Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van de voleinding.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Van de voleinding.

19 minuten leestijd

CCLVII.

ACHTSTE REEKS.

II.

Schrijf hetgene gij gezien hebt, en hetgene is, en hetgene geschieden zal na dezen.

Openbaringen 1 : 19.

Staat alzoo vast, dat ook de Apocalypse van Johannes een profetie inhoudt, en wel een profetie omtrent hetgeen te kome'n staat als de Voleinding nadert, dan ligt het toch in den aard der zaak, dat zich dit anders hooren liet in de dagen die Johannes op Pathmos doorbracht, dan nu nadat sinds bijna 20 eeuwen verliepen. Toen Johannes op Pathmos deze profetie ontving, en in de drie, vier eeuwen dat de vervolging der Christenen door de heidensche Staatsmacht aanhield, heerschte er onder de Christenen, als we ons zoo mogen uitdrukken, een hunkeren naar het einde, een zielsinnig verlangen naar het komen 'van de Parousie. Dit nu bracht te weeg, dab men aanvankelijk geen onderscheid, geen verschil zag tusschen de historie van Staat en Kerk, en het komen der Parousie. Het scheen alles nabij. Aan een breede, lange tusschenperiode van een historie van eeuwen dacht men niet. In Openb. 1 : 3 staat het dan ook zoo duidelijk: Zalig is hij, die leest de woorden dezer profetie, want de tijd is nabij«.. Het Stond in die eerste eeuwen, en vooral toen Johannes op Pathmos zijn ballingschap doorworstelde, alsof de Parousie zóó zóó zou ingaan. Hoe verder intussclien de loop der eeuwen voortging, verkreeg 't alles een andere gedaante. Er schoven zich, om 't zoo uit te drukken, steeds meer eeuwen tusschen den tijd waarin men leefde, en de komende Parousie in. Dit was van weinig invloed op de beschouwing zoolang de harde vervolging aanhield. In die periode toch kende men slechts één verlangen, het verlangen naar het einde. Doch toen de vervolging ophield, en niet alleen ophield, ' maar met Constantijn als omsloeg in steeds veldwinnende heerschappij der Kerk, bekoelde het verlangen naar het einde en kwam veeleer zekere begeerte op, om het einde te verschuiven, en voorshands de macht der Christenheid over het volksleven al verder uit te breiden, beide extensief en intensief. Iets waarbij men bovenal gedragen werd door de verklaring van den Chris.tus, dat het einde niet zou komen, tenzij vooraf het Evangelie onder alle volken der geheele wereld zou gepredikt zijn. Waar alzoo in de eejjste drie, vier eeuwen het verlangen naar het einde de Christenen bezielde, sloeg dit met Constantijn geheel om, en kwam veeleer de overtuiging op, dat nog van verre aan geen einde te denken viel, en dat, eer het einde naderde, veeleer nog een periode van eeuwen zou moeten vooraf gaan. Een tijd lang bepaalde zich dit toen tot de 6000 jaren van de Schepping af

, zouden vervuld zijn. Maar deze gedachte sloeg toch slechts bij een deel der Christenheid in, en als geheel genomen leefde men van eeuw tot eeuw voort, alsof er van het komen van het einde nog in lange eeuwen geen sprake zou zijn.

Dit heeft toen in de overdenking de scheiding teweeggebracht tusschen de lange historie van de véle eeuwen, die nog normaal verloopen zouden, eer het - aan de Parousie toekwam, en tusschen die korte tijden vol wonderheden, die pas begiijjien zouden als het einde aanbrak en de Parousie te komen stond. Zoo kwam van zelf het scherpgeteekende onderscheid op tusschen drie perioden. De eerste van die

drie liep tot 325, en omvatte de vervolgingen, die de Christenheid eerst van de Joden en daarna van den Heidenschen Staat te verduren had. De tweede van die , drie perioden zou loopen van Constantijn

tot aan het ingaan van de Voleinding, nu reeds zestien eeuwen lang. En dan eerst zou de laatste of derde periode aanvangen, die zich uitsluitend bepalen zou tot de buitengewone gebeurtenissen die de Parousie zouden doen ingaan en de Voleinding zouden volmaken. Nu loopt de profetie van Johannes in hoofdzaak over die korte, over die laatste periode. Wonderbaar ineengtegevoegd, geeft ze ons tegelijk het beeld van de eerste periode der harde vervolgingen, maar in hoofdzaak heeft wat in de reeks van de zeven Zegelen, de zeven Bazuinen, en de zeven Fiolen, geprofeteerd wordt, geen betrekking op de historie der zestien eeuwen, maar slaat het eeniglijk op de naderende Parousie. Tusschen datgene wat de harde vervolgingen van de drie, vier eerste eeuwen kenteekent, en het ingaan van het einde, ligt een lange reeks eeuwen van in elkaar gewrongen historie, maar met die eeuwen rekent de Apocalyps van Johannes niet. Wat zij als nieuwe openbaring ons brengt, heeft uitsluitend betrekking op het einde, en handelt eeniglijk van hetgeen te gebeuren staat, als de historie van het normale leven zich afsluit, en de Parousie van den Christus ingaat.

De eigenlijke Apocalypse van Johannes begint niet bij hoofdstuk 1 : 1, maar eerst bij hoofdstuk IV, en nader bij hoofdstuk VI. Het is in hoofdstuk VI : 1 dat de Christus, de zeven Zegelen voor zich heb^ bende, begint met deze zeven Zegelen te openen. In de 12 eerste verzen worden'dan zes van die zeven Zegelen afgehandeld, het ééne na het andere, en daarmede bevinden we ons reeds in zoo wonderen toestand, dat »de zon zwart is als een zak«, dat »de maan is als bloed«, en dat er »sterren uit-den hemel op de aflrde vallen «. Men mag het al'.oo niet voorstellen, alsof eerst met de Bazuinen, de Fiolen, de Weeën en andere Engelen-inwerkingen het wondere en abnormale ware ingetreden. Wat we in hoofdstuk VI : 12—17 lezen, weerspreekt dit ten eenenmale. Reeds in deze zes laatste verzen toch - van het zesde hoofdstuk is een geheel abnormale toestand ingetreden, die elke overeenkomst met onze gewone historie ten eenenmale buitensluit. Niet pas later, maar reeds in het zesde hoofdstuk, waarin de profetieën pas beginnen, grijpen ze zoo rechtstreeks in den wereldtoestand in, dat er van gewone historie geen sprake meer is. Het is daarom noodzakelijk deze zes verzen hier letterlijk over te nemen, opdat men' /Ac\\ niet langer" door den' schijn late misleiden. Zie hier dan den toestand, die naar luid hoofdstuk VI aanstonds in zal treden. • Gelijk we reeds zagen, zal er niet enkel een groote aardbeving komen, maar de zon zal zwart worden als een zak en de maan als bloed. Voorts zullen de sterren van den 'hemel op de aarde vallen, gelijk een vijgeboom zijn onrijpe vruchtet/ afwerpt. Meer nog. «De hemel zal zijn weg geweken als een boek dat opgerold is. Alle bergen en eilanden zullen voorts bewogen worden uit hun plaats«. Ja, de toestand zal reeds aanstonds zóó ontzettend zijn, dat de Koningen der aarde, en de grooten en de rijken, en zoo ook alle dienstknechten en vrijen zujlen wegvluchten om zich te verbergen in de spelonken en in de steenrotsen der bergen, al roepende: Valt op ons en verbergt ons van het aangezicht van het Lam, want de groote dag zijns toorns is gekomen, en wie zal dan bestaan «?

Er is derhalve geen quaestie van, dat de ontzettende beroering, die met de Voleinding, komende is, eerst bij de Bazuinen of bij dt Phiolen zou te komen staan. Die geweldige beroering zal veeleer aanstonds reeds met de eerste wondere teekenen, d.i. met de Zegelen, intreden, en niet eerst later en verderop, maar reeds in het 6e hoofdstuk, d.w. z. in het eerste dat van de komende gebeurtenissen handelt, vrórdt geprofeteerd niet van n > rmale dingen der historie, maar van gansch abnormale gebeurtenissen die eerst, als de normale historie haar einde bereikt 'heeft, den grooten_ ommekeer, en hiermede het einde aller dingen, zullen doen intreden.

De inleiding die het eerste hoofdstuk op heel het boek van de Apocalypse geeft, bereidt hierop dan ook voor. In hoofdstuk 1 : 3 wordt toch aanstonds betuigd, dat hetgeen Johannes aan de wereld en in^die wereld aan de Kerk zal hebben liiede te deelen, niet slaat op wat geschied is, maar een beslist profetisch karakter draagt. Er staat toch, dat wat hij zal te Schrijven hebben, in eigenlijken zin profetieën zijn; en in vs. 7 wordt die profetie terstond en rechtstreeks in verband gebracht met de Wederkomst van den Christus op de wolken. Zoo toch lezen we in vs. 7: Ziet, hij komt met de wolken en alle oog zal hem zien, ook degenen die hem doorstoken hebben, en alle geslachten der aarde zullen over hem rouw bedrijven. Ja, Amens. De aanloop op de Parousie, of wilt ge, op de Voleinding, 'is alzoo een rechtstreeksche.

Vraagt ge nu, of er van de periode van zoovele eeuwen, die sinds historisch verliep, ganschelijk in de Apocalypse gezwegen wordt, zoo zegt u reeds het eerste hoofdstuk, dat ge u vergissen zoudt, met het u aldus voor te stellen.. Reeds in het 4e vers toch staat uitdrukkelijk, dat Johannes dit zijn boek schrijft aan de zeven gemeenten »«« Azië^. En in vs. 11 van het eerste hoofdstuk worden die zeven gemeenten zelfs met name tjenoem ' en aangediend als de Kerken van Efeze, Smyrna, Pergamus, Thy^tira, Sardis, Philadelphia en Laodicea. I^> eds hier echter moet nu opgemerkt, dat we hier op het zevental hebben te letten. Het, , zevental" is heel de Schrift door het heilige getal, en men loopt gevaar zich f: e vergissen, zoo men dit getal van zeven letterlijk verstaat. Denk toch wel in, wat het letterlijk opvatten van dit cijfer hier in zou hebben. Elk ernstig lezer geeft uiteraard aanstonds toe, dat de wondere profetie, die Johannes ontving, niet bedoeld was als een profetie, die uitsluitend bestemd zou zijn voor zeven Kerken in Klein-Azië. Ieder ernstig lezer erkent, dat de .profetieën die ons straks in de Zegelen, de Bazuinen, de Fiolen en enkele Engelengezichten ter kennisse worden gebracht, ook óns aangaan, ook tot óns zich richten, en in het gemeen voor heel de Christenheid, ja voor allé volken in heel de wereld, bedoeld zijn. Toch neemt dit niet weg, dat Johannes zich, blijkens VS. 4 en 11, uitsluitend richt tot deze zeven Kerken in Klein-Azië, \vaarvan er hoogstens nog één enkele meêteit. Nu zou dit nog minder deren, indien alleen Johannes zich in dezer voege had uitgelaten. Doch ook dit is niet zoo. In Vs. 11 is het toch niet Johannes, maar de Christus zelf die spreekt, en die uitdrukkelijk last geeft: > Schrijf dit in een boek en zend dit aan de zeven kerken die. in Azië zijn.«

Wie de Handelingen raadpleegt, voelt aanstonds, dat deze keuze der zeven kerken volstrekt onbegrijpelijk zou zijn. Denk slechts aan Iconium, waar nu nog de kerk bestaat, die er door Paulus gesticht is, en die zevenmaal in het Nieuwe Testament met name genoemd wordt, en die toch onder de zeven gemeen en die de Apocalypse opsomt, niet vooYSomt. Wel daarentegen Thyatire, dat in de Hand. slechts eenmaal genoemd werd, en waarvan Hand. 16:14 niet anders vermeldt, dan dai Lydia, de purper-verkoopster, daar vi^oonachtig was. Evènzoo staat 't met Efeze. Ook daar is toch van de eens zoo bioeiendt-Kerk-geen spoor meer - óver. In Om de Oude Wereldzee besprak ik wat ik tf Efeze vond, wat ongeveer op 't volgende neerkwam : , , Hier in Efeze spreeki enkel historie. Geheel de stad is één prachtige ruïne, en van het bouwen var. een nieuwe stad is geen sprake. Dit kaï niet, omdat de haven niet alleen geheel verzand, maar aangeslibt is, zoodat er alit roegang uit zee volstrekt is afgesneden. Het meeste belangstelling boezemt natuurlijk de tempel van de groote Diana in, maar juist van dit vermaarde heiligdom ziet men zoo goed als niets meer. Eerst na de uitgravingen van Wood heeft meii in 1876 eindelijk de fondamenten weer kunnen blootleggen, maar dit zijn niet dt fondamenten van den Dianatempel in dt dagen zijner glorie. De laatste prachtigt i; empel was gebouwd door Demokrates, nadat Herostratus in 356 v. Christus den toen bestaanden tempel van Paionios in brand had gestoken, doch oolcdeze tempel is in 262 door de Goten geheel verwoest. Thans echter is men er in geslaagd dt fondamenten van de vele na elkaar gebouwde tempels te vinden, waarvan de oudste op Crésus teruggaat. Meer dan enkele zeer in de diepte blootgelegde grondslagen ziet men echter niet. Al wat verder gevonden werd, is in de Musea opgeborgen, zoo te Weenen als te Londen en te Constantinopel. Schitterend daarentegen is de indruk, dien de overblijfselen van den ouden schouwburg maken, die, tegen den berg Pion aangebouwd, op de helling van dien berg zitplaatsen aanbood voor een 50, 000 toeschouwers. Het voor en tegenover dit halfrond gelegen tooneel, met de daarbij behoorende vertrekken, staat nog hoog overeind, en toont heerlijk architectonisch schoon. Minder goed bewaard, maar toch nog in de oude lijnen zuiver uitgevoerd, is het Odeion, dat ten deele in den berg Pion is ingegraven, en waarin men de zitplaatsen en het tooneel tkt zijn drie deuren nog voor zich ziet. Niet ver daar van af ligt de zoogenaamde «gevangenis .van Paulus" en daarachter zijn de overblijfselen van den ouden stadsmuur. Alles prachtig als ruïne, maar de Gemeente van Christus verdween. Wie hetgeen ons door Johannes in de Apocalypse wordt medegedeeld, als letterlijk zoo bedoeld opvat, geraakt dan ook in een moeilijkheid, waarvoor geen oplossing te vinden is. Reeds vroeger spraken we het uit, dat we geen bezwaar hebben aan te nemen, dat Johannes metterdaad aan de zeven Kerken die Hoofdstuk 1 : 11 noemt, afschrift van zijn Apocalypse gezonden heeft. We zien geen reden, waarom hij dit niet zou hebben gedaan. Doch hiermede is nog in het minst niet uitge­

maakt, dat deze zeven gemeenten in Klein-Azie hier geen symbolische beteekenis zouden hebben. De profetieën die aan Johannes op Pathmos ten deel vielen, hadden een gansch algemeene beteekenis voor de geheele Christenheid, en volstrekt niet uitsluitend voor een kleine groep Christenen in een enkelen uithoek der wereld. In Openb. VU:9 lezen we zelfs dit: Na deze zag ik een groote schare die niemand tellen kon, uit alle natiën, en geslachten, en volken en talen, staande voor den troon van het Lam«. Dit bewijst op volstekt afdoende wijze, dat de'profetie van Johannes zich tot de Christenheid over de gansche wereld richt, en hoe zou 't hiermede nu bestaanbaar zijn, dat in letterlijken zin aan Johannes de opdracht werd gegeven, om zijn heerlijke profetiën uitsluitend te richten tot zeven Kerken in Klein-Azië, die thans, nog eer de Voleinding intrad, op ééne na, alle van het Christendom vervreemd zijn, terwijl andere Kerken in Klein-Azië, waar de kerk nog voortleeft, er niet onder begrepen worden.

Dit nu kan tot geen andere slotsom leiden, dan dat deze profetische openbaring wel metterdaad, letterlijk genomen, alzoo aan Johannes te beurt viel, doch tevens, dat ze niet als in dien letterlijken zin bindend, kon bedoeld zijn. Het zevental blijkt ook hier, evenals zoo vaak elders, als mystiek getal gekozen te zijn, en het richten van de profetie tot Klein-Azië kan niet anders zijn opgekomen dan uit het feit, dat Pathmos vlak bij Klein-Azië lag, en dat Johannes allicht in de latere jaren van zijn apostolaat zich meer uitsluitend met de Kerken in Klein-Azië had bezig gehouden. Welhaast zou m de toekomst blijken, dat niet deze Kerken m Klein-Aiiië, inaar veeleer de door Paulus in Europa gestichte Kerken draagsters van de toekomst der Christenheid zouden zijn. Doch reeds destijds was dit zeer wel te doorzien, en het denkbeeld alsof deze zeven Kerken in Klein-Azië. en daaronder met name Thiyatire, het eigenlijke terrein zouden djn, waarop de Kerk van Christus zich duurzaam zou vestigen, kan zelfs bij Johannes tegen het einde der eerste eeuw reeds niet meer zijn opgekomen. En waar dit reeds aan geen twijfel onderhevig is, Kan evenmin worden aangenomen, dat dt Christus in zoo gewichtige profetieën als de Apocalypse ons brengt, aan zulk een voorstelling ingang zou hebben geschonken. Reeds het noemen van slechts zeven Kerken, ivaar er destijds zeer stellig reeds een honderdtal bekend waren, bewijst, dat hetgeen hier te berde komt, niet anders dan in symbolischen zin te verstaan-is. In geheel haar verder verloop richt zich de Apocalypse tot heel de Christenheid, en wel tot de Christenheid van alle eeuwen. Van een vezenlijk bedoelde inperking van de Chriseuheid tot zeven Kerken in ééne landstreek kan alzoo geen sprake zijn: en wat reed.s het altoos mystieke zevental aanwees, wordt derhalve door geheel het verder verloop van de Apocalypse bevestigd. Deze zeven Kerken van Klein-Azië zijn eeniglijk als voorbeeld van indeeling genomen, en wat er werkelijk door wordt afgebeeld, is heel Christus Kerk op de geheele aarde.

Nog veel sterker komt deze symbolische duiding in de Apocalypse uit, zoo men nader let op de twee hoofdstukken 2 en 3, die ons in meer specialen zin over deze zeven Kerken inlichten. Aan Johannes toch wordt last gegeven, om aan deze zeven Kerken te schrijven, doch ook hier sloop misvatting in. Vrij algemeen toch heeft men deze zeven brieven van Johannes verstaan, alsof ze voor ons, welbezien, zoo goed als alle • waarde zouden verloren hebben. Men verkeerde toch in den waan, dat deze zeven brieven eeniglijk waarde en beteekenis hadden, toen die zeven Kerken van Klein-Azië nog bestonden, en wel met name alleen in die • periode, waarin zich destijds allerlei misbruik in deze Kerken had voorgedaan. Moet men toch aannemen, dat reeds eer Johannes stierf, deze brieven zoo gewenschte uitwerking op deze zeven gemeenten gehad hadden, dat hetgeen hier als verwijt of, waarschuwing gezegd werd, niet meer voorkwam, — dan hadden ze reeds binnen drie, vier jaren doel getroffen, en alzoo opgehouden hun beteekenis te hebben. Al wat er dan van overbleef, was, dat ook later andere Christelijke gemeenten, waar soortgelijk misbruik insloop, er zich als gewaarschuwd door konden beschouwen. Dit was dan echter steeds zeer zijdelings het geval, daar hetgeen hier aan deze zeven gemeenten verweten wordt, niet dan bij uitzondering zich juist in dien vorm zal inkleeden. Geheel anders daarentegen komt ook hier de verhouding te staan, indien men het denkbeeld varen laat, alsof deze brieven van den Christus uitsluitend op de zeven genoemde Aziatische gemeetiten in dien tijd doelden, en veeleer ook hier uitgaat van de geheel gewijzigde opvatting, dat de zeven met name genoemde Kerken slechts dienst doen, om op zinbeeldige wijze het eigenaardig karakter toe te lichten, waarin de onderscheiden Kerken over heel het aardrijk gevaar liepen vergiftigd en verpest te worden. Niet alsof hierbij wilkeur in het spel .zou geweest zijn. Veeleer moet zeer zeker aangenomen, dat hetgeen hier in deze zeven Kerken geloofd of gewraakt werd, zich toentertijd in die met name genoemde Kerken op min of meer in het oogloopende wijze voordeed. Maar dit belet in het minst niet, dat deze met name genoemde Kerken opzettelijk in dezen samenhang en in dit verband saamgenomen zijn, om de karakterzonden, die alle eeuwen door zeer onderscheidenlijk in de Kerken aan het licht zouden treden, scherp te doen uitkomen, en door alle eeuwen aan heel de Christenheid als waarschuwing voor te houden.

Wij zijn gewoon in zulk een verband van typen te spreken, en zoo komt men ook hier als van zelf tot de meest juiste beschouwing, indien men het aldus opvat, dat Jezus in deze zeven' Kerken de zeven typen heeft aangegeven, die straks in den loop der eeuwen onderscheidenlijk in zijn Kerken op aarde zouden uitkomen. De namen van Epheze, Thyatira, Sardis enz. zijn hier dan pok bijzaak. Het zou evengoed mogelijk zijn geweest zeven zulke typen van Kerken in Griekenland of in Italië te vinden. Niet om de namen, doch alleen om de zeven typen was het hier te doen. Van zelf moet hierbij worden aangenomen, dat deze tj'pen zich toentertijd in deze zeven gemeenten zeer sterk, en althans vrij duidelijk, ontwikkeld hadden, ook al neemt men hierbij aan, dat lang niet een ieder die deze zeven gemeenten persoonlijk kende, er aanstonds al' de trekken van dit type ' even duidelijk zou ontwaard hebben. De zaak is veeleer deze, dat, waar ook de Christenheid zich vestigt, de onderscheiden Kerken allicht een gewijzigden vorm aannemen, iets wat dan veelal beheerscht wordt door het klimaat, door den levenstrant, door de nationale geaardheid en door het menschensoort. Deze vele geaardheden en gesteldheden leiden nu tot een onderscheiden bestaan, en hierbij is dan dit het eigenaardige, dat dit soort typen zich tot een vast geheel vormt en zich, zoo men al deze variatiën saam neemt, steeds weer terug laat vinden.

Nu *is dit hier het opmerkelijke en interessante, dat de Christus, die deze variatiën en deze typen kende en doorzag, juist zulk een reeks gemeenten heeft saamgenomen, die saam de grondvariatiën te aanschouwen gaven. Jezus koos de zeven gemeenten in Klein-Azië niet willekeurig uit, maar nam ze zóó, dat ze saam de, hoofdtypen weergaven, waarin het Christelijk leven zich ontwikkelen kon, zoo wat zijn prijslijken als wat zijn laakbaren kant betreft. Voor ons is het daarom ook geheel onverschillig, of zulke een gemeente den naam draagt van Efeze of van Thyatire.

Wat ons te doen staat; is eeniglijk, te onderzoeken en ons af te vragen, welk type blijkbaar het sterkst uitkomt in de gemeente, waartoe we zelven behooren, om op die wijs ons de waarschuwing aan te trekken, die zich in 't bijzonder tot onze eigen gemeente richt. Doch hierbij blijven mag het niet. Uit wat de Christus ons in deze zeven typen voorhoudt, volgt toch in anderen vorm, dat we timmer den eisch mogen stellen, dat alle Kerken op aarde in type, in aard en karakter aan onze Kerken gelijk zullen zijn. Vooral de missies in landen van geheel ander type verleiden zoo licht om die fout te begaan, en doen juist daardoor zoo licht onze missie mislukken. Een missie in Spanje en in Portugal die naar niet anders streeft, dan om aan deze geheel andersoortige landen niet anders dan een copie of nabootsing van onze Nederlandsche Gereformeerde Kerken te geven, moet alzoo teleurstellen, wijl zulk een poging geen rekening houdt met de eigenaardigheid van elk volk en met de variatie van het nationale type. Juist daarom nu zijn de brieven van Jezus aan de gemeenten van Klein-Azie zoo leerrijk. Ze bevatten toch een rechtstreeksche vingerwijzing voor de Zending, en elKe Zending faalt, die nalaat hiermede te rekenen.

Dit artikel werd u aangeboden door: Vrije Universiteit Amsterdam

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 30 september 1917

De Heraut | 4 Pagina's

Van de voleinding.

Bekijk de hele uitgave van zondag 30 september 1917

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken