Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van de Voleinding.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Van de Voleinding.

19 minuten leestijd

CCCIII.

ACHTSTE REEKS.

XLVIII.

En tot mij kwam één van de zeven engelen, die de zeven phiolen hadden, welke vol geweest waren van de zeven laatste plagen, en sprak met mij, zeggende : Kom herwaarts, ik zal u toonen de bruid, de vrouwe des Lams. Openb. XXI : 9.

Met het 9e vers van het 21e hoofdstuk treedt ons een nieuw^e Engelenverschijning tegen, en wel de laatste van de geheele Apocalypse. Deze laatste Engel was reeds vroeger aan Johannes verschenen, bij het uitbreken van de zeven Phiolen. Hiermede echter Ijad de^e laatste verschijning niets uitstaande. Nu toch ging van den Engel geen getuigenis van oordeel over de verloren menschheid meer uit, maar, geheel in tegenstelling hiermede, , een getuigenis, dat uitsluitend doelde op de gezaligden. Alleen door hierop nauwkeurig te letten, verstaat men de wisseling van karakter, die het visioen thans ondergaat. Het is nu weer het Lam dat op den voorgrond treedt, en de Kerk der gezaligden is nu weder de Bruid van den Christus, die 't oogenblik voelt naderen, waarop ze uit haar Bruidsstaat in. het heilig Huwelijk met den Christus zal ingaan. Reeds in vs 2 van dit hoofdstuk werd het nieuwe Jerusalem, dat uit den hemel afdaalde, vergeleken bij zulk een bruid. Er staat toch: gt; Ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jerusalem, nederdalende van God uit den hemel, als een bruid die voor karen man versierd is." In vs. 9 wordt nu aanstonds op die Bruid teruggekomen, en treedt als vanzelf de Christus wederom op in de gestalte van het Lam. Deze gestalte was weggevallen, toeii in de verdere visioenen het oordeel inging. Toen in hoofdstuk V het groote visioen inging en de Christus met de zeven zegelen verscheen, stelde ook VS. 13 hem voor in de gestalte van het Lam, Johannes hoorde toch (zie vs. 18) alle schepsel dat in den hemel is, en op aarde en onder aarde en in de zee is, uitroepen: Hem die op den Troon zit en het Lam, zij de dankzegging en de eer en de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid." Bij de verdere ontsluiting echter van de Zegelen, bij het v/eerklinken van de Bazuinen, en bij het uitgieten van de Phiolen, was het oordeel ingegaan en hiermede het Lam teruggetreden, om ons den Christus als Rechter en volvoerder van het eindvonnis voor te stellen. Thatjs echter, nu het oordeel voleind is, en de Christus"^ eeniglijk nog met de gezaligden en geredden in aanraking treedt, nu valt de Rechtergestalte weer geheel weg, is het oordeel voleind, en keert de Christus in de Lamsgestalte terug, om alzoo eeniglijk met de uitverkorenen en gezaligden zich bezig te houden, en deze gezaligden komen nu als van zelf te voorschijn, evenals in Efeze V : 23 v.v. En juist hiermede in verband is het zoo natuurlijk en zoo sterk sprekend, dat na het oordeel en na afloop van de geestelijke worsteling, nu de Christus weder eeniglijk met zijn verkoren gemeente te handelen heeft, de Lamsgestalte van den Christus terugkeert, en het volk des Heeren wederom als zijn Bruid voor hem treedt.

Zoo zag men het reeds in den aanhef van hoofdstuk XXI, en zoo vernemen we het op nieuw, nu de laatste Engel optreedt, om aan Johannes het laatste visioen te vertoonen. Nu toch heet 't ook hier in vs. 9, dat de Engel tot Johannes sprak: Kom herwaarts en ik zal u toonen de Bruid, de Vrouw des Lams." Reeds in Openb. XIX:7 was hier op gewezen, waar het heette: want de Bruiloft des Lams is gekomen, en zijn vrouwe heeft zich zelve bereid, " Tot dusver was de schare der geloovigen, die de Vrouwe van den Christus moest worden, vermengd geweest met het nog onheilige aardsche leven. En wel sprak nu d& eeretitel van »Bruid van den Christusc uit; dat eenmaal de onzuivere vermenging een einde zou erlangen; doch zoolang de vernieuwing nog voortduurde en nog niet finaal was afgeloopen, bleef de schare der geloovigen wel de Bruid, maar kon nog niet als de Vrouwe verschijnen. Die overgang van den staat van Bruid in dien van Vrouwe moest daarom toeven en beiden, tot eerst het oordeel zou zijn voltrokken, en de geheiligde .schare op zich zelve kwam te staan. Doch nu treedt dan ook de voleinding van den huwelijksband in, ' en met het oog hierop is het, dat er in het XXIe hoofdstuk, waarin ons 't einde bericht wordt van meet af op ^yordt teruggegaan, dat de schare der gezaligden vooralsnog in de Bruidsgestalte gebleven was, en nu eerst in het heilig huwelijk kon overgaan. Hierop nu slaat terug èn wat we in VS. 2 en wat we in vs. 9 lezen, en het is in verband hiermede, dat insgelijks de Christus weer als het Lam Gods verschijnt, d.i. in de, gestalte der zich overgevende, zich toewijdende en der zoekende liefde. De overgang uit den voorloopigen in den voleinden staat geeft de Engel hierbij tevens ia de saamvoeging vati de beide namen aan. Er staat toch in vs. 9: Kom herwaarts, en ik zal u toonen - de Bruid, de Vrouwe des Lams"., Bruid en Vrouw worden alzoo niet meer van elkander gescheiden, maar in één zin sa^mgevat, en hetis die saélmvatting van de beide uitdrukkingen : Bruid en Vrouwe, die den onmiddellijken overgang aanduidden. Tot dusver moest de gemeente Gods de Bruid blijven, en kon het heilig huwelijk nog niet ingaan. Thans daarentegen kon de Bruid geen bruid meer blijven. Er mocht geen scheiding blijven. Het moest nu overgaan in de volkomene, heilige vereeniging, en van daar dat vlak achter het woord Bruid, nu de volle eerenaam van Vrouw des Lams door den Engel wordt uitgeroepen.

Hiermede gaat alsnu de heerlijkheid in, en ontvangt Johannes van den Engel het (bezielende en in pracht alles te bovengaande visioen van de groote stad, die uit den hemel van God nederdaalt op de nieuwe aarde. Hierbij boeit het aanstonds, dat hetgeen dusver op onze aarde niet dan in geringheid van vorm voorkomt, hier op deze nieuwe aarde op eenmaal afmetingen aanneemt, die voor ons raadselachtig zijn. Reeds in het Paradijs moet de vorm en de gestalte der edeler dingen veel heerlijker geweest zijn, dan wij zulks na den val kennen. Thans daarentegen komt niet alleen die oorspronkelijke weelde terug, maar ze vertoont zich nu zelfs in haar voleinding. Immers wat in het Paradijs aan glans en heerlijkheid als aardsch goud was, vertoonde nog pas den aanvang der dingen; en de bestemming was, dat allengs uit die nog voor vermeerdering vatbare ParaJijsgestalte ten slotte zich de voleinde heerlijlcheid ontwikkelen en openbaren zou. Thans daarentegen moest het einddoel op eenmaal intreden, de voltooide heerlijkheid moest nu op eenmaal openbaar worden. Van toeneming, van wasdom, van eene allengs den eindtoestand naderende voltooiing zou geen sprake meer zijn. Het moest nu altegaar op eenmaal in zijn hoogste, heerlijkste en meest luisterrijke voltooiing intreden, en dèt is het dan ook wat vs. 11 in dezer voege uitdrukt: > Zij had de heerlijkheid Gods, en haar licht was den allerkostelijksten steen gelijk, namelijk als de steen jaspis, blinkende gelijk kristal." Dit immers geeft den eersten en algemeenen indruk weder, en doet ons den glans tegenschitteren, die uit dit hemelsche Jerusalem uitstraalde.

Het ligt geheel buiten hetgeen we ons voorstelden, om op de breed uitgewerkte teekenihg van de heilige stad of het nieuwe hemelsche Jerusalem in alle bijzonderheden in te gaan. Dit is de taak der exegese, maar valt buiten hetgeen ons 't doel moet trachten te bereiken. Juiste, volledige exegese moet zich tot in bijzonderheden rekenschap geven van de uitstalling der edelgesteenten, die hier voorkomt, van hun opeenvolging en van hun onderscheiding. Voor het door ons beoogde doel zou daarentegen zulk een haarfijne onderscheiding van de edelgesteenten hier geheel zonder doel zijn. Wat ons alleen hier bezig moet houden, is het zeer sterk sprekende onderscheid tusschen hetgeen thans de aarde ons aan edelgesteente aanbiedt en hetgeen eenmaal in de ure der Voleinding haar glans en glorie zal zijn. De hoofdgedachte die ons uit idien hoofde hier bezig heeft te houden, is de onbeduidendheid van hetgeen ons aan edelgesteente restte, en de alles te bovengaande afmetingen, die hier aan het nieuwe Jerusalem, wat haar weelde aan edelgesteente betreft, wordt toegemeten. Op den voorgrond staat hierbij, dat onderscheiden moet worden tusschen het van boven neergedaalde Jerusalem en de overige nieuwe aarde. Deze twee vallen niet saam, doch zijn te onderscheiden. Er zal zijn een nieuwe aarde, en op die nieuwe aarde zal als centrum van het dan opbloeiend leven het nieuwe Jerusalem staan. Wel is het door meer dan één uitlegger voorgesteld, alsof het nieuwe Jeruzalem het eenige zou zijn, wat de straks intredende toestand te aanschouwen zou geven, doch hierin kan niet berust. Welke eminente beteekenis toch aan het nieuwe Jerusalem, dat op de nieuwe aarde nederdaalde, ook moge gegeven worden, onderscheiden van die ne­ derdalende stad van Goddelijke glorie, is er toch een nieuwe aarde, en later in h. XXII:1 wordt cns ze''-een geheel natuurleven in schets voorgehouden. Toch hebben we ons in de eerste plaats hier te bepalen tot het indenken van de teekening, die ons van het hemelsche, nu neergedaalde Jerusalem gegeven wordt. Vs. 21 geeft ons daarbij de klare aanduiding van de verhouding, waarin het hemelsche Jerusalem tot de ons omringende natuur staan zal. Wij kennen de perel die ons nog gelaten is, en kennen ze in haar geringe afmetingen. Doch daartegenover zegt ons 't hier gegeven visioen in vs. 21, dat »de twaalf poorten van hei hemelsche Jerusalem twaalf paarlen waren, en wel zoo dat iedere poort uit één parel was." Er volgt dan wel, > dat de straat der stad van zuiver goud was, gelijk doorschijnend glas", doch dit kon nog onder onze huidige afmetingen valten; wat van de paarlen betuigd wordt daarentegen niet. En geheel ditzelfde geldt evenzpo van de edelgesteenten. Edelgesteenten van de fijnste soort zijn op onze aarde altoos van zeer kleine afmetingen. Eriszeerzekeronderscheid.en van ouds heeft men in de koninklijke paleizen er prijs op gesteld, om enkel diamanten van eenigszins groot kaliber als geheel eenige schatten te bewaren en er mede te pronken, doch zelfs het grootste kaliber van deze edelgesteenten valt geheel in het niet, zoo men ze vergelijkt met de edelgesteenten, waarvan hier sprake is. Blijkens vs. 16 werd de stad met den rietstok gemeten op twaalf duizend stadiën, en wel zoo dat de lengte, breedte en hoogte alom .even gelijk waren, en daarbij vernemen we van de cijfers, dat de muur gemeten werd op een hoogte van honderd vierenveertig ellen, terwijl voorts de twaalf duizend stadiën doorgingen. Denkt men zich nM, welke afmetingen de poorten bij' zoodanige muren moeten hebben, en wat 't dan zegt dat elke poort uit slechts één parel bestond, dan voelt ge aanstonds, tot wat schier onmeetbare afmetingen men heeft over te gaan, om zich ook maar eenigermate een aanschouwing van zulk een Jerusalem te vormen. Verder behoeven we, voor ons doel, hierop dan ook niet in te gaan, om de heerlijkheid van deze voltooide schepping voor ons te doen opglansen. Aanstonds gevoejt men thans, hoe het schitterendste van het Paradijs, dat Adam betrad, nog slechts een kleine aanvang geweest is van de glorie, die het voltooide Paradijs erlangen zal.Zelfs zijn de afmetingendie hier genoemd worden, met name van die twaalf duizend stadiën, zoo overweldigend groot, dat men nog steeds moeite heeft zich in deze reusachtige gegevens in te denken.. Doch dit nu ter zijde gelaten, spreekt 't u toch onmiddellijk toe, dat wat door ons nog aan edelgesteente op deze aarde gevonden wordt, volstrekt onbeduidend wordt, zoo ge het vergelijkt met de gegevens die u hier worden voorgehouden, en die eeniglijk strekten om u de tegenwoordigheid Gods in dit henlelsche Jerusalem te doen gevoelen.

Van aanbelang is hier ook, wat ons vermeld wordt omtrent de namen die eenmaal in de fundamenten en poorten van dezen heiligen bouw prijken zullen. Vs. 12 zegt ons desaangaande, dat in den muur van het hemelsche Jeruzalem twaalf poorten zouden zijn, en dat de twaalf deelen , van deze heilige stad elk rusten zouden op een eigen fundament. Het zouden twaalf bouwgevaarten zijn, elk met een zelfstandig karakter, en toch in onderlingen samenhang. Vs. 12 toch meldt ons, dat er in den hoogen grooten muur twaalf poorten waren, en in de twaalf poorten twaalf Engelen, doch derwijs onderscheiden, dat op de twaalf poorten twaalf namen zouden geschreven staan, en dat dit de namen zouden zijn van de twaalf geslachten der kinderen Israels. Deze twaalf poorten, met deze twaalf Engelen, en beschreven mét deze twaalf namen van de geslachten Israels, waren gelijkmatig in vier groepen ingedeeld. Er waren drie zulke poorten in het Oosten, drie in het Noorden, drie in het Zuiden, en drie in het Westen. Toch strekte dit in 't minst niet, om als bewoners van dat hemelsche Jeruzalem eeniglijk de bekeerde Joden te laten optreden. En om nu de zoo licht hier insluipende dwaling te voorkomen, volgt er onmiddellijk op deze teekening van de poorten een gelijksoortige teekening van de fundamenten, en daarbij vernemen we dan in VS. 14: > De muur had twaalf fundamenten en in die twaalf fundamenten de namen der twaalf apostelen van het Lam.c Ouden Nieuw Testament worden hier alzoo als Opènbaringsorganen in hun onderling verband bijeengevoegd, en al leeft wat in Israel geopenbaard werd, in de gezaligde menschheid op de nieuwe aarde voort, toch is er geen sprake van, - dat hier aan een Israelietische bevolking zou te denken zijn. Het fundament strekt nog verder dan de poort, en het fundament wordt in elk deel twaalf maal gekenmerkt als Nieuw-Testamentisch. Vandaar dat we op die fundamenten de namen vinden van de twaalf apostelen, en wel zoo, dat er in vs. 14 uitdrukkelijk bijstaat: > en in dezelve de namen der twaalf Apostelen van het Lam. Ook hier alzoo niet van den Christus, maar van het Lam, , om ook hier te doen gevoelen, dat de schifting voltooid was, en er eeniglijk te rekenen viel met hen die den Messias, en door den Messias Gode, toebehoorden.

Hierbij worde tevens niet uit het oog verloren, dat de namen der twaalf apostelen, als representanten van de Nieuw-Testamentische bedeeling, rijker beteekenis erlangen dan de namen der twaalf stammen Israels. Van de twaalf stammen Israels, die de twaalf poorten kenmerkten, wordt toch eeniglijk gezegd, dat elke poort een parel was, zonder nadere specificeering. Heel anders daarentegen gaat het met de representatie van het Nieuwe Testament, d. i. met de twaalf Apostelen, toe. Niet alleen toch, dat de apostelen hun naam geschreven zullen zien op de fundamenten, wat van zelf van hooge beduidenis is, doch bovendien worden deze twaalf fundamenten, als van zooveel hoogere beteekenis dan de poorten, één voor één en geheel afzonderlijk aangeduid. Vs. 19 en 20 geven ons toch te kennen, dat »de fundamenten van de muren met allerlei kostelijke gegesteenten versierd waren; " en dan volgt er specifiek en onderscheidenlijk, dat het eerste fundament was van Jaspis, het tweede van Safïier, het derde van Chalcedon, het vierde van Smaragd, het vijfde van Sardonix, het zesde van Sardius, het zevende van Chrysoliet, het achtste van Beril, het negende van Topaas, het tiende van Chrysopaas, het elfde van Hyacinth en het twaalfde van Amethyst." Het verschil springt hier alzoo zelfs sterk in het oog. Bij de representanten van het Oude Testament in Israel niet anders dan de korte vluchtige opgave, dat ze elk in een parel van uitstekende waarde uitkwamen, doch hier van de Apostelen, dat zij de fundamenten waren, waarop 't alles rusten moest, en dat in hen al de kostelijkste schatten van wat aan edelgesteenten te vinden was, in machtige afmetingen zich aanboden. Op stellige wijze en volstrekt duidelijk blijkt hieruit alzoo, dat de pro fetische beteekenis van de twaalf stammen van het oude Israël van lagere beduidenis was en één eentonige beteekenis hadden. De parel toch staat zooveel lager in beteekenis dan het diamant, en terwijl bij de twaalf stammen de gelijkenis van alles zichzelf gelijk en eentonig bleef, is hier in de Nieuw-Testamentische bedeeling der Apostelen alles in zijn onderscheiding afgebeeld, en wordt voor de afbeelding genomen al wat de schatten der aarde aan de rijkste variatie van het edelgesteente opleveren.

Doch ook hiermede is nog eeniglijk de heerlijkheid van het creatuurlijke karakter van de beide Openbaringen der Profeten en Apostelen aangeduid, en het alles te boven gaande in heerlijkheid van deze nieuwe bedeeling in het hemelsch Jeruzalem, wordt ons eerst in vs. 22 v.v. voorgehouden. Eenerzijds door te zeggen, wat er in dit hemelsche Jeruzalem niet zal zijn, en anderzijds door ons datgene voor te doen glanzen, wat in dit hemelsche Jeruzalem de alles te boven gaande heerlijkheid zal vormen. Er zal een heerlijkheid ontbreken die in het aardsche Jeruzalem het hoogste was, t.w. de Tempel. Er staat toch met volstrekte duidelijkheid in vs. 22: > En er was geen Tempel in haar.< Ook geen Tabernakel. Er was gansch geen heiligdom meer, > want de Heere, de almachtige God, zelf zal haar Tempel zijn, en het Lam.c Alle afbeelding van het heilige hemelsche en Goddelijke in aardschevorm heeft hier alzoo een einde genomen. De volstrekte Goddelijke realiteit breekt nu door, en maakt vanzelf alle afbeelding en afschaduwing overbodig. Al wat dusver, van denTabernakel in de woestijn af, het Goddelijke in beeld had vertoond, viel nu weg. Evenals ge een portret ter zijde legt, zoodra ge den persoon zelf bij u ontvangen moogt enmoogt omhelzen, zoo ook is het hier. Tot dusver was het menschelijke te vermengd, te onzuiver, te onheilig geweest, om het Goddelijke onmiddellijk en met volkomen klaarheid en zuiverheid te . laten doorstralen; maar juist hiervoor is dan nu ten slotte toch het oogenblik gekomen. Zelfs gaat dit in zoo volstrckten zin door, dat dit nieuwe Jeruzalem dat uit den hemel op de aarde afdaalt, geen zon en geen maan meer behoeft, »wijl de heerlijkheid Gods zelve ze verlicht en het. Lam haar kaars is.« (vs. 23). In de schepping was de aarde »woest en ledig en duisternis was op den afgrond», en toefde de opwaking van het leven tot het woord uitging: !»Daar zij licht, en er werd licht*. In die schepping echter was de uitstraling van het licht aan zon en maan gebonden. Vandaar ook de afwisseling van dag en nacht. Thans echter vallen deze tusschen in tredende middelen die het licht deden schijnen, weg, en is 't God zelf die in zijn schepping indaalt, en in die schepping zijn glans doet uitstralen. De gemeenschap, de eenheidsverbinding . tusschen God en zijn schepping is nu volkomen geworden. Vandaar dat zon en maan haar beteekenis verliezen, de creatuurlijke hulpe in het niet verzinkt, en God-zelf onmiddellijk en op volkomene wijze zijn glans en majesteit in de nieuwe wereld, en zoo ook onder de nieuwe, nu gezaligde en van alle zonden vrijgemaakte bevolking laat instralen. Natuurlijk geldt deze Goddelijke instraling dan ook eeniglijk en uitsluitend, gelijk vs. 24 betuigt, voor ^de volken die zalig worden.«• Dezen, zoo staat er, zullen in dat Goddelijk licht wandelen, en alle eer en heerlijkheid onder menschen, tot zelfs van de koningen der aarde, zal aan de instraling van dat Goddelijk licht haar glans en gloed ontleenen. Hier nu voegt de Openbaring aan toe: > En hare poorten, t.w. de poorten van dat hemelsche Jeruzalem, zullen niet gesloten worden des daags, want aldaar zal geen nacht zijn, en zij zullen de eer en de heerlijkheid der volken daarin brengen.» Bijna zou dit de vraag uitlokken, waarom~ dan in dat nieuwe Jeruzalem nog poorten, die af konden worden gesloten, aanwezig werden gedacht. Van zelf ziet dit terug opl de toenmalige gelegenheid der steden. De onveiligheid droeg destijds nog zulk een onrustbarend karakter, dat een stad zonder muren en poorten niet denkbaar was, en elke poort, veelal zelfs des daags, maar in elk geval des nachts moest gesloten worden. Daar het beeld, waarvoor we hier staan, vanzelf uit de toenmalige gegevens genomen werd, ligt er alzoo niets vreemds in, dat er nog van poorten en muren en van wachters in deze poorten sprake is. Zonder die toevoeging en nadere uitwerking van het beeld, zou 't beeld de toenmalige Christenen niet hebben toegesproken. Doch hierbij blijft het dan ook niet, en er wordt opzettelijk aan toegevoegd, dat de gezaligden in dit nieuwe, hemelsche Jeruzalem, in deze stad, waarin Gods heerlijkheid zal verschijnen, »de heerlijkheiden de eer der volkenzullen indragen*, en dat er, ^omgekeerd, in haar niets zal voorkomen, dat ontreinigt en gruwelijkheid doet of leugen spreekt, maar dat eeniglijk en uitsluitend zij in dit nieuwe Jeruzalem toegang zullen erlangen, die geschreven zijn in het Boek des Levens van het Lam.

Alle voorstelling, gelijk men die thans zoo vaak zich ziet voorhouden, alsof hiernamaals de bekeering, die hier uitbleef, bij de gestorvenen tot uiting zou kunnen komen, is hiermede derhalve afgesneden. Op de nieuwe aarde zal het eeniglijk Gods verkoren volk zijn, dat de genade indrinkt, en al wat buiten de genade bleef, treedt terug. Dit nu gaat vanzelf ook door voor het Vaderhuis dat aan het jongste oordeel vooraf gaat. Wie niet in het Vaderhuis werd opgenomen, overmits de inplanting van het nieuwe leven niet vóór zijn sterven was tot stand gekomen, blijft na zijn sterven omdolen in de onheilige sferen, en kan geen deel, erlangen aan wat bij het jongste oordeel de namen in het Boek des Levens doet inschrijven. De scheiding treedt niet eerst later in, maar wordt reeds teweeg gebracht door de afscheiding van het Vaderhuis van het verblijf der overige dooden.Er is buiten het Vaderhuis geen plaats der afwachting en geen plaats van overgang uit de onheilige naar de heilige sferen. En juist zooals het Vaderhuis reeds vóór den oordeelsdag de schifting en scheiding tot stand brengt, zoo ook is het hier. In geheel de teekening en beschrijving van het nieuwe Jeruzalem is immers geen enkel beeld ons voorgehouden, dat wees op wat nog bekeerd kon' worden. Eeniglijk zij, die reeds in het Boek des Levens hun naam zagen ingeschreven^ gaan in de nieuwe wereld in, en erlangen alzoo toegang ook tot het nieuwe Jeruzalem. Het gaat hier om de onmiddellijke gemeenschap met den levenden God en met het heilige Godslam. En die rechtstreeksche, die door niets meer belemmerde, die vol uitstralende gemeenschap is eeniglijk ékkr bestaanbaar en dd4r denkbaar, waar alle tusschenschuifsel geheel weg viel, 'en de mogelijkheid geboden werd, om met God zelf in rechtstreeksche gemeenschap te treden. Het Boek des Levens wordt daarom in het slotvers van dit hoofdstuk als wet en regel stellende nog-

maals op den voorgrond geschoven. Het zal een nieuwe wereld niet alleen, maar tegelijk een nieuwe wereldorde zijn, en ingevolge die nieuwe wereldorde-zal al wat scheiding maakte tusschen God en zijn verlosten, ten eenenmale overwonnen en weggevallen zijn.

Dit artikel werd u aangeboden door: Vrije Universiteit Amsterdam

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 november 1918

De Heraut | 4 Pagina's

Van de Voleinding.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 november 1918

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken