Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het Heilig Avondmaal II.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Het Heilig Avondmaal II.

10 minuten leestijd

Helaas werd juist dit liefdemaal aanleiding tot veel twist, veel dwaling, zelfs tot veel afgoderij. Altijd werd deze instelling van Christus zeer gewaardeerd. Het Avondmaal was voor de gemeente het hoogtepunt van de godsdienstoefening. Het werd met de hoogste eerbied bejegend. Trouw gebruikt. God werd gedankt voor zijn bezit.
Sinds de derde eeuw werd het anders. De wijze van viering werd minder eenvoudig. Het Avondmaal werd een mysterie. De priesterstand kwam op. Nu kwam ook )e valse voorstelling van offerdienst onder het Nieuwe Verbond. Het Avondmaal werd een offer. Sporen daarvan vinden wij reeds bij Cyprianus. Volgens hem was het de priester, die de plaats van Christus vervulde en dat, wat Christus had gedaan, navolgde. Bij hem was het nog nabootsing. Maar men ging nog enkele schreden verder; het moest uitlopen op het aanvaarden van het denkbeeld van een werkelijke herhaling van het offer van Christus. De kerk verwereldlijkte meer en meer. Paste zich steeds meer aan bij de gewoonte van de heidense volksstammen, met wie zij in aanraking kwam. Door uiterlijke glans zocht zij al meer aanhangers te krijgen. Het streven om bisschop cn priester boven de gewone leek te verheffen, deed mede het zijne. De geestelijke hand kon tot stand brengen wat geen ongewijde vermocht. Als de priester de Avondmaalselementen, brood cn wijn, zegent, veranderen zij in lichaam en bloed. Christusiis waarachtig en substantieel tegenwoordig in de heilige tekenen. Men ontvangt door de transsubstantiatie het eigen lichaam des Heren. En daardoor wordt het offer des Heren steeds herhaald. Het duurde enige tijd eer men zover was, maar men kwam hierbij toch aan. Gregorius de Grote, die omstreeks 600 leefde, kent reeds deze denkbeelden. „Wie der gelovigen — zo zegt hij — zou kunnen betwijfelen, dat op het ogenblik van de offerande zelf de hemelen geopend worden op de stem van de priesters, of bij dit mysterie de koren van dc engelen tegenwoordig zijn, of het aardse met het hemelse wordt verenigd en uit het zichtbare cn onzichtbare één geheel ontstaat? In dit mysterie lijdt andermaal Christus voor ons, want zo dikwijls wij Hem Zijn lijdensoffer offeren, zo dikwijls herhaalt zich Zijn lijden voor ons tot onze vergeving". Zo werd de grondslag gelegd voor het dogma, dat eerst in de negende eeuw ontwikkeld te voorschijn zou komen. In 840 werd wat reeds in min bestemde vormen leefde in veler bewustzijn, door Paschasius Radbertus duidelijk uitgesproken, dat door de herhaling van de woorden van het Avondmaal door de priester een eigenlijk gezegd herscheppingswonder tot stand kwam. Wijn wordt bloed. Brood wordt lichaam. Veel tegenstanders waren er, zelfs van naam. Maar hun werd door geweld en list het zwijgen opgelegd. Deze leer werd de kerkleer, door Innocentius III op de vierde Synode van Lateranen in 1215 vastgesteld, later door het concilie van Trente bekrachtigd. Zij werd door de invoering van de Sakramentsdag in 1264 (20 juni) op liturgische wijze verheerlijkt cn is nog altijd het middelpunt van de roomse godsdienstoefening. Het ongewijd oog ziet slechts ouwel en wijn, toch is de Verheerlijkte in brood en kelk neergedaald. De aanbidding der hostie, van de ouwel, werd gewoonte. Zo werd dus het Avondmaal onkenbaar. Geen gemeenschap, maar offer. Zo werd het vervloekte afgoderij. Een sterfelijk mens doet een scheppingswonder. Een ouwel brengt men bet offer der aanbidding. En een mens iets Goddelijks, een stuk stof Goddelijke macht toe te schrijven, dat is niets dan afgodendienst. Dat is God verkleinen. Zijn majesteit aanranden. En zo ging onder de schijn van hoge waardering eigenlijk alle eerbied verloren. In de ouwel was lichaam en bloed. De wetenschap deed nu haar orakels horen om de aard, de mogelijkheid en de gevolgen van deze wezensverandering zo haarfijn mogelijk uit te pluizen. Boekdelen zijn volgeschreven over vragen als deze: „op welke manier eigenlijk in het brood het lichaam van de Here werd ingesloten?" „In hoeverre met het brood ook het lichaam bij herhaling werd gebroken; of het aldus genoten lichaam zich ook met ons bloed verenigt en verteerd wordt, zoals andere spijzen; of van 'n muis, 'n hond, een ezel, die bij toeval een gewijde ouwel had ingeslokt, ook gezegd kon worden het lichaam des Heren te hebben genoten?"

Wat denkt u? Wordt zo niet het heiligste onheilig? De Hervormers tekenden eenparig protest aan tegen deze leer. Zij verwierpen allen de gedachte aan herhaalde offerande. Zij hielden vast aan het Schriftwoord: „Met één offerande heeft Hij voor altijd lisn volmaakt, die geheiligd worden". Zij beriepen zich op: „Het is volbracht!" van de Heiland. Het is volbracht, betekent: er behoeft niets meer aan te worden toegevoegd, er mag niets van worden afgelaten. Zij wijzen alle aanbidding van de elementen af. Zij keren terug tot eenvoudige viering. Zij verwerpen, geen enkele uitgezonderd, de transsubstantiatie: de leer van de wezensverandering. Helaas geven zij niet allen dezelfde opvatting.
Zwingli is het radikaalst. Hij breekt geheel met de gedachte, dat er iets van Christus zou worden ontvangen. Brood blijft brood. Wijn blijft wijn. Het is eenvoudig een gedachtenismaal, een zinnebeeld, meer niet. Men herhaalt zijn belijdenis en verplicht zich door het gebruik tot een christelijke levenswandel. Het „dit is" van de instellingswoorden betekent eenvoudig: dit beeldt af, dit is een voorstelling van, zoals wij iemand plaatsen voor het portret van één, die ons lief is, en tot hem zeggen: „dit is mijn vader". Door de beeltenis worden wij aan hem herinnerd. De roomsen kennen alleen een hemels bestanddeel in dit sakrament. Zwingli legt met verwaarlozing daarvan, alleen de nadruk op het aardse. Calvijn leerde ook: „brood blijft brood", maar de avondmaalselementen zijn meer dan „naakte tekenen" alleen. De ongelovige ontvangt niets dan brood en wijn, de gelovige geniet geestelijk cn met de mond van het geloof het waarachtig lichaam en bloed van de verheerlijkte Christus. De Here is en blijft in de hemel, maar de gelovige wordt door de bijzondere werking van de Heilige Geest bij brood cn wijn naar de ziel gevoed, zoals het lichaam door eten en drinken. Met het verheerlijkte lichaam van de Heere stroomt een verborgen levenskracht hem toe; hij ontvangt dat lichaam niet in, maar met het brood, als zijn hart in de hemel is. Er is dus een scheiding tussen brood cn wijn en lichaam en bloed.
Luther ontkent de transsubstantiatie, maar leert dat het lichaam en bloed des Heeren in, met en onder brood werkelijk tegenwoordig is, zodat het tegelijk met de tekenen wordt uitgedeeld en genoten, de gelovige tot heil, de ongelovige tot een oordeel. In de Kleine Catechismus beantwoordt hij de vraag: „Wat is het sakrament van het Avondmaal?" aldus: „Het is het waarachtige lichaam en bloed van onze Here Jezus Christus onder brood en wijn, ons christenen te eten en te drinken gegeven en door Christu.s Zelf ingesteld. Brood en wijn zijn de windselen, waardoor Christus tot ons komt. Zoals Hij eenmaal lag in de doeken van Bethlehem, hult Hij Zich hier in brood en wijn". De Augustana zegt in artikel X het volgende: „Van het Avondmaal wordt geleerd, dat het ware lichaam en bloed van Christus waarachtig onder de gedaante van brood en wijn in het Avondmaal tegenwoordig is en daar wordt uitgedeeld en ontvangen. Daarom wordt ook de tegenlecr verworpen". Dezelfde gedachten zijn te vinden in de voorhereidingsvragen van Luther: „Gelooft gij stellig, dat de Here u niet alleen om de verdiensten van Christus alle zonden vergeeft, maar ook tot een verzegeling daarvan in het heilig en hoogwaardig Avondmaal onder brood en wijn met Zijn waarachtig lichaam en bloed spijzen zal en drenken?" Het is niet de leer van de transsubstantiatie, de wezensverandering, maar dio van de consubstantiatie, van de wezensverbintenis. Hij laat dus èn het aardse èn het hemelse element gelden.
Het is jammer dat de Hervormers, die unaniem de transsubstantiatie afwezen, elkander niet hebben gevonden in de juiste opvatting van de leer. De roomse opvatting verfoeiden zij allen, zoals de Heidelbergse Catechismus het uitdrukt, als „vervloekte afgoderij". Filips de Goedmoedige, landgraaf van Hessen, die vurig wenste tegenover de rooms-katholieke vorsten een verbond van protestants-katholieke steden en standen tot stand te brengen, ergerde deze tweedracht wel het meest. Daarom nodigde hij, om de twist bij te leggen, de voornaamste godgeleerden uit op zijn kasteel bij Marburg om de zaak nader te bespreken. Allen gaven aan zijn uitnodiging gehoor, ook Luther, maar met grote tegenzin. Dc opvatting, die hij van het Avondmaal voorstond, was de uitdrukking van zijn godsdienstig hart, om met zijn Heiland in de innigste gemeenschap te verkeren, en werd door hem bewezen met de woorden: „Dit is mijn lichaam". Voor niets ter wereld zou hij zich ooit die tekst laten ontnemen.
Het gesprek tussen hem en Melanchton met Zwingli en Oecolampadius, 2 oktober 1529 en de twee volgende dagen te Marburg en in tegenwoordigheid van de landgraaf en 50 a 60 andere hoorders gehouden, leidde dan ook tot geen resultaat. Zodra het belangrijke punt aan, de orde kwam, schreef hij met een stuk krijt op de tafe V waaraan hij zat, in grote letters de woorden: „DIT IS MIJN LICHAAM", en al werd hem er ook op gewezen, dat de woorden uit Joh. 15 : 1: „Ik ben de ware wijnstok", of Joh. 19 : 26: „Vrouw, zie uw zoon", ook niet letterlijk konden worden opgevat, zijn tekst, beweerde hij, moest alleen letterlijk worden verklaard. Maar één lichaam kan toch niet alomtegenwoordig zijn? „Neen, — antwoordde Luther — een gewoon menselijk lichaam kan dat zeker niet, maar met het lichaam van de Godmens was dat anders. Waarom zou de God Christus niet in staat zijn om aan het menselijk lichaam, waarmee Hij Zich had verenigd, Goddelijke eigenschappen mee te delen?" De hoop op verzoening werd daardoor verijdeld. De landgraaf probeerde nog te bewerken, dat men elkaar als leden van één kerk bleef erkennen. Zwingli was hiertoe direkt bereid. Hij ging naar Luther en bood hem zijn hand aan. Luther weigerde de zijne!

Nu hangt de avondmaalsleer weer samen met een andere kwestie. In de Christusbeschouwing. In de wederzijdse verhouding van de beide naturen van Christus. De g< y reformeerden verwierpen de gedachte, dat de majesteit"' en de eer van de Goddelijke natuur zich ook aan de menselijke natuur van Christus meedeelde. Het eindige is niet in staat het oneindige in zich op te nemen. Luther hield die gedachte wel vast. Volgens de gereformeerden zit Christus naar Zijn mensheid in de hemel aan Gods rechterhand, lokaal omschreven. Het zou afbreuk doen aan zijn heerlijkheid, als Hij met de elementen van het Avondmaal, dus met het vergankelijke, Zich in verbinding zou stellen. Het tegendeel is waar: niet Christus daalt omlaag, maar de ziel stijgt bij het genieten van het Avondmaal omhoog en geniet, in vereniging met Christus, de weldaden, die Hij ons heeft verworven. Zo spreekt ons Calvijn in zijn Institutie, en op grond van zijn beschouwingen leren ons de Catechismus en de Formulieren voor het Avondmaal ook zo.
Met gloeiende welsprekendheid keert Luther zich hiervan af. De lokale hemel noemt hij een toverhemel, zoals 4 U men die de kinderen pleegt voor te tekenen, waarin een gouden stoel staat, waarop God de Vader zit en Christus naast Hem in een koningsmantel met een gouden kroon, zoals de schilders het voorstellen. Gods hemel, zo leert hij, is overal; ver strekt deze zich uit, hoog boven hemel en aarde, en zij is toch in elk korreltje. Als dus Christus naar Zijn mensheid aan Gods rechterhand is verheven, is Hij ook overal lichamelijk tegenwoordig, Christus is ook naar Zijn mensheid overal, stellig echter slechts daar te vinden, waar Hij Zich wil laten grijpen, namelijk in het sakrament van het Avondmaal. Feitelijk gaat het onderscheid terug tot het grote principiële verschil tussen Calvinisme en Lutheranisme, liggend in de Godsbeschouwing, die beide anders accentueren. Ongenaakbare majesteit bij Calvijn, de nabijzijnde God in Zijn wereld, liefdevol levend en werkend, bij Luther. Calvijn wil Christus' onderpand, Luther Christus Zelf. „Zo fris en levendig zegt hij is mij Christus, alsof Hij in dit uur Zijn bloed bad vergoten. Het Avondmaal is de tegenwoordig zijnde kruisiging"

(Wordt vervolgd)

Dit artikel werd u aangeboden door: Protestants Nederland

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 september 1958

Protestants Nederland | 8 Pagina's

Het Heilig Avondmaal II.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 september 1958

Protestants Nederland | 8 Pagina's

PDF Bekijken