Bekijk het origineel

Ik zal het betalen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Ik zal het betalen

1 minuut leestijd

‘Indien gij mij dan houdt voor een metgezel, zo neem hem aan gelijk als mij. En indien hij u iets verongelijkt heeft of schuldig is, reken dat mij toe. Ik, Paulus, heb het geschreven met deze mijn hand, ik zal het betalen; opdat ik u niet zegge, dat gij ook uzelf mij daartoe schuldig zijt.’
(Filémon:17-19)

Wie in Christus verzoend is met God, zal zich ook van heler harte met zijn naaste begeren te verzoenen. Dat is een van de lessen die uit Paulus’ brief aan Filémon duidelijk naar voren komt. Nadat Onesimus in dwaze opstand en vrijheidszucht bij Filémon was weggelopen, heeft God hem in Zijn grote genade te Rome stilgezet. Máár… nu het in Christus goed is tussen God en hem, begeert hij óók dat het goed zal komen tussen hem en zijn meester. Op dat doel is Paulus’ brief aan Filémon gericht. Paulus spoort daarin Filémon aan om Onesimus met een open hart te ontvangen. Want, zo schreef de apostel in het voorafgaande: eertijds was Onesimus hem ‘onnut’, maar nu zal hij hem ‘zeer nuttig’ zijn (vers 11). Bovendien: hij verloor hem als een ‘dienstknecht’ (slaaf), maar krijgt hem terug als ‘een geliefde broeder’ (vers 16).

Nog meer argumenten
In de verzen die ditmaal onze aandacht vragen, doet Paulus echter ook een beroep op de bijzondere betrekking die er is tussen Filémon en hem. Hij schrijft: ‘Indien gij mij dan houdt voor een metgezel, zo neem hem aan gelijk als mij’ (vers 17). Met andere woorden: als u mij houdt voor een vriend en broeder, behandel dan ook Onesimus alzo. Naar de gouden regel die de gemeenschap der heiligen dient te stempelen: uw vriend is mijn vriend, uw broeder is mijn broeder. Echte verzoening kan echter niet alleen in woorden bestaan. De Schrift leert duidelijk dat als we een ander benadeeld hebben, het onze roeping is om de door de ander geleden schade ook te vergoeden. Over die regel stapt Paulus niet heen. Alleen, Onesimus is een arme slaaf. Niet in staat om de door zijn meester geleden schade te vereffenen. Hoe moet dat dan? Paulus schrijft – in termen ontleend aan de handelswereld -: ‘En indien hij u iets verongelijkt heeft of schuldig is, reken dat mij toe. Ik, Paulus (…), ik zal het betalen’ (vers 18-19). Dat Onesimus’ vlucht voor Filémon een flinke schadepost geweest is, zal duidelijk zijn. Het kostte hem een volledige werkkracht. Bovendien heeft Onesimus bij zijn vlucht naar alle waarschijnlijkheid ook geld ontvreemd van zijn meester om onderweg in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. En misschien heeft hij ook onkosten gemaakt om zijn weggelopen slaaf weer op te sporen en terug te krijgen. Al met al een fikse schadepost. De apostel erkent dat. Maar, zo voegt hij er in één adem aan toe: ‘Filémon, reken dat mij toe…’! Met andere woorden: breng dat niet Onesimus maar mij in rekening! ‘Ik, Paulus, heb het geschreven met mijn hand, ik zal het betalen’! Hij springt hier dus op ontroerende wijze in de bres voor Onesimus en neemt diens schuld over. Welk een broederdienst! Hij brengt in praktijk waar het avondmaalsformulier ons toe roept, dat we de broederlijke liefde niet alleen met woorden maar ook met de daad jegens elkander moeten bewijzen. En tegelijk vertoont hij hier ook het beeld van zijn Meester! Immers, wat Paulus hier doet, heeft Christus op volmaakte wijze gedaan. Hij wilde het opnemen voor schuldige zondaren. Borg worden voor mensen die de eeuwige dood verdiend hebben. Zit u met schuld? Hebt u geen penning om te betalen? Weet u niet, hoe u ooit in het reine moet komen met God omdat er zo ontzaglijk veel is dat u aanklaagt en veroordeelt? Zie dan op Hem, Die reeds in de stilte van de eeuwigheid sprak: ‘Zie, Ik kom om Uw wil te doen, o God…’! Ja, Die met het oog op de onbetaalbare schuld van Zijn volk sprak: ‘Vader, reken het Mij toe… Ik zal het betalen…’! Daartoe is Hij gekomen. Daartoe heeft Hij aan het kruishout Zijn leven gegeven. Om voor schuldige zondaren alles te betalen. Om voor hun zonde te boeten en voor een volkomen genoegdoening zorg te dragen. En dat, opdat allen die met de nood en de schuld van hun leven aan Zijn voeten komen, in Hem vergeving en vrijspraak zouden ontvangen. En zouden delen in dat grote wonder: ‘De schuld Uws volks hebt G’ uit Uw boek gedaan/ ook ziet Gij geen van hunne zonden aan’!

Filémons schuld
Paulus neemt dus Onesimus’ schuld over. Maar – en dat is het laatste argument wat de apostel bezigt -: Filémon moet niet vergeten dat ook hij in de schuld staat bij Paulus. Want, zo schrijft de apostel: ‘Opdat ik u niet zeg dat gij ook uzelf mij daartoe schuldig zijt’ (vers 19b). Hoe staat Filémon dan bij Paulus in de schuld? Wel, hij is door de arbeid van Paulus tot bekering gekomen. God deed het, maar Paulus was wel het middel. En als zodanig is Filémon ook heel veel dank aan Paulus verschuldigd. Immers, wat is kostbaarder dan de redding van een mensenziel? Dat is in geen geld uit te drukken! Indirect herinnert de apostel Filémon eraan hoe oneindig veel hem is kwijtgescholden, toen God hem alle schuld en zonde vergaf. En daar ligt het vermaan in opgesloten: ‘Filémon, als je dat beseft, zul je ook van heler harte geneigd zijn om Onesimus al zijn schulden kwijt te schelden’! Zoals ook de Heere Jezus Zijn discipelen leerde bidden: ‘Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren’! We spreken wel eens over kenmerken van genade. Nu, hier hebt u er één. Een kenmerk waardoor u Geest van vlees kunt onderscheiden. Het is het kenmerk van de vergevingsgezindheid. Wie zelf mag delen in Gods vergeving, komt niet boven maar onder een ander te staan. En die zal van daaruit bereid zijn om ook zijn naaste van harte te vergeven. En als die vrucht er niet is, is er iets grondig mis (vergelijk Math. 18:23-35). Nederigheid, zelfverloochening, beter onrecht lijden dan onrecht doen en waarachtige vergevingsgezindheid… het zijn allen onmiskenbare vruchten van de Geest. Is die vrucht er ook bij u? ‘O Zoon, maak ons Uw beeld gelijk’!

Gespreksvragen:
1. Wie met God verzoend is, zal zich ook begeren te verzoenen met zijn naaste. Daartoe behoort ook, dat toegebrachte schade zoveel mogelijk vereffend wordt (vergelijk Luk. 19:8 en de verwijzing in deze geschiedenis naar de oudtestamentische wetten). Wat zou dat concreet kunnen betekenen, bijvoorbeeld in het geval van financiële conflicten, arbeidsconflicten, kerkelijke conflicten en familieconflicten?
2. Zijn er parallellen aan te wijzen tussen de schuld die Onesimus heeft ten opzichte van Filémon en de schuld die wij hebben ten opzichte van de Heere God? Hoe licht in Paulus uitspraak ‘Reken het mij toe (…) Ik zal het betalen’ het beeld van Christus op? Velen in onze tijd willen Jezus wel aanvaarden als Voorbeeld maar niet als schuldbetalende Borg. Wat zit daarachter? Is het Evangelie dan nog Evangelie? Hebben wij zelf leren leven uit het borgtochtelijke werk van Christus?
3. Vergevingsgezindheid is in de Schrift een onmisbaar genadekenmerk. Als dit kenmerk ontbreekt, zijn we of nog vreemd aan Gods genade of we zijn ver van onze plaats. Waarom is vergevingsgezindheid vaak zo’n schaars artikel? Wat zijn de gevolgen als Gods kinderen niet vergevingsgezind zijn? Welke zegen wordt ontvangen als we het door genade wel zijn?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 januari 2005

Kerkblad | 12 Pagina's

Ik zal het betalen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 januari 2005

Kerkblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken