Bekijk het origineel

'Aansporing'

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

'Aansporing'

6 minuten leestijd

KENT U DEZE BOEIENDE LEERREGEL: “WANT DOOR DE VERMANINGEN WORDT DE GENADE MEDEGEDEELD?” (DORDTSE LEERREGELS HOOFDSTUK 3-4, ARTIKEL 17)

Zo niet, dan is het misschien de moeite waard om er even bij stil te staan. Allereerst: het woord ‘vermaning’ had in die tijd ook de betekenis van ‘aansporing’ en onze vaderen bedoelden daarmee het werk van de ambtsdragers in prediking en pastoraat. Maar let daarnaast ook op het woord ‘medegedeeld’. Nu weten we dat genade één van de mededeelbare eigenschappen van God is, maar moeten we dan veronderstellen dat tijdens elke preek Gods genade feitelijk wordt meegedeeld? En ook, dat deze genade dan afgewezen kan worden?

Ja, dat is inderdaad het geval. Maar hoe zit het dan met het gegeven van de ‘onwederstandelijke genade’? De Bijbel leert ons inderdaad dat er onwederstandelijke genade is, maar niet dat deze er altijd is. Stefanus noemt in Hand. 7:51 een aantal predikanten van die tijd hardnekkigen, omdat ze de genade van de Heilige Geest wederstonden. Dit wederstaan wordt wel het meest aangrijpend verwoord in Hebr. 6:4-6. “Want het is onmogelijk, degenen, die eens verlicht geweest zijn, en de hemelse gave gesmaakt hebben, en des Heiligen Geestes deelachtig geworden zijn en gesmaakt hebben het goede woord Gods, en de krachten der toekomende eeuw en afvallig worden, die, zeg ik, wederom te vernieuwen tot bekering, als welke zichzelven den Zoon van God wederom kruisigen en openlijk te schande maken.” Hoe onthullend verwoordt Paulus hier ‘de onderscheiden gaven’ die geschonken worden door de Heilige Geest tijdens het luisteren naar preken! Maar ook hoe vreselijk het lot zal zijn van hen die willens en wetens deze gaven verzondigen nadat zij deze kennis der waarheid ontvangen hebben (Hebr. 10:26-31)!

Want de genade die wordt medegedeeld is niet minder dan het smaken van hemelse gaven door de uitzaaiing van het Woord in de harten van de kerkgangers.

De Heere Jezus spreekt daar Zelf ook over op deze manier in de gelijkenis van het zaad. Daarin vermaant Hij, spoort Hij aan om het Woord ter harte te nemen, om te voorkomen dat de satan het wegpikt als we de kerk nog maar nauwelijks verlaten hebben. Opmerkelijk is dat de Heere niet zegt dat dit zaad in ons hoofd gezaaid wordt, maar in ons hart (Matth. 13:19)! Zo spreekt onze Heere dus over de mededeling van Zijn genade. Het is daarom ook onjuist om te zeggen dat Gods Woord eerst in ons hoofd gezaaid wordt en daarna nog een voet moet zakken; u kent die uitdrukking wel. Zoals u weet zegt de apostel Jacobus ook dat het Woord rechtstreeks in ons geplant wordt (Jacobus 1:21). J.C. Philpot zegt in een preek naar aanleiding van Hand. 20:32 het volgende: “God werkt door Zijn woord der waarheid aan de harten en gewetens van Zijn volk, en dit woord noemt de apostel hier ‘het woord Zijner genade’, omdat het alleen in en door Zijn woord is, dat de genade Gods aan de ziel wordt geopenbaard of meegedeeld”.

In de gelijkenis van het zaad gaat het dus om genade die door de Heere ter plekke wordt meegedeeld. Maar die genade kan worden ‘verstaan’ of ‘niet verstaan.’ Met ‘verstaan’ wordt bedoeld ‘begrijpen’ met het verstand en ‘grijpen’ met het hart. Door dit niet te doen wordt het gezaaide Woord door de satan weggerukt óf slechts voor een tijd aangenomen óf verstikt door de invloed van de wereld. Spurgeon zegt over dit ‘verstaan’: “Door liefdevol begrepen te worden, komt de waarheid in de mens terecht en dan wortelt en groeit deze”. Matthew Henry zegt van de mensen die verstaan: “Ze begrijpen niet alleen de betekenis van het Woord, maar ook dat het henzelf aangaat; ze begrijpen het zoals een zakenman zijn zaken begrijpt. God handelt in Zijn woord op een rationele manier met mensen als mensen, en neemt de wil en de genegenheden in bezit door het begrip te openen”.

Interessant is de toelichting van deze gelijkenis die de Dordtse Leerregels in hoofdstuk 3-4 artikel 9, 10 en 11 er zelf van geven. Ook daar wordt gezegd dat God degene die Hij door het Evangelie roept ‘onderscheiden gaven mededeelt’. En dan vallen ook de beroemde woorden: “Hij opent het hart, dat gesloten is; Hij vermurwt dat hard is”. Maar als dit laatste niet gebeurt dan? Hoe wordt dan de afwijzing van die onderscheiden gaven door onze vaderen benoemd? Wel, op drie manieren: 1. Het woord des levens niet aannemen; 2. Wel aannemen, maar niet in het binnenste van het hart; 3. Het verstikken van het zaad van het Woord. Hier wordt dus de volle verantwoordelijkheid bij de mens gelegd. We zijn immers geen stokken en blokken, waarvan geldt dat ze niet mee of tegen kunnen werken. Dus, hoewel het de Heere Zelf is Die ons hart opent voor het Woord dat gesproken wordt, wordt hier toch de mens verantwoordelijk gesteld voor het niet willen ontvangen van de uitgedeelde genade.

In dit verband vind ik het altijd weer verbazingwekkend dat de woorden van de Heere Jezus zo vaak van hun kracht beroofd worden door ze in feite van remonstrantisme te verdenken. U weet wel welke ik bedoel: “Een iegelijk dan, die deze Mijn woorden hoort en dezelve doet” en “een iegelijk, die deze Mijn woorden hoort en dezelve niet doet” (Matth. 7:24 e.v.). Soms lijkt het er op dat de angst voor remonstrantisme zo groot is dat we niet meer geloven wat de Heere Zélf als hét kenmerk van de wedergeboorte ziet: “Want zo wie den wil van God doet, die is Mijn broeder, en Mijn zuster, en moeder” (Markus 3:35)…

De vraag is: Leven we bij de rijkdom van Zijn genade of bij de armoede van Zijn genade (vergeef me de uitdrukking)? O, die rijkdom die er is in Christus Jezus, die uit Zijn volheid put en de gemeente ermee drenkt! Althans (in alle ernst) als Zijn dienaren deze ‘input’ zonder bewerking doorgeven in de ‘output’.

Weet u, deze genade wordt zelfs aan dode zondaren medegedeeld, door de prediking van het Evangelie. Calvijn benadrukt dat predikanten zich daarvan bewust moeten zijn, in de uitleg van de bekende tekst uit Efeze 5:14. “Ontwaakt gij die slaapt en staat op uit de doden.” Hij ziet het als de taak van de ambtsdragers om mensen te laten ontwaken en zegt heel resoluut: Laten wij ons inspannen zolang wij dat kunnen om degenen die slapen en dood zijn, wakker te maken, opdat wij hen tot het licht van de Christus leiden. Natuurlijk wist Calvijn ook wel dat de Heilige Geest dode zondaren levend maakt, maar hij wist ook dat daarvoor predikanten gebruikt worden om die genade mee te delen en dat zij zich daar hard voor moeten inspannen! Ik denk dat ook om deze reden de dienaren des Woord in 1 Petrus 4:10 “uitdelers der menigerlei genade Gods” genoemd worden. En gelezen vanuit het tekstverband: liefdevolle huisvaders mogen zijn, die aan hun kinderen eten uitdelen en hen zo in hemels voedsel laten delen.

De Heere geve dat alle huisvaders van onze kerk ook in 2018 ernst mogen maken met de woorden van Paulus in 1 Korinthe 9:17: “Want indien ik dat gewillig doe, zo heb ik loon, maar indien onwillig, de uitdeling is mij evenwel toebetrouwd”.

Katwijk aan Zee, ds. J. Koppelaar

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 januari 2018

Kerkblad | 24 Pagina's

'Aansporing'

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 januari 2018

Kerkblad | 24 Pagina's

PDF Bekijken