, want 't teeken van de hand. die schreef, was geheel onverwacht, en s\ heerschte er zulk een verblinding, dat schier niemand duidelijk kon uitmaken, " wat die hand schreef, hét wondere schrift en de wondere hand op den marmeren wand van de prachtige feestzaal zag men toch overtuigend voor oogen. En de vraag vanwaar die hand was, en wat die hand schreef^ en wat dit schrift op den wand beduidde, stuitte toen voor een oogenblik alle feestgejoel, en geheel de feestvierende schare verstomde. Ja, meer zelfs nog dan zijn Rijksgrooten werd de Koning zelf door dit onverwachte spelen van die wondere hand op den muur v& n zijn paleis aangegrepen. Zoo toch zegt vers 6: »Toen veranderde zich de glans des Konings, en zijn gedaante verschrikte ben, en de banden zijner lendenen-werden ontbonden en zijn knieën stieten tegen elkander aan«. Opgewonden door den wijn als hij was, \*oelde hij, meer nog dan zijn grootfen, wat macht hem hier aangreep. Hij had Sións God durven tarten, bespotten en openlijk hoonen, en nu op eens dat wondere gezicht! Dit Was de wraak der goddelijke Almogendheid die over hem kwam, en zoo ontwrichtte hem de schrik tot diep in zijn ziel. Vandaar zijn opgewonden opstaan, en het met luider stem geven van 't bevel, dat in allerijl de wijzen en sterrekijkers zouden binnen komen, om hem dat wonderteeken te duiden en te verklaren. Purper en eere zou het loon zijn voor wie de verklaring het eerst gaf, en het klaarst de zaak zou uitleggen. Belsasa/ dacht dan ook niet anders, of de Chaldeeuwsche wijzen zouden op staanden voet hem heel het teeken duidelijk maken, en in zijn opgewondenheid zag hij hen starend aan, om de oplossing van het raadsel van hen te vernemen.

Doch nu overviel hem nog banger schrik. De één voor de andere na betuigden toch die wijze Chaldeeuwen hem, dat ze er stom voor staan, en dat ze aan den eisch van den Koning niet konden voldoen. Immers ze konden niet verstaan, waar ze zelfs niet tot lezen van wat er stond in staat waren. Er was toch een verblinding ingetreden, zooals dit ook op'den weg van Damascus bij wie Saulus verzelden voorviel. Ze zagen wel zeker gekras en zeker figuur, maar ze konden noch de afbeelding noch den zin er van vatten, en betuigden den Vorst hun onvermogen. Dit had natuurlijk tengevolge, dat Belsasar geheel alle zelfbeheer, sching verloor en doodsbleek werd, of, zooals er staat, op eens zijn glans verloor. Schrik en wanhoop maakten zich zoodoende van heel het gezelschap meester. Het gerucht hiervan drong in heel het paleis door. Zoo kon het niet anders, of ook de Koningin-weduwe hoorde er van, en deze stond toen 9p, ging in de feestzaal binnen en. zei het den Koning aan, dat er toch altoos één man was, die allicht het raadsel wel zou kunnen oplossen, en die man was Daniel, want vele jaren geleden had die Daniel haar overleden echtgenoot, Nebucadnezar, bij soortgelijke verschijning de uitlegging van het visioen gegeven. In allerijl moest toen die Daniel binnen worden geroepen. Die zou de uitlegging wel geven. Zoo kwam Daniel binnen, en nu legt de Koning aanstonds aan Daniel het ^geding voor, en belooft hem, zoo hij de oplossing geeft, , het purper, den gouden keten, en de hoogste waardigheid aan het Hof. Terstond daarop pu werd Daniel 2> in den geest«. Het licht over het gebeurde ging voor hem op. En zonder toeven of aarzelen zegt hij 't nu aan Belsasar aan, dat hier nu doorgaat bij hem, wat bij Nebucadnezar, zijn vader, begonnen was, doch dat nu ook het onderscheid tusschen zijn vader en hem in de feiten sprak. Nebucadnezar had ook God gehoond, maar toen die God hem aangreep, zich gebogen en verootmoedigd, maar gij, o Belsasar, hebt u niet gebogen, gij, o. Koning, hebt uw hart niet vernederd, alhoewel gij dit alles van uw vader geweten hebt, maar gij hebt u verheven tegen den Heere des hemels en gij hebt het heilige van Sion in uw feestzaal gebracht, en door nu 'deze vaten als pokalen te gebruiken, hebt gij eere aan uw afgoden willen betuigen, maar den God van Sion, den God van hemel en aarde, hebt gij niet verheelijkt. Daarom greep nu die God u aan. Zie op die hand die aan den wand van uw feestzaal is, en laat mij u lezen wat daar staat. Het is in de taal van Sion dat 't schrift u toespreekt, want dit staat er : Mené, Mené Tekel Upharsin.

De vertaling van deze drie woorden is aan geen twijfel onderhevig. Meiié beduidt geteld. Tekel wil zeggen: gewogen, en Upharsin beteekent: En gedeeld. Toch is de verklaring, die Daniel onder hoogere inspiratie van dit drieledig schrift geeft, nog rijker, dan men, alleen op de drie woorden afgaande, meenén zou. J/^w^gaat tweemaal voorop. Er staat met & nksi. Mené, maar Mené, Mené, wat beduiden moest, dat dit woord hier in dubbelen zin gebezigd werd. Iets wat dan evenzoo ook van 't lekcl en van \ Peres geldt, doch alleen in het eerste van de drie woorden vermeld wordt. Die dubbele beteekenis van het y)/««^ wordt nu zóó door Daniel uitgelegd, dat het in de eerste plaats beteekent: Gij zijt geteld, d.w.z. uw levensjaren of de duur van uw regeering is door God vooruit bepaald. Maar ten andere duidt nu het tweede Mené^ aan, dat die duur van zijn leven of van zijn bewind nu voleind is, en dat zoo straks zijn dood volgen zal. Bij ons zou die manier van spreken vreemd zijn, maar in de Oostersche kringen, waarin men de mystiek mint, komt zulk spel met 't woord

gedurig voor. En dan moet er wel op gelet, dat het schrift aan den wand niet alleen zegt, dat Belsasar's jaren geteld zijn, die door Gods beschikking vaststaan, maar ook ten andere, dat de telling van die jaren nu ten einde loopt, tvijl se voleind zijn. En zoo nu is het oojc met de twee volgende woorden. lekH is een woord dat in het Hebreeuwsch zich van tweeërlei wortel laat afleiden, zonder dat er verschil in de schrijfwijs is. Ge kunt dat TekH nemen als afvloeiend van 'lakal, dat wegen beteekent, maar ge kunt het ook nemen als afgeleid van Kalal, en dat beduidt niet wegen, 'maar licht zijn. Met het oog op die speling in de schrijfwijze van het woord zegt nu Daniel, dat de beteekenis er van voor Belsasar is, dat hij vooreerst nu gewogen is door het Goddelijk onderzoek in zijn conscientie, maar ook ten andere, dat nu zijn gewicht te kort schoot. *Gij zijt, zooals vers 27 het uitspreekt, in weegschalen gewogen, maar te licht bevonden*. Eigenlijk zou dus ook hier moeten gestaan hebben: Tekèl, , TeMl hetzelfde woord tweemalen, doch naar Oostersch taalrecht behoefde dit niét. Dit dubbele toch was reeds in het Mené, Menv aangeduid. Hier was daarentegen geen herhaling noodig. Die tweeërlei zin lag er vanzelf in. 'En niet anders is het met het derde woord Pharsin. Dit Pharsin komt van een stam Peres, en beteekent: gedeeld, d.w.z. uw Babylonisch rijk neemt een einde, en in de tweede plaats, dit einde zal aan het Babylonische rijk worden toegebracht door de Perzen, aan wier naam van zelf het woord Peres herinnerde.

Zoo had God zelf dit oordeel over Belsasar en zijn Rijk op den wand van zijn Paleis geschreven, en zoo had diezelfde God ook zijn woord door Daniel doen uitleggen. Tegenover den tei-genden hoon, waarmee Belsaar het had aangedurfd, om .den God van Israel voor zijn Rijksgrooten ^'iot een bespotting te maken, zonder iets van het fijne gevoel, waarmee Nebucadnezar nog altoos het heilige van Israel ontzag en geëerd had, en wel zoo, dat zelfs alle berouw bij dezen overmoedigen aanrander van óods eere was uügesloten, moest er een niets sparend, moest er een onmiddellijk oordeel volgen, en het was deze tegenüzet, als we ons zoo mogen uitdrukken, die *in dit schrift op den muur was aange-_ kondigd, en die vlak daarop aan Evil-Merodach persoonlijk, en niet lang daarna door Darius den Meder en C\TUS den Pers aan heel het Babylonische rijk vervuld is. Zoo gevoelt men hier reeds, hoe we te doen hebben met een gestadig voortgaand proces. Wat den toestand beheerscht, is de volstrekte antithese tusschen de onheilige wereldmacht, gelijk het Paganisme, d. z. & heidensche grootmachten die een wereldrijk wilden opbouwen, en die geheel andere heilige wereldmacht, gelijk die door God alleen gebouwd werd en nog wordt, in Abraham's roeping, in Christus geboorte te Bethlehem, en straks in de wederkomst van Christus op de wolken. Dit proces nu schrijdt en zwenkt tot al scherper antithese voort. Eerst is het in Nebucadnezar een nog voor berouw en inkeer vatbare Godloochenaar. Bij Nebucadnezar kan de Openbaring zich nog keer op 'keer aansluiten aan wat ten slotte in zijn conscientie om 'redding roept. Maar in Belsasar zijn zoon i5 de antithese reeds tot kwetsenden spot en groven ho"Dn ontaard. Vandaar over Belsasar of Evil-Merodach, al naar ge hem noemen wilt, een niets meer sparend oordeel, aanstonds uitloopend op zijn vermoojding en op den ondergang van zijn Rijk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 december 1916

De Heraut | 4 Pagina's

Van de Voleinding.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 december 1916

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken