Bekijk het origineel

De IKON, omroepgestalte van de kerk

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De IKON, omroepgestalte van de kerk

24 minuten leestijd

Het verlies van de kerkelijke en de andere institutionele beddingen waarin het gereformeerde leven ooit tot ontwikkeling kwam, heeft zowel breedte als diepgang van het gereformeerde denken in vergetelheid gebracht. Deze tradities, mits zij bij de bron bleven en deze zelfde instituties niet verabsoluteerden, stelden in staat creatief om te gaan met veranderende omstandigheden. Het Kuyperiaanse streven om ‘in rapport met de tijd’ te zijn, houdt in, als tijden en situaties veranderen, zich daarvan rekenschap te geven. Het is opmerkelijk dat de Gereformeerde Kerken in Nederland (gkn) in die geest constructief hebben meegewerkt aan het ‘Barthiaanse’ model van de kerk in de Nederlandse omroep. De Gereformeerde Kerken zijn het enige participerende kerkgenootschap geweest dat deze oecumenische samenwerking zo serieus nam, dat daarvoor tot aan het einde van de gkn een permanent synodeorgaan heeft gefunctioneerd, het iKON-deputaatschap. Dit is bepalend geweest voor de kwaliteit van de relatie gkn-ikon. De bespreking van de ikon werd door synodeleden steeds als een hoogtepunt in de agenda ervaren. Ter tafel lagen dan niet alleen het gebruikelijke rapport van de voorbereidingscommissie, maar ook het tweejaarlijkse verslag van de ikon en de rapportage van het deputaatschap zelf.

Abraham Kuyper en de omroep
Het is niet waarschijnlijk dat Abraham Kuyper ooit een radio-uitzending heeft beluisterd. De eerste experimenten in radiotelefonie vonden plaats in zijn laatste levensjaar. Dit zegt Ben van Kaam in zijn instructieve opstel Geen aanhang, geen zendtijd. Het taaie leven van het unieke Nederlandse stromingenbestel.' Hij vervolgt:

Het Nederlandse omroepbestel is niettemin onmiskenbaar van Kuyperiaanse signatuur. Het waren diens opvattingen die NCRV-voorzitter mr. A. van der Deure in de jaren twintig uitwerkte voor een regeling van de omroep en waarvoor hij actie begon te ondernemen. Omroep moest, zo was de kerngedachte, een zaak worden van particuliere organisaties en burgers.
De omroepverenigingen vormden vervolgens de elementen van het bestel. Zij waren, zoals hun naam aangeeft, het bestel. Het Zendtijdbesluit van 1930 verdeelde ongeveer 80 % van de beschikbare zenduren in vier gelijke porties over NCRV, kro, avro en vara. De rest werd bestemd voor een bij toerbeurt te verzorgen ‘algemeen programma’ en een aantal kleinere zendgemachtigden, waaronder de vpro. Dit bestel moest weliswaar publiekrechtelijk door de overheid worden gefaciliteerd, maar de overheid droeg uitdrukkelijk geen verantwoordelijkheid voor de omroepactiviteit. De omroep was aan de overheid niet ondergeschikt (behalve in de algemeen publiekrechtelijke zin van het woord), maar nevengeschikt, beide sferen bleven soeverein in eigen kring. De financiering vond plaats door omroepbijdragen. Dit was geen belasting, maar een retributie. Het is niet toevallig een paars kabinet dat aan dit fundamentele onderscheid een einde maakte door de afschaffing van de kijk- en luistergelden. De luisteraar en kijker betaalt sinds 1 januari 2000 belasting. En de overheid permitteert zich naar willekeur een greep te doen in de omroepreserve, die het als eigen bezit beschouwt. Wie gaat betalen wil ook steeds meer bepalen.2

Oecumenische werkmaatschappij
Anders dan de kerken ontlenen de omroepverenigingen hun bestaansreden aan het omroepbestel zelf. De kerken echter kregen na de oorlog op 15 januari 1947 als entiteiten van buiten de omroep een zendmachtiging.3
Dit was geen “ gereformeerd denken” . Het kwam voort uit het naoorlogse hervormde apostolaire en oecumenische elan, dat in belangrijke mate was geïnspireerd door de theologie van Karl Barth. Het apostolaat van de kerk diende niet zozeer ‘organisch’ gestalte te krijgen, als wel rechtstreeks vanuit het instituut kerk. Het Barthiaanse denken had weinig oog voor de christelijke organisaties, zoals de ncrv er een was. Er was trouwens hervormd ongenoegen vanwege het de facto overwegend gereformeerde karakter van de ncrv.4 De andere protestantse omroep, de vpro, was na de bevrijding een krachtige pleitbezorger van een nationale omroep, zonder ‘zuilen’ derhalve, en sloot dus onmiddellijk aan bij de omroepvisie van de Nederlandse Hervormde Kerk.5 De kerken verenigd in het ikor (Interkerkelijk Overleg in Radio-aangelegenheden) die eigen zendtijd ambieerden, zagen zichzelf dan ook als deel van deze in Herrijzend Nederland gewenste nationale omroep. Toen het ikor op 20 januari 1946 zijn eerste radio-uitzending maakte, deden de Gereformeerde Kerken daaraan niet mee, hoewel zij wel degelijk tijdens de oorlogsjaren aan het voorbereidende overleg hadden deelgenomen. Zij vroegen en kregen echter in 1946 naar het voorbeeld van het ikor wel kerkelijke zendtijd, en organiseerden zich met enkele kleine kerken in het Convent van Kerken.
Toen de aanvankelijk ‘niet-oecumenische’ Gereformeerde Kerken in de volgende jaren toegroeiden naar het lidmaatschap van de Raad van Kerken in Nederland (1968), en naar deelname in de Wereldraad van Kerken in Genève (1972), bewogen zij vanzelfsprekend ook in de richting van het ikor. Dat werd bij de toetreding van de gkn omgezet in de Stichting ikon, Interkerkelijke Omroep Nederland (1976). ‘Barth’ en ‘Kuyper’ bleken elkaar creatief te beïnvloeden. Althans zo heb ik dat zelf beleefd gedurende de ruim twaalf jaar dat ik vanaf 1985 algemeen directeur van de ikon was.
Ook voor de gkn ging het vanaf 1976 niet maar om een ‘organische’ presentie in de omroep vanuit de kerk, maar om een omroepgestalte van de kerk zelf. Ik heb het steeds zo verwoord, dat de kerk haar functies transponeerde naar de werkwijze van de omroep: de kerkelijke verkondiging, viering, toerusting, troost, en levenshulp kregen vorm in haar programmatische bijdrage op radio en televisie. Zoals de kerk haar jeugdwerk heeft, zo had de ikon zijn jeugdprogramma. De diaconale kerkcollecte kreeg oecumenische omroepgestalte in het werk van de Wilde Ganzen. Het ‘fysieke’ iKON-pastoraat (dat tijdens de iKOR-periode een krachtige uitstraling had gekregen door het pionierswerk van radiopastor Alje Klamer) was een zaak van de kerken zelf; het werd niet uit de omroepbegroting gefinancierd.6 Het was een wezenlijke aanvulling op het pastoraat van de plaatselijke kerk, want het was anoniem en stond open voor gemeenteleden die meer vertrouwelijkheid zochten dan bij hun eigen predikant mogelijk was en het was op laagdrempelige manier toegankelijk voor mensen aan de rand van en buiten de kerk.
De oecumenische werkmaatschappij die de ikon was, is een succes geweest. De geest van samenwerking was groot. Het gereformeerde bestuurslid prof. I.A. Diepenhorst kon intern nog al eens fel van leer trekken, maar stond op de synode altijd loyaal voor het gezamenlijkheidsstandpunt, met het argument “wij maken natuurlijk niet alleen de dienst uit” . In latere jaren stelde hij zich, wanneer wij elkaar tegenkwamen, overigens aanmerkelijk milder op. Zo leerden de gkn collegialiteit te betrachten zonder in te boeten aan de eigen authenticiteit, die niet in de laatste plaats haar uitweg vond in discussie en reflectie. Toen ik naar aanleiding van de ingrijpende (en meer dan dertig maal aan het buitenland verkochte) euthanasieuitzending Dood op Verzoek een uitgebreide correspondentie voerde met kerken en kerkleden, vroeg ik de gkn om haar pastorale commentaar. Ik heb toen veel gehad aan enkele interne nota’s van de pastorale afdeling van het gereformeerde dienstencentrum in Leusden, met als kerngedachte: de Bijbelse visie op leven en dood overstijgt de biologische reductie daarvan.

In de omroep, niet van de omroep
Van het grootste gewicht is geweest dat niet de ikon, maar de kerken zelf de dragers waren van de zendmachtiging, en derhalve de politieke basis vormden. Evenals mijn voorganger Jan Greven was ik (zij het deels) afkomstig uit het kerkelijke werkveld. Beiden hadden wij bij ons aantreden geen omroepervaring. Achteraf is dit allerminst een handicap geweest. Verreweg het grootste deel van mijn tijd en energie moest, behalve aan de bedrijfsleiding, worden besteed aan de externe organisatie (de politiek, het omroepoverleg, de kerken, de relatie met verwante maatschappelijke organisaties). Zodra het criterium voor de benoeming van de algemene directeur (tot in de jaren negentig directeur algemene zaken genoemd) prioritair wordt gezocht in het omroepvak en niet zozeer in het vertegenwoordigend gehalte ten opzichte van de dragers van de zendmachtiging zelf en in een zeker vertrouwen en gezag binnen deze kerken, wordt de politieke basis van de ikon kwetsbaar.
Het was van belang dat de iKON-directie niet alleen namens maar ook in de kerken kon optreden. De vele gesprekken met de kerkelijke besturen en op gemeenteavonden waren een levendig onderdeel van de (door de wetgever veronderstelde) worteling van de omroep in de samenleving. Het waren vindplaatsen van mediatheologie. Professionalisering is van het grootste belang, maar omroepdeskundigheid alleen is niet bestand tegen de sterk assimilerende invloeden van het vak zelf. De leden van de beroepsgroep meten zich spoedig af aan elkaar en raken verwijderd van de samenleving. ‘Gewone mensen’ ervaren hen vaak als elite, hoezeer zij ook verschijnen in het massa-medium. Op deze manier bestaat het risico dat ook de bijdrage van de kerkelijke omroep zijn onderscheidend karakter verliest, en kan deze binnen het omroepstelsel spoedig als inwisselbaar gelden. Goede programma’s zijn, zoals pijnlijk is gebleken, geen garantie voor zelfstandigheid. Integendeel, zij worden met jalousie de métier door de concurrenten zelf begeerd; aangevuurd door De Telegraaf nepen die dan ook telkens in koon laat de IKON zich beperken tot kerkdiensten!7 Ambtenaren en politici moesten nog al eens worden bijgepraat over hun negentiende-eeuwse kerkbegrip.
De wet hanteerde gelukkig een helder criterium. Onder een kerkelijk programma werd verstaan: een uitzending onder verantwoordelijkheid van een zendgemachtigde kerk.8 De kerk mocht (van de wetgever) en moest (van zichzelf) radio- en televisietaal spreken: dat betekende de beoefening van allerlei genres, zoals drama, documentaire, docudrama, actualiteit, commentaar, het jeugdprogramma, en al het andere. Verschillende vormen werden met groot succes ontwikkeld en zelfs geïnitieerd onder de bezielende leiding van Wim Koole, die in 1989 als tv-programmaleider de Nipkow-schijf ontving.

Geen verflauwing der grenzen
De politieke druk in de richting van opheffing van de kerkelijke omroep, die onlangs fataal bleek, is altijd groot geweest. En juist naarmate de ikon professionaliseerde en zijn prijzenkast vulde met de vele awards voor drama en documentaire, klonk het van de zijde van de grote omroepen (speciaal van de kant van de vara): maar dat kunnen de omroepverenigingen toch veel beter zelf? Of het was wel weer de politiek die suggereerde dat de programma’s van ikon of Humanistische Omroep uitstekend konden worden ondergebracht bij de afdelingen drama of documentaire van de NOS. Aan het Commissariaat voor de Media heb ik moeten uitleggen, dat wat zij zagen als een ‘seksprogramma’ van Mary Michon een kerkelijk programma was en niet, zoals het Commissariaat dacht, zomaar kon worden overgenomen door de jeugdafdeling van de vpro. Dat het niet alleen ging over de bloemetjes en bijtjes, maar over vriendschap en relatievorming, over volwassenwording van de jeugd. Over veranderende omstandigheden zowel voor ouders als voor opgroeiende kinderen. Dat voor het tot stand komen van zo’n programma jarenlange research onder (christelijke) scholen nodig was, en daadwerkelijke begeleiding vóór, tijdens en na de productie. Het behoorde allemaal tot het pastoraat. Daarom was de zelfstandigheid van het eigen atelier essentieel. Zonder die eigen integrale maakplek en de eigen bedrijfscultuur zou de ikon niet hebben kunnen opbouwen wat tot zijn huismerk was gaan behoren.9
Dit raakt de kern van het bekende debat over interne versus externe pluriformiteit. 10 Er werd door mensen als VARA-voorzitter Marcel van Dam voortdurend denigrerend gesproken over het te veel aan “ kleine zendgemachtigden” die voor de groten de zalf stinkende zouden maken. Zijns inziens kon de VARA ons wel inlijven! De ikon was echter in bedrijfseconomische zin een van de meest efficiënte omroeporganisaties; hij had Van Dams veronderstelde probleem al opgelost door als werkmaatschappij van dertien van die kleinen (acht ikon- en de vijf niet-iKON-kerken die samenwerkten onder de naam ‘Zendtijd voor de Kerken’ ) naar buiten op te treden als eenheid. De interne overhead-kosten bleven bewust tot een minimum beperkt (de eerlijkheid gebiedt te zeggen: tot onder dat minimum).
De ikon heeft nooit enig vertrouwen gehad in de beloftes van een mogelijke interne pluriformiteit (dat wil zeggen één organisatie die binnen eigen geledingen de diverse tradities ‘samen op weg’ zou doen gaan). Tegen de permanente fusiedreiging waaraan de ikon steeds heeft bloot gestaan, stelden wij de veel grotere gezamenlijke voordelen van maximale samenwerking. (Het bekendste voorbeeld is de actualiteitenrubriek Kenmerk geweest, die decennialang werd gemaakt samen met kro/rkk.) Fusie zou onderschikking betekenen in plaats van nevenschikking, inlijving in een verticaal technisch beheersmodel dat zowel de creativiteit als de productiviteit, maar ook de efficiëntie daarvan in de weg zou hebben gestaan. Verschillende krachten en belangen zouden binnenshuis niet alleen moeten concurreren om één budget, maar alles zou vallen onder één ongedeelde eindverantwoordelijkheid. Dit management zou in de eerste plaats loyaal zijn aan de eigen totaalorganisatie, waarin de eigen institutionele belangen op structurele voorsprong zouden staan.

Hoewel de ikon, blijkens zijn kerkelijke opdracht, niet kon samenvallen met zijn professionalisering, werd diezelfde professionalisering in dienst van die opdracht wel des te bewuster bevorderd. Kerkleden hebben vanzelfsprekend alle mogelijke meningen over radio en tv; maar zij kunnen niet zo maar programma’s maken. En de programmamakers die werden aangeworven waren zelden meer lid van een kerk. Toch werden zij nog lange tijd benoemd door het kerkelijke bestuur, waarbij het criterium van het kerklidmaatschap voortdurend leidend was. Dit probleem hebben wij uiteindelijk opgelost. Het kerkelijke bestuur mandateerde voortaan de directie op grond van een jaarlijks programmaplan. De directie was vervolgens verantwoordelijk voor de uitvoering. Daarmee verhuisde ook de benoemingstaak van het bestuur naar de directie. Deze dingen konden in alle transparantie en in oecumenische unanimiteit worden verwezenlijkt: aan de eigen aard van omroep, publieke omroep, kerkelijke omroep, en kerk kon worden recht gedaan. Dit was in overeenstemming met de beste gereformeerde traditie die, beducht voor het donker waarin alle katten grijs zijn, wil vasthouden aan onderscheidingen die ertoe doen.
In dit verband herinner ik mij een even leerzaam als eenvoudig advies van een niet-kerkelijke communicatiemedewerker van de nos. Die had ik om zijn mening gevraagd over een mogelijke nieuwe naam voor het iKON-pastoraat. Het omroepproductiebedrijf maakte op onze aanwijzingen jaarlijks met Kerst en eindejaar een kleine wervingsclip waarmee via de Wilde Ganzen giften werden gevraagd ter financiering van dit werk. De ontwerper merkte op een gegeven moment op, dat hij de term ‘pastoraat’ niet erg duidelijk vond; hijzelf en desgevraagd ook zijn collega’s konden de bedoeling niet vatten, tenzij het zou gaan om het wel en wee van de dorpspastoor uit hun jeugd. Uit publicitair oogpunt zou een meer moderne en beeldende merknaam beter passen.
Ik heb toen gepoogd dit idee in te vullen; per slot van rekening hadden we een voortreffelijk precedent in de naamgeving van de Wilde Ganzen als kerkelijke omroepcollecte. Ik verzocht Ivo de Wijs een lijst te bedenken van mogelijke ‘programmatitels’ voor het iKON-pastoraat. Hij bood mij die uiteindelijk aan met de opmerking dat hij eigenlijk niet tevreden was, omdat geen van de termen die hij kon bedenken de inhoud van het werk, zoals ik hem dat beschreven had, eigenlijk dekte. Tenslotte sprak ik met de NOS-man. Deze vroeg: hoe noemen jullie dit werk zelf? Dat is heel eenvoudig, zei ik, het is gewoon pastoraat, en iedereen begrijpt dat hier. Zijn conclusie was: dan mag dat woord bij veel mensen weliswaar onbekend zijn geraakt maar daarin zie ik geen probleem, want het is nu juist de taak van de communicator (zoals de spotjesmaker) om iets dat onbekend is bekend te maken, zoals ook een handelsmerk in de markt wordt gezet als en omdat het onbekend is. Het meest helder en effectief is dus, dat de ikon gewoon reclame maakt voor zijn pastoraat. Zo gemakkelijk is het maken van publiciteit voor een kerk die wil uitnodigen. Taal die in onbruik is geraakt hoeft niet te worden versimpeld, opgeleukt of vervangen. Als de boodschap maar op geloofwaardige manier wordt gecommuniceerd en voorgeleefd.

Publieke ruimte
Zodra de publieke ruimte van de ikon in het geding dreigde te komen, werd het c io (het Interkerkelijk Contact in Overheidszaken) geïnformeerd en hield het zich paraat. De contacten met Den Haag waren voor de iKON-directie voorwerp van permanente aandacht, zodat die niet pas geactualiseerd behoefden te worden wanneer die iKON-positie werkelijk gevaar liep en het te laat was. Het betekende meedenken met de wetgever nog vóórdat er een wetsontwerp werd ingediend. Dat de zendmachtiging in handen was van de kerken, en niet van een omroepinstelling zoals de ikon was, waarborgde de status van de ikon als samenwerkingsorgaan van de kerken, en daarmee zijn onafhankelijkheid en flexibiliteit. Het betekende dat het de ikon niet ging om institutioneel eigenbelang. Als ‘zendgemachtigden zonder leden’ waren de kerken in de omroep als het ware vrijgesteld met het oog op een wezenlijk missionaire bijdrage." De belangeloosheid waar de ikon in zijn programmering voor stond maakte hem tot een pleitbezorger bij uitstek voor het publieke karakter van de publieke omroep.
Om dezelfde reden heeft de ikon in de tijd die ik van binnenuit kan overzien veel werk gemaakt van de solidariteit met de andere kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag.11 De ‘kerken en genootschappen’ hadden hun wettelijke status als ‘zendgemachtigden zonder leden’ gemeen. Dat wil zeggen: hun taak was ‘extra’ publiek!13 De IKON trad voor hen op in een bestuurlijk coördinerende rol met betrekking tot de omroeppolitiek. Dat was van grote betekenis. De ikon leidde menig juridisch proces voor de kerken gezamenlijk (inclusief het rkk), alsook voor de andere geestelijke genootschappen (en in een enkel geval voor de educatieve omroepen, die eveneens werden gerekend tot de ‘kleine zendgemachtigden’ ). Toen de ikon in een later stadium die eigen groep meer leek te gaan beschouwen als bestaande uit concurrenten om eenzelfde zak met geld, ondermijnde dit zijn politieke geloofwaardigheid en effectiviteit.
Wanneer er weer onderhandeld moest worden over zendtijd en budget, en de politiek of het Commissariaat voor de Media met het argument kwam dat het ledental van kerken slinkende was, wezen wij hen op de wet en de wetshistorie. “Dan hebben wij juist meer zendtijd nodig” , was ons argument: hoe meer onkerkelijken, des te groter ons publiek.14 En als de wetgever de kerken in hun omroepgedaante beschouwde als zendgemachtigden zonder leden, moest de overheid niet komen met het ledenargument! Het woord ‘doelgroep’ werd door mij, in de geest van de wet zelf, principieel vermeden; het mocht - bij wijze van spreken - in het iKON-huis niet worden uitgesproken. 15 Voor doelgroepen hadden we omroepverenigingen. Met de wet in de hand heb ik de allereerste voorzitter van het Commissariaat moeten uitleggen waarom de kerkelijke omroep niet kon worden opgeteld bij ncrv en eo.

Twee kerkdienstuitzendingen anno 2014
In de programmering kwamen tal van thema’s aan de orde, die voor kijkers en luisteraars van belang waren, ongeacht de vraag of zij kerklid waren of niet. Maar onder de verscheidenheid aan groepen over de hele breedte van het publiek namen vanzelfsprekend de kerkleden een belangrijke plaats in. Deze dienstverlening aan de kerken was intensief. Wanneer kerken of kerkelijke organisaties zichzelf echter wilden promoten door naar aanleiding van een jubileum of ander evenement ‘op de tv te willen’, dan werden zij door ons steevast verwezen naar de ncrv of eo als omroepvereniging. Dit lot zou dus waarschijnlijk ook beschoren zijn geweest aan de uitzending over het tienjarig bestaan van de Protestantse Kerk in Nederland op 14 september 2014, - hoewel over een andere vormgeving te spreken zou zijn geweest. Dit tv-programma deed meer denken aan de EO-rubriek Blauw Bloed, dan aan een protestantse kerkdienst (die het wilde zijn). De viering kwam over als een intern feestje. Aan de buitenstaander, die in de publieke omroep de eerst geadresseerde is, viel geen relevant woord van verkondiging ten deel. Dit bijvoorbeeld in tegenstelling tot de welsprekende PKN-dienst die werd uitgezonden op 23 maart 2014 uit de Kloosterkerk in Den Haag, als antwoord op de beruchte Marokkanen-uitspraak van Geert Wilders. Deze twee kerkdienstuitzendingen zouden illustratief kunnen zijn voor het verschil in opdracht en status tussen de kerken als (bijna voorbije) zendgemachtigden zonder leden en de ledengebonden omroepverenigingen.

Over de auteur
Roelf Haan te Utrecht was als directeur aan de ikon verbonden van 1985 tot 1997 (het laatste jaar als gedelegeerd bestuurslid). Na werkzaam te zijn geweest aan het ministerie van financiën en de vu, doceerde hij in de periode 19 7 5 -19 8 1 namens de zending van de gkn aan de predikantsopleiding isedet te Buenos Aires. In 1983 hield hij de Kuypervoordrachten aan de vu onder de titel Reformatie en Revolutie. Roelf Haan publiceerde een zevental boeken op en rond zijn vakgebied de economie. Van Economie van de eerbied werden een tweetal Nederlandse en vijf buitenlandse edities uitgebracht.
In 2007 kwam in Buenos Aires zijn Spaanstalige werk uit getiteld Theologie en economie in het tijdperk van de globalisering. Een bijdrage aan de dialoog met de Latijns Amerikaanse theologie. In 20 12 verscheen Theology and economics. The hermeneutical case o f Calvin today (Wellington, Zuid- Afrika; www.biblemedia.co.za). Daarin wordt aan de hand van Calvijns benaderingswijze van de economie de verhouding belicht tussen de moderne concrete economische werkelijkheid en de methodologie van de economische theorie.


Noten

1. Een bijdrage die hij rond 1990 schreef voor een schoolboek op Hbo-niveau (dat de uitgever echter nimmer realiseerde). Een kopie van dit niet gepubliceerde stuk ontving ik in de jaren negentig van de auteur.

2. Tekenend is dat de beëindiging van de kerkelijke zendtijd door het Commissariaat voor de Media wordt voorgesteld als een besluit van de regering, niet van de wetgever (Jaarverslag 2013, p. 1 6; zie ook noot 10).

3. Zie over ontstaan, aard en politieke ligging van de kerkelijke omroep mijn artikel ‘Kerk in de omroep’, Christendemocratische Verkenningen, 11/9 1, p. 429-443. Een uitgebreidere versie in: ikon, Omroep als uitnodiging. Beleidsnota 1992. Verslag over ippohppr, bijlage A, p. 58-72.

4. Eind jaren dertig is aan hervormde zijde een poging ondernomen om een kerkgebonden omroep op te richten. Over deze Nederlandsche Hervormde Radio-Omroep (nhro) schrijft Y. van der Goot in het artikel ‘Een delicate kwestie. De protestantse kerken en de radio, 1924-1950’, in: Jaarboek Mediageschiedenis 3 (Amsterdam 1991), p. 41-72. Met dank aan Tom-Eric Krijger voor deze verwijzing.

5. In een voetnoot bij zijn aangehaald essay merkt Ben van Kaam op, dat de nsb kort voor de bezetting het begrip ‘zuil’ voor het eerst hanteerde als negatief bedoelde aanduiding voor een omroeporganisatie.

6. In het ikor- en iKON-bestuur committeerden alle participerende kerken zich destijds aan het homostandspunt dat ontstaan was uit het pastorale werk van ds. Alje Klamer in de jaren zestig en zeventig. De journalistiek pleegt nogal eens te denken dat kerken op het punt van de homoseksualiteit louter conservatief zijn geweest. Via het ikor vervulden zij in de Nederlandse samenleving juist een betekenisvolle voortrekkersrol.

7. Hoezeer dit in de iKOR-jaren voorwerp van voortdurend debat is geweest, blijkt uit het Koninklijk Besluit van 9 augustus 1972, dat met een verwijzing naar de wordingsgeschiedenis van de Omroepwet en de strekking van artikel 1 daarvan vaststelde, dat “ kerkelijke uitzendingen” een begrip is dat meer omvat dan “ uitzendingen van godsdienstoefeningen” . Het was kennelijk nodig dat deze uitspraak een jaar later zelfs nog eens administratiefrechtelijk werd bevestigd! Maar voortaan konden ikor en de ikon verwijzen naar dit mandaat van zowel wetgever als rechter.

8. De Mediawet van 1987 bepaalde in artikel 48: “ Iedere instelling die zendtijd heeft verkregen bepaalt, onverminderd het bij of krachtens de wet bepaalde, vorm en inhoud van haar programma en is verantwoordelijk voor hetgeen in haar zendtijd wordt uitgezonden” ; artikel 50 lid 5 luidde: “ Een kerkgenootschap gebruikt zijn zendtijd geheel voor een kerkelijk programma” . De Mediawet van 2008 klonk aanmerkelijk bevoogdender. Artikel 2.49 lid 2 luidde: “ Kerkgenootschappen respectievelijk genootschappen op geestelijke grondslag verzorgen media-aanbod dat geheel ligt op kerkelijk respectievelijk geestelijk terrein en dat verband houdt met de kerkelijke of geestelijke identiteit” . De vraag die onmiddellijk rijst is: bepaalt de wetgever (of de uitvoerder!) het “ geestelijk terrein” waarop de kerk zou moeten uitzenden, en het bijbehorende genre? We zien een voortdurende opschuiving in de richting van een verstatelijking van de omroep. De Omroepwet 1967 hield de kerken eenvoudig aan hun taak “ kerkelijke uitzendingen” te verzorgen. Niet de inhoud of het genre definieerde deze, maar de zendgemachtigde kerk droeg volledige verantwoordelijkheid voor de aard van haar programma, dat per definitie een kerkelijk programma was.

9. Nog onlangs meende de huidige omroepstaatssecretaris Dekker dat het kroprogramma Boer Zoekt Vrouw een typisch genre zou zijn voor de commerciële omroep (een uitspraak waarmee hij gegeven de aard en inrichting van de Nederlandse omroep buiten zijn boekje ging). Ook voor hem dus geen verschil in belang tussen een onmiskenbare KRO-stijl en de commerciële behandeling van eenzelfde thema (vermoedelijk meer uitwerkend in de geest van ‘boer stoeit met vrouw in hooi’ ). Het is externe pluriformiteit, die het verschil in tradities behoudt en tot ontwikkeling brengt.

10. De kerken kunnen na 1 januari 2016 geen beroep meer doen op financiering of zendtijd. Externe pluriformiteit maakt dan plaats voor mogelijke interne, zo is de gedachte. Het wordt door het Commissariaat voor de Media, in navolging van de politiek, in zijn Jaarverslag 2013 (p. 16) aldus verwoord: “De weerspiegeling van levensbeschouwing in het media-aanbod blijft echter onderdeel van de algemene mediaopdracht van de publieke omroep als geheel. Het is aan de Nederlandse Publieke Omroep (npo) de inbedding te waarborgen van de levensbeschouwelijke programmering en voor mogelijke betrokkenheid van kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag bij de invulling van het programmabeleid en de productie van media-aanbod” . In de nu geldende wettekst (Mediawet 2008, artikel 2.4) zijn de kerken geheel geschrapt, en wel per 1 januari 2014. Toen ik in verband met het schrijven van dit artikel het Commissariaat echter hiernaar vroeg, deelde men mij mee dat dit een drukfout is (!); deze fout is in latere versies van de tekst aan het eind daarvan vermeld; de correctie luidt: 1 januari 2016.

11. Terwijl de zendtijdomvang van de omroepverenigingen afhankelijk was van haar ledental - we hadden de A-, B-, en C-omroepen - werden in onderscheid daarvan de kerken evenals de educatieve omroepen bestempeld als “ zendgemachtigden zonder leden” .

12. Dat waren destijds naast de zvK-kerken en het rkk, ook de humanistische, de islamitische, de Israëlitische omroep en aanvankelijk nog De Vrije Gedachte; later ook de hindoes en tenslotte de boeddhisten. Ten onrechte worden de kerken en de geestelijke genootschappen in de huidige politiek levensbeschouwelijke omroepen genoemd, alsof de omroepverenigingen dat niet zijn; - geen nadrukkelijker levensbeschouwing dan die van bnn!

13. Op 30 augustus 1985 besloot de regering tot het derde landelijke televisienet ter “ daadwerkelijke versterking van het publieke omroepbestel in zijn algemene culturele funktie” . Nederland 3 werd in 1988 opgezet om een plaats te geven aan alle omroepen zonder leden: de nos, de kerken en genootschappen op geestelijke grondslag (waarvan de ikon de grootste was), en de educatieve omroepen. De bespelers van dit net, inclusief de ikon, werden toen nog van overheidswege aangemerkt als het meest publieke deel van het publieke stelsel.

14. Nadat het iKON-bestuur namens ikon/zvk en samen met het rkk in 1989 voor het tweede achtereenvolgende jaar een aanvraag had ingediend tot uitbreiding van de kerkelijke zendtijd die door het Commissariaat was afgewezen, deed wijlen mr. D.W.O.A. Grosheide in 1990 namens de kerken beroep op de afd. bestuursrechtspraak van de Hoge Raad. Deze besliste op 28 januari 1991, dat het eerdere afwijzingsbesluit van het Commissariaat werd vernietigd. Onze argumentatie was vooral gebaseerd op ons relatieve achterblijven in de steeds uitgedijde omroepomgeving. De Hoge Raad beoordeelde onze aanvraag tot zendtijduitbreiding met 3 3 % als “ een op zichzelf bescheiden wens” , en erkende de overweging van de ikon dat “ de kerken via de media een belangrijke rol kunnen vervullen voor de velen, of zij nu wel of niet kerkelijk georiënteerd zijn, die in de moderne tijd bezig zijn met zijns- of zingevingsvragen” .

15. Uiteraard ging het in de iKON-programma’s over specifieke thema’s die dus het meest interessant waren voor allerlei, vaak zeer verschillende en soms beperkte groepen. Zo werden bijvoorbeeld bepaalde theologische of filosofische denkers geportretteerd, in vraaggesprekken door Henk Biersteker of Lammert Leertouwer. De kijkcijfers voor zo’n tv-programma waren klein. Maar het behoorde lange tijd tot de publieke taak die de ikon zich stelde. Het grote belang van een werkelijk publieke omroep is dat die zich niet laat domineren door kijkcijferdwang.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 december 2014

Historisch Tijdschrift GKN | 72 Pagina's

De IKON, omroepgestalte van de kerk

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 december 2014

Historisch Tijdschrift GKN | 72 Pagina's

PDF Bekijken