Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Vondel-herdenking I.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Vondel-herdenking I.

6 minuten leestijd

17 November 1937 zal het 350 jaar geleden zijn, dat „de Prins onzer dichteren", zooals men Vondel oudtijds noemde, het levenslicht te Keulen aanschouwde. Natuurlijk moet dat herdacht worden. Natuurlijk wordt de herdenking van Roomsche zijde in elkaar gezet. Vondel is nog wel niet heilig verklaard door de Kerk, waar naar hij overging, maar van hem wordt in den laatsten tijd in ons vaderland veel meer notitie genomen dan van één van de heiligen. Prof. Molkenboer, van de orde der Dominicanen, hoogleeraar aan de Nijmeegsche Universiteit en lector in de Vondelleer, is al druk doende.
Natuurlijk moeten in het herdenkingscomité ook Protestanten van allerlei gading zitting nemen. We zouden er niets op tegen hebben. We erkennen de zeldzame talenten van Neerlands grootsten dichter gaane. Wanneer we maar niet in al deze pogingen de verheerlijking van Rome's kerk op den achtergrond zagen staan. Dat maakt ons zóó huiverig voor al die zoogenaamde ktfnst-vieringen, door Rome op touw gezet. Wie denkt hierbij bijv. niet aan het comité voor den herbouw van de abdij van Egmond? 't Ging alleen om historie en kunst. Met religie, allerninst met Roomsche religie, had het niets Uit te staan. Maar ondertusschen! Daarom is het goed. Vondel nog eens in zijn verschijning en arbeid te beschouwen.
De „Prins der dichteren". Maar meer dan dat is hij in de oogen der Roomsche cultuurwereld. Hij is haar baanbreker, haar held, haar bondgenoot. Het ontbreekt er nog maar aan, dat hij haar heilige is. Zijn geschiedenis kennen we. Vader Vondel was hoedenstoffeerder te Antwerpen. De „vrije leere" was hij toegedaan. In Menno Simons had hij zijn geestelijken vader gevonden. Zoo moest ook hij om de Spaansche vervolgingswoede naar Keulen uitwijken, waar hij huwde met Sara Kraanen, die eveneens met hare familie, ook Doopsgezind, uit Antwerpen daarheen gevlucht was. Een hunner kinderen heet, evenals zijn vader. Joost. Dat werd de roem zijner eeuw. 1596 gaat vader Vondel met zijn qezin naar Utrecht; de Noordelijke Nederlanden zijn een veilig toevluchtsoord geworden. Een jaar later verhuist hij naar Amsterdam, waar hij een voordeeligen kousenhandel dreef. Sterft vader Vondel, dan krijgt Joost de zaak over; die hij veilig in handen laten kan van zijn vrouw, Maria de Wolff, terwijl hijzelf zich me! hart en ziel geeft aan zijn kunst. Lid van de Rederijkerskamer „In Liefde Bloeiende", komt hij met Vossius en Barlaem, met Hooft en Hugo de Groot, met Tesselschade en vele anderen gedurig in aanraking, van wie hij veel leert. Evenwel, wanneer Joost van den Vondel in 1639 (dus wanneer hij 52 jaar oud is; hij is in 1587 geboren en 1679 gestorven) tot de Roomsche Kerk overgaat en haar leerstellingen met zijn talent gaat verdedigen, Èekoelt deze vriendschap zeer en komt hij 1 openlijker tegenover zijn oude vrienden te staan. Zijn levensavond is vrij somber. Ook hij had een zoon, Joost, die hem veel verdriet bezorgde en zijn geheele vermogen er doorjoeg. Zoo kwam het, dat Vondel op zijn ouden dag nog werkte als boekhouder ;»an de Bank van Leening en het een geluk mocht rekenen, dat men hem na zijn ontslag uit die betrekking zijn kleine jaarwedde liet behouden, zoodat hij voor broodgebrek bewaard bleef.
Ziedaar zijn levensloop. Voeg hier nog zi|n portret bij. ons door Brandt in zijn 1 even van tondel geteekend: ,.Hij was van middelbare lengte, wel gezet en wel gemaakt van leeden. In 't weezen vertoonde zich een kenbaare schranderheit en cpgetrcckenheit (d.i. verhevenheid) van gedachten. Zijn aangezicht was in de kracht zijner jaren blankbleek en magerachtig. maar in zijnen ouderdom breetachtig, vol in 't vleesch, gezondt van kleur bloozend op de kaaken; het voorhooft niet te hoogh. Onder hooge wynbraauwen — aan de rechte zijde een weinig hooger opgetrocken dan aan de slinke, doch zonder misstandt — hadt hij bruine, levende, doordringende, scherpziende, of gelijk men spreekt, aarentsoogen, vol viers, als of hij heekeldichten in 't hooft hadt. Zijn neus was wat verheven (d.i. groot), wel in 't vleesch, de mondt niet te groot, zijne lippen dunachtig; zijn hair zoo kort, dat het de ooren pas bedekte; zijn baardt klein, en gelijk als 't hair, zwartbruin, totdat het in zijn hooge jaaren wit van grijsheit wierdt."

Het is voornamelijk de verdienste van den Roomschen schrijver Jozef Alberdingk Thij:" geweest, dat hij Vondel heeft ontdekt. En in Vondel het Roomsche verleden en de Roomsche glorie op letterkundig gebied. De herleving van de Roomsche cultuur in Nederland in de negentiende en twintigste eeuw is gepaard gegaan, tot op den dag van heden, met een zeer innige belangstelling voor en bestudeeren van Vondel's werk.

Prof. Gerard Brom van de Nijmeegsche Universiteit wijdde in 1907 zijn dissertatie tan Vondels bekeering. Dr. Sterck heeft zich tientallen jaren ingespannen om alles wat maar eenigszins op Vondel betrekking had, bij elkaar te brengen. Prof. Brom heeft Vondel nog altijd niet losgelaten. Integendeel uit zijn jongste 1-cek Vondel's geloof blijkt, hoe deze Rromsche geleerde nog altijd met den dichter, die van het Doopsgezinde geloof zijner ouders zich afkeerde en weer veiligheid zoekt in de Kerk van Rome, bezig is; en dan ook inderdaad een werk van ..grondige kennis van diens werken, fijn gevoel voor poëzie, zuivere intuïtie en vooral een enorme belezenheid op vrijwel ieder gebied" in het licht heeft gegeven.

venals vóór hem Alberdink Thijm, dat beiden lofzangers, verdedigers en strijdknechten zijn van het Roomsche geloof. ,,Ick wensche Christus' Kerck met mijnen danq te bouwen; Haar heerlijckheit en eer en wonderheên 't ontvouwen", zoo zong Vondel in een van zijn leerdichten. Sinds hij bij de Jezuieten ter schoole gegaan was, vond hij de kerk van Christus natuurlijk alleen belichaamd in de „Moederkerk". Dat is de onveranderlijke leer van Rome, ook nu nog. Er is maar ééne kerk; alle andere, die zich kerken noemen, zijn niets dan sekten, stukken die van de ware kerk zijn afgescheurd en afgesneden. Er was een tijd. dat Vondel volbloed Protestantsch voelde en dichtte. Toen klonk het nog, echt Doopersch: Vergaep u niet te seer aan prael van sichtbre Kercken. Van de inkwisitie gruwde hij in die dagen en noemde haar.

De vierde suster van de doodse Razerf nijen Die swanger gaet van moort en snoodste [schelmerijen Gifmengster, stokebrant, die strik en [stroppen draeijt, Bloetvrienden ophitst, krijgh en vijant- [schappen saeyt, Onnoozlen brandmerkt en verheerlijckt [den verrader!

(Slot volgt).

Dit artikel werd u aangeboden door: Protestants Nederland

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 juni 1936

De Klok | 4 Pagina's

Vondel-herdenking I.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 juni 1936

De Klok | 4 Pagina's

PDF Bekijken