Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van de Voleinding.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Van de Voleinding.

23 minuten leestijd

CCLXXVI.

ACHTSTE REEKS.

XXL

En de wijpersbakwerd buiten de stad getreden, en er is bloed uit den wijnpersbak gekomen, tot aan de toomen der paarden, duizend zes honderd stadiën ver. Openbaringen XIV : 20.

Vooral het slot van dit indrukwekkende visioen toont zoo overduidelijk, hoe dit visioen niet de reeks van Openbaringen voortzet, geKjk die nu in de Bazuinen achter ons h'gt, en straks in de Phiolen voleind wordt, doch dat hier eenigiijk sprake is van een blik ons gegund in het hemelieven, voorzoover de Voleindir g voor Christus zelf en voor zijn Engelen daarboven de leidende gedachte is, waarop de actie en de indenking daarboven zich richt. Elke poging om dit aangrijpende, maar dan ook zoo raadselachtige slot in Openb. XIV:20, een piaats in den gang der historie op aarde te geven, is steeds mislukt. Zoodra men daarentegen het hier ons berichte niet als van uit het Mrdsche leven beziet, maar als hemelsche voorstelling opvat, leeft alles in goeden gang voor ons op. Hoe ds stand der dingen zijn zal, gelijk die tan uit onze aarde zich zal aandienen, z-gt ons straks het XVe en XVIe hoofdstuk, en dient zich geregeld aan in hetgeen komt met de Phiolen, In hetgeen de Phiolen ons te kennen geven, beweegt zich hetgeen geschiedt op het terrein der natuur, hier uiareiiitgea iii hoofdstuk XP/ lest zich alles op in het gezicht, hoe de dingen op aarde voor Christus en zijn Engelen daarboven opleven. Van de Phiolen lezen we achtereenvolgens, dat ze op het terrein van het natuurlijk leven werken. Er is sprake van booze zweren, die als vernielende epidemie onder de kinderen der menschen op aarde uitbreken. Daarop volgt een ontreddering van den geheeien Oceaan en het sterven van het visschenheir. Bij de derde Phiool vernemen we van een ontreddering van de bronnen, rivieren en meren op aarde. De vierde Phiool leidt tot een actie die wel niet op aarde; doch in de Zon voorvalt, maar dan toch eenigiijk opkomt teneinde het leven op aarde door de brandende hitte ondragelijk te maken. Eerst met de vgfde Phiool komt het dan tot een aangrijpen van de aardsche machten in de temeerwerping van het Beest en zijn troon, zoodat wie deze onheilige macht dienden, nu hun tongen kauwden van pijn-En daarna eerst komt de zesde Phiool, die de Eufraat uitdroogt, waarop dan in de drie'vorschen de demonische machten zich gelden doen. En zoo komt 't eindelijk tot de zevende Phiool, die eindigt met het sluiten van het ontzettend tafereel der worsteling tusschen God en Satan hier op aarde en alzoo in de proclamatie uitgaat, om deze aan al wat leeft aan te kondigen. Die proclamatie zegt dan : Het is geschied; wat dan beteekent, dat alsnu de Voleinding is ingetreden. Dit nu teekent ons in zeven machtige trekken, wat feitelijk op aarde te gebeuren staat, eer de geheel nieuwe wereldorde na het oordeel een aanvang neemt. Dit alles duidt alzoo op den loop en het verloop der dingen, gelijk het zich hier beneden, op onze aarde, in onze menschenwereld zal voordoen, onderwijl alles uit deze benedenwereld opziet naar boven, de martelaren om Gods hulp in te roepen, en de demonische wereld om God te tarten en te tergen.

Doch geheel hiervan onderscheiden is nu, wat door Johannes in het groote visioen van hoofdstuk XIV te aanschouwen wordt gegeven. Niet dat het onderwerp een ander is. Ook in dit visioen toch loopt het op 't einde, en is ten slotte de wo> steling tusschen God en Satan voleind. De blik daarentegen, die in hoofdstuk XIV op dit alles geworpen wordt, vertoont een geheel ander karakter. Die blik is niet een opzien van de aarde naar Boven, maar juist omgekeerd een gestadig neerzien van Boven naar bensden. Het is hier van uit den troon Gods in den hoogen hemel dat de blik naar beneden op het aardsche doen gericht wordt, en wel op het aardsche doen, niet gelijk het nu reeds plaats greep, maar gelijk het dan zal plaats grijpen, als de afloop nabij is en het einde staat in te gaan. Ja, sterker nog, geheel dit visioen strekt eenigiijk, om een laatste waarschuwing naar de wereld der menschenkinderen te laten uitgaan. Nooit en nimmer moest straks, na de Voleinding, het verwijt i^unnen uitgaan, dat 't aan waarschuwing gefaald had. De in haar zonde ondergaande wereld moest nimmer kunnen klagen, dat ze verrast was, en dat het oordeel haar overviel. En ter voorkoming hiervan nu ging hier door Johannes de waarschuwing uit den Hooge uit, dat er thans geen nieuwe reeks van gebeurtenissen te komen stond. Na de Zegelen kwamen wel de Bazuinen, en na de Bazuinen zouden nu nog wel de P liolen komen, maar dan zou 't ook uit zijn, en geen nieuwe reeks van gebeurtenissen meer intreden. Dit had men zich op aarde kunnen inbeelden. Gelijk men zoo vaak ook nu nog ziet, dat een kind der wereld zich in de wereld verliest, en dan wel, bij het hem overvallen van een bijna doodelijke ziekte, een oogenblik tot ernst gestemd schijnt, en hope geeft op beter, maar toch een volgend jaar reeds weer den ouden sleurgang van zijn zondig leven lief kreeg, zoo kon 't ook hier de zondige wereld vergaan. Opgeschrikt door de Zegelen en de Bazuinen, zou ze wanen kunnen, dat nu ook de Phiolen wel bang en ontzettend zouden zijn, maar dat op de Phiolen nog wel weer een nieuwe reeks teekenen te volgen stond, zoodat alle verleiding tot definitieve breuke met het onheilige voorshands nog ontbrak; en deze vaische voorstelling was het nu, waaraan op de meest afdoende wijze de kop moest worden ingedrukt. Te dien einde nu wordt op de klaarste en duidelijkste wijze in dit visioen aan Johannes en door Johannes aan de wereld te kennen gegeven: Na de Phiolen komt er niets meer. Alle gelegenheid zelfs voor inkeer en berouw wordt dan voor goed afgesneden. Nu is 't nog-het Lam Gods, dat verzoenend op de schuldige wereld neerziet, maar dan is 't ook aan 't groote keerpunt toe. Het Lam wordt de Heere der heeren, de Koning der koningen, en voor eeuwig wordt alles beslist. De wetenschap nu, hoe die einduitkomst zou benaderd worden, en welk beeld ze ten slotte zou opleveren, was niet hier beneden, wel daarentegen daarboven bekend. Voor Christus en zijn Engelen leefde dit alles nu reeds. Christus en zijn Engelen waren gestadig doende om dit einde voor te bereiden. En hieruit nu verklaart het zich, hoe aan hoofdstuk XV en XVI dit hoogst opmerkelijke visioen in hoofdstuk XIV voorafging, niet om ons twee gezichten voor één te geven, gelijk eigenlijk zelfs Kliefoth het nog opvatte, maar heel anders, om alle zelfbedrog op aarde af te snijden door ons aan te toonen, hoe daarboven door Christus en zijn Engelen geheel de afloop reeds wordt voorbereid, en te dier oorzake zich nu reeds in klaar beeld aan Christus en zijn Engelen voordoet.

Deze opvatting nu wordt door hetgeen VS. 20 van het veertiende hoofdstuk ons hoören doet, op alle manier bevestigd. Ook hier toch vinden we een voorstelling van den loop der dingen, die niet ontleend is aan wat op aarde geschiedt, maar aan de voorstelling, die desaangaande door Christus en zijn Engelen met het oog op den voor hen ontstaanden loop der dingen noodzakelijk aanwezig vras. Christus bezat van het eerste oogenblik dat hij, na zijn hemelvaart, ten hemel inging, niet alleen de volledige en alomvattende kennis van wat alsnu te komen stond, en door hemzelf en zijn Engelen met het oog hierop stond verricht te worden, maar hij was hierin van meet af handelende. Reeds aan den Pinksterdag ziet men dit. Op dien grooten Pinksterdag toch werd er uft^den hemtl aan den loop der dingen op aarde een keer gegeven. Er trad een zeer beteekenende verandering in, die de toekomst beheerschte, 'en die verandering ging niet buiten den Christus om, zoodat hij er slechts kennis van nam, maar zelf was de Christus hierin met zijn Engelen doende. En zooals het op den Pinksterdag toeging, zoo is het tot nu" toe steeds gebleven, en zal 't blijven tot den einde toe. Er is Christocratie, d.w.z. de Christus is doende, de Christus beheerscht den toestand en de Christus bereidt voor en brengt teweeg, wat straks opkomende is in zijn Kerk, en ten slotte de Voleinding brengen zal. Niets van dit alles, dan alleen het jaartal, is voor den Christus een geheim. Hij ziet' 't alles, hij doorziet 't alles, werkt er in, en bereidt het voor. Hij doet • dit met en door zijn Engelen. En dit nu brengt teweeg, dat geheel het verloop van deze handelingen van den Christus van meet af in voltooid beeld voor den geest van den Christus staat, hem van oogenblik tot oogenblik bezig houdt, en als beeld zoo machtig in hem aanwezig is en hem vervult, dat hij 't als voor zich ziet, en het doorieeftja, als ware de Voleindfng reeds ingetreden. In dit bewustzijn en in deze gesadige actie van den Christus en van zijn Engelen wordt hier nu aan Johannes een inzicht gegeven, een visionair inzicht, en het is het hierdoor aan Johannes toekomende vis jen dat ons in hoofdstuk XIV ten beste ~vordt gegeven.

Nu is de blik op hetgeen de Voleinding zal doen naderen, uiteraard geheel verschillend, al naar gelang men er kennis van neemt, terwijl men nog o; j> aarde verkeert, en van deze aarde naar den hemel, vanwaar het komt, opziet, dan wel gelijk Christus in den hemel vertoeft, en deswege uit den hemel naar de aarde nederziet. En zoo nu ook is het met hetgeen we in hoofdstuk XIV hooren van de wijnpersbak van Gods toom, van het bloed tot aan de toomen der paarden, en ran de bloedzee van 1600 stadiën in omvang. Van uit de aarde gezien zal het ontzettend eindtafereel blijken te zijn een doode'ijke v/orsteling van den Antichrist, die op heel de wereld beslag legt, en die de were.d aan Christus ontrooven wil. Het zal dfarom een jvorsteling zijn, die zich allerm: nsttot één slagveld, tot één werelddeel of tot éèn volk bepalen zal, maar 't zal, geheel anders, een doodelijke worsteling rjn, die zich over de geheele wereld verspreict, tot alle volk en na ie zich zal uitstrekken, en geheel ons menschelijk geslacht, van wat stam of taal ook, als in bond tegen den Almachtige zal doen optreden. Het zaleen doodelijke slotworsteling zijn, die onder den Antichrist opkomt, en ten slotte de r.oo wonderbaar bewegende actie van Gog eii Magog uit het Oosten doet optreden, yan uit de aarde bezien was hier alzoo te handelen met het Beest, het Beeld, den Antchrist en Gog. Geheel anders daarentegen moest het zich voordoen in het XlVe hooldstuk, waar dit aardsche eindtafereel van , aet wereldsche leven ons te aanschouwen vordt gegeven, gclgk hel £kh ¥Gcricit •, „-. ie Engelen daarboven, en dan natuurlijk doet geheel het opstandige menschenleven zich niet in zijn onderscheiden deelen, maar in vast saamgesloten eenheid voor. Het zijn dan niet de volken en naüën die optreden, maar het is ons ééne alomvattende menschelijk geslacht. Vandaar dat geheel de omvang van het menschelijk leven hier als in één wordt saamgetrokken, en dit leidt er dan vanzelf toe, om zich de Majesteit Gods te denken als op aarde gerepresenteerd in de heilige stad, en al 't woelen van Satan als tegen die heilige stad zich keerend. Nu diende zich dit onder de bedeeling van het Oud Verbond vanzelf indien vorm aan, dat Jerusalem het middenpunt was, dat het om die heilige stad ging, en dat dan ook onder de muren van Jerusalem de finale slag geslagen werd. Aan die voormalige toestanden en verhoudingen ontleent daarom ook hier het visioen zijn grondtrekken. Al het het hooge geloofsleven, gelijk het zich ten slotte in de martelaars vertoonen zal, wordt ons uitgebeeld in het beeld van het oude Ston. Al wat over heel de wereld zich verdeeld en uiteengespreid voordoet, wordt in dit ééne historische beeld saamgevat, en zoo kan het niet anders of het bleef alom de oude tegenstelling van Jerusalem en Babyion, om in de historische trekken van deze oorspronkelijke tegenstelling de eindtegenstelling te doen uitkomen.

Er dient zich hier derhalve tweeërlei beeldspraak aan. De eerste, waarop we reeds de toelichting gaven, wijst op den wijnstok, en de druiven van den wijnstok, en op de wijnpersbak. waarin uit die druiven de wijn zal worden uitgeperst en uitgewrongen, en deze beeldspraak gaat dan tot het einde toe door. Doch hierbij voegt zich thans de tweede beeldspraak, dat Jerusalem bezet wordt, om uit te drukken wat over heel de wereld als nawerking van het heilige zich aandient, en dat de worsteling onder de muren van Jerusalem geheel gelijkt op de worsteling die zich over heel de wereld ten slotte zal voordoen. Daarvan nu lezen we: > En de wijnpersbak werd buiten de stad getreden, en daar is bloed uit de wijnpersbak gekomen, tot de toomen der paarden, duizend zes honderd stadiën*. Het beeld treedt hier alzoo terug en gaat over in de reëel bedoelde zaak. Wijn was als symbool genomen, eensdeels om de roode tint die de wijn vaak met het bloed gemeen heeft, en ten andere omdat het de wijn is, die op aarde zoo vaak demoraliseert en het leven vergiftigt. Waar alzoo eerst uitsluitend van den wijn en de wijnpersbak gehandeld werd, valt nu deze beeldspraak geheel weg, en wordt alsnu overgegaan tot de zaak zelve die door den wijn werd voorgebeeld, d.i. tot het menschelijk bloed. Feitelijk zou 't in de eindworsteling dan ook op een niets ontziend bloedvergieten uitloof)en. De Antichrist zou. niets sparen. In kolossale legermassa's zou hij zijn macht wapenen, en ze als voor niets terug d g l z k d z z o a a a l u d z d d deinzende legermacht tegen de volken der aarde loslaten. Geen legermacht van welk volk ook zou tegen deze Antichristelijke legermacht bestand blijken. Vreeselijk zouden de veldslagen zijn, die voor de finale beslissing zouden geleverd worden. Als bij stroomen zou in deze veldslagen 's menschen bloed vergoten worden, en om nu de ontzettendheid van die ten slotte in te wachten bloed vergieting in de machtige trekken van een imponeerend beeld te doen uitkomen, wordt er gesproken van een bloedmassa van een meter en meer hoog, en zich uitstrekkende over een oppervlakte van duizend-zes-honderd stadiën.

Zestienhonderd stadiën is een uitgestrektheid van 34 tot 48 vierkante mijlen. Anderen verstaan het aldus, dat men zich hier een ronde uitgestrektheid moet denken, waarvan de straal 1600 stadiën bedroeg. Doch hoe men dit ook neme, het wijst op een alles overtreffende bloedvergieting, waarbij geen menschenleven ontzien of gespaard werd. .Alleen, waar die bloedvergieting zich zal uitstrekken over heel ons aardrijk en over alle wereiddeelen, wordt thans dit alles als in één plek saamgetrokken, en alsnu aangeduid, dat hiervoor een plek noodig was van tien uur loopens, 'tzij in omtrek, 'tzij met een straal van die lengte zich ombuigend. Dit nu is uiteraard het beeld der dingen, niet gelijk het hier op aarde zal worden waargenomen, - als het er aan toekomt, maar gelijk het zich op oneindigen afstand van uit den hemel bezien, aan wie in den hemel verkeert, zal voordoen. Hierbij hebben we het ons nu niet voor te stellen, alsof de hemel hier gedacht werd, als slechts tot aan' het wolkenheir zich boven de aarde om te buigen. Eer integendeel, wordt er op gewezen, dat tweeërlei hier wel te onderscheiden i-, t.w. de namelooze afstand, die gaapt fj^chen den hemel God? daarboven en ons firmament, en ten andere de zooveel kleinere afstand die te ramen is tusschen het wolkenheir en onze aarde. Om nu dien onmetelij ken afstand tusschen den hemel van Gods troon en onze aarde ook maar eenigszins te doen gevoelen, moest hetwe.l aldus worden voorgesteld, dat hetgeen op aarde zich in de breedte en in de lengte naar alle windstreken uitstrekte, thans als in één punt, in één plek, in één schouwtooneel was saamgevat. Juist, gelijk we reeds opmerkten, wat iemand die op den top van een hoogen berg staat, gewaar wordt, als hij naar omlaag nederziet. Tien, twintig dorpen, ' die daar beneden met hun woningen en landouwen ver uiteengespreid liggen, doen zich, als ge er van uit zulk een hoogen bergtop op neerziet, aan u voor als een nietig groepje. En zoo nu ook was het hier. Waar het visioen Johannes verplaatste in het heiligdom daarboven, waar Christus met zijn Engelen troont, moest het breed gespreide veld op aarde, waarop de vele volken zich hun woonstede hadden ingericht, zich wel als een in kleine omtrekken saamgevat menschenleven vertoonen. Vandaar dat hier eenigiijk van dat leven om de heilige stad wordt gerept, en dat heel de wereld ons voor wordt gehouden, als in dat eenige, prachtige terrein saamgetrokken. En om nu wel te doen uitkomen dat dit slechts beeldspraak is, en dat 't wel bij die oneindige verte zich zoo voordeed, maar op de aarde zulke oneindig breedere afmetingen zou aannemen, daarom wordt hier nu gesproken van een bloedmassa, die in een meer of in een zee een meter hoog staat, en die zich zal uitstrekken over een terrein van een 40 mijlen, 'tzij in omtrek, 't zij als straal.

Reeds dit spreken van een bloedstroom, die zich een meter onïhoog verhief, toont, dat hier aan geen letterlijke opvatting te denken valt. Bij moord, doodslag of oorlogsworsteling stijgt 't bloed dat de slachtoffers verliezen, niet omhoog, maar zinkt in den boden, of loopt zijwaarts af. Vielen op één punt eenige honderden, die aan hun wonden stierven, dan kan op ie ééne plek wel een klein bloedbad zich evormd hébben, doch dit duurt niet. De wegzinking in den bodem of het wegtoopen angs de beken treedt aanstonds in, en elfs de stoutste verbeelding van den rijgsman kan zich nimmer een bloedzee enken, die een meter hoog zou staan, en ich over een vlakte van een 40 mijlen ou uitstrekken, of zelfs gelijk menigeen wil ver een rondevlakte met een 40 mijlen ls middellijn. Zulk een voorstelling kan lleen zich vormen, indien hetgeen op deze arde in werkelijkheid zich over heele anden uitstrekt, nu genomen wordt als it schier oneindige hoogte begluurd, zooat alsnu op het nauwst saamgetrokken ich voordoet, wat in werkelijkheid zich ruppelsgewijs over zoo breed terrein in en bodem liet wegzinken. Wat hier van de toomen der paarden gesproken wordt, doelt natuurlijk op de wereldmacht, die ten oorlog toegerust, zich in een machtige ruiterij aandient als om ontzetting en schrik te zullen inboezemen, en daardoor zfch de zegepraal te verzekeren, terwijl toch feitelijk omgekeerd deze machtige ruiterij het moet afleggen, en alsnu vluchten wil, doch zelfs hierin verhinderd wordt, doordat öe bloedstroom zoo ongelooflijk hoog stijgt, dat de paarden, waarop de strijders zich voortbewegen, door den bloedstroom worden tegengehouden, en niet verder kunnen. En zoo blijft dan ten slotte alleen de symbolisch-technisch€r.vraag over, - wat we ons te denken hebben bij 't spreken van die 1600 stadiën. Letterlijk genomen zijn deze duizend zeshonderd stadiën voor het slagveld als zoodanig niet te veel. Dit heeft men zich voorheen wel ingebeeld, maar wie thansSboort van de onmetelijke slagvelden, die aan het West-en Oosterfront van Europa zich uitstrekken, voelt aanstonds, dat de nu zich daarbij voordoende uitgestrekt heden nog veel reusachtiger afmetingen aannamen, en dat wie thans de maat wilde aanleggen met de 1600 stadiën, nog op verre na het einde van de lijn niet halen zou. Toch mag dit ons niet misleiden. Bedoeld kan niet zijn, dat zulk een zee van menschenbloed zich eens tot zoo ongehoorde afmetingen zal uitbreiden. Op die wijs meet men geen slagveld en kan men het niet meten, en de fout van hen die zulks toch bij hun uitlegging aandorsten, school eenigiijk daarin, dat ze niet bedacht waren op het symbolisch karakter dat in de Apocalypse schier alle getallen en alle tijden aannamen. Met name ten opzichte van het getal zeven hebben we dit breedvoerig aangetoond, maar tot het het getal zeven bepaalt zich dit symbolisch karakter niet. Het staat evenzoo met de cijfers van twaalf, van zeventig, van honderd en van duizeud, altoos naar den stelregel, dat duizendjaren bij den Heere zijn als één dag en één dag als duizend jaren; iets waar de Chiliasten nooit in konden komen. Zoo nu staat het ook hier. Ook het cijfer van zestienhonderd moet daarom hier symbolisch ontleed worden, - evenals het cijfer van zeshonderd zes en zestig in het laatste vers van het voorafgaande dertiende hoofdstuk. Alle deze cijfers en getallen hebben steeds tot het bedenkelijkste misverstand aanleiding gegeven, omdat men deze producten van Oostersche verbeelding met de afgepuntheid van ons Westelijk denken heeft willen ontleden. Dit nu kan eenvoudig niet. De Oostersche voorstellingswijs, gelijk we die op allerlei manier bij de Babyloniërs en zoo ook bij Israël aantreffen, is veeleer steeds symbolisch, en zoo ook in de getallen-symboliek gekunsteld, en alleen wie zich daarin thu's weet te zetten, kan in wat ons de Apocalypse aan cgfers biedt, met klaarheid inleven. Nu is het volkomen juist, dat dit den tekst vaak onduidelijk maakt, om recht den zin te vatten van wat bedoeld wordt. Het is dan ook geheel natuuriijk, dat de exegeten van het Westen, \vaartoe ook onze Nederlandsche uitleggers behooren, van meetaf verleid werden, om zich met ondenkbare verklaringen te behelpen. Het is daarom zoo gelukkig, dat er toch een enkel maal ook in het Westen uitleggers optraden, die zich geoefend hebben, om in die Oostersche voorstellingswijs in te leven. Vooral de hoogleeraar Kliefoth heeft in zijn studie Die Zakle-symbolic der Heilige Schrift (zie Iheol. Tijdschrift^ 1862 bl. 424 v.v. een gelukkige poging gewaagd, om" in de beduidenis van het gebruik der cijfers in het Oosten in te dringen. Ook op het zoo belangrijk werk van DR. K. CHR. W. T. BaHR, Symbolic der Mosaiscken Culfur, Heidelberg 1839, zij hier vooral de aandac t gericht, en nog gaat het onderzoek voort. Doch in elk geval gaat feü, wie hier verzuimt met de symboliek te rekenen, en daarom is het te waardeeren, dat Prof. Kliefoth ook hier een ontleding van dit symbolisch gebezigde cijfer beproefd heeft. Hq oordeelde toch op blz. 148 van het derde deel van zijn exegese van de AiX)calypse: »Erblijfl ook hier niet anders over dan het cijfer 1600 symbolisch op te vatten". Hierbij doet zich tweeërlei mogelijkheid voor. Hoffmann en Ebrard houden zich er dan aan, dat 1600 de vermenigvuldiging is van 40X40. De lengte van dezen bloedstroom zou dan niet anders zijn dan de sym'oolische aanduiding van de ontzettende straf, die aan de goddeloozen te wachten st.> nd. Gelijk ook - de jammer die Israel in de woestijn trof, op 40 jaren was gesteld. Dit strafcijfer van 40 zou, met zichzelf vermenigvuldigd, dan een nog veel strenger straf van wrake beteekenen, die thans de lieden van den Anti-christ zou treffen. Wel bestaat hiert^en de bedenking, dat in dezen zin wel

het cijfer 40 gebezigd werd, maar dat de Schrift geen voorbeeld geeft van een 40 X 40, waardoor uiteraard de intensiteit als ware het in het oneindige zou worden %'erhoogd. Doch men behoeft daarom nog niet te zeggen, dat dit niet zoo kan. Vooral waar hier op de eeuwige straf gedoeld wordt, spreekt er zelfs iets voor.

Toch heeft Kliefoth_zelf nog een andere verklaring van dit symbolische cijfer beproefd, en wel door het aldus op té vatten, dat het zou opkomen uit 4X4X100; een vermenigvuldiging die evenzeer de 1600 tot uitkomst heeft. Naar mag vas'gesteld, is de 100 de exponent van de tien, en is 4X4 of zestien de exponent van de vier. Onder de vier zou dan hier verstaan moeten worden de uitbreiding van de vlakte in de vier hemelstreken. Er is toch eenmaal een T«Ic)ord en Zuid; een Oost en West, gegeven, en alzoo zijn er vier hemelstreken. En wil men nu de beteekenis van die vier hemelstreken nader aanwijzen, dan komt men op de 4 X 4, gelijk - dan bij de bepaling van de winden, niet eeniglijk met Oost en West, Noord en Zuid wordt gerekend, maar ter nadere bepaling niet zelden ook op het Noord-westen, Zuid-Oosten en Zuid-Westen en Noord-Oosten gewezen wordt. Op zichzelf zou in dat 4 X 4, ' om de vier hemelstreken scherper aan te duiden, dus niets ongewoons liggen, veeleer iets dat ook in het Westen vaak wordt aangewend. En zou nu op deze wijs het cijfer 16 op de terrein vlakte doelen, omgekeerd laat het zich evengoed hooren, dat de 100, als 10 X 10 genomen, de exponent geeft van het cijfer, dat op de historie doelt in oeconomischen zin. Bedoeld zou dan zijn om in hoofdzaak hier aarj te duiden het eeuwig karakter, dat de eindbeslissing in het oordeel voor hen, die ten einde toe zich tegen God hadden aangekant, brengen zou Alle hope zou hun voor eeuwig, zijn afgesneden. Het zou zijn e^ jammer en een eeuwige ellende in de toekomst, die zich naar alle zijden en voor alle tijden in verdoemenis voleinden zou.

Juist dit nu was het punt, waarop 't hier in de Apocalypse aankwam. Het visioen dat in hoofdst. XIV aan Johannes ten deel viel, gaf hem een inzicht in het hemelsche visioen, waardoor de Christus met zijn Engelen inleefde in wat te komen stond. Hierbij was het nu hoofdzaak wel te doenverstaan, dat wel na de Zegelen de Bazuinen kwamen, en dat na de Bazuinen thans jsog de Phiolen zouden volgen, doch dat na de Phiolen niets meer te wachten stond, zoodat straks onmiddellijk de eindbeslissing zou ingaan, die over ieders lot voor eeuwig beslissen zou, zoo zelfs dat dit niet alleen voor de individuen zou geldeij, maar evenzoo voor vdlkèn én naaën, ja ten slotte voor de geheele wereld. Deswege kon het niet anders, of het was de potentieering van de tien en de potentieering van de vier en voorts beider verband dat zich hier op 't sterkst uitspreekt. Zoo nu opgevat is ecgeen sprake van, dat hier in dit XlVe kapittel slechts een verzwakte en verkorte aanduiding zich zou hooren laten van wat straks in de volgende kapittelen breeder zou worden toegelicht. Alle pogingen van dien aard hebben dan ook tot niets anders geleid, dan tot wat ook in de aanteekeningen van onze Statenoverzetters te betreuren valt, t.w. tot een j; ansch averechtsche toepassing van alle deze visioenen op groote historische gebeurtenissen. Deze toepassing van de Schrift kon nu niet anders dan tot puur willekeurige uitleggingen verlokken. En wie nu in de aanteekeningen van onze Statenoverzetters bij dit XlVe hoofdstuk nauwkeurig nagaat, aan welke geheel willekeurige toepassing men zich al niet gewaagd heeft, die kan toch thans tot geen andere slotsom kómen, dan dat al deze vroegere uitleggingen alle bewijs schuldig bleven voor de juistheid van wat beweerd en voorgegeven werd. Het werd zoo maar gezegd. Men beweerde dat zulk een uitlegging als men gaf, toch tot op zekere hoogte op het historisch gebeurde leek. Vanzelf had schier elke uitlegger dan weer zijn eigen opvatting. Eens was en werd men het nooit. En het jammerlijkste was, dat de heerlijke vertroosting van het einde die in dit hoofdstuk ons toespreekt, zoo men het opvat als den gedachtenrijkdom van den Christus en zijn Engelen na zijn hemelvaart over de dingen die komen zouden, ten eenenmale aan de vroegere geslachten vreemd bleef. Eerst van' het oogenblik af, dat men al die toepassingen op het verleden varen liet, en de voorstelling eeniglijk gelden liet van waL bij de Voleinding te komen staat, hielp men ons van al dit misbruik van de Schrift af, en leidde ons tot klare, de ziel verheffende inzichten.

Dit artikel werd u aangeboden door: Vrije Universiteit Amsterdam

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 februari 1918

De Heraut | 4 Pagina's

Van de Voleinding.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 februari 1918

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken