Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het eten van bloed.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het eten van bloed.

6 minuten leestijd

In een onzer Kerkbodes is de vraag gedaan, of het wel geoorloofd is voedsel, dat van dierenbloed gemaakt of daarmede bereid is, zooals bijv. bloedworst, te eten.

De redacteur meende hierop in ontkennenden zin te moeten antwoorden. Immers in Gen. 9 : 4 en Hand. 15 : 29 was het eten van bloed verboden. Zelfs werd het op de laatste plaats als »iets gruwelijks» op één lijn gesteld met afgodenofifcr en hoererij. Weshalve wij als Christenen ons daarvan te onthouden hebben.

Nu zijn we niet gewoon op de adviezen, die onze Kerkbode-rédacteurs geven, critiek te oefenen. Maar in dit geval meenden we toch een uitzondering te nioeten maken. Niet alleen omdat de kerknieuwsredacteur van de Nieuwe Rotterdamsche Courant er als de kippen bij is om aan zijn lezers mede te deelen, dat in Gereformeerde kringen nu ook al het eten van bloedworst als een gruwelijke zonde wordt beschouwd, maar omdat hiermede een last wordt opgelegd aan de conscientiëa die niet Christelijk maar Joodsch is en lijnrecht in strijd is met de vrijheid, die Christus ons heeft geschonken.

Het verbod om bloed te eten is Joodsch. Aan Israel is metterdaad door God verboden om bloed te eten. Maar wie zich daarop beroept, vergete niet, dat het evenzeer verboden was vet te eten. Beide wordt op één lijn gesteld. In Lev. 3:17 staat: dit zij een eeuwige inzetting voor uwe geslachten in al uwe woningen: een vet noch bloed zult gij eten." Geldt dit gebod ook voor ons. Christenen, dan mogen we niet alleen geen bloedworst ten, maar ook geen vet.

Onze geachte mede-redacteur heeft dap ook zelf wel gevoeld, dat een beroep op eze ceremonieele wetten van Israel niet n m a gaat. Hij beroept zich daarom op het Noachistische gebod in Gen, 9:4 en op het besluit van het Apostelconvent in Hand, 15:29.

Wat nu de eerste plaats betreft, zoo wordt daar van een verbod om bloed te eten, niet gesproken. Er staat: doch het vleesch met zijne ziel, dat is zijn bloed, — of gelijk nog juister vertaald worden kon: et vleesch met zijne ziel, die in het bloed is — zult gij niet eten." Er is dus alleen sprake van een verbod om het vleesch met het bloed er in te eten, zoolang de ziel er nog is, of zooals wij zouden zeggen, het leven er nog in is. Da aanleiding tot deze ordinantie Gods, schrijft Dr. A. Kuyper in zijn Gemeene Gratie, zal wel geweest zijn, dat in Noach's omgeving vóór den zondvloed niet zelden rauw vleesch met het bloed, dat nog warm was, er in, werd verslonden. Dat nu was goed voor een roofdier, maar niet voor een mensch. Alleen de verdierlijkte mensch valt op het dier aan en verslindt het, na het neergeveld te hebben. Tegen deze dierlijke wijze van handelen heeft God dit verbod gesteld. Het dier mag men eerst tot spijze nemen, wanneer het leven er geheel uit geweken is. En overmits voor het gewone gebruik dit feit geconstateerd is, zoodra het bloed is afgevloeid en de levenswarmte dientengevolge geweken is, wordt aie voorafgaande afvloeiii.g van het warme levensbloed als eisch gesteld. Het is daarom een waardeeren van deze ordinantie naar de letter, maar een haar dooden naar den geest, indien men de ziel, het leven, uil het oog verliest, en angstvallig aan het bloed blijft hechten, alsof het eten van gekookt of gebraden vleesch, waar nog enkele druppelen bloeds bij het snijden uit ontsnappen, ons schuldig voor God zou stellen. Wie zoo oordeelt, verliest den eerbied voor God als Schepper van het leven van het dier geheel uit het oog, en blijft aan de stoffelijke elementen van het bloed hangen.» (Gemeene Gratie Deel I blz. 41, 42). Er IS dus geen sprake van, dat in Gen. 9:4 het eten van het bloed op zichzelf verboden zou worden.

Wel is dit het geval in Hand. 15 : 29, want de Apostelen schrijven hier aan de Christenen uit de heidenen voor, dat »zij zich onthouden zullen van hetgeen , den afgoden geofferd is en van het bloed en van het verstikte.» Maar het is duidelijk, voor wie de geschiedenis van het Apostelconvent kent, en het wordt dan ook door alle uitleggers toegestemd, dat deze sgeboden» niet bedoeld zijn als blijvende inzetting voor heel de Christelijke Kerk, maar alleen als een tijdelijke maatregel, die diende om de ergernis van de Joodsche Christenen weg te nemen. Juist tiet verbod om te eten wat aan de afgoden geofferd is, bewijst dit. Want de Apostel Paulus, die zelf op dit Apostelconvent geweest is, heeft èn in Rom. 13 èn in I Cor. 8 een breed betoog gegeven om aan te toonen, dat het eten van dit offervleesch op zichzelf geen zonde was, maar alleen moest nagelaten worden, wanneer men daarmede »zijn broeder ergerde». Hij handhaaft echter, dat »de spijze, die wij eten, ons Gode niet aangenaam maakt« en dat ieder in zijn conscientie vrij is van dit vleesch te eten, ook al is het aan de afgoden geoffsrd. Trouwens, Christus zelf had reeds gezegd, dat hetgeen den mond ingaat, ons niet verontreinigen kan.

Het is dan ook de overtuiging van heel de Christelijke Kerk geweest, dat deze geboden van het Apostelconvent ons niet binden. Alleen de conservatieve Grieksche Kerk, die zich aan de letter vastklemt, heeft het eten van bloed en al wat van bloed gemaakt was, verboden, maar de Westersche Kerk heeft dit nooit gedaan. Augustinus heeft tegen deze verkeerde opvatting gewaarschuwd, en de Roomsche Kerk heeft d zich bij zijn gevoelen aangesloten.

En dat ook de Protestantsche Kerk niet anders geoordeeld heeft, blijkt uit de Augsburgsche Confessie, die in haar laatste geloofsartikel uitdrukkelijk zegt: »DeAposte len hebben bevolen, dat men zich van het bloed en het gestikte onthouden zou. Maar wie houdt dit nu nog ? En tóch doen zij, die het niet houden, geen zonde, want zelfs de Apostelen hebben de gewetens niet willen bezwaren met zulk een dienstbaarheid, maar hebben dit alleen voor een tijd verboden om ergernis te voorkomen. Want ook bij dit besluit der Apostelen moet men acht geven op wat de hoofdzaak van de Christelijke leer is, nl, het geloof en de Christelijke vrijheid”.

Ook onze Gereformeerde theologen hebben zich bij dit gevoelen aangesloten. Men behoeft daarvoor de werken van Voetius, Hoornbeek, Heidegger, i Marck e. a. maar op te slaan.

Er zijn enkele uitzonderingen geweest.. Sebastiaan Castellio, die nooit bloedworst at, en Concellaeus, die een tractaat schreef om aan te toonen, dat het seten van bloed en van het verstikte den Christenen verboden was». s d o h R o

Maar Castellio Is de geestelijke vader van de Arminianen. En Concellaeus een iSociniaansche Remonstrant.

Voor een redacteur, die zoo bevreesd is in ethisch gezelschap te verkeeren, lijkt ons dit gezelschap nog bedenkelijker.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 maart 1920

De Heraut | 4 Pagina's

Het eten van bloed.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 maart 1920

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken