Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

„Met bele gewisse kenteekenen.”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

„Met bele gewisse kenteekenen.”

19 minuten leestijd

[PAASCHFEEST 1919.]

Aan welke hij ook, nadat hij geieaen had, zichzehen levend vertoond heeft, met vele gewisse kenteekenen, veertig dagen lang, zijnde van hen gezien, en sprekende van de dingen, die het koninkrijk Gods aangaan. Hand. 1 : 3,

Waar voor ons het heilig Pascha als 't groote Opstandingsfeest in volle zekerheid schitteren mag, voegt 't ons toch ook wel terdege terug te leven in de gewaarwordingen, waarmede de apostelen en overige jongeren des 'Heeren in de rijke gebeurtenis van de Verrijzenis zijn ingegaan. Vandaar ook ditmaal onze verwijzing naar de zoo stellige uitspraak in de Handelingen, dat de Christus zich levende vertoond heeft veertig dagen lang > met vele gewisse kenteekenen." Die betuiging »met vele gewisse kenteekenen" toont toch Waarlijk, dat er bij de gelukkigen, die in deze veertig dagen de heerlijke vreugde genoten, den verrezen Heiland te mogen zien en hoeren, aanvankelijk-zekere aarzeling opkwam, die eerst daarna door Jezus doordringend getuigenis geheel bezworen werd en week. En te meer beteekenis heeft in dit opzicht juist deze betuiging in het boek der Handelingen, daar Lukas, die dit Nieuw-Testamentisch boek op schrift bracht, gelijk we van elders weten, een arts was, en we uit dien hoofde niet anders mogen onderstellen, dan dat een getuigenis van dezen arts uit den heiligen kring dubbele beteekenis erlangt. Zelfs in - de uitdrukking »met vele gewisse kenteekenen" is het de taal en de toon van de arts die u tegen klinkt. Van geen der vier Evangelisten is even stellige en eigenaardige getuigenis ons geiJOCiit. IIuLi veïiiiCidiljg van do foïtcxi en gebeurtenissen is even beslist, maar ze drukken wat ze zeggen wilden, anders uit, en alleen Lukas, de arts, geeft een verklaring, die aan de waarneming en bevinding van een geneesheer denken doet. L it Lukas' zegden spreekt ons daarom de bevinding toe van den eenigen geneeskundige onder de jongeren, die als gewoon met kranken om te gaan, en hun sterven waar te nemen, hier als man van het vak, als we ons zoo uitdrukken mogen, er prijs op stelt met zijn medisch gezag vast te stellen, dat hij zelf en de overige jongeren niet op ijdel gerucht zijn afgegaan, doch dat in vollen ernst de verrezen Heiland was waargenomen, en dat, zij 't al na eenige aarzeling, ten slotte toch het eenparig getuigenis geweest is, ja niet anders kon zijn, dan dat op grond van vele en gewisse kenteekenen het feit mocht vastgesteld, dat de Christus, hoewel hij gestorven en ten grave was uitgedragen, op den derden dag herrezen was, en dat alsnu de identiteit van den verrezene met den Man van Smarte die aan het Kruis gestorven was, voor ontwijfelbaar mocht worden vastgesteld. En al zij 't nu ook dat het getuigenis der Apostelen en der overige jongeren even volwaardig moge zijn, zoo voelt toch een ieder die 't indenkt, hoe ten deze het zoo uitdrukkelijk en het zoo beslist uitgesproken getuigenis van een arts een bijzondere waarde bezit, waarover we niet mogen heenlezen.

Om dit wel te verstaan, gaat ge veiligst door u eerst op Thabor terug te denken. Daar toch kwam zoo sterk uit, dat de verschijning van den Christus in zijn omwandeling onder Israel, niet beantwoordde aan de hoogheid van zijn persoon. Hij verscheen op aarde en heeft onder de Galileërs en onder de bewoners van Judea verkeerd, niet in den glans en schittering van ïijn Majesteit, maar alsdeMan van Smarte, en dat dit ook op zijn uitwendige verschijning drukte, blijkt uit niets zoo duidelijk als juist uit zijn verheerlijking op den Thabor. Op den berg Thabor toch is de Christus door drie van zijn discipelen, door Petrus, door Johainnes en door Jacobus, in • een verheerlijkte gestalte gezien, die daar voor 't eerst uitkwam, en straks na zijn verrijzenis, zij 't al nog niet in dien vollen glans, maar dan toch in een gestalte die deze heerlijkheid nabijkwam. Het was nog niet aanstonds de heerlijkheid van Thabor. Ware dit de gestalte geweest, waarin de verrezen Heiland zich aanstonds vertoond had, zoo zou Maria Magdalena'niet den hovenier in hem gezien hebben. Wat alleen duidelijk uit de openbaringsberichten blijkt, is dat de verschijning van den Christus een wijziging had ondergaan. Ook de Emmaüsgangers herkenden den Heiland eerst later onder het breken van het brood aan den Avonddisch, en geheel den weg naar Emmaus largs hadden zij welden indruk ontvangen, dat er een wondere aantrekkelijkheid van den Christus uitging, ' doch herkend hadden ze hem niet. Er moet derhalve — geen andere slotsom is mogelijk — in den Christus, gelij k hij weleer als de Man van Smarte in Israel omwandekïe, een eenigszins öüJei-£ gestalte gezien zijn, dan toen hij op den derden dag na zijn sterven op Golgotha, uit den doode verrezen was. Dat nu, wie toen het heilige voorrecht genoten, hem te mogen ontmoeten, daarom niet aanstonds den indruk ontvingen van 't hooge dat alsnu uit Jezus sprak, behoeft niet te bevreemden. Zij toch die naar Jezus zochten, omdat de grafplaats ledig was gevonden, waren, gelijk niet anders kon, innerlijk zoo geheel vervuld met de vraag wat er van Jezus geworden was, en waar zij, die het lijk gestolen hadden, dat lijk hadden heen gedragen, dat ze, geheel in gepeins verzonken, weinig notitie namen van wie ze ontmoeten. Alleen dit blijft, en is niet weg te cijferen, dat de verschijning van^Jezus niet meer denzelfden indruk op hen maakte als voorheen; dat er alzoo in Jezus optreden en voorkomen, ja in zijn geheele verschijning, een verandering moet hebben plaatsgegrepen, die voorshands in , de wijziging nog zoo gemengd was, dat men nog geenszins onder den vollen indruk van zijn Majesteit geraakte, maar zich toch min of meer verwonderd gevoelde, en niet aanstonds^-in den verrezen Heiland den Jezus van vóór zijn Kruis herkende.

Was er alzoo reeds destijds zekere verandering in Jezus verschijning ingetreden, toch droeg deze wijziging een geheel ander karakter toen de Heiland op het eiland Patmos aan den Apostel Johannes verscheen. Iets wat we daarom te beslister mogen uitspreken, omdat Johannes in het eerste kapittel van zijn Apocalyps, en wel teekening geeft van de gestalte die hem verschenen was. Daar toch vernemen we, dat Johannes eerst een stem hoorde, en toen hij, op die stem afgaande, omzag om te ontwaren, wie alzoo sprak, een gestalte ontwaarde, die den Zoon des Menschen gelijk was. Reeds dit vestigt er de aandacht op, dat hier een visioen intrad, zoo dat hier te onderscheiden is tusschen hem die verscheen, en de gestalte waarin Johannes hem ontwaarde. Ook de bijvoeging van »de zeven gouden kandelaren" waartusschen de Christus verscheen, toont dit visionair karakter van hetgeen nu volgde. Toch is het opmerkelijk, de teekening van deze visionaire verschijning van nabij gade te slaan, en zoo betuigde de Apostel: Ik zag in het midden van de zeven kandelaren een den Zoon des menschen gelijk zijnde, bekleed met een lang wit kleed tot de voeten, en omgord aan de borsten met een gouden gordel; en zijn hoofd en haar was wit gelijk witte wol, gelijk sneeuw, en zijn oogen gelijk een vlamme vuurs; en zijn voeten waren blinkend koper gelijk, en gloeiend als in een oven, en zijn stem was als de stem van vele wateren; en hij had zeven sterren in zijn rechterhand; en uit zijn mond ging een tweesnijdend scherp zwaard; en zijn aangezicht was gelijk de zon schijnt in hare kracht. En toen ik hem zag, viel ik als dood voor zijn voeten, , en hij leidde zijn rechterhand op mij, zeggende: rees niet. Ik ben de eerste en de laatste, en die leef, en ik ben dood geweest, en zie, ik ben levend in alle eeuwigheid, Amen." Gelijk wel van zelf spreekt, mag deze verschijning van den Heiland aan Johannes op Patmos niet op één lijn worden gesteld met andere zinbeeldige verschijningen, die hier aan Johannes ten deel vielen. Zoo lezen we in Openb. V:6: En ik zag, en zie, in het midden van den troon een Lam, staande als geslacht, hebbende zeven hoornen en zeven oogen, welke zijn de zeven Geesten Gods, die uitgezonden zijn in alle landen." En nogmaals treedt er zulk een visionaire gestalte in anderen vorm voor ons, als het in Openb. XIX : 11 v.v. heet: gt; En ik zag den hemel geopend, en zie, een wit paard, en die daarop zat, was genaamd Getrouw en Waarachtig en hij oordeelt en voert krijg in gerechtigheid. En zijn oogen waren als een vlamme vuurs, en hij had een naam geschreven, dien niemand wist dan hij zelf, en hij was bekleed met een kleed met bloed geverfd, en zijn naam wordt genoemd het Woord Gods." Dit zijn natuurlijk al te gader visionaire voorstellingen, dié niet bedoelen om de gestalte van den verhoogden Heiland voor het zielsoog te brengen, maa^eeniglijk bestemd zijn, om hetgeen de Messias in de Voleinding volbrengen zal, in schets te geven. De zoo telkens voorkomende beeldspraak van het Lam Gods toont dit Waarlijk. Het Lam toch is hier niet anders dan het beeld van het willig en lijdelijk ondergaan in al wat^ voor^ de^ verlossing der uitverkorenen van de eeuwigen vloek vereischt werd. Al dezeOeeldspraak kunnen we op den Paascbrtrgen daarom ter zijde stellen, en wat o; ; 'hij de Verrijzenis uit het grai Qe vci uc '.iv et boeien, is alleen de gestalte van da Christus op den Thabor, niet alsof dezt terstond na de Verrijzenis reeds ten vtli doorblonk, maar zoo dan toch, dat er leds een voorschittering van deze hemclshe gestalte van den Heiland doorschittrde terstond na zijn Opstanding uit de doden.

Te meer mag hier ndruk op gelegd, omdat de verschijning an Paulus op den weg naarDamascus op gelksoortigen indruk wijst. ïHem omscheen, zoo toch lezen we daar, plotseling een licl van den hemel, " en na beschijning met ezen hemelschen glans hoorde Paulus eei; lemelsche stem tot zich uitgaan. Vooral die Hütglans greep hem daarom zoo sterk aan, otidat niet in den nacht, of bij het krieken van den morgen, maar midden op den d: , als in het Oosten de zonnegloed toch reids zoo overweldigend is, gelijk er in Haid. XXII:6 staat, > hem snellijk en uit dc{ hemel een groot licht omscheen." Bij dee verschijning op den v/eg naar Damascus wordt ons echter geen nadere afbeelding van den persoon des Heeren voorgesteld, en ontvangt men niet den indruk dat Sauhs door wat hij zag, maar veelmeer dat hij door hetgeen zijn oor opving, den indruk van 's Heeren tegenwoordigheid in zich opaam. Wat hier eeniglijk de aandacht trekt is, hoe zoo met nadruk op den hemelschen glans van Jezus verschijning wordt gewezen, dat ook hier het onderscheid uitkomt tusschen hetgeen de discipelen na Jezus verrijzenis aan hem ontwaarden, en hetgeen na de Voleinding van zijn overgang in zijn hemelsche gestalte straks op den voorgrond treedt. De slotsom waartoe we geraken, 'can derhalve geen . l*.w «2j.. .A^.. ^> -—, .: -— jj_»..i)r_lJl door Jezus Verrijzenis overgang uit zijn vroegere tot een hoogere verschijning heeft plaats gehad, doch dat die overgang aanvankelijk nog minder sterk uitkomend was, en eerst later in de volle ontplooiing van zijn hemelschen glans overging.Altoos zoo echter, dat het de uitwendige menschelijke gestalte was die deze heerlijkheid droeg. Niet aan wat bij de Engelen die verschenen gezien is, mag hier alzoo gedacht worden. Het Woord is vleesch geworden en heeft onder ons gewoond. En de menschelijke gestalte, die den Zone Gods iri deze Vleeschwording toekwam, is wel op het Kruis afgelegd, maar in de Verrijzenis hernomen, en het is in die menschelijke gestalte dat de Zoon des menschen aan de Rechterhand des Vaders is gezeten, en het is in diezelfde verheerlijkte menschelijke gestalte, dat Hij, treedt straks de Voleinding in, uit den hemel zal nederdalen, om het oordeel te doen intreden, en onder den nieuwen hemel op de nieuwe aarde het Godsrijk in zijn heilige schittering te doen ingaan.

Klaaglijk blijkt alzoo, dat ge de glorie van ons heilig Paschen ten eenenmale miskent, zoo ge te midden van onzen Paaschjubel u schier geheel in de geestelijke aanbidding van den Heiland verliest. Wat op den Paaschmorgen veeleer hoofdzaak is en steeds moet blijven, is, dat onze Heere Jezus Christus, als Gods eeniggeboren Zoon, op aarde nederdaalde, om ons vleesch aan te nemen, en dat hij wel in zijn sterven aan het Kruis, zich van deze vleeschelijke, lichamelijke gestalte scheidde, doch straks op den derden morgen, toen hij verrees, deze zelfde menschelijke gestalte weer heeft aangenomen, maar nu in verhoogden vorni. Zoo echter dat de veredeling, verhooging en verheerlijking van dié menschelijke gestalte op den Paarschmorgen nog slechts zeer ten deele intrad, en eerst daarna, van lieverlede, en wel in hoofdzaak na zijn hemelvaart, in de algeheele verheerlijking is overgegaan. Een verheerlijking die op den berg Thabor reeds als voorafgeschaduwd was, doch toen weer wegviel, om eerst na de Verrijzenis op nieuw te ontkiemen, als we ons zoo mogen uitdrukken, en wel afwijkend genoeg om de herkenning van Jezus verschijningsvorm voor velen moeilijk te maken; maar dan toch nog zoo weinig ingrijpend, dat hij zelfs nog-in het midden van de zijnen verscheen, om voedsel tot zich te nemen, opdat de twijfelende jongeren daaruit althans de* zekerheid zouden erlangen, dat ze niet een schijngestalte, maar den wezenlijken, heuschen Mijddelaar weder voor zich zagen. Alles hing er blijkbaar onzen Heiland aan, om tegelijk tweeërlei zijn jongeren in te prenten, eenerzijds dat hij wel v^aarlijk de uit Maria geborene was, de Zoon des menschen, die met hen verkeerd had, en voor hen was gestorven, maar dan ook ten andere, dat hij niet voort zou leven in de gestalte van den Man van Smarte, doch dat deze aanvankelijke gestalte waarin hij was opgetreden en waarin hij stierf, zich thans ontplooien zou in haar volle heerlijkheid, oci ook ons te doen voorgevoelen wat voor de uitverkorenen Gods op de nieuwe aarde en onder den nieuwen hemel, de schitterende paradijsgestalte zou wezen, waarin ze voor eeuwig zouden voortbestaan. Van zelf neigt ons spreken van 't zitten van den Christus aan Gods Rrechterhand er toe, om èeniglijk op het geestelijk wezen van den Middelaar het oog te richten, en zijn Vleeschwording als Zoon des menschen in de schaduw te doen treden, maar juist dit is 't wat niet mag, en wat geheel het Evangelie van zijn fundament zou berooven. Ook als Middelaar aan de Rechterhand Gods gezeten, slinkt de Christus niet weg in een louter geestelijk w; ezen, maar blijft hij, voor als na, de Zoon des menschen, die lichamelijk als wij zijn aanzijn voortzet, alleen met dit verschil, dat Zijns het verheerlijkte lichaam is, dat nimmermeer van Hem kan worden afgenomen en eeu.wiglijk de gestalte blijft, waarin aan Gods uitverkorenen zijn genade toekomt.

Er is alzoo geen sprake van een geestelijk voortbestaan, van ons onzienlijk zielsleven. Het innerlijk ik, de verborgen geestelijke persoon van den uitverkorene sterit niet. Geestelijk is elk mensch den dood onderworpen door Adams val, een val die zich van den eersten mensch tot alle kinderen der menschen heeft uitgestrekt. Doch uit dien val zijn de uitverkorenen door een wonder ingrijpen in hun zielsbestaan opgericht, en tot het leven teruggebracht. De uitverkorene en innerlijk verlichte, wanneer en waar hij ook sterft, ondergaat in zijn sterven geen levensvernietiging meer. Integendeel, j_: _.. a J— J 1, J*».-»: j=: . i.t^» ven wordt hij ontbonden van alles wat hem in dit aardsche leven nog aan den dood en het verderf bond. Voor de uitverkorenen en ten leven verwekten is het sterven geen verlies meer, doch een ingang in het eeuwige leven. Het Vaderhuis ontsluit zich voor hen, en in dit Vaderhuis genieten ze rijke geestelijke verkwikking. Dit is niet eerst door de Opstanding van den Christus alzoo geworden, maar greep alzoo ook vóór die Opstanding plaats. Al was het tocTi dat de Sadduceën ook het voortbestaan van de ziel na den dood ontkenden, voor de geloovigen, aan wie de apostelen schreven, behoefde het eeuwiglijk voortleven van de ziel na het sterven niet meer betoogd te worden, en noch onder de Apostelen, noch onder de andere jongeren, die Jezus den avond na zijn opstanding ontmoeten mochten, was hetgeestelijk voortbestaan van den Middelaar ook maar één oogenblik onzeker geweest.

Zij er daarom op het lichamelijk wederopstaan van de uitverkorenen hier alle nadruk gelegd. Niét natuurlijk, alsof de verworpenen niet evenzoo lichamelijk weder op zullen staan. Overduidelijk wordt in de H. Schrift aller wederopstanding vastgesteld, een wederopstanding die voor de uitverkorenen de i.igang in de eeuwige gelukzaligheid beteekent, en voor de verworpenen leiden zal tot een ingang in het eeuwig verderf. Het verschil is alzoo geenszins, dat alleen de verkorenen straks weder lichamelijk zouden opstaan, en dat daarentegen de verlorenen onlichamelijk enkel als geestelijke wezens in het verden zweven zouden. Jezus' zoo stellige en zoo gedurig herhaalde betuiging, dat er voor de verlorenen zijn zal ïweening en knersing der tanden" geeft allerduidelijkst aan, dat de wederopstanding des vleesches aller deel zal zijn. De genade die in de Opstanding van Christus aan de geloovigen toekomt, is alzoo, dat niet slechts in de wederopstanding ook zij hun lichaam zullen terugerlangen, maar dat voor hen de lichamelijke opstandig een ingang in een leven van ongestoorde zaligheid, ook voor wat het lichaam betreft, blijken zal.

Vandaar dat de Apostelen er zoo telkens bij de leden der Gemeente op aandringen, dat ze toch niet enkel geestelijk zich in de mysteriën des heils zullen verdiepen, maar bovenal ook in zuiverheid naar het lichaam zullen verkeeren. Een aandringen, waarmede op zichzelf niet bedoeld wordt, dat het lichaam, waarin we hier op aarde verkeeren, geheel in de eeuwige toekomst blijven zal wat het' hier op aarde was. Eer komt alles wat ons dienaangaande betuigd wordt, op het tegendeel neer. Zoo vaak is de vraag opgeworpen, hoe de wederopstanding des vleesches mogelijk zou zijn, daar toch zoo menig menschenkind verdronk, of door wild gedierte verscheurd werd, o» op den brandstapel verbrandde. Het spreekt dart ook wel vanzelf, dat niet het lichaam, dat we hier droegen, geheel in denzelfden vorm eens voor eeuwig onze bekleeding zal zijn. Welk verschil is er niet tusschen het nog ongeboren lichaam van het kindeke, dat onder de geboorte stierf, en den grijsaard die op ouden leeftijd zijn levenskracht inboet en straks naar het graf wordt uitgedragen. Al wat de Heilige Schrift ons betuigt, wijst er daarom wel zeer stellig op, dat de verkorenen lichamelijk verrijzen zullen, en in het lichaam dat ze voor eeuwig ontvangen, hun eigen zelfde menschen type zullen uitdrukken, dat hun hier op aarde eigen was; maar uit niets blijkt dat 't, als op een portret, gelijken zal op 't lichaam waarin we hier hebben omgewandeld. De kiem en kern van ons wezen en van ons lichaam moet steeds met opmerkzaamheid onderscheiden worden van de lichaamsvormen die we, zoo onze jaren verlengd worden, achtereenvolgens als een kleed dragen. Gemeenlijk schat men op zeven jaren de gedurig terugkeerende periode, die een oude van dagen achtereenvolgens doorloopt, zoodat wie den hoogen ouderdom van 70 èi 80 jaren bereiken mocht, tot minstens tien malen toe zijn lichamelijk wezen in gewijzigde gestalte vertoonen moest. Ook voor de wederopstanding, na de ruste in het Vaderhuis, mogen we daarom in het minst niet hechten aan de portretten, die men achtereenvolgens eerst als kind, toen als knaap, voorts als man en als grijsaard van ons maken liet. Het eenige waarop het voor de wederopstanding aan komt is, dat uit de kern en kiem waaruit thans onze aardsche lichamen opkwamen, straks in de eeuwigheid evenzoo een lichaam geboren wordt, waarin we voor eeuwig ons leven kunnen voortzetten. Het doet er daarom niets toe, of er martelaren verbrand zijn of ook dat een schepeling, die verdronk, door een zeemon-Lte^ v-ar=icnrien "'erd. Wat ook door het vuur of door het zeemonster verslonden werd, de kiem, de innerlijke kern van ons lichamelijk wezen kan hierdoor nimmer worden aangetast. Die kiem blijft ongeschonden aan Godes heilige hoede toevertrouwd, en als de ure der wederopstanding aanbreekt, is het dezelfde God, die eens dien mensch schiep, die ook nu uit die schuilende, maar voor God nimmer verborgen kiem opnieuw de lichamelijke gestalte, en dan in volle mannelijke 'of vrouwelijke rijpheid, doet te voorschijn treden.

Het sprak dan ook als vanzelf, dat de Apostelen zoo telkens en zoo nadrukkelijk aandrongen op een zuiver houden van het lichaam. Juist onder de Heidenen was de ontheiliging van het lichaam door schandelijke wellustzonde zoo inheemsch. Het kon daarom voor de eerste Christenen niet anders dan een hooge spanning in het leven roepen, dat ze van nu voortaan van alle hiermede samenhangende zonden zich stipt en strikt te onthouden hadden. Vandaar dan ook de terstond ingetreden gewoonte, die wij nauwelijks meer verstaan, om de tot Christus bekeerde Heidenen aanstonds als heiligen aan te spreken. Juist die vérheven wijze van toespreken, en dat telkens aandienen als heiligen van de pas uit zoo jammerlijk onzedelijk leven, als in de Heidenwereld gewoonte was, bekeerden, doet ons nóg gevoelen, wat strijd Ket den Apostelen gekost heeft, om de eerste bekeerlingen met 't schandelijk onzedelijke in de Heidensche gewoonte te doen breken. Bij het lezen van de brieven der Apostelen doet 't ons nog soms storend aan, zoo met naam en toenaam als zij herhaaldelijk van de schandelijkste geslachtszonden afmaanden, en ze daarom wel met naam en toenaam noemen moesten. En al mag nu met dank aan onzen God gezegd dat in't Christenland, en althans in Christelijke kringen, die geslachtszonden te niet gedaan of althans getemperd zijn, zoo blijft toch de Opstanding, omdat ze Opstanding in het lichaam. Opstanding in de zichtbare gestalte zal zijn, ons nog telkens het vermaan toeroepen, om als heiligen voor Gods aangezicht te wandelen, en noch in kleeding, noch in ons uitwendig vertoon, noch in onzen geheimen en verborgen omgang met elkander ons heerlijk Paschen zonder uitwerking te laten. Ons Pascha profeteert niet de Opstanding van onzen geest, die, daar de ziel van Gods uitverkorenen niet kan sterven, van zelf in het Vaderhuis voortbestaat, maar wat ons Pascha ons toeroept, is, dat gelijk onze Heiland lichamelijk opstond, zoo ook wij lichamelijk eens voor God zullen verschijnen, herboren niet naar den Geest, doch naar onze uitwendige gestalte, om eerst op de nieuWe aarde onder den nieuwen hemel de volle gelukzaligheid, en dan voor eeuwig, te genieten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 april 1919

De Heraut | 4 Pagina's

„Met bele gewisse kenteekenen.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 april 1919

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken