Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De vrouwen-emancipatie.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De vrouwen-emancipatie.

8 minuten leestijd

Dat de machtige beweging, die thans onder .alle volkeren zich gelden doet, om de vrouw te verheffen, ook op Christelijk gebied haar invloed doet gelden, is een verschijnsel, dat op zich zelf zeker niet af keuren valt. Met dankbaarheid en blijdschap zien we het dan ook, dat Christendenkers de vragen, die deze vrouwenbeweging aan de orde stelt, onder de oogen zien en op deze vragen een antwoord trachten te geven. Zelfs wat het kerkelijk leven aangaat, stelt deze vrouwenbeweging ons voor de ernstige vraag, of de gaven en talenten, die God de Heere aan de vrouw schonk, inzonderheid voor den dienst der barmhartigheid, wel genoegzaam tot hun recht zijn gekomen.

Het is tot op zekere hoogte met deze vrouwenbeweging als met het socialisme. Hoezeer we ook de verkeerde beginselen, waarvan het socialisme uitgaat, te bestrijden hebben, toch heeft het socialisme ons de oogen geopend voor menigen misstand in het sociale leven, en het zou dwaas wezen, voor de juistheid dezer critiek van het socialisme de oogen te sluiten; veeleer is het de roeping van elk Christen om te toonen, dat we even diep als de socialisten voor deze nooden der arbeiders voelen, en pogen willen om hun recht te laten wedervaren in eiken billijken eisch. En zoo ook hebben we, omdat achter deze vrouwenbeweging^ dikwijls zeer verkeerde beginselen schuilen, toch het oog niet te sluiten voor hetgeen ook in deze vrouwenbeweging goed en rechtvaardig is, en op te komen voor eiken rechtvaardigen eisch, dien deze vrouwenbeweging stelt.

Alleen dient bij zulk een opkomende beweging, die zoo licht de geesten meesleept die voeling houden met wat er omgaat in onzen tijd, wel scherp toezicht te worden gehouden, dat ons beginsel zuiver worde bewaard. Het Christen-socialisme, dat onder den schijn van Christendom en socialisme te verzoenen, in den grond niet anders doet, dan het Christendom prijs geven en met vlag en wimpel naar het socialisme overloopen, is in dit opzicht wel een baken in zee.

Het is daarom, dat we meenen met ernst er tegen te moéten opkomen, wanneer de voorstanders dezer - Christelijke vrouwenbeweging thans komen om ons te zeggen, dat naar de oorspronkelijke Scheppingsordinantie man en vrouw wel niet gelijk, maar dan toch gelijkwaardig waren; dat enkel als gevolg van den val in zonde de vrouw een minderwaardige positie heeft gekregen en dat Christus nu gekomen is om deze straf over de vrouw weg te nemen en haar weer als gelijkwaardige naast den man te stellen.

Er schuilt in deze bewering, die thans de geesten bekoort, natuurlijk een element van waarheid. Zooals eerst na den val tot den man gezegd is, dat hij in het zweet zijns aanschijns brood zou eten, zoo is ook als straf over de vrouw uitgesproken, dat zij met smart kinderen zou baren en dat haar begeerte tot den man zou wezen en hij over haar heerschappij zou hebben (Gen. 3 : 16). En al is deze vloek zeker nooit geheel weg te nemenj evenmin van den man als van de vrouw, toch danken wij aan de genade van Christus, dat deze vloek getemperd is. Voor den man, die arbeidt, trachten wij ïhet zweet des aanschijns» minder te maken; voor de vrouw, die een kindeke ter wereld zal brengen, haar smarten te lenigen, en zoo ook moet de heerschappij, die aan den man om der zonde wil over de vrouw in het huwelijk geschonken is, in een Christelijk gezin een zoo zacht juk wezen, dat de vrouw het nooit als tyrannic zal ondervinden. Het is de menschelijke zonde, die dezen vloek voor den arbeider en de vrouw zoo verzwaard heeft. Het is de genade van Christus, die dezen vloek tempert en verlicht.

Maar ook hierbij dient men toch reeds zeer voorzichtig te wezen met de voorstelling, alsof deze gevolgen van de zonde door Christus' komst geheel zouden te niet gedaan zijn. Ook de Overheid is om der zonde wil over ons ingesteld, zooals onze Belijdenis zegt. Maar wie op grond, dat Christus ons vrijmaakt, beweren zou, dat een Christen nu niet meer aan de Overheid onderworpen zou zijn, gaat lijnrecht tegen de Schrift in, want de Apostel leert ons, dat de Overheid, zij het dan al om der zonde wil, door God over ons gesteld is en wij daarom aan dit O^'erheidsgezag ons te onderwerpen hebben. In een Christelijk land mogen we tegen alle tyrannie der Overheid opkomen ; het Christelijk beginsel zelf zal ons dringen om voor de volksrechten en volksvrijheden op te komen; maar het Overheidsgezag zelf is door Christus niet weggenomen. Zoolang we nog op deze zondige aarde wonen, blijft het Overheidsgezag gehandhaafd. En zoo is het ook met het gezag van den man, dat om der zonde wil in het gezin is ingesteld. Het Nieuwe Testament neemt dit gezag nergens weg, maar handhaaft den eisch: ij vrouwen, zijt uw eigenen mannen onderdanig, gelijk Sara aan Abraham gehoorzaam is geweest, hem noemende > heer" (I Petrus 3 : 1—6).

Zelfs kan niet eens gezegd worden, dat deze positie van de vrouw alleen het gevolg is van de zonde. In het Scheppingsverhaal zelf lezen we, dat God eerst den man schiep en pas daarna de vrouw »tot een hulpe, die als tegenover hem zou zijn" (Gen. 2:18). In I Cor. 11, waar de Apostel zeer breed over dit vraagstuk handelt, wijst hij dan ook uitdrukkelijk op deze Scheppingsordir.antie terug, om te bewijzen, dat evenals Christus het hoofd is van den man, zoo ook de man het hoofd is van de vrouw. > PFant de wan is niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om den man". De man heet dan ook »het beeld en de heerlijkheid Gods", maar de vrouw »de heerlijkheid des mans". En evenzoo waar de Apostel in I Tim. 2 : 12 de vrouw niet' toestaat te leeren in de gemeente, wijst de Apostel wederom naar de Scheppingsordinantie terug: ant Adam is eerst gemaakt, daarna Fva". En in het schoonste hoofdstuk, dat over het Christelijkhuwelijk is geschreven, Efese S, zegt de Apostel, dat de verborgenheid van het huwelijk groot is, omdat daarin ligt afgebeeld de verhouding van Christus en de gemeente. Reeds in de schepping van man en vrouw en in de verbinding van beiden door het huwelijk heeft God de Heere ons een beeld willen geven van de innige verbinding, maar ook van de wederzijdsche verhouding van man en vrouw; daarom heet het, dat de man het hoofd is der vrouw, gelijk ook Christus het Hoofd is der gemeente.

Naar deze verhouding genomen nu kan niet gezegd, dat man en vrouw gelijkwaardig zijn, evenmin als Christus en de gemeente gelijkwaardig zijn. Ze waren het niet in de Scheppingsordinantie, want ook toen was de man reeds gesteld tot hoofd van de vrouw. En ze kunnen het ook niet worden door Christus, want Hij heeft in zijn eigen verhouding tot de gemeente ons geleerd, hoe de verhouding tusschen man en vrouw behoort te wezen.

Er is, dit zal geen Christen ontkennen, een gelijkheid tusschen man en vrouw. Béiden zijn naar Gods beeld en gelijkenis geschapen; beiden zijn kinderen van God, zijn zonen en zijn dochteren; beiden worden volkomen gelijk in de verlossing van Christus opgenomen, want in Hem is geen man noch vrouw; beiden zijn erfgenaam van dezelfde zaligheid, en in godsvrucht heeft menige vrouw den man overtroffen. Maar het woord > gelijkwaardig« schijnt ons voor de verhouding van het aardsche leven niet gelukkig gekozen. En in geen geval gaat het aan, het verschil in positie, - dat de Schrift ons zoo duidelijk leert tusschen man en vrouw, niet alleen als gevolg van den val, maar reeds in de Scheppingsordinantie te ontkennen.

Dat het verschil ook op kerkelijk gebied daarom beslist gehandhaafd moet worden, spreekt wel van zelf. Wat de Apostel in • I .Cor. 14 : 34 zegt: dat Uwe vrouwen in de, gemeenten zwijgen, want het is haar niet toegelaten te spreken, maar bevolen onderworpen te zijn», is een regel, die nog steeds voor onze Kerken heeft te gelden. Volkomen terecht zegt daarom Dr. A. Kuyper in zijn Levenspositie der vrouw: gt; Zoolang we hier op aarde verkeeren, houdt 't soortverschil tusschen man en vrouw stand, en blijft alzoo de regel doorgaan, dat de man is het hoofd der vrouw, en dat de vrouw aan den man onderdanig moet zijn. (Zie Ef. S : 22, Col, 3 : 18, I Petrus 3 : 1). Vandaar dan ook, dat dit onderscheid in soort ook verschil maakt voor de ambten.. Prediker of presbyter (d.w.z. ouderling) zal de vrouw niet zijn, ten deele mag ze alleen in den diaconalen dienst optredea (1 Tim. 5 : 9). Voor wie zich voor de autoriteit der Schrift buigt, vervalt derhalve alle onzekerheid. Zelfs op het kerkelijk erf houdt het soortverschil tusschen man en vrouw "tot aan het sterven stand, en ook in de Kerk hangt met dit verschil in soort, het verschil ten opzichte van het ambt onlosmakelijk saam».

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 februari 1919

De Heraut | 4 Pagina's

De vrouwen-emancipatie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 februari 1919

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken