Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Worstelend geloof

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Worstelend geloof

7 minuten leestijd

,,lk geloof, Heere, kom mijn ongeloovigheid te hulp." Marc. 9 : 24b.

In waarheid — we hebben niet te roemen in ons geloof. We hebben niet zóó de scheidslijn te trekken tusschen ons en de anderen, die buiten zijn, dat we zeggen: Bij ons is het geloof; het ongeloof is bij de anderen. We moeten diep verstaan, dat die lijn dwars door onze eigen ziel heengaat. Ook in ons, die gelooven, die door Gods genade „echt" gelooven, zit een groot stuk ongeloof. En dat ongeloof bederft het beste, wat we doen; bederft ook ons geloof. Zoo was t ook bij den vader van den bezetene, die met de ellende van zijn kind, en zijn eigen ellende (want de nood van zijn kind is tegelijk zijn eigen nood) tot Jezus de toevlucht neemt. Terwijl de Meester op den berg was, heeft hij het eerst bij de discipelen geprobeerd, maar in hen is hij wel deerlijk teleurgesteld. Ondanks alle goede bedoeling, alle pogingen te helpen, hebben ze geen hulp kunnen verschaffen. Dat is wel een schok geweest voor dien vader. Maar als Jezus dan onverwacht verschijnt in den kring van die menschen, van die twistende schriftgeleerden en verlegen, beschaamde jongeren, vlamt toch weer even zijn hoop op. Misschien is er bij Hem baat te vinden. En na een aandoenlijk, lang relaas over het lijden van zijn kind, dat daar op den grond ligt, schokkend, zich wentelend, al schuimend (in de nabijheid van den Heilige Gods roert zich de demon het sterkst) wendt hij zich tot Jezus met de smeeking: „zoo Gij iets kunt wees met innerlijke ontferming bewogen over ons, en help ons." „Zoo Gij iets kunt." Dat klinkt niet heel hoog. Zonder dat hij het opzettelijk bedoelt, spreekt hij toch wel duidelijk uit, dat hij maar bitter weinig van Jezus verwacht. Wellicht is maar Zelden iemand met zoo weinig geloof tot Jezus gekomen. Maar — verbazen doet dat ons eigenlijk niet. Want de discipelen hadden het er immers zoo slecht afgebracht, hadden zulk een pover figuur geslagen. En het is nu eenmaal zoo, dat Jezus (en dat geldt ook voor onzen tijd nog, ook voor ons, als gemeente — dat maakt de zaak wel diep ernstig!) beoordeeld wordt naar Zijn discipelen. En als zij dan, als wij dan als machteloozen staan, in niets ons onderscheidend van de wereld, zullen we ons dan verwonderen, wanneer de wereld die Christus niet kent, ongeloovig vraagt: „Zoo Hij iets kan " „Zoo Gij iets kunt." Maar Jezus legt de verantwoording op den vader zelf. Jezus keert de spits van zijn twijfel-woord tegen den vader zelf. „Zoo gij kunt gelooven." Of — naar een betere lezing: „Wat dat „zoo gij iets kunt" betreft — alle dingen zijn mogelijk dengene, die gelooft." „Aan Mij zal het niet liggen, maar — aan u." Aan God ligt het niet. Wanneer de rijke overvloed van Zijn gaven ons niet toevloeit, maar wij hoogstens enkele droppelen daarvan ontvangen — maar aan ons, aan ons, die door ons ongeloof God den weg versperren, het God onmogelijk maken te schenken, waartoe Hij is bereid. Dat werpt ons, met onze vrome uitvluchten en vromen twijfel op ons zelf terug, drijft ons in de engte, in de schuld voor God. Dat maakt het dien vader heel benauwd. t Heil van zijn kind zal afhangen van zijn geloof, en — hij kan niet toonen een geloof, zooals hij wel zou willen; hij ziet zijn geloof, als enkel schamelheid, één stuk gebrek. Och, hij verwacht, ja, hij verwacht wel; Christus grijpt zijn ziel in Zijn verheven majesteit, in Zijn teere erbarming: „Als een iets kan, dan is Hij het." Maar boven zijn geloof (dat zwakke, bevend geloof) grijpt zijn ongeloof uit, dat op-vecht uit de donkere diepten van zijn hart: „Als ieder machteloos stond, als zelfs de discipelen niets konden uitrichten, zou het onmogelijke voor den Meester dan wel mogelijk zijn?" En in de spanning, bijna niet te dragen, in het gebogen gaan onder de geweldige verantwoording; in de worsteling tusschen de twee machten die vechten in zijn ziel, kreunt hij: „Ik geloof, Heere. Kom mijn ongeloovigheid te hulp." Wonderlijk menschenhart! Neen, ik moet het zoo zeggen: wonderlijke hart van den geloovige! Het gelooft en het gelooft niet. Het gelooft niet, en toch gelooft het ook weer. Oppervlakkigen verklaren misschien die tegenstrijdigheid voor dwaasheid: „Een mensch gelooft — of, hij gelooft niet" (omdat zij zelf niet kennen den strijd des geloofs); die bij Christus' licht in eigen duistere zielediepten een blik heeft geslagen, en de tweespalt, de gespletenheid van eigen hart kent, weet wel beter. Wanneer Christus door Zijn Woord ons aanspreekt; wanneer Hij in Zijn Woord ons tegentreedt in onzen nood, als de Machtige, de Majestueuze, .die grooter dan al onze nood is, tegenover Wien onze nood wegzinkt; wanneer Hij in onzen zondenood, door Zijn woord zich aan ons openbaart in de rijkdom van Zijn erbarming, die onze zonden droeg, en ze vergeeft, hoe zwart ze ook zijn — tot duizendmaal toe — dan, ja dan zegt het geloof „ja". „Gij kunt het, gij wilt het, gij zult het, o Heere." „Op U staat mijn hoop." „Heere, ik geloof.' — Maar tegelijkertijd zegt het ongeloof (en dat ongeloof woont in hetzelfde hart. en woont er op datzelfde moment): „Neen." „Verwacht niet teveel". „Maak u niet blij." En die twee machten kampen tegen elkander. En als we eerlijk zijn, durven we niet verder gaan, dan, in worsteling, in diepe schaamte-over-onszelf, belijden: „Ik geloof, Heere — maar, maar... kom mijn ongeloovigheid te hulp.' Wanneer wij het zoo hebben gezien, roemen we niet meer in ons geloof. Waarlijk — we steunen niet op ons geloof. We gelooven niet in ons geloof. (Och, armen, wanneer we geen vasteren pleitgrond bezaten dan ons stumperig geloof!). W e worden ons er diep van bewust, dat ook ons geloof (ons „mooie" geloof) met al het andere valt onder Gods oordeel, met al het andere ons aanklaagt, met al het andere verzoening noodig heeft door het bloed van het Kruis. Maar in onzen nood klemmen we ons dan aan den Zaligmaker vast. En ons geloof wordt een gelooven in Christus, den barmhartigen, rijken Heere, een gelooven in Hem alleen, Ziet, dit is het wonder, dat Christus voor zulke „ongeloovige" geloovenden kla; r staat, aan zulken hulp biedt, genade sdfïfiïKt. Dat is de wonderbare goedheid van onze Heere. Naar menschen-maatstaf rekenend, hadden we kunnen begrijpen, wanneer Hij dien ongelukkigen vader naar huis gestuurd had, met de boodschap dat hij terugkomen mocht, wanneer zijn geloof wat eerbiedwaardiger was geworden; wanneer Hij ons weg zond, en liet wachten, tot wij boven den strijd tot geloofsvastheid uitgegroeid waren. Maar zoo doet Hij niet, die de bliide boodsch/ap voor verlorenen brengt, die aan 't kruis voor Zijn vijanden stierf, die Zijn genade aan ongeloovigen (maar die toch op Hem hopen) verheerlijkt; die goddeloozen (maar die toch gelooven) rechtvaardigt om niet. Hij toont dien man Zijn erbarming en macht. Hij helpt en behoudt ook ons. Wat blijft ons dan anders over dan roemen in Hem, in Zijn genade alleen? Gelukkig de mensch dan, die niet in zijn ongeloof blijft zitten; die evenmin zich afmartelt om zelf zijn ongeloof onder de knie te krijgen, en zijn geloof tot de overwinning te brengen (wat hebt ge dan in uzelf, waardoor ge uw geloof vastzetten kunt?), maar die in zijn strijd bij Christus zoekt zijn hulp en heil: „Heere ik geloof, kom mijn ongeloovigheid te hulp.' Ja, Hij weet, hoe diep mijn zonden, Steeds opnieuw mijn ziel doorwonden;

Niet mijn ongeloof en waan.
Mijn geloof, dat ziet Hij aan.

Dit artikel werd u aangeboden door: Protestants Nederland

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 november 1937

De Klok | 4 Pagina's

Worstelend geloof

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 november 1937

De Klok | 4 Pagina's