Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van de Voleinding.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Van de Voleinding.

23 minuten leestijd

CCLXXV.

ACHTSTE REEKS.

XX.

En de wgnpersbak werd buiten de stad getreden, en er is bloed uit den wijnpersbak gekomen, tot aan de toornen der paarden, duizend zes honderd stadiën ver. Openb; XIV : 20.

Terecht is door de meeste uitleggera het 14e hoofdstuk bij vs. 14 gesplitst. Is in het eerste deel van dit kapittel sprake van den Christus als het I.am Gods, en van de doorsnijding van het leven der menschheid, die gevolg is van de aanvaarding of verwerping van den Verzoener, hier in VS. 14 keert het visioen zich van de Verzoening af, om zich eenigszins té werpen op de majesteit die van den Christus uitstraalt, als den He^re der heeren en den Koning der koningen. De gestalte waarin de Christus van nu af zich in het visioen aandient, staat dan ook lijnrecht tegen het beeld dat vs. 1—13 ons gaf, over. Ook hier echter moet streijg vastgehouden aan het eigenaardig karakter van dit visioen in hoofdstuk XIV. Ook hier toch wordt aan Johannes getoond, wat nu reeds in den hemel daarboven voorgedacht, voorgevoeld en als vooruit doorleefd wordt. Ook hier zij er daarom n^et allen ernst aan vastgehouden, dat Johannes hier een visionair inzicht ontving, niet op hetgeen bezig is op aarde te gebeuren, maar op hetgeen vooraf in den hemel geschied is, waar de Christus met zijn Engelen allerminst in rustige, stille afgetrokkenheid wacht op wat komen zal, maar rusteloos doende is, om met zqn Engelen, al wat te komen staat, niet maar in te denken, maar te bewerken voor het heden, en voor hetgeen te komen staat voor te bereiden. Met dit op zich zelf onloochenbare feit is dusver bij de uitlegging veel te weinig gerekend. Men gaf er zich geen rekenschap van, dat de Christus niet toeschouwer is van wat te gebeuren staat, maar 't alles indenkt, doordenkt, bewerkt en zelf tot stand brengt. Het eigenaardige nu van dit visioen in hoofdstuk XIV is juist, dat dit kapittel ons hierin een inzicht gunt, iets waaruit dan van zelf volgt, dat we ons hier hebben in te denken en ook te plaatsen in den hemel daarboven, waar de Christus met zijn Engelen voor het aangezichte Gods, niet slechts vertoeft, maar als van dag tot dag bezig en doende is, om voor te bereiden wat eens komen zal, reeds nu alles op die toekomst in te richten, en van uit den hemel hetgeen op aarde te komen staat, te bewerken. Juist dit nu brengt van zelf met zich, dat ons hier een inzicht in tweeërlei gegund wordt. Eerst in hetgeen - de Christus met zijn Engelen verricht, om zijn verzoeningswerk op aarde voort te zetten tot het laatste uitverkoren kind van God zal zijn ingeleid in het zalig lot der uitverkorenen: maar dan ook ten andere in hetgeen de Koning der koningen doet en doen zal, oïa den triomf van Gods heiligen Naam nu reeds voor te bereiden en te zijner tijd te doen doorbreken.

Dieper dit werk van den Christus indenkende, komen we zelfs tot het inzicht, dat deze actie van den Christus niet eerst na zija hemelvaart een aanvang nam, maar reeds in de dagen des Ouden Verbonds een voorgeschiedenis heeft gekend. Noch het werk der Verzoening, noch hetgeen te komen staat bij bet eindgericht, als de Koning der koningen over ai zijn vijanden de zegcBffaal behaalt, ging tot na de hemelvaart, buiten den Christus en zijn Engelen om. ^ bepaalt men zich tot Psalm II, dan vindt men toch daar reeds het woord vol majesteit tat den Zoon gericht: > Eisch van mij, en ik zal de heidenen geven tot uw erfdeel, en de einden der aarde tot uw bezitting. Gij zult ze verpletteren met een Ijzeren scepter, en gij zult ze in stukken slaan als een pottébakkersvat c Reeds toen unmers heette het aan het slot van den fsalm m vs. 12: > Kust den Zoon opdat hij met toorne, en gij op den weg vergaat, ais zijn tooiti ook maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen die op hem betrouwen.^ HerhaaldeUjk vindt ge m het Oude Testament reeds zulke aanduidingen. Neem slechts het slot van Joels profetie, _ waarin bijna met gelijke beeldspraak als in de Apocalypse hetgeen te komen stond, toen reeds als realiteit in beeld werd gebracht: > Slaat den sikkel aan, zoo heet 't daar, juist gelijk hier, want de oogst IS rijp geworden. Komt aan, daalt hier af, want de pers is vol en de perskuip loopt over, want hunlieder boosheid is groot. De zon en de maan zijn rwart ge­ worden en de sterren hebben haren glans ingetrokken.c Al wat te komen staat, en stond, was alzoo niet eerst na de hemelvaart van den Christus als uitgedacht, maar vormde een volheid van inzichten en verwachtingen, die reeds van eeuwen her alzoo in het Besluit Gods-ï^söageSf f< ^i gaandeweg van uit den hemel op onze aarde in gebeurtenissen verwerkelijkt werd. We mogen het daarom niet zoo opvatten, alsof de Christus met zijn Engelen van dit alles eerst van lieverlede kennis erlangde, en toezag hoe 't allengs gebeuren ging. Veeleer was de gedachte van dit alles in den Christus aanwezig, eer iets er van op aarde zich openbaren ging, èn niet a'ieen dat dit alles in het bewustzijn van den Christus klaar en helder gezet stond, maar ook aan zijn Engelen was er een gedeeltelijk inzicht in gegucd. En voorts bezat de Christus niet alleen de klare wetenschap van wat te komen en te gebeuren stond, maar hij zelf was het, die hetgeen konrên zou, voorbereidde, er de gegevens voor liet opkomen, en op die wijs ze ten slotte in ons leven op deze aarde verwerkelijken liet. Dit is van de ure van den val af steeds zoo geweest. En nu is dit maar de zaak, dat ons in den-regel geen blik, geen inzicht gegund is geworden in de wijze waarop dit alles zich daarboven voorbereidde, zoodat wij er slechts meê in aaitraking kwamen, als hetgeen daarboven voorbereid was, zich bij, ons begon te openbareti en te vertoonen, maar dat hier nu, bij geheel eenige exceptie, en zulks wel opzettelijk, aan Johannes, en door Johannes, aan ons het hemelschc conciliabuul ontsluierd werd. We kunnen hier als beluisteren, hoe het in den raad der hemelen van de zijde van Christus en zijn duizenden Engelen toeging, eerst om al wat te komen stond als pian gereed te maken, en daarna om ai wat voor de verwezenlijking van dit veelomvattend plan noodig was, daarboven en hier Ijeneden te doen gebeuren. 1

Geheel ditzelfde geldt nu van de teekening der Psrousie, die vs. 14 in deze woorden geeft: > En ik zag, en zie, een witte wolk, en op die witte wolk was een gezeten, des Menschen Zoon gelijk, hebbende op zijn hoofd een gouden kroon en in zijn han4 een scherpe sikkel." Ook dit is uiteraard niet als realiteit bedoeld, als daalde de Christus nu reeds ter aarde neder. Ook hier hebben we nog enkel met visioenen te rekenen, doch dan toch in dezen zin, dat de Christus en zijn Engelen niet eerst eeuwen later met de Parousie zullen rekenen, en in die Parousie zullen inleven, maar dat het rekenen hiermede terstond na zijn Hemelvaart beginnen moest. Niets toch van wat te komen stond, behoefde van die ure af eerst aan den Christus» geopenbaard of aangezegd te worden. Heel het verder verloop der dingen, de toebrenging der uitverkorenen, de worsteling tusschen de geloovigen en de ongeloovigen, en ten slotte het komen der finale beslissing, stond onverwijld in klaar beeld voor het bewustzijn van den Christus. Zoo zou het komen, zoo zou 't zijn. En zulks niet door een krachtsbetoon dat buiten hem omging, en waarvan h^ slechts de uitwerking zou waarnemen, - tnaar veeleer zoo, dat hij zelf het alles'verwezenlijken en tot wording brengen zou. En gelijk nu een architect, eer hij den eersten steen legt van het Paleis dat hij bouwen gaat, heel het plan zich gereed maakt en heel den bouw heeft doorgedacht, zoodat hij wat komen zou, als voor oogen zag, eer nog de eerste steen in den grond werd vastgeraetseld, zoo'was het uiteraard ook hier. De Christus heeft niet gepeinsd en gedacht om te zien v/at er komen zou, maar van meet af geheel het plan der verlossing en het einddoel klaar en helder voor zich gezien, en is steeds werkzaam geweest, om alles wat voor de verwerkelijking ran dit plan noodig zou zijn, uit het besluit in de werkelijkheid te doen overgaan. Het is de eenheid in de gedachte van dit grootsche, alomvattende veriossingsplan, die sinds de hemelvaart, alle eeuwen door, de gedachte en de verbeelding van den Christus en van^ zijn Engelen vervuld heeft. Het is daarmede dat de Christus alle deze eeuwen, tot aan de Voleinding, doende zou zijn, en dit alles heeft steeds klaar voor den geest van den Heiland gestaan.

Het is dan ook met dit geheele Goddelijke plan voor zich, dat de Ci»ristus in zijn Parousie als vooruitleefde. Juist zoo als wie ten festijn zal opgaan, reeds van te voren geniet in wat te gebeuren staat, en dit als voor oogen ziet en waarneemt, zoo ook^on het niet anders, of het besef en de verbeelding van den Christus moest steeds* vervuld zijn van wat te komen staat, en Z90 was het geheel natuurlijk, dat de Christus van de ure van zijn hemelvaart af, steeds in zijn Parousie inleefde, en als vooruit zag, hoe 't daartij zou toegaan. Hieraan nu moet te meer va.tgehouden, omdat de apocalyptische pn fetieën van den ^'Qi^ia%.ia Ma|_th. 24; ^sl: "érs steeds geheel gelijken fnaruk maken. Al wat te komen staat, stond'steeds klaar d-*n Christus roor oogen, en hiermede hangt 't dan ook saam, dat in de Apocalj-pse hetgeen te komen staat, schier altijd voor ons treedt, als terstond zullende plaats grijpen. Het skom Heere Jezus, ja kom haastelijk!" hangt hier onmiddellijk mede saam. Waar nu hier aan Johannes, en aanons allen ditmaal, een inzicht iii dit alles gegund werd, kon het derhalve niet anders, of het moest in dit visioen alles voor hem treden, alsof 't reeds werkelijk plaats greep. Bij or.3 gaapt tusschen wat te komen staat en hetgeen er voorshands alleen nog maar is, «t^gds een merkelijk verschil, en wat we waivoooien, geeft slechts zeer ten deele weder, wat zich naar ons toebeweegt. Maar zoo is het uiteraard niet bij den Christus daarboven. Hij toch wist nu reeds al wat te gebeuren staat, en wat hij zelf tot stand zal doen komen, met zulk een juistheid en praecisiteit, dat hij al de personen kent en doorgrondt, die daarbij ïuUen optreden, en het, al ligt 't nog in de toekomst, ja in verre toekomst, toch nu reeds zoo , in volle realiteit voor ich ziet, dat die realiteit straks het voor x\^ hem niet kan verhelderen, eer beschaduwen.

Het bleef voor Jezus niet een vraag, hoe 't eigenlijk met zijn Parousie toe zou gaan, alsof hij zelf dit eerst ten volle ontwaren en waarnemen zou, als het te gebeuren stond. Neen, de Christus heeft zijn Parousie van de eerste ure af gezien alsof ze reeds gebeurde. AI wat daarbij z ju plaats grijpen, heeft zich in zuivere trekken en in scherpe lijnen van de.i beginne' &amp; F* aan hem vertoond. En hieruit nu is t verklaren, dat waar-hier aan Johannes een wonderblik in het hemelleven gegund wordt, hij 't dan ook visionair waarneemt, hoe de Christus en zijn Engelen reeds nu met het klaarst denkbare inzicht inleven in hetgeen bij de Parousie té gebeuren staat, en in wat die Parousie zelve zal zijn. Reeds nu geniet de Christus in wat die Parousie voor hem zijn zal, en zulks niet doordat hij er zich een misschien straks min juist blijkende voorstelling van maakt, maar doordien hij 't reeds nu alles doorleeft, gelijk 't straks feitelijk staat te komen. Sterk blijkt dit uit wat hier staat van de wolk. Op zich zelf is die witte wolk hier geheel bijkomstig, en niets zou ons beletten het ons voor te stellen, alsof de Christus voor zijn wederkomst op aarde een dag zou kiezen met een klaren hemel. Eer zou ons die wolk hinderlijk zijn voor den vollen glans van zijn nedertialing. Voor den Christus daarentegen is dit alles zoo in bijzonderheden vaststaand, dat hij weet hoe juist die witte wolk den blik op zijn komen eerst breken zal. Ook het zitten op die wolk, waarvan hier gesproken wordt, geeft sterk den indruk weer, dien de geloovigen, die alsdan nog op deze aarde zullen zijn, van zijn komen ontvangen zullen. Toch mocht ook de schetsing van die witte wolk niet worden weggelaten. En tegenover die witte wolk staat nu als teeken van zijn glorie, dat hij verschijnen zal met een gouden kroon op 't hoofd, en met in zijn hand een scherpe sikkel. In deze drie gegevens ontvangen we uiteraard niets dan beeldspraak. Het duidelijkst ontwaren we dit aan de sikkel. De sikkel is een instrument, een gereedschap, dat bij de - boomteelt en bij den land'oouw te pas komt, niet op 't schavot noch in den krijg, als 't gaat om 't te niet doen van menschelijke levens. Reeds dit enkele woord sikkel toont alzoo aan, dat hier in beeld de gedachte uitkomt. Is dit nu zoo met de sikkel, dan kan 't natuurlijk evenzoo zijn met de witte wolk en met de gouden kroon. Ons is zoo weinig geopenbaard over hetgeen op de nieuwe aarde zelfs 't menschelijke verschijnen met zich zal 'erengen. Of 't zijn zal de menscb in paraaijsgestalte, of in gewaad en met sieraden gekroond. Vandaar onze geheele onwctendheidomtrent hetgeen de verschijning van den Christus zal kennierken. Alleen wordt aangegeven, dat 't een verschijning zal zijn die een betooverend heerlijken indruk maakt. Vandaar die witte blankheid van 't gewaad, dat in goud schitteren van de kroon, en dat ijzig scherpe van de sikkel, die opzettelijk als scherp wordt afgebeeld.

Zoo nu zal 't eens gebeuren, zóó werkt de Christus het nu reeds vooruit, door deze uitkomst voor te bereiden, en zoo is het uit het glorieuse bewustzijn dat nu reeds den Christus en zijn Engelen vervult, visionair aan Johannes te zien gegeven. Doch hierbij blijft het niet. In den hemel daarboven staat niet alleen al wat te gebeuren staat, den Christus klaarlijk voor den geest, zoodat hij 't al ziet, maar hij is er steeds in doende en werkende. Hij zelf is 't, door wien 't zich alzoo voleinden zal. Alleen blijft on? ééne vraag over. Niet van den Christus, maar van den Vader gaat het Godsbestel uit. Zal de harmonie tusschen de^Parousie en den Raad Gods ongestoord blijven, zoo moet dan klaarlijk ook dit speciale uitkomen, dat 't geen de Christus nu met zijn Engelen doen zal, en~om 't eerst te kunnen doen, nu reeds voorbereidt, niet alleen met den Rstad Gods overeenstemt, maar er zelfs uit voortvloeit. Om dit nu met volle zuiverheid te doen uitkomen, vernemen we in VS. 15, dat er uit den Tempel die bij God is, alsnu weer een andere Engel uitging, en dat deze met een groote, stem riep tot hem die-op de wolk zat:5 zend uw sikkel en maai, want de ure om te maaien is voor u gekomen, dewijl nu de oogst der aarde is rijp geworden.» En eerst daarop treedt het oordeel in, gelijk Ys. 16 dit aangeeft, waarin we lezen:3die op-de wolk zat, zond zijn sikkel op de aarde, en de aarde werd gemaaid«. Een enkele uitlegger heeft dit vreemd gevonden. Hoe toch, zoo vroeg men, kan een Engel aan den Christus last geven wat hij doen zal, of melden wat hij voornemens is te doen Dit schijnbaar vreemde verdwijnt daarentegen geheel, zoo men let op het onderscheid tusschen het vaststellen van Gods eeuwigen Raad, en de vervulling van dien Raad door den Christus. Gelijk we reeds straks bij Psalm 2 opmerkten, is het de Zoon die zijn last, ais we ons zoo mogen uitdrukken, ontvangt van den Vader, en dezen last aldan uitvoert. En zoo nu dok is het hier. Het uitbrengen van het laatste oordeel geschiedt cjoor den Christus, doch deze doet dit niet uit zichzelf. Het is veeleer uitvoering van Gods raad. En daarom is 't nu, dat er een Engel tot den Christus komt, die als in den naam Godes hem 't ©ogenblik gekomen verklaart, waarop de afsnijding van de verlorenen zal plaats grijpen. Het is hier geheel hetselfde wat wé vinden in het zeggen van den Christus tot zijn discipelen, eer hij lijden ging, dat niemand die ure kende, ook niet de Zoon, dan alleen de Vader die ia de hemelen was. Dat de Engel die deze aankondiging 'orengt, uit den Tempel komt^ spreekt dan ook vanzelf. In dien Tempd daarboven toch zetelt de Majesteit van den Drieëenigen God, en het is uit dien Tempel dat de beslissing uitgaat.

Over het beeld van de sikkel kan geen onduidelijkheid zweven. Het zijn de kinderen der menschen, die hier in 't beeld van 't gewas voor ons treden. Of hier slechts op één gewas, en dan op dat van den wijnstok, gedoeld wordt, is niet met zekerheid uit te maken. Wat hier gemeld wordt, kan toch zeer goed op tvv-eeërlei wijzen. Eerst op den gewonen oogst van het tarwcvéld, en pas daarna op den keuroogst van den wijnstok. De oogst van het t&amp; rweveld zou dan wijzen op wat geheel ons menschelijk geslacht trof, én de wijnoogst op de leiders der volken, die de wereld van God vervreemd hadden, en daarom nu met het verloren volk in de eeuwige verdoemenis in gingen. Voor deze opvattingvan den oogst in tweeërlei zin pleit het noemen van de sikkel. De sikkel is niet het instrument waaraan men het eerst denkt, als er sprake van is, - om de druiven van den wijnstok te innen. De rijpe druif plukt men af, of ze wordt met het handmes afgesneden, terwijl de sikkel meer doet denken aan wat wordt afgemaaid. In vs. 15 staat dan ook niet alleen: »Zend uw sikkels, maar: > Zend uw sikkel, f« ? H< 2a/, " een uitdrukking die van hefc saamlezen van den aogst van den wijnstok niet gebruikt pleegt te worden. En zulks te minder, omdat er vs. 16 op volgt: > en de aarde v/exè'gemaaid f.. Het schijnt-daarom voorkeur te verdienen, in VS. 15 en 16 te denken aan hetalgemeene oordeel dat over heel 't menschelijk geslacht gaat.

De voorlaatste of vierde Engel, van wien in VS. 17 meer gerept, dan gesproken wordt, doet hierbij het groote werk van het oordeel, dat nu een aanvang neemt. Er staat in vs. 17 alleen dit van: > En een andere Engel kwam uit den Tempel, die in den hemel is, hebbende ook zelf een scherpe sikkel». Dit wijst er op, dat het uitbrengen van het laatste oordeel een geestelijke arbeid van onmetelijken omvang was. De uitvoering van dit laatste oordeel bestaat toch geenszins eeniglijk in een zitten van den Christus in den rechterstoel, om, daar eenmaal gezeten, alsnu een rechterlijk vonnis uit te spreken, alsof het daarmede afliep. Eer wordt er ons telkens op gewezen, dat hierbij een oordeel komen zal, niet enkel over de menschheid in het gemeen, maar ook over de volken afzonderlijk, en veel sterker nog, ten slotte afzonderlijk over ieder persoon. Vandaar dat de Schrift meer dan eens spreekt van boeken, waarin ieders Ie «en en levensgedrag vermeld staat, er bijvoegende, dat deze boekai in den dag des oordeels voor zullen worden gelegd^^ en dat alsdan uit wat in die boeken staat het onderscheiden lot zal worden opgemaakt, dat ieder individu wacht. Van een aigemeene toespraak, of van een oordeel in een enkelen, alomvattenden vorm, is alzoo geen sprake. Het oordeel Gods gaat persoonlijk op ieders consciëntie in, en door ieders consciëntie terug op ieders persoonlijk leven. Daarom is 't dan ook, dat de Engelen steeds genoemd worden, als stellende het onderzoek in, dat ten slotte over ieders persoonlijk lot zal moeten beslissen. Hiermede nu is 't geheel in overstemming, dat niet alleen de Christus een scherpe sikkel in de hand houdt, maar dat aanstonds ook de Engelen toetreden, eveneens van zulk een scherpe sikkel voorzien, die alsnu het onderzoek saam met den Christus instellen. Dat hierbij slechts één Engel genoemd wordt, doet niets ter zake. Geheel het Engelencorps treedt hier als in dien éénen Engel saamgevat op. En waar nu de Schrift ons elders spreekt van tienduizendmaal tienduizenden Engelen, verkrijgt heel de gang van het laatste oordeel veel scherper teekening voor ons, indien men hierbij de opvatting deelt, dat de Christus met al zijn Engelen dit persoonlijk onderzoek instelt, en het, juist dank zij die medewerking van zijn Engelen, als ware "het in een korte spanne tijds voltooit. Ook de tijd, waarop dit alles plaats grijpt, hangt aan Gods bestel. - Het hing er aan, wanneer de oogst der aarde rijp sou sijn. Die rijpheid nu doelt niet op de geestelijke rijpheid des geloofs, maar heel anders op de beslissing, die ten slotte uit zal wijzen, wat er uit ons menschelijk geslacht geworden is. Er is eerst een tijd van inwachten van de beslissing. In dien tijdis nog bekeering, en daardoor ommekeer in den toestand denkbaar. Maar zijn eenmaal alie zoekende middelen van genade uitgeput, en is eenmaal alle bekeering en terugkeer tot God afgesneden, dan vervalt alle beweegreden van de genade om nog te toeven, te wachten, en de beslissing uit te stellen. Dan is-de menschheid rijp, dat wil zeggen, volkomen rijp, voor het oordeel, dat ze over zich haalde.

Voor den demonischen verleider der verloren menschheid wordt dit oordeel leei nu nu nog verscherpt door wat we in vs. IS i^Hl vernemen. Daar toch treedt ween andere Engel naar voren, iets wat ook e^Bw ' kaa opgevat van een groep andere ok Enge­ hier len, of van een andere groep van Engelen. Dat er slechts één genomen wordt, strekt eeniglijk om 't bijzonder karakter te doen uitkomen van de taak, die deze laatste Engelengroep te vervullen had. Hier nu lezen we: > En een andere Engel kwam uit van het altaar en die macht had over het vuur.ï Ook dit altaar wordt hier genomen als het altaar dat als brandaltaar dienst deed in den Tempel Gods, die boven in de hemelen is. Van een aardschen tenipel of van een altaar uit steen of metaal is alzoo geen de minste sprake. Ook hier wordt in het visioen ons als afgebeeld, en voorgeteekend, wat eens geschieden zal als van Boven zich naar ons toebewegende uit de heilige omgeving, die Gods Troon daarboven omringen mag. > De macht van het vuur" bedoelt hier, dat 't slachtoffer op 't altaar verbrand werd, en alzoo prooi van het vuur werd, en dit vuur wordt hier nu in geheel algemeenen zin genomen, als 't element dat verbrandt, verwoest, verteert en te niet doet. Het gaat nu op de druiven aan, in onderscheiding van den tarweoogst. Met den tarweoogst was nu afgerekend, zoo althans onze opvatting van de uitdrukking szend uw sikkel en maait, de juiste was. Maar nu komt in elk geval de beurt aan de druiven en den wijnstok, en over deze gaat nu het oordeel uit, dat ze met vuur verbrand moeten worden.

Het beeld van de druiven doet ons hier vreemd aan, omdat de druif eer een edele vrucht is, die op hoogen prijs wordt gesteld. Zoo echter is het hier niet de bedoeling van het. beeld. En evenmin moet hier gedacht aan de dronkenschap, die de wijn bewerken kan. Dat nu van den wijnstok gewag wordt .gemaakt is alleen, omdat de druiven voor hoog in soort gelden, en hier gedoeld wordt op diegenen onder de menschen, die uitblonken in macht en in eere, en hierdoor de volken misleid hadden. Er

wordt dan ook van dezen, wijnstok en van deze druiven niet met ontziende waardeering gesproken, doch veeleer als van een giftig gewas en van een onkruid, dat hoe eer hoe beter moet worden afgesneden, om verbrand te worden. Met groot gezag toch, zoo meldt vs. 18, wordt tot den laatsten Engel gezegd: »Zend uw scherpe sikkel en snijd af de druiventakken van den wijngaard der aarde, want zijn druiven zijn rijp." Nu pleegt men in landen waar wijn van Jen wijnstok gewonnen wordt, de afgeplukte of afgesneden druiven aanstonds in een wijnpersbak te storten, ten einde in die bak het wijnvocht uit de druiven uit te persen, en van de schillen en de korrels af te scheiden. In dien zin nu staat ook in VS. 19: sEn een Engel zond zijn sikkel op aarde en sneed de vrucht afvan den wijngaard der aarde, en wierp ze in den grooten wijnpersbak van den toorn Gods." Is 'ie druif de in soort hoogst staande vrucht, dan wordt hier in de7-e beeldspraak gedoeld op hen, die onder de kinderen der menschen . voor het hoogst golden, en in 't zeggen, dat wat als hun geest uit hen komt, voor eeuwig in de wijnpersbak van Gods toorn wordt uitgestort, spreekt zich op zoo ontzettende wijze uit, hoe 't edelste op aarde vlak in zijn tegendeel was omgeslagen, hoe het edelste het laagste en gemeenste was geworden, en hoe er daarom voor wat in de wereld als het hoogste gold, niet anders overblijft dan om weggeworpen te worden in de diepte der vervloeking en der vernietiging. Men' voelt hieraan, hoe 't beeld van de druif, dat-eerst zoo vreemd aandeed, ten slotte zoo ten volle uitdrukt, wat .plaats zou grijpen. Heel het verleden der wereld had zoo hoog gemikt, om, buiten God om, ja tegen G6d ingaande, tot de hoogste resultaten van cultuur en wetenschap en practische vindingrijkheid te geraken. Ten slotte was men hierin zoo eenzijdig afgedoold, dat de Antichrist er in kon slagen, en er in geslaagd was, om heel het wereldleven te beheerschen. Daarbij uitgekomen, verkeerde men toen metterdaad in den waan, dat men het hoogste bereikt had, en dat nu onder alle plantsoen en bodemvrucht de wijnstok, de edele druif was geworden. Nu echter blij4? t ten slotte, op wat waan en zelfverblinding dit alles uitliep. En de uitkomst is, dat 't alles in vlak zijn tegendeel omslaat, en dat het levenssap van dit alles uit wordt gestort in de wijnpersbak van den toorn Gods, om vernietigd en voor eeuwig verdoemd te worden.

Ten slotte komt_ nu nog het 20e vers: »En die wijnpersbak, namelijk die wijnpersbak van Gods toorn, werd uitgedragen buiten de stad, en toen is er bloed uit die wijnpersbak uitgevloeid, ja uitgeschud, tot er ten slotte zulk een stroom van menschenbloed op aarde stond, dat die stroom van bloed. reikte tot aan de toornen 'der paarden, en dat niet slechts op een enkel punt, waar het zich opgehoopt had, maar over een vlakte, die niet minder dan zeshonderd stadiën van den bodem dekte. Hier komt er alles op aan, om zich wel duidelijk te maken, wat hier bedoeld wordt met die stad. Blijkbaar is niet die stad zelve hier de hoofdzaak, want er staat dat het bloed uit die wijnpersbak getreden werd niet in, noch over, maar buiten die stad. Reeds dit wijst uit, dat de zoo vaak bepleite opvatting, als ware hieronder dan de stad Rome te verstaan op simpele, vergissing berust, Denkt men hierbij toch aan het oude Rome als Keizersstad, dan laat zich op geenerlei wijs de vraag beantwoorden, waarom niet die stad zelve, maar hetgeen binnen die stad lag hier de beslissing zou brengen. Dit laat zich nog wel verklaren zoo men aan Jeruzalem denkt, en^ vandaar zich verplaatst in het oude Hinnom met zijn afgrijzingen. Doch dan ook kan, gelijk ons blijken zal, toch geenszins aan het oude Jeruzalem worden gedacht, maar moet Jeruzalem hier zinnebeeldig genomen zijn, en wel zoo, dat hetgeen hier betoogd en aangeduid wordt, zich uitstrekt over de gansche aarde en tot alle volken.

Dit artikel werd u aangeboden door: Vrije Universiteit Amsterdam

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 februari 1918

De Heraut | 4 Pagina's

Van de Voleinding.

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 februari 1918

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken