Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Wolf kom af!!

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Wolf kom af!!

36 minuten leestijd

A.P.A. du Cloux, een wolf werd lam

.vanKootenVDM

De kerk van Maartensdijk is een historische plaats. In dit gebouw, ooit gewijd aan Sint Maarten naar wie ook de reformator Luther is vernoemd, is menigmaal de mis gelezen. Door Gods voorzienigheid moest de leugen van Rome hier plaatsmaken voor de leer der Reformatie. Sedert die dagen hebhen vele dienaren van het Woord hier Gods Woord mogen bedienen. Helder en klaar, soms ook onder een deksel. Ik noem daarbij onwillekeurig de namen van ds. J.H. Koster en dr. J.H. van der Palm. Tussentijds waren er de vacatures waarbij gezocht moest worden naar een nieuwe predikant. Tweemaal is toen een poging ondernomen om A.P.A. du Cloux naar Maartensdijk te krijgen. Eerst middels een toezegging van beroep in 1863 en later door een beroep op deze predikant in mei l874; toen hij net met emeritaat was gegaan en zich metterwoon had gevestigd in de Domstad. Hij bedankte zoals dat met vele beroepen die op hem uitgebracht waren ook het geval was geweest. Wie was toch deze Alphonse Pierre Antoine du Cloux, die net als de Maartenskerk te Maartensdijk een radicale onunekeer mocht meemaken. Die van een wolf een lam werd?

De wieg van Du Cloux stond in Den Haag. Daar werd hij op 8 maart 1808 geboren. Hij was van Franse komaf. Een aardige anekdote is dat 'cloux' het Franse woordje is voor 'Spijker' en dat Nicolaas Beets - die tweemaal een Ueindochter van Van der Palm huwde - ooit zei: 'De Hervormde Kerk gaat tussen twee spijkers door', waarmee hij bedoelde ds. H.J. Spijker van Amsterdam, op en top vrijzinnig, en ds. A.P.A. du Cloux, uiterst rechtzinnig, en die zelfs in later jaren beticht werd van hypercalvinisme en behorend tot de Hellenbroekiaanse richting.

Afkomst en jeugd

Het voorgeslacht van Du Cloux was bij de herroeping van het edict van Nantes in 1685 uit Sedan naar ons land gevlucht . Vo o rvader acques du Cloux vestigde zich als apotheker te Leiden en sloot zich aan bij de Eglise Wallone aldaar. Sedan was nota bene in de dagen der Reformatie een heerlijke uitwijkplaats voor vervolgde pro-testanten toen de heer Robert Henri de la Marck mocht worden ingewonnen voor de leer der Reformatie. Guido de Brés vond zijn schuilplaats aldaar met vrouw en kinderen. Dat was inmiddels allang verleden tijd.

De familie Du Cloux behoorde bij de gegoede stand. Grootvader A.P.A. naar wie dominee Du Cloux is vernoemd, was gepromoveerd rechtskundige en werd na zijn overlijden begraven in de Dom van Utrecht. Du Cloux' vader Paul Philip was jurist en griffier van het Hoog Militair Gerechtshof te Den Haag. Later vertrok hij naar Appingedam zodat Du Cloux opgroeide in het weidse Groninger land. Hij volgde later onderwijs aan de Latijnse school te Appingedam en studeerde vervolgens theologie aan de Universiteit van Groningen.

In zijn jonge jaren gebeurde er in gezinsverband nogal het een en ander. Toen hij zes werd, overleed een tweejarig broertje. Toen hij elf jaar was, kwam een broer van achttien om bij een gevecht in Palembang. Deze diende als militair in Indonesië. Toen hij achttien werd, stierf een 26-jarige broer die gehuwd was en een paar kinderen naliet en tijdens zijn studie aan de theologische faculteit ontviel hem ook zijn vader. We lezen overigens niet dat er iets in

zijn leven was waarin hij door deze zaken bezet werd met de ernstige vraag: 'O mijn ziel doorziet gij uw lot, hoe zult gij rechtvaardig verschijnen voor God.' De keus om theologie te studeren had daar ook niets mee te maken. Diep in zijn hart hoopte Du Cloux predikant te worden in Indonesië, waar naar aardse maatstaven nogal grote voordelen aan verbonden waren. Trouwens, waren er niet meerderen in het voorgeslacht predikant geweest zoals Barthelemy, Benjamin en Isaac du Cloux? Laatstgenoemde nam in 1688 een beroep aan naar de Waalse kerk te Zierik-

De lust om zielen te vangen voor de Koning der kerk kende Du Cloux niet. In zijn preek gehouden bij de herdenking van een kwart eeuw predikantschap zei hij: 'Zonder het gewicht en de heerlijkheid van dat voortreffelijke ambt te gevoelen of recht te beseffen, zonder de leer der kerk die ik diende uit haar belijdenisGeschriften te hebben nagegaan, zijnde daarin onderwezen.'

Onder de - wapenen

In augustus 1830 deed hij examen voor het provinciaal kerkbestuur te Drenthe en werd hij toegelaten als kandidaat tot de heilige dienst, met een benoeming op zak als predikant voor een plaats in Oost-Indië.

Toch ging de tocht naar de Oost niet door omdat drie weken na zijn examen, in Brussel het oproer uitbrak tegen koning Willem 1. De Belgen wilden onder diens gezag uit. Groen van Prinsterer had met name de studenten opgeroepen mede op te trekken tegen de opstandelingen. Vele studenten gaven gehoor aan die oproep. Bekend is dat vanuit het Leidse stu­ dentencorps Brummelkamp, Scholte, Van Velzen en Ledeboer zich opgaven. Uiteindelijk zijn zij toch niet allen mee opgetrokken om onderscheiden redenen. De zojuist afgestudeerde Alphonse is wel gegaan. Vergeten we niet dat er beroepsmilitairen in de familie waren en kwam jaren geleden niet een achttienjarige broer om...?

Een jaar nam hij dienst in een aparte compagnie vrijwilligers. In de opleidingstijd die daaraan vooraf ging maakte hij kennis met de onderofficier J.O. Kooystra die hem onderwees in de wapenhandel. Later zou deze hem meerdere malen in de pastorie te Losdorp bezoeken. Kooystra mocht namelijk later zoals de titel van zijn bekeringsgeschiedenis aangaf, geworden zijn 'Een verloren zondaar door vrije genade gezaligd'. In het voorwoord van dat boekje dat na Kooystra's overlijden in 1872 in druk verscheen, schreef Du Cloux: 'Levendig herinner ik me nog, hoe wij als 't ware aan zijn lippen hingen, als hij ons de wonderbare leidingen Gods verhaalde.'

Bevestiging

Na de diensttijd te hebben vervuld, mocht hij in tegenstelling tot vele anderen die jaren moesten wachten, een beroep ontvangen naar Vierhuizen en Zoutkamp. Collator aldaar was Regnerus Tjaarda Mees, lid van de gedeputeerde staten te Groningen, die na het overlijden van zijn vader zijn voogd was geworden en door Huwelijk met een zuster van Du Cloux zelfs een zwager. Het oude kerkje van Zoutkamp waar hij op 12 mei 1832 in het ambt werd bevestigd kwam onlangs nog in het nieuws daar deze kerk - die helemaal tot een bouwval was geworden - een restauratie won bij het (vergeef me vanaf deze plaats!) televisieprogramma Bank Giro Loterij Restauratie. Verschillende monumenten ijverden om de prijs, waaronder de Sint Jan van Den Bosch maar de prijs was voor Vierhuizen. Negen ton sleepte het kerkje in de wacht dat 25 jaar geleden werd gesloten. Het werd daarom wel 'knuffelkerk' genoemd.

De consistorie van die kerk was een groot rommelhok. Twintig jaar geleden heb ik in de kluis onderzoek gedaan naar het kerkelijke archief uit die periode. Ze bleken helaas spoorloos te zijn.

We gaan aan de bijzonderheden bij de intrededienst in Vierhuizen en Zoutkamp voorbij, zij het niet zonder te noemen dat bij Du Cloux' bevestiging twee predikanten betrokken waren, waarvan Hendrik de Cock van Ulrum de bevestiging voor zijn rekening nam en ook deelnam aan de handoplegging. Hij was het toch die enkele jaren eerder krachtig was omgezet met name onder het geestelijk onderwijs van ene Kuipenga.

In zijn 25~jarige jubileumpreek heeft Du Cloux opgemerkt dat hij in die tijd vervreemd was van God. Door de onwetendheid die in hem was, was hij verduisterd in zijn verstand en kende hij het leven niet. Hij zei: 'Ik was met het leven niet verenigd maar koos in blindheid de dood en het verderf boven het leven. Verenigd met de wereld sprak ik van de wereld, diende ik haar volop en werd ik van de wereld geprezen. Geheel en al onbekend met datgene wat er gekend moet worden om getroost te leven en eenmaal zalig te sterven, leefde ik voor mezelf zorgeloos en gerust voort zonder God en Christus, hoewel ik die dienst anderen aanprees. O indien God mij toen had doen sterven ik ware de eeuwige

rampzalige dood gestorven, ik ware voor eeuwig verloren gegaan.'

Wel waren er in zijn gemeente kinderen Gods. Ook was daar een ouderling die vaak met hem sprak over en uit het leven. Eerlijk bekende hij bij zijn terugblik op die tijd dat hij in zijn hart een innige afkeer had van dat leven. Vooral als hij het levende volk hoorde klagen over het diep bederf van hun hart, dat ze na ontvangen genade nog zo moesten ervaren. Daar begreep hij niets van. Het meest had hij op met mensen die hun geloof beleden met roemen en juichen.

Tegen De Cock

Hoewel de gemeente hem trouw bleef en er ook vele vromen waren die gedurig voor hem baden, gingen er na verloop van tijd ook verscheidene bij ds. De Cock in Ulrum kerken en lieten ze hun kind aldaar dopen. Dit bracht Du Cloux er toe om tot drie maal toe een klacht tegen ds. De Cock in te dienen bij het classicaal bestuur.

Allereerst kwam er een aanklacht binnen op 4 november 1833-Ten diepste was het dopen van kinderen uit een andere gemeente zonder toestemming van desbetreffende kerkenraad en predikant in die tijd nog niet verboden. Dat kwam pas in 1842 vast te liggen. Wel bracht een en ander grote onrust te weeg in de gemeenten. Dat was dan ook de reden voor Du Cloux om te schrijven aan de classis of deze niet spoedig maatregelen wilde nemen tegen De Cock. Hij schreef: 'waardoor de hevigste twisten en onaangenaamheden tusschen de inwoners van dezelfde gemeente te vrezen zijn.'

Op 18 november volgde een tweede aanklacht omdat opnieuw een kind uit zijn gemeente in Ulrum was gedoopt. Het dopen had namelijk in de gemeente Zoutkamp onenigheid teweeg gebracht tussen verschillende leden van zijn gemeente. Weer vroeg hij de classis om De Cock te laten stoppen met zijn dooppraktijk. Hij noemde in dat schrijven De Cock een man 'die reeds zoveel onheil in de gemeenten zijner naburen heeft gesticht en steeds meer zoekt te verwekken.'

Op 3 december 1833 volgde een derde klacht. Dit omdat De Cock catechisanten uit Vierhuizen en Zoutkamp op zijn openbare catechisatie aannam en zelfs opwekte die te volgen.

Een gesprek volgde met De Cock waarin deze de classis meldde dat Du Cloux meende dat bij de bediening van de doop de kleine

kinderen gelijk al gedoopt waren met de Heilige Geest. We gaan verder op die zaak niet in, maar weten dat de gevolgen hiervan mede tot een tijdelijke en tenslotte een definitieve schorsing van Hendrik de Cock geleid hebben.

'Wolf komaf!'

Nadat De Cock was afgezet en de diensten door ringpredikanten moesten worden vervuld was ook Du Gloux een van de predikanten die in Ulrum moesten voorgaan.

Omdat er al heel wat strubbelingen hadden plaatsgevonden rondom een ringpredikant die door de gemeente Ulrum werd weggehoond terwijl men wel luisteren wilde naar een preek van De Gock, die hij hield vanuit de ouderlingenbank, schreef hij op 23 oktober 1834 331^ d^ gouverneur van de provincie Groningen of er mogelijk militairen naar Ulrum gezonden konden worden om bij een eventueel handgemeen op te treden. Du Cloux meende namelijk dat als hij naar Ulrum ging ongetwijfeld aan 'hem verkleefde' vissers uit Zoutkamp mee zouden gaan die nogal driftig van aard waren. Natuurlijk zou niemand het hem euvel duiden als hij thuis bleef maar hij stond er toch op dat in Ulrum de ringbeurten zouden plaatsvinden. 'Omdat, ' zo schreef hij, 'ik duidelijk inzie dat wanneer wij eenmaal ophouden en de dienst te Ulrum verzaken des te meer de wapenen tegen ons aan de heer De Cock geven, die zijn getrouwe en domme gehoor alles wijs kan maken...' In die brief wees hij ook op het gevaar van H.P. Scholte die op dat moment in Groningen verbleef.

Hij getuigde zelfs tegen laatstgenoemde bij de rechtbank in Appingedam.

Du Gloux zal ook wel een beetje bang zijn geweest voor het lopende gerucht dat er zo'n lOOO tot 1500 aanhangers van De Cock naar Ulrum wilden komen.

Het schrijven van Du Gloux resulteerde in het zenden van militairen naar Ulrum, waarvan een twaalftal intrek nam bij de pastoriebewoners.

Op 15 maart 1835 rnoest hij nog eens voorgaan in Ulrum en toen was er ene Meerten Jans Nieuwalt die hem toeriep temidden van zijn preek: 'Wolf kom af!' Du Cloux vroeg wat hij wilde en hij herhaalde opnieuw "Wolf kom af!" Militairen hebben Nieuwalt uit de kerk verwijderd terwijl hij later om dit 'vergrijp' een boete kreeg van f.250.' met de proceskosten.

Deze gebeurtenissen heeft Du Cloux als scriba van de ring in het notulenboek van de ring uitgebreid opgetekend.

Zal Du Cloux later nog wel eens aan de woorden van Meerten Jan Nieuwalt teruggedacht hebben?

Was hij geen Saulus van Tarsen gelijk? Een wolf in schaapskleding zoals we lezen in Mattheüs 7 = 15^ 'Maar wacht u van de valse profeten dewelke in schaapsklederen tot u komen maar van binnen zijn zij grijpende wolven' en Handelingen 20:29: Want dit weet ik dat na mijn vertrek zware wolven tot u inkomen die de kudde niet sparen.' Mocht hij het zelf zo niet hebben gezien, Gods kinderen hebben het wel onderkend.

In zijn jubileumpreek bij het kwart eeuw predikantschap kijkt Du Cloux ook op die toestanden terug: 'Pas was ik in de bediening of ik werd gewikkeld in de strijd die er te Ulrum ontstond en ik heb zekerlijk behoord onder de eerste, ijverigste en vurigste tegenstanders der Afscheiding en mocht mij verheugen dat met uitzondering van zeer weinig de ge­ meente mij bleef aanhangen, ja zo aan mij gehecht bleef dat zij hun leven voor mij veil hadden. Jong en vurig van gestel zag ik tegen geen werkzaamheden op en wedijverde uit eerzucht en dienstijver met hen die dag en nacht werkzaam was om de Afscheiding in al de omliggende gemeenten te bevorderen.' Ook mocht hij toen betuigen dat hij geloven mocht dat er toen vele bidders onder Gods volk waren, die zijn bekering van God afsmeekten om hem van een Saulus een Paulus te maken.

Huwelijk

Temidden van al die kerkelijke toestanden huwde hij op 9 juli 1834 metJacobaWibinna Westendorp. Daardoor kwam hij uiteraard ook in aanraking met zijn schoonvader dr. Nicolaas Westendorp, predikant te Losdorp. Hij was predikant en schoolopziener - destijds een meermalen voorkomende combinatie - terwijl hij vele publicaties het licht deed zien over Groningen die met name van archeologische, historische en folkloristische aard waren.

Twee van zijn dochters huwden met een predikant. De ene met N. Warmoltz die onder andere predikant was te Wanswerd en de andere dus met Du Cloux. Beide predikanten hebben later meegewerkt aan het blad De wachter op Sions muren. Warmoltz was ook medeoprichter van de Friese predikantenvereniging op gereformeerde grondslag.

Du Cloux noemde zijn schoonvader een ijverig voorstander van de oude beproefde leer onzer vaderen en een ernstig en getrouw herder.

Eerlijk gezegd geeft de enige preek die we van Westendorp kennen, gehouden bij de ingebruikname van de kerk van Sebaldeburen in

1809, die indruk niet. Maar ook bij deze man kan een ontwikkeling ten goede hebben plaatsgevonden.

De kennismaking van Du Cloux met hem was immers een kwart eeuw later.

In ieder geval geeft Du Cloux later hoog op van het onderwijs dat deze man hem gaf in de gereformeerde belijdenisgeschriften.

Nadat Du Cloux in 1836 een kerkje in gebruik mocht nemen te Zoutkamp in plaats van het tot toen nog in gebruik zijnde lokaaltje, kreeg hij medio 1837 een beroep naar Losdorp. Hij werd daar de opvolger van zijn schoonvader Westendorp die in 1836 stierf. Op I april 1838 deed hij intrede na bevestigd te zijn door zijn zwager N. Warmoltz uit Westeremden. Er zat een ongebruikelijk lange tijd tussen de aanname van beroep en de intrede maar dat had te maken met het feit dat een kerkvoogd en een notabel die ook beiden ouderling waren meenden dat er simonie in het spel was. Du Cloux zou zo'n 800 gulden hebben geboden aan de collator. Twee maanden na zijn intrede moest Du Cloux noteren dat de twee ouderlingen nog niet in de kerk kwamen. Het onderzoek van het classicaal bestuur en het getuigenis van de collator dat ten gunste van de nieuwe predikant was geweest had hen niet kunnen overtuigen.

Een bijzonderheid was ook dat na enige tijd Du Cloux naast predikant verkozen werd tot presidentkerkvoogd van Losdorp. De combinatie predikant en presidentkerkvoogd is een unicum.

Ommekeer

In zijn SS^jarig ambtsjubileumpreek gaat hij verder uitgebreid in op de ommekeer die hij meemaakte. Hij wijst er op dat juist het urenlange onderwijs van zijn schoonvader over de Heidelbergse Catechismus en de Nederlandse Geloofsbelijdenis hem tot zegen is geworden. Jaar en datum van zijn omzetting noemt hij niet, maar er zijn er die het jaar 1838 noemen.

Blijkbaar is het een proces van enige jaren geweest, zoals uit zijn jubileumpreek blijkt.

Het eerste woord dat bij Du Cloux naar binnen sloeg was het woord van Christus: 'Zalig zijn zij die treuren, want zij zullen vertroost worden.' Hij leerde toen verstaan dat zijn beredeneerd geloof geen grond had. Het onderwijs van zijn schoonvader - van v^de Du Cloux naar zijn zeggen een lieveling was - bracht hem tot onderzoek van de Heilige Schrift. Er waren in die dagen veel kloppingen in het geweten. Ook deed hij beloften aan God dat hij zich zou beteren nadat hij weer ziek was geweest, en dat was hij nogal eens. Het was uiteindelijk Psalm 51 die de Heere gebruikte om hem aan zichzelf te ontdekken als een doemschuldig zondaar. Van zaligmakende genade wist hij aanvankelijk nog niet.

Jaren aaneen leefde hij onder overtuigingen. Totdat het uur der verlossing aanbrak. Hij zei bij zijn jublieum: 'Nochtans mag ik tot roem van Gods genade het niet verzwijgen, ik mag geloven dat ik niet de Heere gezocht, maar dat Hij mij heeft opgezocht en hoe het van achteren ook dikwijls en fel bestreden is geworden, nochtans mocht ik mijn eigen doodvonnis billijken, verlichte ogen des verstands door de Heilige Geest in het dierbaar bloed van Jezus ontvangen, mij daarin verliezen, kwijt worden en overgeven; en mocht mijn ziel in die ogenblikken een vrede smaken die ik niet beschrijven kan. Wat zal ik de Heere vergelden voor al Zijn weldaden aan mij bewezen.'

De ommekeer van A.P.A. du Cloux is door sommige beschrijvers van de Afscheiding niet overgenomen. Ik noem dr. G. Keizer. Hij schrijft in De Afscheiding van 1824 • 'Welke verandering in deze man ook moge hebben plaatsgegrepen, zijn afkeer van de gezonde leer, die hem dreef een aanHacht

in te dienen tegen de getrouwe verdediger daarvan, is hem bijgebleven (...) zijn aangezicht bleef gekeerd naar de synode, zijn rug naar de Christelijke Gereformeerde Kerk.' Ook dr. C.C. Schot die met de Doleantie meeging, had kanttekeningen bij de bekering van Du Cloux. Zo schreef hij in zijn dissertatie over de Afscheiding: 'Het is te wensen dat hij na die tijd oprecht berouw zal hebben gehad over hetgeen hij tegen De Cock had misdreven en over de grote rol door hem als aanklager in dat geschieden gespeeld. Of zulks bij hem gevonden werd, bleef ons onbekend.'

Eerlijkheidshalve moeten we opmerken dat een echte spijtbetuiging over zijn handelwijze in Ulrum ons niet bekend is. In december 1838 schreef hij zelfs in de notulen dat er een familie Van der Veen was 'die zich beiden tot de Afgescheidene gemeente van H. de Cock hadden begeven, en van hun dwaling terug waren gekomen.'

Er waren ook andere reacties uit afgescheiden kringen. Zo gebeurde het dat in de Gereformeerde Gemeente van Barneveld acht jaar na Du Cloux' overlijden zijn preken reeds gebruikt werden bij de leesdiensten. Diaken Hendrik van Schothorst las bij de Pinksterdagen in mei 1898 achtereenvolgens drie preken over Handelingen 2 van hem.

Ik heb het idee dat de dolerenden meer moeite hadden met Du Cloux, want in de notulen van de Gereformeerde kerk te Benschop lezen we dat in 1932 de preken van Du Cloux niet meer werden gelezen maar dat men voortaan de catechismuspreken van Gezelle Meerburg zou gaan gebruiken bij de leesdiensten. Inmiddels zijn ze daar allebei onbekend geworden, dunkt me. Uitzondering op die regel was ds. G. Ringnalda die met de Doleantie meeging en in de periode l874"l866 respectievelijk de gemeenten Spijk, 's Grevelduin Capelle en Oldebroek had gediend en in al die gemeenten in aanraking was gekomen met Du Cloux' catechisatieboekjes met historische vragen over de bijbelse geschiedenis voor de jongere catechisanten. Hij gebruikte deze en deed in 1886 zelfs bij Buskes (familie van de bekende dr. J.J. Buskes) te Utrecht een uitgave het licht zien 'naar uitgave van A.P.A. du Cloux'.

'Christelijke vrienden'

Na zijn ommekeer kwam Du Cloux anders in de ambtelijke bediening te staan dan voorheen, ook in de meerdere vergaderingen. Hij mocht, zoals hij zelf zei, 'genade en vrijmoedigheid ontvangen om voor de verdrukte waarheid in onze kerk uit te komien.'

Het was hier in Losdorp dat hij met Réveilvrienden als J.H. Maatjes, catechiseermeester (de dichter van 'Beste meid, het kleedje slijt') te Groningen en ds. S.H. Sypkens uit Spijk naar het Odeon in Amsterdam ging op uitnodiging van Groen van Prinsterer. Deze vergadering ging uit van de 'Christelijke vrienden', die filantropisch werk van de grond wilden krijgen, niet naar het humanistisch principe van 'de vereniging tot nut van 't algemeen' maar naar bijbelse principes. Groen was aan Du Cloux' naam gekomen middels O.G. Heldring die hem 'een opregt christen in het Groninger land' noemde. Verschillende jaren heeft Du Cloux het secretariaat voor deze vereniging in Groningen op zich genomen. Zelfs werd op zijn aandrang de evangelist J.P. Grimm naar Groningen gezonden. Deze vereniging stond ook voor herstel van de kerk naar haar ware grondslag. Volgens de reglementen stond de kerk in die dagen handhaving en aanbeveling van de evangelische geloofsbelijdenis voor. Dat is een zeer rekkelijk begrip. Nu was het bij de

Christelijke vrienden niet zo dat men een strikte binding aan de gereformeerde belijdenisgeschriften voorstond. Het betrof de hoofdwaarheden zoals de inspiratie van de Schrift, de triniteit en de rechtvaardiging door het geloof. De predestinatie daarentegen moest buiten beschouwing blijven. Hoewel C.C. Callenbach zich daarom van die vereniging distantieerde, schaarde du Cloux zich er wel achter. Later kwam er ook verwij der ing tussen hem en de Christelijke vrienden toen ook hij meer gefundeerd werd in de leer der Reformatie en Nadere Reformatie. Hij zou toen ook scherper worden. Zelfs is er met Heldring een zodanige verwijdering gekomen dat deze Du Cloux betichtte van mystiek determinisme en 'koude orthodoxismus'.

Oldebroek

Na Losdorp gediend te hebben werd Du Cloux predikant in Oldebroek. Hij werd hier op 7 rnei 1851 bevestigd door ds. G. van der Flier te Oosterwolde. Het was een grote gemeente die veel van zijn krachten vorderde. Enkele weken na zijn komst werd hij uitgenodigd om de eerste steen te leggen van de pastorie. Dit huis is inmiddels al weer heel wat jaren niet meer als pastorie in gebruik maar een steen herinnert nog steeds aan deze dienstknecht des Heeren.

In deze gemeente mocht hij het middel zijn om de jaarlijkse kermis te doen beëindigen. Elk jaar was er namelijk op 17 september een schapenmarkt met daaraan verbonden de kermis, een Oldebroeks evenement dat nog herinnerde aan de tijd dat de heilige Lambertus werd vereerd, naar wie de oude kerk aldaar vernoemd is. In de notulen lezen we; 'De kermis is alhier finaal afgeschaft.'

Hij wist in 1854 de gemeente te activeren tegen een nieuwe bijbelvertaling die door de synode werd voorgestaan. 40O lidmaten uit Oldebroek hadden een bezwaarschrift ondertekend. Du Cloux verwachtte namelijk niets van een overzetting op last van de synode, zeker niet omdat men zich niet zonder voorbehoud wilde stellen onder de drie Formulieren van Enigheid. In de brochure 'Zijt altijd bereid tot verantwoording aan een iegelijk die van u rekenschap eist' schreef hij in 1853 reeds dat de gelden die voor die bijbelvertaling werden beschikbaar gesteld, judaspenningen zouden blijken te zijn. Dat was op zijn plaats, want toen de synodale vertaling van het Nieuwe Testament uitkwam in 1867 stond in het voorwoord te lezen dat men de Bijbel niet moest lezen als het woord van God in eigenlijke zin... De vertaling van het Oude Testament, onder anderen ter hand was genomen door de kritische hoogleraar Kuenen is niet gereed gekomen. Daarom is in 1872 door de synode besloten met het hele vertaalproject te stoppen. Later namen de remonstranten dit over en dat leidde tot de uitgave van de Leidse vertaling die compleet verscheen in 1912.

Ook deed Du Cloux in 1854 met vele andere gemeenten een schrijven uitgaan naar de synode toen ds. Meyboom werd beroepen te Amsterdam. Deze loochende de hoofdwaarheden van de Schrift zoals de Godheid van Christus, de triniteit en de soteriologie.

Onder meer werd gewezen op artikel II van het reglement van 1852, waar wel gesproken werd van de handhaving van de leer der kerk maar waar dit niet nader geprofileerd werd, zodat allerhande wind van leer kon worden toegelaten. Omdat strikte binding aan de be­ lijdenis niet voorgestaan werd, waren al die protesten vergeefs.

Veel kracht heeft Du Cloux vanaf die tijd ook gegeven aan het blad De wachter op Sions muren en Het kerkelijk tijdschrift uitgaande van de 'Vrienden van waarheid en eenheid', die de kerk wilden terugroepen op haar oude grondslagen.

Het grote Oldebroek heeft een bijzondere plaats ingenomen bij Du Cloux. Bij zijn 25"jarig jubileum sprak hij over het 'onvergetelijke Oldebroek'. Dat gold wederzijds. Want in Oldebroek gebeurde het dat er mensen waren die hun kind vernoemden naar de predikant. Dat is overigens wel meer voorgekomen. Ik denk aan Lourens Boone en ds.

J.P. Paauwe en niet te vergeten ds. H.W. Witteveen van Ermelo aangezien een dochter van ds.

Lion Cachet zelfs als vierde voornaam de naam Witteveen kreeg.

Ook Du Cloux viel die eer te beurt. Er is een geboorteakte van ene A.P.A. van Loo, die geboren werd in Oldebroek in 1854 en zoon was van een eenvoudige landbouwer. De predikant heeft dit kind zelf ook gedoopt. Deze naam is weer overgenomen in het nageslacht want op 6 oktober 1988 was er een 26-jarige ondernemer A.P.A. van Loo uit Oldebroek die in het gemeentehuis aangifte deed van opnieuw een Alfons Pieter Antonie van Loo.

Zo klinkt de naam van de oud-Oldebroekse predikant nog jaren later na in het dorp.

Oud-Alblas

Ds. Du Cloux heeft in Oldebroek veel te kampen gehad met zijn gezondheid, zodat hij genoodzaakt was om een beroep aan te nemen naar een kleinere gemeente.

Zo nam hij in 1856 afscheid en

werd op I juni 1856 door ds. Schotsman uit Papendrecht aan de gemeente Oud-Alblas verbonden. In deze gemeente volgde hij de bekende Jan Jakob Knap op die daar ook met zegen had mogen arbeiden en onder anderen de doop mocht bedienen aan drie bekeerde Jodinnen. Du Cloux deed intrede met de woorden: Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u dan Jezus Christus en Dien gekruisigd' (l Korinthe 2:2).

In de korte tijd dat hij Oud-Alblas diende, maakte hij wel het nodige mee. Bij zijn intredepreek wees hij de belangstellenden van elders - men kwam uit de hele Alblasserwaard naar Oud-Alblas - er op dat de hoorders er wel van mochten overtuigd zijn dat ook door hun schuld de waarheid in eigen gemeente hen werd onthouden. Hij wees er op dat men in eigen huis des te ijveriger de Heere moest aanroepen.

Toch tekende hij er geen bezwaar tegen aan als men bij hem kerkte, catechisatie volgde of een kind wilde laten dopen. Wel hield hij zich aan de kerkorde die er op stond dat de predikant van de plaats van herkomst toestemming gaf.

Ds. Thieme van Wijngaarden was bang dat Du Cloux zonder zijn toestemming catechisanten zou bevestigen. Daarom stuurde hij zijn collega reeds een waarschuwend schrijven op 16 maart l857-Du Cloux antwoordde: 'U eerwaarde mag toch veronderstellen dat ik die bijna 25 jaar in de bediening ben, wel bekend zal zijn met de reglementen.' Daar liet Du Cloux het niet bij, want tevens wees hij Thieme op diens verzaken van de gereformeerde beginselen.

En ook vroeg hij toestemming om kinderen uit Wijngaarden te dopen en lidmaten te mogen bevestigen. Aan het eind van de brief schreef hij: 'Och, geve God ons zo te handelen als wij eenmaal gewenst zouden hebben dat wij gedaan zouden hebben als wij voor Hem moeten verschijnen.' De kerkenraad van Wijngaarden gaf geen toestemming. En aan de classis schreef Thieme dat Du Cloux de gemeenten in ordeverstorende verwikkelingen bracht.

Dit alles vond plaats terwijl Du Cloux een beroep had aangenomen naar 's Grevelduin-Capelle, dat hem nota bene driemaal achter elkaar had beroepen. Nu begon de classis zich met de zaak te bemoeien en het gevaar was aanwezig dat het vertrek naar de nieuwe gemeente verhinderd zou worden.

Op l/l' april schreef Du Cloux een brief waarin hij vroeg waar hij aan toe was, omdat zijn vrouw alles al had ingepakt en de beurtschipper reeds was gearriveerd. De classis gaf toestemming tot vertrek en Du Cloux kon verhuizen. Zo nam hij op 19 april 1857 afscheid met 2 Korinthe 13:13.

Op diezelfde dag kwam er echter weer een brief bij het classicaal bestuur van Dordrecht. Die was dit keer van ds. O. Boele van Schagen uit Nieuw-Lekkerland. Deze moderne predikant van wie men wel zei dat hij beter kon schaatsen dan preken, deed beklag dat Du Cloux twee kinderen uit zijn gemeente had gedoopt zonder zijn toestemming. Inderdaad was dit gebeurd en wel op een heel bijzondere wijze. De families Den Boer en Stam uit Nieuw-Lekkerland had-

den een paar dagen een tweetal kamers gehuurd bij de weduwen Drinkwaard en Van Ballegooyen. Als zodanig stonden ze geregistreerd bij de burgerlijke stand van Oud-Alblas op de dag waarop de kleinen werden gedoopt en was juridisch gezien een consent niet nodig. Opnieuw wist Du Cloux een schorsingsprocedure te ontwijken. Overigens schreef hij wel aan het classicaal bestuur dat Boele van Schagen alsook J.P. Ott uit Groot-Ammers, die de raadsman was geweest van ds. Thieme met wie hij eerder problemen had gehad, niet zouden rusten aleer Du Cloux geschorst zou zijn.

Betreffende het dopen van kinderen uit andere gemeenten is Du Cloux wel eens verweten dat hij geen durf had om eventueel ook te dopen zonder toestemming, fiij gaf daarop het volgende antwoord: 'Wij predikanten zouden geschorst worden en vervolgens uit het ambt worden ontzet en zou de kerk daarmee gebaat zijn? Onze gemeenten zouden van onze diensten verstoken worden, onze plaat­ sen misschien door vijanden der waarheid worden ingenomen en eens buiten de kerk zijnde zouden wij kunnen schrijven of zeggen wat wij wilden, terwijl de vijand zou lachen dat wij zo dwaas waren geweest.' Later antwoordde ds. J.fi. Guldenarm van Oosthem iets dergelijks. Eens zei een boerin van wie de familie afgescheiden was tegen hem: 'Dominee, mijn familie en vrienden denken dat wij onze gereformeerde rechten niet kunnen laten gelden in de volkskerk. Hoe zit dat dan? ' 'Hoor eens, ' antwoordde Guldenarm, 'zeg maar tegen je familie dat ze gelijk hebben.' 'Maar waarom blijft dominee dan nog in die kerk? ' 'Wel, omdat Gods Geest er nog zo krachtig werkt.' Daarom ging hij niet met de Doleantie mee. Daar kwam ook nog bij, aldus G.A. Wumkes in Het Friese Reveil in portretten dat hij dacht dat er geen einde zou komen aan scheuringen, verlies van kerken, scholen en pastorieën. In veel plaatsen zouden die in vrijzinnige handen vallen. Die kant wilde hij niet op.

's Grevelduin-Capelle

Op 26 april 1857 werd Du Cloux in 's Grevelduin Capelle bevestigd door ds. W. Krayenbelt uit Overschie en deed hij intree met 2 Korinthe 5:19-20: Want God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende hun zonden hun niet toerekenende, en heeft het woord der verzoening in ons gelegd; zo zijn wij dan gezanten van Christus wege alsof God door ons bade, wij bidden u van Christus wege laat u met God verzoenen.' Opvallend dat hij in Losdorp destijds intrede deed met alleen het 19e vers. Dat hij nu het 20e vers er bij nam geeft onzes inziens wel aan dat er kennelijk iets was veranderd in het leven en de prediking van Du Cloux.

Opzienbarend is geweest dat enkele weken na zijn intree in 's Grevelduin-Capelle ds. Du Cloux preekte bij de inwijding van de zogenaamde Creaturenkerk aan de Rouaansekaai te Middelburg. Hier was een soort evangelisatie, die was opgericht door 107 lidmaten die moeite hadden met de invoering van de toga in de Her-

vormde Kerk, waarbij zij stelden dat de kerk alles deed voor een uniform kleed maar niet voor een uniforme leer. De toga werd dan ook betiteld als een dekkleed van de ongerechtigheid. Du Cloux had zelfs van deze gemeente een beroep ontvangen. Dat durfde hij niet aan te nemen. Hij wilde niet buiten de gevestigde kerk komen te staan, mits hij er uitgeworpen of met geweld er uit gezet zou worden. Wel moedigde hij het aan om eventueel te vergaderen naast de kerk als de gereformeerde prediking ontbrak. Na hem zijn Kohlbrugge en Witteveen er beroepen en tenslotte is Arend Mooy aan die gemeente verbonden. Het werd op den duur een evangelische gemeente.

Van de zeven jaren dat Du Cloux 's Grevelduin-Gapelle diende is met name het jaar i860 een veelbewogen jaar geweest voor hem.

Ter gelegenheid van het 250"jarig bestaan van de hervormde gemeente aldaar hield hij op 19 februari i860 een leerrede, die later is uitgegeven met allerlei kerkhistorische aantekeningen van zijn hand.

In die preek tekent hij helder en duidelijk de nood der kerk maar ook het wonder dat de Heere door alles heen zich in 's Grevelduin Capelle niet onbetuigd had gelaten. Hij zei met diepe smart in het hart dat de Hervormde Kerk de Bijbel niet meer erkende als Gods Woord maar Gods Woord in de Bijbel aannam. Hij vervolgde: 'Ook helaas in onze kerk is het zo verre gekomen dat men het persoonlijk bestaan van de Heilige Geest verloochent en de kerk zonder Hem door opvoeding en onderwijs meent te kunnen opbouwen. Langzamerhand matigden zij, die herders en leraars der kudde des Heeren moesten zijn, zich een heerschappij voerend gezag en een wetgevende macht over het erfdeel des Heeren aan en zij die allen broeders moesten zijn en maar ene Meester bezaten, zij streden om het meesterschap. Ziet zo ook hebben wij nu een kerk waarin men ons dwingen wil menselijke reglementen te gehoorzamen, met leervrijheid.'

Verder merkte hij op: 'Voor gemeenten die verbonden liggen aan de oude beproefde leer onzer vaderen, is het gevaar groot dat er velen in dezelve gevonden worden, die uit kracht van onderwijs en opvoeding en navolging van de uitwendige rechtzinnige belijdenis der waarheid en de uitwendige godsdienstige voorrechten die zij bezitten mogen, een grond maken van vertrouwen en zaligheid (...) zij die daarop vertrouwen zullen jammerlijk bedrogen in de eeuwigheid uitkomen. Zo gij geen andere godsdienstigheid bezit dan een uitwendige ijver voor uw openbare godsdienst, dan een geroep: des Heeren tempel, des Heeren tempel zijn deze, ik zoude voor u vrezen, dat de Heere u de zuivere prediking des woords en de bediening der sacramenten uit uw midden zal wegnemen en gij aan die gemeenten gelijk zult worden die ook weleer zich in die voorrechten verblijden mochten maar nu zuchten onder de leugenleer van blinde leidslieden der blinden.'

In de periode dat Du Gloux 's Grevelduin-Gapelle diende, maakte hij op 28 mei ook een droevige Pinksteren mee. Op tweede Pinksterdag verging op het Hollands Diep de Capelse stoomboot 'de Langstraat'. 48 mensen kwamen daarbij om waaronder 15 Capellenaars. Een ernstige preek heeft hij naar aanleiding daarvan gehouden op zondag 3 juni i860. Hij zei toen onder meer. "Toen ik aan de morgen van die onvergetelijke tweede Pinksterdag tot u mocht spreken van de dierbare werkingen van de Heilige Geest, zo zichtbaar in de bekering van zovelen die leerden vragen: "Mannen broeders wat moeten wij doen om zalig te worden? " en het ook aan u voorstelde hoe zal het wel bij ons zijn (...), had ik er niet aan gedacht dat ook sommige jeugdige mensen onzer gemeente en daaronder drie die ik onlangs als lidmaten der gemeente had aangenomen er toe besloten zouden hebben om die dag met de wereld tot een dag van uitspanning te gebruiken, te meer daar de Heere door regen en wind waarschuwde om die dagen niet te ontheiligen.' Op 15 juli van dat jaar vervulde hij een vacaturebeurt in Raamsdonk.

Deze kerk wordt tegenwoordig alleen nog voor rouw en trouwdiensten gebruikt, daar de gemeente op den duur gecentraliseerd is in Raamsdonksveer. Hij preekte bij die gelegenheid over de bekering van Manasse. Maar die preek heeft wat voeten in aarde gehad. W.J. van Bommel van Vloten diende een aanklacht in tegen ds. Du Gloux bij het Ministerie van Justitie.

In de genoemde preek had hij de zonden van Nederland aangewezen maar ook die van de koning.

Er werd metterdaad een gerechtelijk onderzoek ingesteld. Het liep allemaal met een sisser af.

Ondertussen was dit voor Du Gloux een teken aan de wand dat men in Raamsdonk meer vanuit de kerkpolitiek deze aanklacht indiende dan vanwege het principe van majesteitsschennis. Dat bleek duidelijk toen men de komst van de Kohlbruggiaanse predikant Gobius du Sart aldaar wilde beletten.

Spijk

Op l8 oktober i860 kreeg Du Gloux een beroep naar Nijkerk. In die dagen was een beroep naar Nijkerk als het ware een geschenk uit de hemel vanwege de waarheidslievendheid van die plaats, de trouwe opkomst onder de bediening van het Woord en de vele kinderen Gods die er woonden. Naast ds. Gallenbach en de Kohlbruggiaan S.J. de Hoest zou hij de nieuwe derde predikantsplaats gaan vervullen. Bij dit beroep stuitte Du Gloux evenwel op veel tegenstand, met name van de kant van ds. De Hoest. Wat was het geval? Een jaar eerder had Du Gloux gepleit om Kohlbrugge erelid te maken van de Vrienden van waarheid en eenheid. Toen er echter vragen kwamen over zijn verklaring van Mattheüs I was dat reden voor Du Gloux om Kohlbrugge om opheldering te vragen daaromtrent. Maar... Kohlbrugge reageerde niet. Hij had aan zijn vriend Van Heumen geschreven dat het protest van de Vrienden der waarheid zijn koude kleren niet raakte en dat hij beantwoorden zag als het paarlen werpen voor de zwijnen. Hij achtte het de port van Elberfeld niet waardig. Dit alles werd door de Vrienden als een belediging gezien, ook voor de secretaris van de vereniging, A.P.A. du Gloux. Kohl­ brugge werd geroyeerd als honorair lid. De vrienden van Kohlbrugge stapten daarom op. Ook De Hoest was zo'n vriend. En echte vrienden blijven toch vrienden... Du Gloux bedankte voor het beroep.

Na vele vergeefse beroepen op hem te hebben uitgebracht was het tenslotte de gemeente Spijk in Groningen dat niet te vergeefs een beroep op hem uitbracht. Op 4 december deed hij aldaar intrede. Hij bleef er tot aan zijn emeritaat. Wel heeft hij in maart 1870 een beroep ontvangen naar Scheveningen, maar toen is er bezwaar tegen hem gerezen vanwege het feit dat hij iemand in de gemeente onheus zou hebben behandeld bij de effectenhandel. Omdat deze zaak liep, kon hem geen attest worden verleend. Du Gloux bleef daarop in Spijk. Een maand later was mede door inzet van zijn

zwager R.T. Mees de zaak weer recht gezet. Maar toen was inmiddels Scheveningen weer verder gegaan met beroepingswerk. Meerdere beroepen werden nog uitgebracht. Steeds bedankte hij. Op 29 augustus 1873 nam Du Cloux afscheid in verband met zijn emeritaat en vestigde hij zich achtereenvolgens in Utrecht, Assen en tenslotte Bedum.

Geschriften

Van ds. Du Cloux hebben verschillende preken het licht gezien. Van verschillende bundels zijn herdrukken verschenen tot zon tien jaar geleden toe. Ook schreef hij in een aantal dagboeken onder redactie van ds. Dirk Molenaar in 1854.

Tevens heeft hij verschillende werken van een voorwoord voorzien. Ik denk aan werken van Bavius Ynia zoals Liefde tot God en de naaste waarin Ynia stelt dat in de bisschoppelijke kerk de Dordtsche synode om de hals is gebracht. Had trouwens in de brochure ^jt altijd bereid Du Cloux Ynia niet met instemming geciteerd dat namelijk de Gereformeerde Kerk in 1795 was gestorven en in 1816 was begraven? Toch geloofde Du Cloux in de opstanding uit de doden van die vervallen kerk.

Hij verzorgde ook voorredes op de bekeringsgeschiedenis van J.O. Kooystra, bij het Godzalig sterven van Margaretha Christina de Bruyn op 7-jarige leeftijd en op Gods genade verheerlijkt, de bevindingen van Geesjen Pamans. Verder heeft hij enkele viertallen van Philpot van een voorwoord voorzien. Hij schreef dat hij zich geen preken kon herinneren die meer indruk op hem hadden gemaakt dan die van Philpot. Philpot heeft met name de promotie van zijn preken in Nederland door Du Cloux zeer gewaardeerd. Waarschijnlijk is hij het ook geweest die met de vertaler G. Tips een bezoek bracht aan Philpot. De heerlijkheid van Gods genade, geschreven door William Gadsby en vertaald door J. Nieuwland noemde hij in zijn voorwoord 'overwaardig om door allen die van harte de waarheid zijn toegedaan te worden onderzocht en verspreid.'

Nog een keer horen we van Du Cloux. We schrijven 1889, een jaar voor zijn sterven. Inmiddels is hij weduwnaar geworden. In de kerk is het een drukte van belang want de doleantiebeweging bruist van activiteit. Toch kan hij er niet jaloers op worden. Als hij dan ook de uitnodiging krijgt van uitgeverij Boerma te Groningen om een voorwoord te schrijven in De bijna Christen ontdekt van Matthew Meade, is te lezen: 'De ganse weg der bekering is een overtuigingsweg. Ik zal werken, spreekt de Heere, wie zal het keren? Elk waarlijk bekeerd zondaar, vreest niets zo zeer dan het zelfbedrog der zonde. Hij weet door de genade Gods hem geschonken dat hij van nature door satan misleid er niet te goed voor is om God, de mensen en zichzelf te misleiden.

De Heilige Geest Die hem van zonde, gerechtigheid en oordeel heeft overtuigd, dringt hem tot het gebed: "Doorgrond mij o God en ken rnijn hart. Zie of bij mij een schadelijke weg zij." Die geschriften van mannen door de Heere geleerd, die hem er op wijzen hoe hoog een natuurlijk en geveinsd mens kan klimmen in de belijdenis en waarlijk geen genade hebben, zijn hem daarom zo welkom. Hij weet toch uit de Heilige Schriften dat niet verre van het koninkrijk der hemelen te zijn en bijna christen te wezen ongenoeg­ zaam is om eenmaal uit de mond van Jezus te horen: "Komt gij gezegenden des Vaders, gaat in, in de eeuwige vreugde. " Hij weet dat er staat geschreven, men kan de naam hebben dat men leeft en nochtans dood zijn, de gedaante der godzaligheid bezitten en nochtans een vreemdeling zijn omtrent derzelver kracht. Welnu onder die geschriften bekleedt het werkje van M. Meade, de bijna christen ontdekt, een eerste plaats. Allen die van God zijn bekeerd stellen er hoge prijs op en de verspreiding er van omdat het helaas! te weinig bekend is, is het altijd en vooral in onze dagen noodzakelijk, nu velen het op zich hebben genomen het ambt der gelovigen tot reformatie der kerken te bekleden. Het kan zulken bepalen bij die hoogst ernstige en gewichtige vraag, behoor ik zelve wel tot de levende leden der gemeente, uitverkoren in Christus, gekocht met Zijn bloed? Ben ik zelf een waar dienaar van Jezus die de belofte door genade mij mag toeeigenen: "waar Ik ben zal ook Mijn dienaar zijn".'

Dat is voor ons het laatste levensteken, zeg maar de zwanenzang van A.P.A. du Cloux die van een wolf een lam werd. Hij overleed op 30 juli 1890 te Bedum.

Dit is de complete lezing van 22 september 2007 (e Maartensdijk, die toen hier en daar bij het uitspreken ingekort moest worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 juni 2008

Oude Paden | 48 Pagina's

Wolf kom af!!

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 juni 2008

Oude Paden | 48 Pagina's

PDF Bekijken