Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van de Voleinding.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van de Voleinding.

22 minuten leestijd

CCLXXII.

ACHTSTE REEKS.

XVII.

En ik zag, en zie, het lam stond op den berg Sion, en met hem honderd vier en veertig duizend, hebbende den naam zijns Vaders geschreven aan hunne voorhoofden. Openb. XIV : 1.

Gaan we thans nader op den inhoud van het XIV hoofdstuk in, dan sta op den voorgrond, dat dit kapittel één samenhangend geheel uitmaakt. Wat door meerdere uitleggers beproefd is, om het optreden van het Lam in vs. 1—5 van het daaropvolgende af te zonderen, gaat niet aan. De aanhef toch van het 6e vs.: »En ik zag een anderen Engel «^ wijst op hetgeen voorafgaat terug en jkan op zichzelf genomen geen verstaanbaren zin hebben. Als er staat: En ik zag een anderen Engel, zoo volgt hieruit, dat in het voorafgaande reeds Engelen aanwezig waren en in het visioen voorkwamen. Dit nu spreekt schier vanzelf, wijl Johannes het Lam zag staande op den berg Sion, mits men dit versta van het hemelsche Sion, en niet van 'tSionJn Jerusalem. Wordt hier gehandeld van den Christus, als na zijn hemelvaart, in het hemelsche Sion verkeerend, dan behoeft het geen nader betoog, dat hij in dit Sion met Engelen als omstuwd was. Nu verliezen we niet uit het oog, dat meerdere uitleggers dit juist betwisten, en pogen vol te houden, dat hier van het aardsche Sion sprake is, doch dit beweren komt o-", .i unvcide(|!fgDP.ar voor. EI IS LOCII sprrtinc van den Christus als het Lam, terwijl hij, gedacht als voor zijn eindtriomf op deze aarde nedergedaald, niet als het Lam, maar als de triomfeerende Koning verschijnt. Doch er is meer, dat het aardsche Sion hier uitsluit, en noodzaakt het hier gezegde van het hemelsche Sion te verstaan. Wie den berg Sion te Jerusaiem, gelijk schrijver dezes, zelf bezocht heeft, verstaat aanstonds, dat van dien kleinen, lagen berg niet kan gesproken worden, als zouden er 144.000 geloovigen sa^m op vereenigdzijn. En dit toch staat hier. In vs. 1 leest men immers : »En ik zag, en zie, het Lam stond op den berg Sion en met hem honderd vier en veertig duizend, hebbende den naam zijns Vaders geschreven aan hun voorhoofden*. Van het hemelsche Sion nu Het zich dit zeggen, doch op den Sionitischen heuvel, die tegenover den Olijfberg ligt, is dit niet toepasselijk. Ook wat vlak daarop volgt wijst op het hemelsche Sion. Johannes hoort toch een stem van lofzang uit de verte dreunen, en hij zegt er uitdrukkelijk bij, dat hij ook deze .stem iuit den hemel" hoorde én wel zoo rhachtig en indrukwekkend, dat 't was als een stem van vele wateren en als een stem van een grooten donderslag, die straks nader komend, zich hooren liet als een stem van citherspelers, spelende op hun cithers. Dit hemelsche gezang nu keerde zich niet naar 't aardsche Sion, doch naar den Troon Gods.

Dit blijkt uit hetgeen vs. 3 ons meldt, t. w. dat deze zangers hun lied als »een nieuw gezang vóór den Troon en vóór de vier Dieren en vóór de hemelsche Presbyters zongen», iets wat uit den aard der zaak alleen op het hemelsche Sion doelen kan. Ddér toch en niet te Jerusalem bevonden zich, blijkens Openb. XIV, én de vier Dieren én de vier en twintig Presbyters of ouderlingen. Tot gelijke uitkomst leidt, wat er uitdrukkelijk bijstaat, dat namelijk niemand dit hemelsche triomflied leeren kon, dan zij »die van de aarde gekocht waren«; iets wat doet onderstellen, dat ze door hun sterven reeds in het hemelsche Sion waren ingegaan. Dit alles nu dient zich als van zelf sprekend aan, zoodra men er aan denkt, en er ook in dit verband op let, dat de aardsche tabernakel en de aardsche tempel slechts zwakke nabootsingen waren van wat het Sion en de tempel daarboven aan heerlijkheid bezitten. Reeds Mozes wees hierop met nadruk, en uit heel de Schrift ontvangt men geen anderen indruk, dan dat 't om Gods Troon en in 't Vaderhuis niet een vormelooze leiding der dingen is, maar dat op dit hemelsche Sion een heerlijkheid schittert, waarbij vergeleken al de aardsche weelde van Jerusalem's heiligdom als in 't niet verzinkt. Waren nu deze 144.000, d. w. z. de schare der gezaligden, reeds van de aarde gekocht, en meejubelend om Gods Troon, dan kan hier van hetgeen nog op aarde geschiedde, geen sprake meer zijn, en kunnen de 144.000 niet anders worden genomen dan als reeds ingegaan in de hemelsche heerlijkheid. Ook wat onmiddellijk hierop volgt bevestigt dit. Er staat toch, dat deze 144.000 niet met vrouwen bevlekt waren, maar nog als in maagdelijken staat verkeerden, en voorts dat zij het Lam volgden waar het ook henengaat, want dat ze »uit geheel de menschheid gekocht zijn tot eerstelingen voor God en voor het Lam«. Dit alles nu zou geen zin hebben, indien deze geloovigen nog in hun gewone leven op aarde verkeerden. Dan toch kon wel worden medegedeeld, dat ze tot nu toe ongehuwd waren gebleven, doch in 't minst niet, dat ze buiten echt zouden blijven. Zin heeft ook deze betuiging dan alleen, zoo, we ors deze 144.000 denken als martelaars, die hun laatsten strijd volstreden hebben, en ten slotte triomfeerend de eeuwigheid zijn ingegaan. Ook de slotphrase in vers 6 leent zich niet tot een verschijning op den berg Sion te Jerusalem. Daarin toch lezen wei »En in hun mond is geen bedrog gevonden, want ze zijn onberispelijk voor den Troon Gods«. Immers dit ook kan nooit gezegd worden van wie nog op aarde leeft, daar een val in zonde schier ongedacht zelfs den vroomste opnieuw ontrusten kan. Dat ze onberispelijk voor den Troon Gods staan-, bewijst alzooop nieuw, dat hier eeniglijk van reeds ter zaligheid ingegane geloovigen sprake is. Deze toch staan voor den Troon Gods, en zijn als gezaligde kinderen Gods metterdaad «onberispelijk».

Van dit hemelsche tafereel, waarin het Lam Gods, omringd door zijn verlosten, het einde als inroept, waren nu uiteraard S? h, ^^e^? ^f^5io^«^n"lfT.-at#? U^? .tiikJft zonder zijn Engelen. Reeds de Troon Gods op zich zelf is geen eenzame plaats der eere, die van alle schepsel verlaten is. Zoo dikwijls ons een blik m het hoogere leven gegund wordt, vinden we steeds de Majesteit Gods als omstuwd met Serafs, Cherubs en andere Engelen. Het is niet in ledige eenzaamheid en in stille verlatenheid, dat ons de Troon Gods wordt voorgesteld, doch veelszins als omstuwd van alle zijden met elkander verdringende Engelengroepen, waar we ons 'dan steeds de reeds verlosten, die in het Vaderhuis verkeeren, bij hebben te denken. Zoo nu opgevat, ligt er dan ook niets vreemds in, dat hierop in vs. 6 onmiddellijk volgt: »En ik zag een anderen Engel." In vs. 2 toch lezen we, niet dat uitsluitend de gezaligde martelaars een nieuw gezang zongen en op hun cithers speelden, maar dat alleen deze 144, 000 dit gezang leeren konden. Dit nu duidt aan, dat niet de gezaligde geloovigen, maar dat andere hemelsche wezens dit nieuwe lied op hun cithers speelden en zongen, en dat de 144.000 het Van hen leerden en overnamen. En hieruit volgt immers met volkomen zekerheid, dat het de Engelen, de Serafijnen, de Cherubijnen, of de overige Engelen waren, die dezen jubelzang aanhieven, en van deze Engelen leerden de gezaligden dit hemelsche lied en namen het over. Men kan derhalve niet zeggen, dat er in vs. 1-—6 van geen Engelen sprake was." Niet met naam en toenaam, dit is juist. Maar al werden ze niet met name genoemd, er werd toch wel • terdege ook in VS. 1—6 van de Engelen gehandeld. We hebben alzoo de aanwezigheid van het Engelenheir hier volstrekt niet alleen te onderstellen. Veeleer wordt op de Engelenschaar gedoeld en gewezen, als van dit citherspel sprake is. Dat lied der eere zongen !, toch daarna ook de gezaligden, doch eerst werd het door andere schepselen gezongen, van wie de gezaligden het leerden, en »die anderen" kunnen van zelf alleen de Engelen voor Gods Troon zijn geweest.

Volgt daarop nu in vs. 6: »En ik zag eenen anderen Engel, vliegende in het midden des hemels, en hij had het eeuwig Evangelie", dan sluit zich dit zeer nauw zelfs aan het voorafgaande aan. Eerst toch wordt ons' gemeld dat er heele koren van Engelen waren, die den nieuwen jubelzang zongen, en daarop volgde dan dat er één andere Engel zich vertoonde. Eerst werden de Engelen in hun massa gedacht, zooals ze voor Gods Troon vereenigd zijn, en daar saam hun loflied aanheffen, doch daarna wordt er dan op gewezen, dat er uit het Engelenkoor ook afzonderlijke Engelen op den voorgrond traden, en dat eerst deze op den voorgrond tredende Engelen hier iets bijzonders hadden uit te richten, en van deze Engelen zien we er dan achter elkander zes optreden. We herhalen nogmaals dit cijfer van zes, want alleen in vs. 6, 8, 9, 15, 17 en 18 wordt van een afzonderlijken Engel gewag gemaakt, en elke poging om dit .zestal in zeven over te gieten, is steeds mislukt. Het zijn er zes en nie* meer, en dat een enkel uitlegger van de Christus een Engel gemaakt heeft is een uitlegkundige feil die we reeds weerlegden. Wat daarentegen met te weinig nadruk op den voorgrond werd gesteld, is, dat in vs. 1—6 zeer zeker niet van één afzonderlijken Engel gesproken werd, doch wel zeer zeker van heel het Engelenheir, te midden waarvan de vier Dieren en de vier en twintigOuderlingen zich bevonden, zonder dat er de minste sprake viel van één afzonderlijke en meer bepaalde opdracht, die aan een enkelen aangewezen Engel zou zijn te beurt gevallen. In vs. 1—6 is wel van Engelen sprake; met nadruk zelfs. Alleen maar, hier wordt op geheel hun heirschare, en niet op den afzonderlijken last van enkele op zichzelf staande Engelen gedoeld. Juist dit nu is het wat met VS. 6 wél intreedt en tot 't slot van 't kapittel doorgaat. Eerst hooren we heel het Engelenheir jubeleü, maar van vs. 6 af treden zeer enkele Engelen op den voorgrond, die een bepaalden last hebben uit te voeren, en het zijn deze afzonderlijke zes Engelen die in vs. 6 worden ingeleid doordat er sprake is van seen andere Engel«.

Dat dit alles nu eerst feitelijk zou komen te gebeuren, als ten slotte de Voleinding inging, "behoeft geen' nader betoog, maar dit nam niet weg, dat dit alles in de hemelsche gewesten reeds als vooruit doorleefd werd. Al wat te komen stond, leefde reeds in de gedachte, in de voorstelling en in de verbeelding van Christus, van zijn Engelen en van zijn Verlosten. Zelfs in ons eigen kinderleven kennen we dit vooruitleven reeds ten deele. Een bezield, levendig kind, dat uit werd gevraagd, en weet dat het, zeg over al de komende vreugd en in den ophanden zijnden jubel in. Later mindert dit vooruitleven in ophanden zijnde vreugde wel, maar toch zelfs bij een zilveren bruiloft is dit vooruit genieten in den komenden jubel nog bij bruid en bruidegom zeer wel merkbaar. Vooral bij jeugdige kinderen echter is dit vooruitgenieten in een vreugde die te komen staat, vaak zoo sterk sprekend, dat de uitkomst niet gelden tegenvalt, en men klagen hoort over het tekort in genot. De verbeelding was dan zoo overprikkeld en de verwachting zoo hoog , gespannen, dat de werkelijkheid niet ten volle geven kon, wat men had durven hopen, en vandaar dan ook de teleurstelling. Van zulk een teleurstelling kan daarentegen hier geen sprake zijn. Niet slechts ten deele, maar geheel en ten volle beantwoordt het komende genot der gezaligden en der Engelen aan wat ze vooraf reeds voorgevoeld hebben. Vandaar dat ze er vooruit als in leven. En zoo alleen kon ons dan ook naar waarheid het beeld geteekend worden van het heerlijke en zalige, dat de Christus reeds nu met zijn gekoc^ten en zijn Engelen doorleeft, als in een voorgenieting van wat straks staat te komen.

Sterk spreekt zich hierin de tegenstelling uit tusschen onze gewaarwordingen hier op aarde, en het vooruit in de toekomst inleven, dat daarboven genoten wordt. Ware er geen profetie tot ons gekomen, we zouden van de toekomende dingen slechts een flauw voorvermoeden hebben, d. i. geen vaste wetenschap zou ons deel zijn. Nu is die voorwetenschap ons tot op zekere hoogte wèl verstrekt. Wie in de Heilige Schrift metterdaad thuis is, heeft omtrent hetgeen te komen staat stellige vooruitzichten, die hem nu reeds bezielen kunnen. Het is de genade Gods waaraan we deze voorgenieting danken. Maar toch, al werd deze genade ons deel, toch biedt ze ons slechts een zeer gedeelde realiteit. Niet alleen dat we telkens van deze hooge gedachten weder neergetrokken worden in ons zooveel lager staand aardsche leven, maar ook als we ons indenken in het zalige dat te komen staat en ook ons deel zal zijn, is en blijft veel hiervan ons toch zoo vreemd, dat het niet zoo gemakkelijk een vasten vorm voor ons aanneemt. Men ziet dan ook, hoeonder de geloovigen óver .niets gedurig zoo sterk verschil van ziensvirijze opkomt, als juist over hetgeen na den dood te wachten staat, en eens met de Voleinding zal intreden. De groote massa stelt zich tevreden met zeer algemeene uitzichten, maar zij die er zich in pogen te verdiepen en er gestadig meer in zoeken in te leven, komen zoo uiterst zelden tot eenparig gevoelen. Op geen punt kan men bijna zeggen loopen de voorstellingen zoo - sterk uiteen als juist waar het de vraag geldt, wat met de Voleinding te komen staat. Dit is 't dan ook, wat onze inzichten in de toekomende dingen vaak zoo onvast maakt, en ons schier terug doet deinzen voor het dieper indenken ervan. In het heilig gezelschap van Christus, zijn Engelen en zijn Gezaligden daarboven daarentegen valt al deze onzekerheid van voorstelling weg. In het heiligdom daarboven, of wil men in het Vaderhuis, staat geheel de toekomst in klare doorzichtigheid voor het heilige waarnemingsvermogen. Aan de vooruit sprekende voorstelling faalt 't daarboven nimmer, doch ze doet met volkomen juistheid. nu reeds inleven in wat bij de Voleinding te komen staat. Wij zijn slechts nu en dan met de gedachte aan wat komen zal bezig, in de sfeer daarboven daarentegen leeft wat komen zal, onafgebroken en gestadig in de voorstelling. U ook maar een oogenblik te denken, waarin in het leven der heiligen daarboven de Voleinding niet mee zou spreken, kan niet worden toegelaten. 'Ook al bezitten we geen geheel adequate kennis van wat in het hemelleven den zin en de gedachte bezig houdt, en de innerlijke gewaarwording doordringt, zooveel staat voor ons dan toch vast, dat 't heilige gezelschap daarboven, als we 't zoo mogen uitdrukken, nooit af kan laten van in de Voleinding in te leven.

Dat ons hiervan alleen hier een bezielde indruk wordt gegeven, strekt om er ons op voor te bereiden, dat het proces, dat met de Zegelen begon, nu straks met de Phiolen ten einde loopt, en het bereidt er ons op voor. Dit mag echter niet zóó verstaan, alsof de profetieën, die straks omtrent de zes Phiolen volgen zuilen, nu reeds vooraf onder de Engelen worden rondverteld. In de wereld daarboven kan men niet uitsluitend met één enkel deel van het groot geheel, dat in de Voleinding RSbfèï^" vv? 3l.v.? ''; )v„.he.? io'„.houderL. __Ie_de voelt men zich steeds gespannen door het geheel, dat te komen staat. Vandaar dat de hier optredende Engelen ons volstrekt niet alleen onderrichten over wat op het laatste oogenblik is te wachten, maar spreken uit hun eigen bezig leven. Hunner toch is de heilige taak, om hetgeen te komen staat voor te bereiden, in te leiden, en achtereenvolgens in al zijn deelen te doen gebeuren. Vandaar dat ons in dit XlVe kapittel volstrekt geen letterlijke mededeeling geschiedt van hetgeen straks in hoofdstuk XV-XVI met de Phiolen volgen zal. Het program, als we 't zoo noemen mogen, dat ons in hoofdstuk XIV door de zes hier optredende Engelen geboden wordt, is veeleer van heel anderen aard, dan hetgeen straks in de profetie van de Phiolen volgen zal. Wat ons hier wordt vertoond, is het geheele samenstel van al wat uit de hooge wereld zich op aarde openbaren zal, om hetgeen in Gods Voorzienig bestel voor het einde der dingen besloten is, te verwerkelijken. De Phiolen geven sle^chts één derde van het geheel, enkel zoo men wil het slottafereel; in het heilig samenzijn daarboven daarentegen, gaat van den Christus, en zijn Engelen en zijn gezaligden een nimmer rustende actie uit, om wat in het einde komen moet, gereed te maken en te doen intreden. Bij het nader ontleden van wat de zes Engelen in dit kapittel aankondigen, of mededeelen, zal dan ook blijken, hoe zij zoo goed als geheel de eschatologische profetie van den Christus, in Matth. 24—26, weergeven, terwijl natuurlijk in hoofdstuk XV en XVI uitsluitend het laatste gedeelte hiervan aan de orde komt.

Er is dan ook geen sprake van, dat vire hier voor een eenvoudige herhaling zouden staan, alsof in de op elkander volgende visioenen gedurig hetzelfde zou worden medegedeeld, slechts in den vorm min of meer gewijzigd. Wat in hoofdstuk XV en XVI straks volgt, is een geheel op zelf staand stuk van de Voleinding, gelijk zich dit hier op aarde verwezenlijken zal. Even goed op zichzelf staand en in zich zelf compleet, als zulks het geval was met de Zegelen en met de Bazuinen. Alleen maar, het komt daarna en wel als het slottafereel. Het geheele proces zal met de Phiolen zijn afgesloten, en alles zal zich ten slotte saamvatten in de korte uitdrukking: »Het is geschied», d. w. z. nu is 't afgeloopen, nu is de bewandeling van den geheelen weg voleind. Op dit derde eindtafereel volgt geen vierde of vijfde. Hier daarentegen komt uit de wereld daarboven, d. i. uit de Engelenwereld, of wil men uit de zalige wereld, waarvan de Christus het middenpunt is, de zekere en ontwijfelbare aanduiding, dat 't thans alles ten einde gaat, en wat de groote gebeurtenissen zullen zijn die dit einde inleiden en brengen zullen. De inhoud van hoofdstukXIV is dan ook geheel anders dan van hoofdstuk XV en XVI. In die beide laatste hoofdstuk-ken vindt ge alleen het speciale van de laatste worsteling, hier daarentegen spreekt zich in de ongeziene wereld om Gods Troon uit, wat heel het leven daarboven in gestadige spanning houdt en aller gedachte vervult.

Slechts in zooverre is er verschil, dat ook daarboven, hoe meer het einde nadert, het reeds voorbijgegane op den achtergrond treedt, en hetgeen nu naderbij is gekomen, te meer de geesten vervult. Ware een kapittel als hier voor ons ligt, ook gegeven na het einde der Zegelen en eer de Bazuinen intraden, dan zou op hetgeen het slottafereel zal zijn, niet, gelijk thans, met zulk een eenzijdig overwicht de aandacht zijn gevestigd. Thans echter lag dit voor de hand. Als men zich van de drie perioden er twee als afgeloopen denkt, zoodat er nog slechts ééne periode te komen staat, dan kan 't niet anders, of op hetgeen in die laatste periode nieuw te komen staat, zal meer bijzonder zich de aandacht saamtrekken. Men onderscheide hier dus wel. Er zijn in het groote proces tweeërlei soort acties. Eenerzijds acties die in alle drie de perioden onafgebroken doorgaan. Zoo b.v. de prediking van het Evangelie onder alle natiën en volken. Doch hiernaast loopen gebeurtenissen, die in de ééne periode een geheel ander karakter aannemen dan in de andere. Zoo b.v. het optreden van den Antichrist, als hierbij de grootste felheid tegen den Heilige en zijn volk zich openbaart. Voor wat de derde of laatste periode van de Phiolen aangaat, spreekt 't daarom als vanzelf, dat hetgeen tot de eerste soort actie behoort, ook nu evenals in de beide vorige perioden cngt allp. krar.ht doorgaat, doch dat daarenbetreft, in de derde of laatste ^ - .~«"pnten terugkeert, wat in de tweede'"ëfl'''s..^J»» periode reeds zijn beslissing gevonden heeft. Dit nu heeft tengevolge, dat in hetgeen hier in de Engelenwereld daarboven vlak voor het begin der laatste periode gevoeld en doorleefd wordt, een ander karakter moet dragen dan wat doordacht is in de beide eerste perioden. Vandaar dat in het optreden der zes Engelen, waarvan hier sprake is, op tweeërlei onderwerp wordt ingegaan. Ten eerste op datgene, wat van meetaf tot het einde toe rusteloos doorgaat, zoo als, gelijk we reeds herinnerden, het geval is met de Prediking van het Evangelie onder alle volken, maar dan ook ten tweede op hetgeen als gebeurlijkheid nu voor het eerst en nieuw te komen staat. Men ziet dan ook, dat hetgeen in hoofdstuk XI'V van VS. 6 tot 20 voorkomt, als in twee deelen uiteen valt. Eerst vernemen we wat weibezien op alle perioden van toepassing was, maar daarna komt als tweede deel de uitdrukkelijke verwijzing naar wat thans geheel nieuw zich zal voor doen en ten slotte het geheele proces zal besluiten. Het kon daarom niet anders, of dit tweede deel moest meerdere uitvoerigheid erlaiigen.

Hiermede hangt 't dan ook saam, dat in dit kapittel de Christus niet slechts in den aanvang, doch ook in het midden optreedt, doch beide malen iu een geheel verschillende gestalte. In' vs. 1—6 zien we den Christus verschijnen als den Messias, die voor zijn volk lijdt en door dat lijden zijn volk verlost en redt. Hij treedt daarom in dit eerste stuk van dit visioen niet op als de Koning en overwinnaar, maar als het Lam Gods. »Ik zag, en zie, het Lam stond op den berg Sion». Daarentegen is in , vs. 14 niet het Lam, maar de gekroonde Koning van het Godsrijk de Redder, van wien de kracht ter behoudenis, maar tegelijk ook de kracht ten oordeel uitgaat. In het eerste deel van dit kapittel komt in niets de luister van den Zone Gods uit, maar eeniglijk de reddende kracht die het Lam Gods weet te doen opleven. De hoogst staanden zijn hier de gekochten tot eerstelingen voor God en het Lam, en de vrucht van hufi redding is, dat ze het Lam volgen overal waar hij heengaat. In vs. 14 daarentegen, waar de glorie en de triomf over Christus' vijanden gevierd wordt, is van het Lam geen sprake meer, valt het Kruis als weg, en is voor deze kenteekenen van den lijdenden Messias de gouden kroon in stede gekomen, die van zelf wijst op de Koninklijke majesteit van den overwinnaar, en met die gouden krOon is het ook de scherpe sikkel die op den voorgrond treedt, en dien de Zone Gods in zijn hand houdt, om nu zijn wederpartij der ten ondergang te doemen, en den principieelen ommekeer in het bestaan van het gansche heelal tot stand te brengen. Het wordt dan zoo voorgesteld, dat de Christus als de Rechter der gansche aarde op de wolken nederkomt, en tot hem die op de wolken zat, zoo lezen we dan in vs. 15, ging het

woord der Majesteit door een Engel Gods uit: »Zend nu uw sikkel uit, en maai, want de ure om te maaien is voor u gekomen, dewijl de oogst der aarde rijp is geworden, »

Op de onderdeden van dit gewichtige hoofdstuk zullen we nader nog in bijzonderheden moeten ingaan, maar toch is thans reeds de hier volgende conclusie op te maken. Ten eerste bevat dit hoofdstuk een visioen, dat aan Johannes getoond is, en dat door hem aan Christus' Kerk moest worden medegedeeld, om klaar en duidelijk te doen uitkomen, dat het einde naderde en dat in de Phiolen de laatste apocalypse zich ontsluiten zou. Het zouden een drietal Apocalypsen zijn en .blijven, 1". van de Zegelen, 2°. de Bazuinen en 3°. de Phiolen, en met de Phiolen die thans .aan de orde kwamen, zou het groote proces voleind zijn, In de tweede plaats is het terrein waarop ons dit visioen verplaatst, niet het Sion te Jerusalem, maar het Sion daarboven, en wordt ons hier een inzicht gegegeven niet op wat het aardsche leven verder zal opleveren, maar op hetgeen in het heiligdom daarboven het beeld is der komende dingen, gelijk zich dit aan den Christus, aan zijn Engelen en aan zijn gezaligden voordoet. In de derde plaats is opgemerkt, dat een visioen, als hier aan Johannes ten deel viel, ook na de Zegelen en na de Bazuinen hem kon gegeven zijn, doch dat hiertoe geen aanleiding bestond, wijl toen het einde nog niet kon intreden, doch dat zulk een visioen hier geheel ter plaatse was, omdat nu het laatste stuk van het eschatologisch proces intrad, en zoo wel Johannes, als straks door hem ook de Kerk, weten moest, dat met de nu komende actie van de Phiolen geheel het historisch verloop zijn einde zou bereikt hebben, en dat daarna onverwijld de nieuwe orde van zaken zou intreden, en' door de uitvoering van het oordeel »de nieuwe aarde onder den nieuwen hemel" zich openbaren zou. Voorts ten vierde, dat hetgeen in hoofdstuk XIV ons ter kennisse wordt gebracht, saam bijeenhoort, één geheel vormt, en niet in drie, maar slechts in twee dealen zich splitst. Het is onjuist, te beweren, dat hoofdstuk XIV : 1—6 welbezien tot het vorige zou behooren, en hier uit te lichten is, zoodat het hier getoonde visioen eerst bij het 6e vers beginnen zou. Geheel het tegendeel is waar. We hebben hier te doen met een visioen, dat uit twee deelen bestaat, en in beide deelen is het de Christus die den gang der gebeurtenissen beheerscht. Ten vijfde moet opgemerkt, dat in het eerste der twee deelen de Christus als het Lam Gods optreedt, en alzoo het verlossingswerk nog doorgaat, terwijl in het daarop volgende deel de Christus nogmaals optreedt, maar nu als Koning en Overwinnaar en als de Rechter der gansche aarde. En ten zesde, dat deze blik in de verborgen^V'--^|.W^H^-ullfn"g"VaA"cre als aanvulling van de overige ViSroenen, aoch uitsluitend, om èn Johannes èn zijn lezers op het alsnu ingaan van het einde te wijzen, en te doen gevoelen, dat het proces dat gaande was, en in zijn drie deelen zich ontplooien moest, alsnu met de komende Phiolen de eschatologische historie voleind zal hebben.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 januari 1918

De Heraut | 4 Pagina's

Van de Voleinding.

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 januari 1918

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken