Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van de Voleinding.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van de Voleinding.

17 minuten leestijd

CCLXV.

ACHTSTE REEKS.

X.

En zij riepen met groote stemme, zeggende: oe lang, o heilige en waarachtige Heerscher, oordeelt en wreekt gij ons bloed niet van degenen die op de aarde wonen ? Openb. 6 : 10.

Bovenal beslissend voor de juiste opyatting van de Zegelen, is wat het vijfde Zegel ons te lezen geeft. In dit vijfde Zegel toch' wordt ons niets geopenbaard wat op deze aarde, in den loop der historie, zal plaats grijpen, maar worden we verwezen naar iets, dat, hoog boven ons, in de henlelenj plaats grijpt. Niet dat er nu van de engelen zou gehandeld worden. Van hen is geen sprake. Er is eeniglijk sprake van de martelaren, en wel niet van martelaren uit een bepaalde periode, maar van »de zielen van diegenen, die gedood waren om het Woord Gods en om de getuigenis, die zij hadden", of korter gezegd, van allen, die in den loop der eeuwen, van Abel af, als martelaren den dood hadden gevonden. Deze > martelaren*, die tot dusverre in heilige ruste in het Vaderhuis verkeerd hadden, sa^m met de geloovigen, die den gewonen dood gestorven waren, blijken nu op eenmaal uit hun heilige ruste als op te schrikken, en saèm één bangen kreet aan te heffen. Die kreet was deze : »Hoe lang, o heilige en waarachtige Heerscher! oordeelt gij en wreekt gij ons bloed niet van dagenen, die op de aarde wonen ? « Hierbij nu houde men wel in het oog, dat niet weinige, ja, verreweg de meeste dier marte laren reeds vóór tien en twintig en meer" eeuwen den marteldood ondergaan hadden.

Indien nu deze martelaren dusver in stille, heilige ruste den afloop van de groote Worsteling tusschen God en Satan hebben ingewacht, zonder dat ze om wrake tot God schreiden, en zij het nu op eens allen sa^m, als uit één mond, en op zoo dringende wijze doen, dan moet toch iets hiervan de oorzaak en' de beweegreden zijn geweest. Vanzelf staan we derhalve voor dè prikkelende vraag, wat de gezamenlijke martelaren, die ter oorzake van hun geloof den dood des gewelds ondergaan hadden, thans op éénmaal bewoog, aldus tot God te roepen. Te meer dringt die vraag, daar in hun luid geroep iets is, dat ons vreemd aandoet. Deze martelaren verkeeren in een staat van onbesmette heiligheid. Ze waren aan alle zonde, afgestorven, en leefden heiliglijk in de hemelen bij hun God en hun Middelaar. Vanwaar dan nu op eenmaal uit heel dit koor van heilige martelaren een zoo luide kreet, die, oppervlakkig althans, geen zeer heiligen indruk maakt.

Waarom toch roepen deze martelaren ? Om vergiffenis voor hen, die hun vijanden waren en hen ter dood brachten ? Sprak in wat ze riepen iets van wat Jezus ons op het hart had gedrukt: > Zegent ze die u vervloeken, en bidt voor degeiaen die u geweld aandoen* ? Maar immers, wat ze roepen houdt juist het legendeel in. Ze roepen oin niets dan 'wrake, en dat wel zoo, dat ze het niet dulden kunnen, dat deze wrake die ze inwachten, nog toeft. Het duurt hun te lang. Ze rekenen op de wrake Gods die komen moet, en die aan de wrcede vervolgers zal moeten voltrokken worden. En v/at ze nauwelijks dulden en niet uitstaan kunnen is, dat die wrake nog niet koriit, maar nog altoos uitblijft. Dit nu bewijst, dat zij het oogenblik gekomen achtten, waarop de gehcele levensverhouding zou wox'den omgezet, het einde zou ingaan, en in dit einde het oordeel Gods aan de vijanden van zijn heilige zaak zou voltrokken worden. Heel de Schrift toont duidelijk aan, dat er eenmaal aan de periode der dulding en verdraagtaamheid een einde zal komen, en dat, is dit emde naderend, ook de Christus zelf een geheel tegenovergestelde gestalte zal verteonen dan toen hij als het Lam Gods op aarde verkeerde en leed en voor ons stierf. Nadert het einde, dan is het oogenblik komende, dat de Christus zal overgaan tot het uitbrengen van het laatste oordeel, dan zal er geen sprake meer zijn van vergiffenis of zoen, maar zal de Middelaar het oordeel voltrekken, en ditzoowél aan de demonische engelenwereld, als aan de verlorenen onder de kinderen der menschen. Dit nu is uit den aard der zaak voor veel geloovigen op aarde iets, waar ze zich nog niet in kunnen denken, maar de gezaligden die in het Vaderhuis het einde inwachten, zijn hiervan natuurlijk volkomen op de hoogte. Voor hen is het volkomen klaar en duidelijk, dat de Middelaar, als het einde ingaat, de demonische macht van Satan zal verdoen, en voor de yngeloovig gestorvenen onder de kinderen der menschen een toekomst zal doen intreden, die hij telkens teckent door te verwijzen naar ude weening en knersing der tanden*, of wilt ge, naar den staat van eeuwige verdoemenis.

Naar het aanbreken van dit oogenblik der eindbeslissing is nu vanzelf ook onder de gezaligden in den hemel het inwachten. En is dit reeds zoo met alle gezaligden, dan geldt dit natuurlijk nog veel sterker voor de Martelaren. In hun persoon is, toen ze als getuigen van den Christus optraden, en deswege met geweld gedood werden, niet slechts hun persoon, maar ook de zaak van Christus aangerand. Het kan daarom niet anders, of gaat straks het oordeel i.n, . dan zal de eere van Christus, die in hun dood met voeten getreden is, hersteld moeten worden. Naar dit oogenblik hebben ze dan ook steeds uitgezien, want ze wisten dat dit oogenblik niet komen kon, tenzij de eindbeslissing aanbrak. Lettende nu op wat op aarde voorviel, ontwaarden deze gezaligde martelaren, dat het einde ZJÓÓ ZÓÓ zou ingaan. En met het oog daarop nu is het, dat ze zich niet verklaren kunnen, waarom niet thans reeds de wrake van den Middelaar over het geweld aan zijn martelaren aangedaan, ingaat. Zoo is 't alles duidelijk, klaar en helder, doch dan ligt hierin ook vanzelf opgesloten, dat ze het einde komen zagen, dat er tusschen het heden en het einde voor hen nauwelijks een spanne tijds overbleef^ ja op zoo spannende wijze, dat ze zich niet konden voorstellen, waarom ze de.wrake van den Middelaar niet reeds zagen ingaan. Ze zien als voor oogen het einde ingaan, en juist daarom missen ze iets, . dat bij het ingaan van dat einde zich als vanzelf moest voordoen. Dit deed zich echter niét voor. Dit nu ontrust hen, en vandaar op eens hun gezamenlijk roepen, om toch de wrake te doen ingaan, die door de eere van den Middelaar, die in hen gehoond was, geëischt werd. Zoo loopt alles geheel natuurlijk, ' maar dan is hiermede ook uitgemaakt, dat dit vijfde zegel doelt niet op wat eeuwen van te voren geschied was, maar op 't geen eerst op het laatste oogenblik, als het einde inzette, komen zou.

Hierop slaat dan ook in volkomen juistheid het antwoord, dat ze op hun geroep ontvangen. Dat antwoord toch luidde: »dat ze nog een kleinen tijd wachten zouden totdat ook hun mededienstknechten en hun broederen zouden vervuld zijn, die gedood zouden worden gelijk als zij." In verband met wat straks in de verdere kapittels volgt, is het nu uitgemaakt, dat dit zeggen slaat op hetgeen te geschieden stond onder de geweldenarij van den Antichrist, en na het optreden van de groote Getuigen. Daar nu heel de Apocalypse geen andere uitlegging toelaat, dan dat dit alles komen zou op het laatste oogenblik vlak vóór het ingaan van de Parpusie, zoo lijdt het geen tv/ijfel, of ook dit geroep om wrake, dat van de vroeger gedoode Martelaren opgaat, zou niet eerst eenige eeuwen na het vierde of derde Zegel te wachten zijn, maar onmiddellijk aan het laatste Zegel voorafgaan. Dit inzicht wordt nog versterkt door wat er inzake de »witte kleederen'' aan deze Martelaren ten goede wordt gedaan. Er staat toch in vs. 10: »aan een iegelijk van hen werden lange witte kleederen gegeven." Dit is uiteraard geestelijk bedoeld. Deze Martelaren toch waren nog niet opgestaan, en hadden nog niet hun verheerlijkt lichaam ontvangen. Ze waren nog geesten. Nu is het »witte kleed" het kleed van den overwinnaar, het gewaad van wie zegepraalt. Daarom staat er uitdrukkelijk bij, dat »het lange witte kleederen* waren. Dit kan alzoo niet anders dan zinbeeldig bedoeld zijn, en het kan niet anders bedoelen, dan dat zij in dit gewaad van den overwinnaar de zekerheid ontvangen, dat hun een volkomen triomph wachtte. Juist in dat gewaad van den triomphator konden zij dan te eer en te gemakkelijker nog dxn kleinen tijd de komende wrake van hun Heiland over Satan, waarin ook zij deelen zouden, inwachten.

Doch hiermede is dan ook elke voorstelling of uitlegging, die de Zegels slaan laat op wat in den loop der eeuwen aan de wereld en aan Christus' Kerk te wachten stond, ten eenenmale veroordeeld. Slaat het vijfde zegel op wat vlak aan de Parousie, en zulks wel niet dan »eea kleinen tijd« vroeger, zou voorafgaan, dan is het hiermede uitgemaakt, dat ook hetgeen de vier voorafgaande Zegelen melden, op deazelfden tijd, d. i. op het naderen van de Parousie, moet duiden. Het vijfde Zegel van de Martelaren staat toch-midden tusschen.de zeven Zegelen in, en is er niet het beslu'; ; van. Het eigenaardige van het vijfde Zegel is maar, dat het ons aankondigt niet wat op aarde, maar wat in den hemel bij het naderen van het einde te gebeuren staat, en daar nu dit vijfde Zegel midden tusschen de vier voorafgaande en de twee daarna komende insloot, zoo ziet me, n hieruit, dat al wat hier geprofeteerd wordt bijeenhoort, één geheel vormt en in gelijke tijdsorde sa^m verbonden ligt. Het naderende einde zou niet alleen op deze aarde, maar ook in den hemel een bange ontroering te weeg brengen, en hieruit nu verklaart het zich, dat èn wat op aarde staat te gebeuren èn wat in den hemel: al plaats grijpen, hier zoo duidelijk en omstandig tot één geheel wordt samengevoegd. Is het nu niet voor tegenspraak vatbaar, dat hetgeen van de Martelaren gemeld wordt, alleen vlak voor het einde aldus zal kunnen intreden, dan volgt hieruit rechtstreeks, dat geheel de ontsluiting van de zeven Zegelen niet anders kan doelen dan op datgene wat bij de nadering van de Parousie en van het Oordeel te wachten staat. Eerst komt dan op het witte paard de triomfeerende Christus, - niet met het zwaard, maar mét den boog, omdat het eindoordeel en de voltrekking daarvan nog een kleinen tijd toeven zal. Na den Christus, en onder zijn ma; cht, en dus als zijn instrumenten, volgt dan het roode paard, en wel zoo, dat degene die op dit paard rijdt, het groote zwaard voert, »om den vrede van de aarde te nemen«. Het derde paard, dat zwart is, brengt dan den hongersnood en den jammer op aarde. En met het vierde paard dat vaal is, komen dood en hel. Altegader instrumenten van den Christus, die nu de eindbeslissing l> rengen zal. Maar juist dat vlak ophanden zijn van de eindbeslissing brengt nu ook beroering onder de gezaligde Martelaren, die nu niet anders kunnen denken, of de ure der wrake is gekomen. En het eenig bescheid op hun weegeroep is, dat ze »nog een weinig tijds wachten zouden«; iets dat nader wordt toegelicht door Openb. VIII:1, waar het bij 't zevende Zegel heet, dat ze zich stil zouden houden •t, omtrent een half uun.

Voegt ge nu hieraan het zesde Zegel toe, dan ontwaart ge hoe dit voorlaatste Zegel u weer uit den hemel naar de aarde verplaatst, maar dan ook aanstonds de geheele ontroering en uitelkaarvvrikking van het creatuurlijke leven .doet ingaan. Al wat voorafging was nóg slechts voorbereiding voor wat te gebeuren stond. Er was wel reeds oorlog uitgebroken, hongersnood ingevallen, en ontroering onder de volkeren opgekomen, ' doch dit alles liet zich ©ok in ordinairen tijd denken. Het geheel extra-ordinaire was eerst te merken geweest aan wat de Martelaren in den hemel riepen. Doch ook dit bleef bij een roepen en een uitgillen. Hier daarentegen, nu het zesde Zegel ontrold wordt, ontvangt men op eenmaal den indruk, dat aan den ordinairen stand van zaken een einde is gekomen, en dat de wereld, met al het creatuurlijke, als we ons zoo mogen uitdrukken, uit haar voegen wordt gerukt. Zooals men bij een aardbeving een machtig gebouw voor zijn oogen waggelen ziet, en het elk oogenblik dreigt, alsof 't geheel zal instorten en omslaan, zoo ook is het hier.

Het is niets dah zelfmisleiding, indien men, wat bij de ontrolling van het zesde Zegel te lezen komt, gelijk stelt met hetgeen te zien komt bij een gewone aardschudding. Zeker, ook bij zulk een geweldige aardschudding, denk slechts aan Messina, zijn geheele steden als ontredderd, doch wat hier geprofeteerd wordt, gaat veel verder. »De sterren des hemels zullen op de aarde vallen, de hemel zal wegwijken als een boek dat toegerold wordt, en alle bergen en eilanden zullen van hun plaats wijken«. Dit nu ziJH al te gader verschijnselen, die in 't ordinaire niet kunnen^ voorkomen. En dit alles teekent ons toestanden, die eerst als het einde intreedt, en alles uiteen wordt gewrikt, zich denken laten.

Hiermede hangt dan ook rechtstreeks samen, dat aan den mensch alle zelfbeheersching en alle moed en durf ontzinkt. Niets blijft in de orde der menschelijke saHmleving op zijn plaats. De Koningen der aarde verlaten op eenmaal hun paleis en vluchten in de spelonken. En zij niet alleen geven het op, maar de grooten, en de rijken, en de oversten over duizend of veldheeren, en de machtigen der aarde, en evenzoo de slaven als de vrijen, alles vlucht uit paleis en huis, uit stad en dorp, en wat ze opzoeken zijn holen en spelonken in de bergen. En daar, met hun vluchten, aangekomen, weten ze altoos nog niets van een wachten in stille ruste, maar roepen ze al t? gader als uft één mond. »Valt op ons, o 'oergen, en gij, steenrptsen, verbergt ons van het aaogezichte Gods en van het Lans, want de groote dag Zijns toorns is gekomen, en wie kan bestaan ? « (Zie vs. 16 en 17). Wie' kan nu zeggen, dat dit ons 't beeld teekent van een gewoon, normaal doorgaan van het menschelijk leven, , of dat er althans hoogstens van gewone natuurverschijnselen sprake zou zijn. Het beeld dat hier voor ons ontrold wordt, wijst op een algeheele ontreddering, een zich losrukken van alle verband, zoo in de natuur als in de menschelijke saê.mleving van een zwichten van wat anders het geheel in verband houdt. Wat hier voor ons treedt, is een begin van de afbreking der Schepping, gelijk er in vers 12 en 13 dan ook staat, dat de zon zwart werd en de maan rood als bloed, en dat 't was of heel het aardrijk door een machtigen stormwind geschud v; erd.

Het bleef hier dan ook niet bij. Onverhoeds toch wordt nu het oog gericht op een afbeelding in het zevende Zegel, waarin vier engelen optreden, die elk een der vier stormwinden in hun hand houden, en die deze vier alles vernielende stormwinden vooralsnog met macht omklemd houden, opdat de ontreddering van de creatuurlijke wereld niet te plotseling in zou treden. En opdat deze stuiting van de algemeene ontreddering te zekerder zou zijn, treedt er in het gezicht op de rol aanstonds nog een vijfde Engel, naar voren, en wel eèn Engel die het Zegel des levenden Gods in zijn hand hield, en deze riep met een groote sterri tot de vier eerstbedoelde Engelen, welke de vier stormwinden omklemd hielden, dat ze vooralsnog niet tot de vernietiging van de aarde, noch van de zee, noch van de boomen zouden overgaan. Zoo kwam er voor een oogenblik een stuiting van de algemeene vernieling van het creatuurlijke leven, en zulks wel ter wille van de geloovigen, die nog op aarde verkeerden. De Engel met het Zegel Gods riep dan tot de andere vier, die de allesbedreigende stormwinden omklemd hielden : ^Beschadigt de Schepping nog niet«, tot dat we eerst de dienstknechten onzes Gods zullen hebben verzegeld aan hun voorhoofden.« En nu treedt op eenmaal het beeld naar voren van de geloovigen, die op de aarde nog verkeerden. In twee groepen treden dezen op. Eerst komen de 144.000 van uit de kinderen Israels (waarover nader), en na dezen ziet Johannes » een groote schare, die niemand ' tellen kon, uit alle natiën en geslachten en volken en talen«, die reeds ter zaligheid waren ingegaan, en yoor den Troon stonden in lange witte kleederen en met de palmtakken der overwinning in hun handen. Zoo liep 't alles, uit op een hemelschen lofzang en op een alles versmeltende aanbidding, waarbij de Presbyteri voorgingen, en die eindigt in de zalige betuiging: > Het Lam dat in het midden des Troons is, zal ze weiden en zal hun een Leidsman zijn tot levende fonteinen der walteren, en God zal alle tranen van hunne oogen afwisschen.« (vs. 17.)

Hiermede is de heilige Apocalypse genaderd tot het zevende Zegel, en nu versta men wel, dat de voorafgaande zes Zegelen zich in kleinheid van omvang ten eenenmale verloren, vergeleken bij den breeden om van j van het zevende Zegel. Het is toch volstrekt niet zoo, alsof hetgeen het zevende Zegel biedt, kortweg afgebroken wordt met Hoofdstuk VIII : 7, zoodat, waar de eerste engel optreedt' om te bazuinen, al wat op de zeven Zegelen betrekking heeft zou zijn afgedaan. Wie 't zoo opvat, verstaat den samenhang van heel het boek der Openbaringen niet. Het ligt heel anders. Het zevende Zegel begint met hoofdstuk VIII:1, doch loopt door tot Openbaringen XXII:8. Er was niet anders dan het ééne boek (Zie V. : 1.) Dat ééne boek bevatte alles wat geopenbaard zou worden, maar in zeven ongelijke deelen. De zes eerste stukken van dit verzegelde boek waren betrekkelijk klein van omvang, en liepen daarom inde ontsluiting spoedig ten einde. Maar heel anders werd het, toen het nu toekwam aan het zevende of laatste Zegel. Toen toch kwam, na de ontsluiting van het Zegel, een zeer dikke bundel te voorschijn, en deze laatste bundel schrifts of rol bevatte de volledige teekening en mededeeling tot den einde toe, van wat er destijds aan Johannes, en door Johannes, voor alle komende tijden, aan de Christenheid en zoo ook aan ons stond geopenbaard te worden.

Het eerste Zegel toonde de verschijning van den Christus als Rechter voor het eindoordeel. Twee, drie en vier, geven het beeld van de instrumenten waarover hij bij het uitoefenen van zijn oordeel beschikken! zou, t.w. den oorlog, den hongersnood en den dood met de hel. Zegel vijf gaf aan wat tegelijkertijd in den hemel daarboven, bij het naderend ein-dc, zou uitgaan van de Martelaren. En ten slotte trad met het zesde Zegel de algemeene ontreddering en loswrikking van het creatuurlijke leven in. En nu met het zevende Zegel ontsluit zich heel de verdere toekomst, die van het begin tot het einde nog aan de Voleinding zou voorafgaan Alles echter wat nu d'aarna komt, en zich hecht aan de zeven Bazuinen en aan de zeven Phiolen, komt niet bij het zevende Zegel bij, maar vloeit er uit voort, en lag er in besloten. In het ééne Boek stond alles. Dat Boek had niet meer dan seven rollen, die verzegeld en bij elkaar in één bundel waren gevoegd. Maar nooit kon er sprake van zijn, dat er daarna nog iets aan zou worden toegevoegd wat niet in het Boek stond, of niet tot een der zeven Zegels hoorde. De aanhef van het achtste Kapittel toont dit dan ook zoo duidelijk, dat alle twijfel hier vanzelf is buitengesloten. Zoodra toch, naaf luid van Kapittel acht vers één, het zevende Zegel geopend wordt, staat er duidelijk, dat er een pauze van een half njur intrad, eer Johannes in deze zoo dikke rol het juiste inzicht kreeg. Doch zoodra hij dit inzicht erlangd had, is ook het eerste wat hij in die zevende rol of Zegel waarneemt dit: »En ik zag de zeven engelen die voor God stonden, en hun werden zeven Bazuinen gegeven.« En daarop^ heet het nu aanstonds in vs. 6: »En de zeven engelen die de zeven Bazuinen hadden, bereidden zich, om te bazuinen, en de eerste engel heeft gebazuind."

Dr. A. K.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 november 1917

De Heraut | 4 Pagina's

Van de Voleinding.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 november 1917

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken