Bekijk het origineel

Cornelis Augustijn

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Cornelis Augustijn

6 minuten leestijd

(Rotterdam 18 juni 1928 - ’s-Gravenhage 1 januari 2008)
Examen hbs b 1945, staatsexamen Gymnasium a 1947, student geschiedenis en theologie Vrije Universiteit (vu) 1947, kand. theol. 1952, dr. theol. 6 april 1962.
Leraar godsdienst Kweekschool met den Bijbel te Rotterdam (parttime), sept. 1952 - aug. 1966; hulpprediker Gereformeerde Kerk Numansdorp jan. 1953 - aug. 1954; student-assistent maart 1953 - aug. 1954; predikant Gereformeerde Kerk Schipluiden 12 sept. 1954, predikant algemene dienst 1 febr. 1963. Nadien verbonden aan de theologische faculteit vu: wetenschappelijk hoofdambtenaar (voor de organisatie van de nieuwe doctoraalstudie godsdienstleraar mo/vwo en ‘het onderwijs in de geschiedenis van het Christendom, speciaal in zijn betekenis voor de cultuur’ ), lector 1966 (tevens algemene kerkgeschiedenis), hoogleraar 1968 (algemene kerkgeschiedenis tot 1650, methodologie en historiografie van de kerkgeschiedenis, opleiding leraarschap godsdienstonderwijs [laatste tot 1976, daarna tevens] vaderlandse kerkgeschiedenis), 1 juli 1993 emeritus.
Zoon van F. Augustijn en C. de Hoog; gehuwd op 9 sept. 1954 met Ditta Nolet; uit dit huwelijk werden vijf kinderen geboren.

Cornelis (Kees) Augustijn verloor in 1946 zijn vader, hoofd van het stadstimmerhuis in de Maasstad. Om zijn studie te bekostigen werkte hij ondermeer bij een bank, desondanks studeerde hij snel af. Zo zou het zijn hele leven blijven: Augustijn dacht en formuleerde niet alleen helder, maar kon ook zijn tijd prima indelen. Met een kandidaats theologie kon men destijds predikant worden; hij koos een andere weg. Aan de kweekschool deed hij ervaring op als docent; in Numansdorp, dat juist werd getroffen door de watersnoodramp, leerde hij het pastoraat kennen; bij D. Nauta raakte hij vertrouwd met het kerkhistorisch handwerk. In 1953 had bij de theologen alleen G.C. Berkouwer een assistent; Nauta, die als kerlcrechtman veel tijd moest besteden aan de Gereformeerde Kerken, mocht Augustijn binnenhalen. Ruim negen jaar later leidde dit tot een promotie aan lande op Erasmus en de Reformatie. Een onderzoek naar de houding die Erasmus ten opzichte van de Reformatie heeft ingenomen. Het was het begin van een lange, in feite tot twee maanden voor zijn dood voortgaande, wetenschappelijke loopbaan als docent en onderzoeker, die Augustijn internationale faam zou bezorgen, niet slechts als kerkhistoricus van de Reformatie, maar ook als groot Erasmus-kenner. Daarnaast komt hem de eer toe dat hij de studie van het leven en werk van Abraham Kuyper op een nieuw spoor heeft gezet.
Dat Augustijn zich intensief met Kuyper heeft beziggehouden, hing samen met zijn verbondenheid met de Gereformeerde Kerken en in het bijzonder met de dolerende vleugel daarvan, waaruit hij zelf afkomstig was. Men leze daarvoor zijn ‘De spiritualiteit van de dolerenden’ (in: C. Augustijn, J. Vree, Abraham Kuyper: vast en veranderlijk, Zoetermeer 1998). In genoemde kerken heeft hij met hart en ziel gewerkt, in de eerste plaats als predikant in Schipluiden, maar ook later, toen hij predikant in algemene dienst was geworden. In zekere zin zette hij als wetenschapper zijn predikantswerk gewoon voort. In zijn inaugurale oratie sprak hij tegenover de studenten de hoop uit, ‘dat wij in gemeenschappelijk werken zullen ontdekken, dat ook door de beoefening van de kerkgeschiedenis iets zichtbaar wordt van wat Luther als volgt uitdrukt: “De ware schat der kerk is het hoogheilig evangelie van de glorie en van de genade van God’” . Dat laatste gebeurde in 1968. Het jaar daarop verscheen het cahier Kerk en belijdenis, waarin de hoogleraar zich, in het verlengde van een historische schets van het ontstaan en gebruik van de protestantse belijdenisgeschriften, kritisch uitliet over de manier waarop in die tijd in de Gereformeerde Kerken werd omgegaan met de binding aan de Drie formulieren van enigheid. Opmerkelijk is, dat in later jaren en ook na zijn dood, meer naar dit cahier werd verwezen, dan naar de intentie waarmee hij aan de vu heeft gewerkt.
Wie zijn colleges didactiek van het godsdienstonderwijs volgde, kreeg te horen dat men het vak en de leerlingen met hun inbreng serieus diende te nemen: proefwerken dienden daarom gewoon becijferd te worden. Binnen de faculteit handelde hij niet anders; voor sommigen was dat een reden tot schrik, voor anderen een prikkel tot eigen studie. Wie assistent werd, werd meteen duidelijk gemaakt dat hij/zij slechts enkele jaren aan de faculteit kon blijven; daarna moest je eerst de kerkelijke praktijk in alvorens wellicht later terug te keren. Wie wat met hem vertrouwd werd, kon te horen krijgen hoe hij het voor elkaar had gekregen om een trouw pastor te zijn en toch te promoveren: huis-, zieken- en bejaardenbezoek werd zo veel mogelijk uitgezet in een uitklap-agenda, zodat niemand werd overgeslagen. Dat de studenten hem ter harte gingen, bleek onder meer uit het feit dat hij, evenals zijn vrouw, een trouw bezoeker was van de studentenfeesten in VE-90 (Studentenpastoraat Amsterdam, Van Eeghenstraat 90, red.).
Omdat het kerkrecht niet tot Augustijns leeropdracht behoorde - het vak boeide hem ook niet zo - verscheen hij veel minder ter synode dan Nauta. Als (pre)adviseur was hij vooral actief in de jaren zeventig. Zo was hij ondermeer lid van de commissie van de Raad van Kerken die in 1976 het rapport Intercommunie en ambt uitbracht.
Ook na zijn emeritaat bleef Augustijn betrokken bij het wel en wee van het kerkelijk leven. Dat blijkt zonneklaar uit een lezing die later in Gereformeerd Theologisch Tijdschrift (1995) verscheen. Het is een reactie op het Hervormd Pleidooi van 1994, die een door sommigen gevreesde kant van zijn karakter toont: als iets hem na aan het hart lag, dat door anderen naar zijn oordeel werd veronachtzaamd of slordig behandeld, kon hij fel reageren. Het Pleidooi werd vooral in historisch opzicht gefileerd; tegelijk liet hij zich meer dan ooit in het hart zien. Wie wil weten wat hem als wetenschapper dreef, leze dit stuk, waarin hij onder meer verwijst naar Heidelbergse Catechismus, Zondag z i (‘dat de Zoon van God van het begin der wereld tot aan het einde zich uit de gehele mensheid een gemeente vergadert’ ) en vervolgens verklaart: ‘men kan zich niet veertig jaar met kerkgeschiedenis bezighouden zonder in het geheim van de kerk te geloven’ .

Een complete bibliografie van Augustijns werk ontbreekt; zie voor de belangrijkste publicaties: www.worldcat.org.
J. Vree, Weesp

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 december 2010

Historisch Tijdschrift GKN | 68 Pagina's

Cornelis Augustijn

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 december 2010

Historisch Tijdschrift GKN | 68 Pagina's

PDF Bekijken