Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van de Kerk

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Van de Kerk

17 minuten leestijd

LVIII.

Voorwaar, voorwan; ik zegu, al wat gij den Vader zult bidden in mijnen naam, dat zal Hij u geven. Johannes XVI:23.

Nu zult ge uiterst voorzichtig zijn in het aanstonds toepassen van hetgeen in het Oosten van Europa voorvalt, op hetgeen te wachten staat in Amerika's Vereenigde Staten en in Midden-Europa. Vooral in Midden-Europa stuit het Socialistisch stelsel, dat men er in wil voeren, op verreikend verzet. Nog pas zag men het, hoe de Kerken in Duitschland in haar hooge vergadering vierkant weigerden, aan stellige eischen van het republikeinsch bewind toe te geven, en hoe de hooge regeering, in plaats van, hier tegen in, door te tasten, voorshands in deze weigering berustte. Men vergisse zich niet in den stand van zaken. In Rusland en ten deele in Rumenië, (en voor een oogenblik in Boeda Pesth) heeft men het Sofjetisme als nu reeds vastgestelde inrichting aanvaard. In Duitschland daarentegen is men zoover nog niet. In Duitschland, Oostenrijk en Hongarije zijn nog twee volksgeesten, die met elkander worstelen, en bijna overal kan men zeggen, dat de Kerkelijke Regenten zich nog zooveel 't kan aan het oude stelsel vastklemmen, 't Baat hun wel niet, want gedurig ontwaart men, hoe ook in Duitschland, met name in de groote steden, nu reeds bestanddeelen van den Russischen geest zijn overgebracht. Spartakus zegt er u alles van. Wat alleen vooralsnog valt waar te nemen, is dat de Socialisten en Spartakisten, hoe wild ze ook soms voor een oogenblik opvliegen, toch zelve inzien, dat ze nog steeds een bedenkelijke minderheid uitmaken. Een deel der Socialisten weigert daarom nog steeds met hun Ultra's mee te gaan, en de overigen gevoelen zelve dat ze anderer hulp behoeven. Hun Kabinetten droegen daarom dusver steeds een zeer gemengd karakter, en dit was oorzaak, dat men gedurig zijn sprongen vooruit matigen moest, en anderer hulp ter sterking van eigen krachten aanzocht. Dit nu gevoelen de conservatieve en Kerkelijke elementen zeer wel, en vandaar dat ze, om erger te mijden, voorshands met de Kerken liefst op voet van^vrede verkeeren blijven. Van daar ook 't opmei keiijk verschijnsel, dat men dusver zijn diep indringenden aan val op de Kerken nog steeds gemeden heeft, en zoodoende voorshands in een dragelijke verhouding kon blijven verkeeren. Toch neemt dit niet weg, dat de anti-Kerkelijke drijvers steeds op elke manier de nationale veerkracht van de Kerken pogen ten onder te houden, en er'openlijk voor uitkomen, dat er tegen de Kerken een openlijke kamp moet geopend worden, die de Kerk schadeloos kan maken, en haar ten leste van alle sociale en politieke macht berooft. Meer dan zedelijke invloed mag in de Kerken tenslotte niet verblijven.

Feitelijk is de vrij scherp afgeteekende toestand in Duitschland deze, dat de Socialisten er tot een zeer aanzienlijke getalsterkte, en in verband hiermede tot een zeer beteekenende politieke macht, opgeklommen zijn, zóó echter dat zij nog steeds, over de geheele landsbevolking gerekend, in zeer besliste minderheid gebleven waren. Allicht kon men hen, toen de groote oorlog in 1914 uitbrak, op viertienden van de geheele bevolking schatten. Na den oorlog was er derhalve op zich zelf geen sprake van, dat aan hen het vormen van 't bewind zou toekomen. Doch zuiver naar het cijfer kan zoo iets niet toegaan. Zoodra toch in de Spartakisten en in andere ultra-partijen een verzet opkwam van oeconomischen aard, dat zich, zoodra er kans toe was, politiek aan alle anti-imperialistische politici aansloot, kwam het terstond uit, hoe alle deze anti-imperialistische groepen saam het oude regime omverwierpen en saam voor een republikeinsch bewind den strijd aanbonden. Zoo vielen alle vorsten, en ging in alle Duitsche Staten het bewind in antimonarchale handen over. Waren de toen optredende socialistische en communistische groepen het dan ook van meetaf over een nationaal, politiek en sociaal program geheel eens geweest, dan zou het nieuwe scheepke onder de roode vlag aanstonds met goed succes van stapel zijn geloopen, en zou een socialistisch Duitschland den finalen strijd hebben aangebonden. Juist zoo echter liep het niet. De aloude, principieele Socialisten waren er volstrekt niet voor te vinden, om met de ultra-theorieën der jongste dwepers mee te gaan. Vandaar dat het aanstonds tot scheuring onder de Socialisten zelven kwam. Eenerzij ds schroefden de aloude Socialisten de klem van hun aloude theorieën sterk aan, en weigerden uit dien hoofde de Spartakisten, Communisten en Sofjetsminnaars meê door te hollen. Trouw aan hun verleden bleven ze op hun oude theorieën staan, en weigerden beslist met de onvoorzichtige partijgenooten, die met de Spartakisten doorholden, mee te gaan. "Zoo kwam er als van zelf een onzuive indeeling en splitsing tot stand, en werd in het jongste politieke Duitschland geen enkele politieke lijn in zuivere richting uit het gemeenschappelijk beginsel getrokken. Er trad een volkomen verwarring in, en de Conservatieven voegden zich veelal bij de voorzichtige Socialisten, om met deze saam den niets ontzienden wilden aanval van de ultra's te weerstaan. Ook nu kon men dit in Munster en bij Wezel opnieuw waarnemen. Hieraan nu is het toe te schrijven, dat de Protestantsche Kerken in Noord-en Midden-Duitschland weigeren met de politieke machthebbers mede te gaan, en in den ouden trant van hun Kerkelijke manier volharden. Zoo was het ook nu, toen de jongste Kerkelijke vergaderingen beslist weigerden de revolutionaire heeren ter wille te zijn, en zich in niets aan hen stoorden. Zelfs moet hierop daarom te meer nadruk gelegd, omdat tal van Clericalen in de Protestantsche Kerken van Duitschland reeds voor jaren er voor uitkwamen, dat de Kerkelijke inrichting, die ze dusver volgden, op den duur en zelfs in beginsel onhoudbaar was. Geheel openhartig gaven ze ons Gereformeerden toe, dat onze Synodale inrichting op Kerkelijk gebied zeer stellig de voorkeur verdiende. Doch hoe onomwonden dit ook werd uitgesproken, de overgroote meerderheid der Protestantsch-Kerkelijke heeren bleef aan het oude régime getrouw, en het is dit régime, dat men thans ook tegenover de Socialisten op energieke wijze verdedigt; en wat het opmerkelijkst is, de politieke heeren blijven nu in het minst niet op hun geliefkoosd thema tamboereeren, maar gaven aanstonds aan de Kerkelijke heeren wat bij hen de voorkeur had, toe. Dit nu leidde er vanzelf toe, dat men van revolutionaire zijde voorshands niet kon doortasten, wel op sociaal terrein, naardien de arbeiders hier niet rusten, eer ze hun wil hebben doorgezet, maar niet in het dieper indringend beginsel. Reeds nu heeft men het op velerlei terrein, vooral in het Westen van Duitschland, gezien, hoe de arbeidersstand, en zelfs in het algemeen de loon-stand, ten slotte niets ontziet, en, zoo 't moet, met de Spartakisten heult, om het noodige kapitaal van den fabrikant naar zijn werkvolk over te brengen. Het is dan ook juist in het Westen, waar Duitschland's fabrieksleven 't meest bloeit, dat de heeren in het roode uniform naar de wapenen grepen, om desnoods met zwaar geschut hun egoïstisch opzet door te drijven. Doch al won de Ultra-republikeinsche fractie hierdoor in macht, toch delfde ze al spoedig het onderspit, doordien de conservatieve, en zoo men wil, anti-republikeinsche groepen, tegen hen partij kozen. Van het optreden van een zuiver Monarchistische partij kon voorshands geen sprake zijn. Kapp's pogen liep dan ook in enkele dagen op een totale mislukking uit, doch evenmin kon de republikeinsche groep er in slagen, om nu reeds geheel het Duitsche Staatsieven onderstboven te keeren. Het zijn de aloude Socialisten, die, gerugsteund door de monarchale groepen, voorshands de macht te Berlijn nog in handen hebben, en aan alle monarchale opzet het doortasten beletten.

Dit nu is de afdoende reden, waarom wat in Rusland en Rumenië doorsloeg, in Duitschland nog niet kon worden doorgezet. Hieruit mag echter in het minst niet worden afgeleid, dat de macht van voorheen er allengs wel in slagen zal, om haar overwicht in Duitschland te herstellen. Hiervan toch zou uitsluitend sprake kunnen zijn, bijaldien de monarchistische en tegelijk volksgezinde groepen in Duitschland zich op energieke wijze aaneen hadden gesloten en een geheel vernieuwden stand van zaken voor heel Duitschland hadden weten in te voeren. Doch juist hieraan faalde het. Uit den Conservatieven hoek daagde geen enkel grootsch plan van zelfvernieuwing op. Men was behoudziek in den minst duldbaren zin van het woord. De gebiedende eisch, dat de nieuwe tijden om politieke levensvernieuwing riepen, werd niet verstaan, en zoo zal men zien, hoe de einduitkomst geen andere kan zijn, dan dat hetgeen men thans nog bepleiten en handhaven wil, tenslotte ten eenenmale verouderd en onbruikbaar wierd, en geheel buiten staat is, om aan den jongsten eisch van het geheel omgezette leven het hoofd te bieden, zoodat het hierdoor zich zelf veroordeelt, om in puur Conser­ vatisme in te sluimeren. Misschien zou zulks nog anders denkbaar zijn geweest, indien de Russische Czaren te Petersburg, Moskou en Odessa stand hadden kunnen houden. Doch nu in Polen en Rusland alles omsloeg, en ook Rumenië mee*^ hunkerde, zijn de aloude politieke en kerk-lijke verhoudingen in Duitschland onherroepelijk ten doode opgeschreven. Invloeden uit Rusland en uit Duitschland, en zelfs uit Italië, zullen hierop voortdurend gistend inwerken, en dan nadert van zelf de ure, die geheel de geestesrichting in Duitschland van het aloud conservatieve kerkelijk stelsel losmaakt. Deze overgang zal tijd eischen. Het gaat j niet op eens, en dit te minder daar de geest van het volk in Brandenburg, Pommeren enz. een zoo geheel andere is, dan langs den Rhijn, Er zullen zoodoende overgangstoestanden moeten intreden, en het is in deze overgangsphasen dat allengs het terrein voor de nieuwe toekomst zal worden gereed gemaakt. Het religieuse element heeft in heel Duitschland in de eerste jaren van deze eeuw jammerlijk geleden. Van de Religie heeft men zich op de Kunst, en van de magistrale politiek op het liefhebberij-leger geworpen. Zoo werden de oude vastigheden allengs losgewrikt, en de half ingeslapen Kerken verzuimden elk pogen, om tot een nieuw leven op te waken. Twee machten komen thans almeer in heel Duitschland tegenover elkander te staan. Van de eene zijde de Kerkelijk-monarchistische menigte, en daartegenover de revolutionair anti-religieuse kentering. En vraagt ge u nu af, welke doortastende veerkrachten in deze twee scherp tegenover elkander staande machten gistende zijn, dan kan het antwoord, helaas, geen ander zijn, dan dat de oud-Conservatief-Kerkelijke actie in heel het land van alle veerkracht ontbloot is, elk hooger levenstee'en derft, en dat het schier eeniglijk en uitsluitend de anti-Kerkelijke ongeloofspropaganda is, die beide, op Kerkelijk en op Staatkundig terrein, door niets te ontzien en niets te sparen, haar opzet doordrijft.

De voorlaatste samenstelling van het Kabinet, gelijk deze op 27 Maart j, l. zich aandiende, levert dan ook het afdoende bewijs, dat de Socialisten zeer hebben moeten inbinden, om ook voortaan in de leiding der politieke aangelegenheden doeltreffend te kunnen medespreken. De Socialisten genieten de eere, dat de Rijkskanselier en minister van Buitenlandsche zaken een Socialist was, namelijk de heer Hermann Muller, doch aanstonds moet hieraan toegevoegd, dat hij tot de meegaande en inschikkelijke Socialisten behoorde, die zich cordaat en beslist kant tegen de ultra's die zich op Socialistisch of Communistisch terrein voor de omverwerping van de bestaande orde van zaken aandienden. Al heet hij Socialist, al geeft hij zich zelf als zoodanig aan, men kon op hem rekenen zoo dikwijls als 't er op aankomt, om aan linksche drijvers weerstand te bieden. Hij behoort toch niet alleen tot de tamme Socialisten, maar zelfs tot de zoodanigen die er steeds op bedacht zijn, om voor het behoud van de bestaande orde van zaken op te komen. Onder dezen leidenden voorzitter konden voorts in dit Kabinet zitting erlangen zes niet-socialistische candidaten, en wel drie Democraten en vier leden van de Christelijke volkspartij. Nu ontbrak er uiteraard alle afdoende zekerheid, dat zoodanige verhouding stand zou houden. Eer was het aanstonds waarschijnlijk, dat men weder op het aanbrengen van wijzigingen in deze lijst bedacht zou moeten zijn, maar reeds uit het indienen van een aldus saamgestelde lijst bleek op overtuigende wijze, dat het Socialisme van het oude stempel zich inbindt, en bij de saamstelling van een Kabinet er bij voorkeur op bedacht is, om de ««V/-Socialistische elementen achter zich en in zijn gevolg te krijgen. Onschuldig trad men daarom niet op. Zonder poging zelfs tot het maken van onderscheid, heeft deze groep alle gekroonde element op zij en het land uitgezet. Nu was dit ten opzichte van onderscheiden vorstelijke Regenten begrijpelijk. In meerdere kleinere Staten toch was van het einde der achttiende eeuw af een misbruik van de hertogelijke macht ten koste van het volk ingeslopen, die de liefde voor het vorstelijk gezin meer dan verkoeld had. Maar om zich in zijn actie tegen de gekroonde machthebbers op zedelijk motief te kunnen beroepen, had men zich er van moeten terughouden, om een gelijk veroordeelend vonnis ook op het Keizerlijk Vorstenhuis van de Hohenzollerns toe te passen. Het Huis van de Hohenzollerns toch had èn voorheen èn in de jongste episode steeds een onberispelijke gouvernementeele hou­ ding aangenomen, én ging ook, wat het zedelijk standpunt betreft, in hoofdzaak vrij uit. Men mocht aan Willem II verwijten, dat zijn politieke greep op internationaal gebied te veel gewaagd en aangedurfd had, als ook, dat er met de manschap en met '? Lands Finantiën niet bedachtzaam genoeg was omgesprongen, maar de zeer gerechtvaardigde klachten die men uithoofde van hun houding tijdens de Fransche Revolutie tegen meerdere der kleine vorsten koesterde, golden tegen de Hohenzollerns niet. Over deze bedenking echter was men ten vorigen jare, toen de republikeinsche hartstocht doorbrak, heengegleden, en zoo waren de Hohenzollerns te Berlijn het ongerechtvaardigde slachtoffer van de republikeinschrevolutionaire gezindheid geworden. Hieruit echter vloeide nog in 't minst niet voort, dat men de ultra-revolutionaire eenzijdigheid zonder sparen wilde doorzetten. De republikeinsche heeren doorzagen zeer goed, dat ze dan allicht óf een monarchale reactie in het leven zouden roepen, oftewel aan de Spartakisten het roer van Staat in handen zouden spelen, en dan kon uiteraard hun keuze niet twijfelachtig zijn. Aan de revolutionaire grondgedachte van hun streven, die tegelijk vanzelf anti-monarchistisch was, konden ze geen afbreuk doen.-Het uitgangspunt van hun actie bleef daarom ongewijzigd. Alleen maar, om sterkte staan, moesten ze de conservatieve en imperialistische groepen in het volk naar hun kant weten te lokken, en na aldus hun positie te hebben afgebakend, spaarden ze in letterlijken zin niets, om de Sociale ultra's machteloos te maken, en de breede conservatieve kringen aan hun zijde te lokken. Vandaar dat ze er toe overgingen om de clericale heeren voorshands ongemoeid in hun aloude positie te laten, en van hun pertinente weigering om in meer democratische positie over te gaan, ternauwernood officieus kennis namen.

De ernstige moeilijkheden, waarvoor men ten slotte bleef staan, scholen dan ook schier eeniglijk in de altoos zoo moeilijke problemen van het Onderwijs en de Armen. Wat men op gouvernementeel terrein ook van de Republikeinsche machthebbers aan toegeeflijkheid en inschikkelijkheid kon verwachten, in de twee groote vraagstukken van het Pauperisme en Volksopvoeding, bleef men van Republikeinsche zijde niet slechts inschikkelijkheid, maar een toegeven en wijken in den meest volstrekten zin eischen, en zoo staat men er nog voor. Voor den invloed die op het volk van den predikstoel uitgaat, is men in de huidige Duitsche regeeringskringen minder beducht, maar de verzorging van het Pauperisme en de invloed, die van de Volksschool uitgaat, zijn nationale machten, die de revolutionaire heeren, hoe 't ook ga, naar zich toe willen trekken. De plannen, die ze hiervoor hopen te verwezenlijken, liggen gereed, en van die stevig in elkaar gewrongen plannen is men niet voornemens ook maar een handbreed af te wijken. Voor beide onderwerpen van de komende wetgeving nu is men onzerzijds, in letterlijken zin, zeer bezorgd. Beide, de Lagere School en de Armenverzorging, oefenen toch op breede schaal overwegenden invloed uit op een breede schare onder de lagere volksklasse. En nu willen de heeren, die de Maatschappij op nieuwe leest gaan schoeien, u desnoods Kerkelijk alles toegeven, maar wat de Armverzorging en het Lager onderwijs betreft, staan ze onverbiddelijk op hun stuk.

Voor wat 't Onderwijs betreft, dringt en drijft dit opzet volstrekt niet alleen bij de Duitsche republikeinen. Met name ook in België teeken t zich steeds scherper en krasser dezelfde tegenstelling af. Nog de vorige week kon men in de Indépendance Beige een scherp ingezet kort artikel lezen. Het was in het nummer van 1 April. Ook in dit artikel nu werd het Lager onderwijs, dat van clericale zijde uitging, zich tegenover het neutrale Staatsonderwijs stelde, en pp sterking van het Kerkelijk element aanstuurde, niet slechts om het min gewenscht resultaat, maar principieel en zulks zonder aarzeling geoordeeld. Ook dit bekende orgaan drong er met klem en nadruk op aan, dat aan het Volksonderwijs alle neiging en streven om bijzondere overtuigingen dienstbaar te zijn, volstrektelijk moest worden ontnomen. Geheel het volk in al zijn rangen en standen, in al zijn groepen en klassen moest in een eenheid van gedachte worden ingeleid en in gelijke richting geschoeid worden. Hiertegen kwam nu het Kerkelijk getint onderwijs van zelf in verzet. In de clericale kringen drong men er steeds sterker op aan, dat met name de Lagere school aan geheel hetzelfde doeleinde dienstbaar zou woeden gemaakt, als de Kerkelijke instructie in de prediking en op de catechisatie. Zoo was de tegenstelling tusschen het neutrale Staatsonderwijs en het clericale kerkelijk getint onderwijs van zelfgegeven. Aan die tegenstelling nu moest hoe eer hoe beter een einde worden gemaakt. Men mocht het volk niet verdeelen, noch het in zijn deelen in geestelijken strijd verwikkelen. Zoo was er dan ook niet te aarzelen.

De gedeelde school verdeelde het volk doordien ze de gelooviggezinde deelen van het volk afscheidde van het geheele volkscomplex. Dit nu mocht niet. Heel het volk moest één zijn, en juist waar de Kerkelijke verschillen zoo licht scheidir g maakten, mocht er niet langer aan gedacht worden, om de Kerkelijke verschillen ook op de volksschool te laten inwerken. Veeleer omgekeerd moest de Staatsschool de nobele strekking hebben, om de Kerkelijke geschillen naar de Kerk terug te dringen, en van de Volksschool geheel af te scheiden. En daar nu het volk één ondeelbaar geheel moest zijn, sprak 't van zelf, dat de Staat deze Kerkelijke gedeeldheid in en door zijn school niet mocht voeden, maar ze moest bestrijden, en zoo radicaal bestrijden dat de gedeeldheid ten eenenmale uit de Volksschool verdween, en de Kerkelijke gedeeldheid in geen enkel opzicht in het onderwijs, althans het Lager Onderwijs, nawerkte. De invloed van de Volksschool moest strekken om alle gedeeldheid uit het volksleven te keeren en te weren, en mocht ze in geen enkel opzicht voeden. De Kerkelijke school splitste en verdeelde het volk, en moest daarom beschouwd worden als uit den Booze te zijn. Hier kwam dan ook geen inschikkelijkheid te pas. Er moest ten deze van Staatswege met kracht worden doorgezet, Aan de Kerken moest alle rechtstreeksche invloed op de Lagere School ontzegd worden. Alleen een neutrale we-, tenschap had te bepalen, welke eischen aan de Volksschool te stellen waren. Deze eischen nu gingen niet alleen geheel tegen het geloof in, maar dienden zich van zelf aan als met het kerkelijk bedoelen in volstrekt onverzoenlijken strijd. De school mocht ook voor geen deel een instrument der Kerk blijven, dat strekken en dienen kon om haar invloed uit te breiden. Alleen de Staat had het onverbiddelijk recht om over de Volksschool te beschikken. Roeping van 'den Staat was het derhalve, niet om de Kerk halverwege in de School te laten insluipen, doch veeleer om de kerkelijke begeerte met hand en tand tegen te staan. De School moest het te dachten middel in handen van den ongeloovigen Staat te zijn om den kerkdijken invloed te breken, en een volk op te voeden, dat allengs geheel van de Kerk vervreemden kon.

Dit artikel werd u aangeboden door: Vrije Universiteit Amsterdam

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 juni 1920

De Heraut | 4 Pagina's

Van de Kerk

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 juni 1920

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken