Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Antwerpen (1585): de opstand door het oog van een naald

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Antwerpen (1585): de opstand door het oog van een naald

37 minuten leestijd

Op 17 augustus 1585, vierhonderd jaar geleden, ondertekende Alexander Farnese, prins van Parma, het 'Tractate' waarin de machtige koopstad Antwerpen zich aan hem overgaf. Namens de stad tekende als eerste Philips de Marnix, de uit onze geschiedenis zo bekende Marnix van Sint-Aldegonde. Parma had het hoogtepunt van zijn veldtocht in het Zuiden bereikt. De scheiding tussen Noord en Zuid in de Nederlanden was definitief. De opstand duurde nu dertien jaar. Bijna al die tijd waren Filips II en Willem van Oranje eikaars grote tegenspelers geweest in die verbitterde krijg. Maar op 10 juli 1584 was Oranje vermoord, juist toen Parma's grote offensief in het Zuiden Gent en Antwerpen bedreigde. De Reconquista - de herovering - noemen de historici die veldtocht. Eén maand voor Oranje stierf Frans van A njou aan wie de Nederlanders in 1581 de souvereiniteit over hun land hadden opgedragen. Terwijl de politieke leiders in het Noorden koortsachtig naar een nieuwe souverein zochten, sloeg Parma het beleg voor de grootste stad in het Zuiden. Zo waren in dat eerste jaar na Oranjes dood binnen- en buitenlandse politiek nauw verweven. Eén ding is zeker: opnieuw stonden twee beslissende punten in de opstand op het spel: de strijd voor de vrijheid van de gereformeerde religie en die tegen de verkrachting van de privileges. We willen in dit artikel aantonen hoe in de strijd om Antwerpen, militair en diplomatiek, de opstand door het oog van een naald ging.

Parma's 'master-plan'

Op 3 januari 1581 schreef Parma, gouverneur-generaal van de gewesten in het Zuiden die zich met Filips verzoend hadden, een brief aan de koning waarin hij zijn 'master-plan' ontvouwde. Sinds de Unie van Atrecht (1579) had hij de meest Zuidelijke provincies al in handen. Het ging nu om Vlaanderen en Brabant met hun bloeiende steden. Hij schreef zijn meester dat hij eerst van plan was Doornik en Kamerijk te veroveren om daarna de kuststeden als Duinkerken en Veurne te bemachtigen. Op die manier sloot hij leper, Brugge en Gent in met als verder doel Brussel en Mechelen in Brabant om tenslotte Antwerpen te kunnen innemen. Parma schreef de koning dat hij militair en politiek een nieuwe taktiek ging volgen. Door een sterk veldleger te vormen wilde hij de verbindingen tussen genoemde steden afsluiten en de waterwegen blokkeren. Daardoor hoopte hij deze steden één voor één door honger en gebrek aan wapens en ammunitie tot overgave te dwingen.

Hand in hand daarmee ging zijn politiek beleid. Hij stelde de koning voor de veroverde steden niet te plunderen of uit te moorden maar aan de bezetting vrije aftocht te verlenen. Bovendien wilde hij de protestantse inwoners een bepaalde termijn schenken om naar het Noorden te vertrekken. Indien het legeren van Spaanse garnizoenen moeilijkheden opleverde, wilde hij in de veroverde plaatsen een Waals of een Duits garnizoen leggen. In plaats van plundering wilde hij een zware schatting opleggen. Zo zou de oorlog zichzelf betalen en maakte dit tolerante optreden de verzoening met de koning aantrekkelijk.

Parma had voor de vorming van een mobiele en krachtige krijgsmacht wel de terugkeer nodig van de Spaanse troepen. Dat was niet zo eenvoudig, want één van de voorwaarden waarop de Zuidelijke gewesten zich bij de Unie van Atrecht met de koning hadden verzoend was het wegzenden van de Spaanse regimenten. Op 8 februari 1582 had Parma de Staten van deze provincies zover, dat zij om terugkeer van de Spaanse troepen vroegen. Filips voldeed natuurlijk graag aan dit verzoek en zo marcheerden in de loop van 1582 twaalfduizend Spaanse en Italiaanse soldaten het land weer binnen. 'The best soldiers at this day in Christianity' verklaarde Leicester later.1 Een 'mirakel' noemde Parma het dat hij dit van de gereconciliëerde (met de koning verzoende) gewesten gedaan kreeg.2

De landvoogd legde ook financiële eisen op tafel. Die waren niet gering. Hij vroeg en kreeg 200.000 ducaten maandelijks uit Spanje en bovendien een som ineens van 1.250.000 guldens.3 Maar het belangrijkste was dat de koning zich achter de nieuwe verzoeningspolitiek stelde. Filips was nu in zijn 'Years of triumph"4 om met Parker te spreken en wilde alles op alles zetten om de opstand aan de Noordwestrand van zijn rijk neer te slaan. Granvelle die in 1580 weer de leiding van de regering uit Filips' handen had ontvangen, prees deze 'aultre chemin' (alternatieve weg).5 Het was inderdaad in vergelijking met de politiek van Alva en Requesens een nieuwe weg en Parma volgde hem consequent.

Terwijl Oranje in het Noorden deze jaren zijn handen vol had gehad om Anjou aan de teugel te houden, veroverde Parma in het Zuiden stad na stad. In 1583 legde hij zijn hand op de steden langs de kust en op Axel en Hulst aan de Scheidemond. Voorjaar 1584 veroverde hij leper en Brugge en sloot Gent in dat in september 1584 na een hard beleg capituleerde. Hij had nu de op één na belangrijkste stad in het Zuiden in handen. In plaats van plundering kregen al deze steden een zware boete opgelegd en ontvingen de gereformeerden verlof te emigreren naar het Noorden.

Oranje en Marnix

Oranje hield met toenemende zorg Parma's veldtocht in het oog. Hij had al op 22 juli 1583 samen met de Staten-Generaal Antwerpen verlaten. De kritiek van de bevolking op zijn Fransgezinde politiek met Anjou en de nadering van Parma's leger deden hem besluiten de wijk naar het Noorden te nemen. 'Het centrum van de opstand is het glorieuse Antwerpen geweest; het is het Hollandse Delft geworden', schrijft een eigentijdse historicus niet onaardig.6

In december 1583 benoemde Oranje Marnix van Sint- Aldegonde tot 'buitenburgemeester' van Antwerpen. Die had midden 1583 bedankt als lid van de Raad van State en zich teruggetrokken uit de politiek. Hij had zich gevestigd op zijn landgoed in Westsouburg. Maar Oranje wist geen beter medewerker te bedenken voor deze verantwoordelijke en moeilijke post. De 'buitenburgemeester' — we weten niet precies waar deze titel vandaan komt - gaf leiding aan de magistraat en aan de Brede Raad van de stad, waarin vrijwel alle colleges van bestuur vertegenwoordigd waren. Hij stond tevens aan het hoofd van de politie en de schutterij. Nauwelijks had Marnix zich wat ingewerkt of Oranje nodigde hem in juni 1584 uit voor de doopplechtigheden in Delft van Frederik Hendrik, die in januari 1584 was geboren. Zoals gebruikelijk ging deze doop gepaard 'met grote feeste' en 'bancquet' schrijft Pieter Bor. De prins toonde Marnix bij die gelegenheid meer 'honneur' en 'caresse' (tederheid) dan hij ooit had gedaan.7 Daar was wel reden voor, want hij wist wat Marnix stond te wachten. Bij zijn vertrek nam hij hem en Willem Martini, de griffier van Antwerpen, met zich mee in zijn 'vertrek-kamerken' en zei daar tegen hen dat hij ze nog wel enige dagen bij zich had willen houden maar hun vertrek was 'gansch nodig'. En toen kwam het: 'gemerkt ik seker en gewisse advertentie en onderrigtinge hebbe, dat de Prins van Parma seer korts (in korte tijd) de stad Antwerpen de oorloge sal aendoen'. Parma had verklaard dat hij 'woude de bijl aen de wortel van de boom stellen'. Hij, Parma, was er van overtuigd 'dat het al aan deze stad was hangende, als de gene die principalijk d'oorloge was onderhoudende'. Oranje was zeker van die zaak want een persoon van 'qualiteit' had hem daarvan 'verwitticht'.8

Marnix en Martini vonden dat de prins de zaak wel wat somber bezag. Maar Oranje antwoordde dat Parma binnen korte tijd de rivieroevers zou bezetten en dat er veel aan gelegen was dat binnen de kortste keren de Blauwgarendijk werd doorgestoken die de rechter Scheldeoever verbond met het hoger gelegen land van Brabant. Wanneer de Schelde werd afgesloten was Antwerpen tenminste over het dan ondergelopen land langs de rivier te bereiken.

Oranje schatte de situatie beter in dan de beide Antwerpse heren. Zijn inlichtingendienst was voortreffelijk en hij keek vooruit. Hoe goed hij geïnformeerd was bleek enkele dagen later toen Parma op de derde juli de Scheldeoevers bezette en zich met zijn leger in Calloo wierp, een dorp aan de linkeroever halfweg de Westerschelde en de stad. Bovendien veroverden zijn troepen het fort Liefkenshoek dat ook aan de linkeroever van de rivier lag, waar de Schelde in de zeearm van de Westerschelde uitmondde. Het daartegenover gelegen fort Lillo bleef in Staatse handen. Mondragon, één van de oudste Spaanse houwdegens in Parma's leger, slaagde er niet in het te bemachtigen. Het is gedurende heel het beleg in handen van de Zeeuwen gebleven.

Liefkenshoek viel 10 juli, de dag waarop Oranje in Delft werd vermoord. Dit doodsbericht bracht in Antwerpen zo'n 'alteratie' teweeg, meldt Bor, dat er een dag of drie in de stad niets werd gedaan. Marnix had direct na zijn terugkeer uit Delft het doorsteken van de Blauwgarendijk aan de orde gesteld. Er was niets van gekomen. Het gilde van de vleeshouwers had er zich in de Brede Raad met man en macht tegen verzet. Er weidden 5000 ossen op het laaggelegen land achter de dijk en die konden ze voor hun bedrijf niet missen. Dit voorval toont duidelijk hoe Marnix' handen door het ingewikkelde bestuur van de stad waren gebonden. Hij had in de Brede Raad, die de laatste beslissingen moest nemen en waarin de hoofden van de schutterijen van de gilden vertegenwoordigd waren, slechts één stem. Van Meteren die goed over de gang van zaken in Antwerpen geïnformeerd was en met Bor onze oudste bron is, schrijft " t Gouvernement binnen Antwerpen was omtrent dezen tyd zeer verward, zo dat de Heer van St. Aldegonde... niet uitregten kon wat wel nodig was'.9

Antwerpen was een grote stad. Het telde kort voor het beleg ongeveer 90.000 inwoners. Er woonden grote groepen buitenlandse kooplieden: Duitsers die in metaal handelden; Portugezen die de specerijenhandel in handen hadden en Engelsen die het laken verhandelden. 'Het is op het samentreffen van deze drie groepen dat de unieke wereldbetekenis van Antwerpen is gebaseerd: de uitwisseling van deze produkten die van Antwerpen enkele decennia lang een onmisbaar eentrum van de wereldhandel heeft gemaakt'.10 Wel waren al heel wat kooplieden die het beleg hadden zien aankomen, uit de stad vertrokken, maar toch was zij nog groot en rijk toen Parma haar insloot. Een groot deel van de kooplieden was de gereformeerde religie toegedaan. Zij hebben in de jaren tussen de Pacificatie van Gent en de val van de stad de opstand voor een belangrijk deel gefinancierd. Door de open verbinding via de Schelde met de zee en met Walcheren was de stad gemakkelijk te bevoorraden. Daarom kwam er voor Parma alles op aan de Schelde af te sluiten. Daar lag het meest kwetsbare punt van de stad. Van een bestormen van de stad of van een bombardement door het zware geschut zoals b.v. bij Haarlem is geen ogenblik sprake geweest. Parma was er van meet af aan op uit de Scheldeoevers in handen te krijgen. Al lukte hem dat niet met het fort Lillo, hij slaagde er wel in een groot deel van de rechter Scheldedijk tussen Lillo en de stad te bezetten. Ongeveer halfweg die dijk verbond de Couwensteynse dijk het vaste land van Brabant met de rechter Scheldedijk. Ongeveer op het punt waar de Couwensteynse dijk het vaste land bereikte lag het dorp Stabroek. Daar vestigde de Graaf van Mansfeld, één van Parma's onderbevelhebbers, zijn hoofdkwartier. Parma zelf had dat in Beveren, enkele mijlen van de hnker Scheldeoever. Een groot deel van de gevechten om de stad heeft zich op die dijken afgespeeld. Het is opmerkelijk hoeveel meer het Spaanse leger op de strijd aan het water was ingespeeld dan destijds bij het beleg van Leiden. De eerste maanden van het beleg was de toestand nog niet kritiek. Vanuit Zeeland bereikten voortdurend schepen de stad. Er viel goed geld aan de bevoorrading te verdienen. De schippers maakten hoge prijzen voor het koren dat zij met groot risico tussen de geschutsopstellingen van de vijand naar Antwerpen vervoerden. Het stadsbestuur dat dit met lede ogen aanzag, stelde na enige tijd een maximumprijs. Dat leek verstandig maar was het niet. Plotseling verminderde nu de aanvoer van het koren. Er viel geen geld meer aan te verdienen.

Onderhandelingen met Frankrijk

Was er perspectief voor de stad op ontzet? Wat had Marnix op dit punt het stadsbestuur te bieden? We raken hier de buitenlandse politiek van de Staten-Generaal in dat moeilijke jaar na de moord op Oranje. Anjou had bij zijn overlijden zijn broer koning Hendrik III van Frankrijk tot 'erfgenaam' benoemd. Maar was deze bereid de souvereiniteit van de Nederlanden op zich te nemen en de Verenigde Gewesten te hulp te komen?

De Antwerpenaars waren er vast van overtuigd dat, wanneer Hendrik III de souvereiniteit op zich nam, het ontzet gewaarborgd was. Marnix had Oranje voortdurend in zijn francofiele politiek gesteund en hield die pohtieke lijn ook aan tijdens het beleg. Na Oranjes dood lag de leiding van de staat vooral in handen van het groepje stadspensionarissen die in de Staten van Holland en in de Staten-Generaal hun steden vertegenwoordigden. Zij waren er van overtuigd dat zij alleen de strijd tegen Filips niet konden volhouden. Er waren maar twee mogelijkheden van hulp: óf bij Hendrik III van Frankrijk en dat was een zwakke persoonlijkheid óf bij de grillige koningin Elisabeth van Engeland. Zij had de opstand wel voortdurend ondershands gesteund maar ze had er voor zichzelf moeite mee opstandelingen tegen hun wettige souverein te steunen. Aan de andere kant begreep zij ook welk een groot gevaar er voor het protestantse Engeland in school wanneer de Lage Landen zonder meer onder Filips' bewind kwamen.

De Nederlandse politici waren verdeeld. De gereformeerden hadden in het algemeen voorkeur voor Elisabeth, Oranje en zijn medewerkers mikten op Frankrijk. De benarde toestand van Antwerpen drong tot handelen. Op 26 augustus arriveerde in Middelburg Daniël van der Meulen, een Antwerpse koopman, die door de stad was afgevaardigd om haar zaak bij de Staten van Holland en Zeeland cn in de Staten-Generaal te bepleiten. Twee dagen later hield hij al namens Antwerpen en de Staten van Brabant in de Staten- Generaal een welsprekend betoog waarin hij de moeilijke positie van de belegerde stad uiteen zette. Het ging er maar niet om steden als Herenthals of Vilvoorde te redden, maar

'Het geldt het verlies van heel Vlaanderen, van heel Brabant, van de trouwe Stadt van Antwerpen. . . ende dat men den vijant eer corte maenden met sijnen scepen voorbij Vlissingen en Walcheren sal sien vogeren (varen).11

Het ging er om dat er een éénhoofdig leiderschap kwam en daarmee doelde hij duidelijk op de Franse koning:

'Ons goevernement en can noch en mach op deser manieren niet langer duren of bestaen'.12

Hij drong er op aan dat de Raad van State onder het leiderschap van de jonge Maurits van Delft naar Middelburg, dichter bij het strijdtoneel, werd verplaatst. Dat gebeurde.

Voor Engeland voelde hij niets. Er waren maar twee wegen, zo betoogde hij haarscherp:

'gelijck hetzelve wijlen sijne princelijke Excellentie dickmael heeft verthoont (daarmee doelend op Oranje): den eenen naar Vranckryck, den anderen naar Spaignien. De differentie tussen deze twee is zoo groot als tusschen de doot ende het leven ' . 13

De Franse gezant Despruneaux liet ondertussen weten dat er geen sprake van was, dat Hendrik III aan Holland en Zeeland dezelfde uitzonderingspositie wilde toestaan die zij in het verdrag met Anjou hadden gehad. Dat leidde tot intensieve besprekingen in de Staten van Holland en Zeeland. Die besloten eindelijk na 'lange deliberatie en disputen' door de zure appel heen te bijten en deze landen aan de Franse kroon 'absolutelijk' op te dragen om 'uyt deze ellendige, wreede en bloedige oorlogen eens te mogen geraken'14 .Wel werd als voorwaarde gesteld het behoud van de gereformeerde religie en van de privilegiën. Het was toen 9 oktober en Van der Meulen zal zich in de handen hebben gewreven.

De politieke molens maalden in die lijd maar langzaam. Het duurde tot december voor een concept-verdrag met Frankrijk gereed was en pas in januari 1585 reisde een uitgebreid gezantschap naar Frankrijk af. Het stond onder leiding van Leoninus en Arend van Dorp en telde maar liefst 17 leden. De ontvangst was luisterrijk maar 'tegenover een grandioze ontvangst in Parijs stond geen enkele concrete toezegging'.15 Hendrik III stond onder de druk van de roomskatholieke Ligue met de De Guises aan het hoofd. Zij wensten geen verbond met protestantse opstandelingen en zeker geen oorlog met de koning van Spanje. Op 3 april was de delegatie in Den Haag terug: met lege handen. Antwerpen moest zichzelf redden. Holland en Zeeland spanden zich nu in haar te hulp te komen.

Antwerpen in het nauw

De situatie van de belegerde stad werd er in de wintermaanden van '84 op '85 niet beter op. Parma ontwiep een geniaal plan om de Schelde door een schipbrug te blokkeren. Hij liet halfweg de Scheldemonding en de stad aan beide oevers van de rivier twee forten bouwen, Sint-Philips en Sint-Marie. Zijn genietroepen legden vanuit die beide forten twee bruggehoofden aan in de rivier. Ze heiden zware boomstammen in de rivier tot waar ze daar te diep voor werd en stelden op die bruggehoofden aan iedere kant zes kanonnen op. Daartussen sloegen zij een schipbrug die de overblijvende 300 meter overspande. De brug bestond uit een groot aantal barken, ieder voorzien van twee kleine kanonnen. Op 25 februari werd de brug gesloten. Drie dagen later schreef Parma aan de koning: de brug zal standhouden 'al kwam ook geheel Holland en Zeeland er op af om onze staketsels te vernielen.16

Het werd nu ernst. Op 13 maart gaf Brussel onder Van der Tympel, de gouverneur van de stad, zich over. Zijn troepen kregen vrije aftocht en de burgers ontvingen twee jaar om te beslissen of zij gereformeerd wilden blijven en de stad verlaten.

In deze grote nood legde een Italiaanse inwoner van Antwerpen, Frederico Giannibelli, Marnix en de Brede Raad een geniaal plan voor. De man was omstreeks 1530 in Mantua geboren en 'vuurwerker' van beroep. Daar muntten de Italianen in uit. Hij stelde Marnix voor vuurschepen te maken die in staat waren Parma's brug op te blazen. Hij vroeg drie schepen. De stad bood hem er twee: De Hoop en De Fortuin. Hij bouwde in die schepen grote mijnkamers die vol geladen werden met buskruit. Ze werden van een mechanisme voorzien dat op een bepaald moment het kruit tot ontploffing moest brengen. De nacht van 4 op 5 april werd voor de onderneming uitgekozen. Juist op die vierde april hadden de Zeeuwen onder Justinus van Nassau fort Liefkenshoek aan de Scheldemond heroverd. Parma's positie op de linkeroever bij de brug werd bedreigd. Indien de Antwerpenaren er in slaagden de brug op te blazen, kon de Zeeuwse vloot naar de stad opvaren.

John Lothrop Motley heeft het verloop van de onderneming schitterend beschreven.17 De Fortuin was onfortuinlijk. Ze liep op een zandbank, de stuurlui hadden het schip te vroeg verlaten. Daar ontplofte ze zonder veel schade aan te richten. Met De Hoop ging het anders. Ze dreef tegen de brug precies op de plek waar het bruggehoofd aan de linkeroever in de schipbrug overging. Parma en zijn officieren waren gewekt en stonden dichtbij dat punt om te zien wat er gebeurde. Zij dachten dat er een gewone brander aan kwam drijven. Spaanse soldaten hielden de wacht op de brug. P. C. Hooft heeft in zijn zeventiende-eeuws Nederlands wat er nu volgde kleurrijk en boeiend beschreven.

'Korts daarna borst de Hoop, met zoo dullen donder, en verbolghen blixem, dat de heemel scheen te kraken om in te storten, de wereld te scheuren, de hel zyn kaaken op te sperren. Het vraatigh vuur verslond, oft verslensde met zynen slagh, niet alleen d'onderzoekers, die 't binnen 's boords verraste, maer teffens 't meeste deel der geenen, die op het staaketsel (hel bruggehoofd), oft in de scheepen der brugge waaren; der maate, dat men van hun nooit eenigh overschot vernam.18

Twee hoofdofficieren van Parma vonden de dood. De één, de markies van Richebourg, werd dagen na de ramp teruggevonden in de rivier, zijn lijk gewikkeld om een ankerketting. De ander. Robles de Billy, bekend als gouverneur van Friesland, vond men pas in augustus, vastgekleefd aan één van de palen van het bruggehoofd. Parma zelf, die op de wal stond, werd door de luchtdruk omvergeblazen. Meer dan 800 Spaanse soldaten kwamen door de explosie om het leven. Het gebeuren doet sterk denken aan een modern bombardement en maakte diepe indruk op de tijdgenoten.

Helaas wisten de Antwerpenaars noch de Zeeuwen er een succes van te maken. De mannen die vanuit Antwerpen naar de brug waren gezonden om te zien hoe de tocht van de vuurschepen afliep, raakten in paniek en kwamen te vroeg terug. De Zeeuwen kregen zodoende niet het sein waarop zij wachtten. Het is onvoorstelbaar dat deze schitterende kans op ontzet niet werd uitgebuit. Parma, die zijn hoofd koel hield, had in drie dagen de bres in de brug gedicht.

Het werd benauwd in de belegerde stad. Er is een brief voorhanden die de kerkeraad van Antwerpen aan die van Londen op 26 maart 1585 schreef. Zij verzochten de broeders te Londen, die intensief met hen meeleefden, ondersteuning voor hun armen, 'Alzo dat wy nu te water ende te lande besloten synde, de coopluyden vertrocken wesende, alle coopmanschap ende handtneringhe stille staende' in groot nood zijn. De diakonie had op last van het stadsbestuur met de aalmoezeniers van de stede één college gevormd met 'één beurs'. De brief is ondertekend door de predikanten Van der Heijden, Tillius, Bastingius en Van Reghenmortel. Er is in het archief van de kerk te Londen ook een copie van deze brief gevonden, gedateerd 15 april. Vermoedelijk hebben zij voor de zekerheid de brief tweemaal verzonden. De copie is ondertekend door Trabius en Fraxinus. Het zijn allen, stuk voor stuk, klinkende namen onder de gereformeerde predikanten van die tijd.

De brieven hebben Londen wel bereikt. Op 24 juni schrijven de broeders dat zij via Jan van de Beke, pensionaris van Vlissingen, een wissel op Londen hadden getrokken van 236 pond en 5 schellingen Vlaäms 'welcke somme onse almoesseniers ontfangen hebben'. Dit bericht werd op 16 september in Londen ontvangen en was ondertekend door Andries de Meester.19 Antwerpen was toen al gevallen.

In de maanden april en mei zetten de Hollanders en Zeeuwen alles op alles om het beleg te breken. Was het niet mogelijk de Couwensteynse dijk in handen te krijgen en door een opening in deze dijk langs de brug naar Antwerpen te varen? Al het platteland langs de rivier stond immers onder water. Bij Lillo, dat nog altijd in Staatste handen was, verzamelde zich een krachtige vloot. Daarheen begaven zich nu onder meer Joos Steyn, burgemeester van Haarlem; Reynier Cant, burgemeester van Amsterdam, en volgens Bor zelfs Johan van Oldenbarnevelt die toen nog pensionaris van Rotterdam was. Maar dit laatste is aanvechtbaar.20 Verder deden mee Pieter Claesz Verhorst, burgemeester van Rotterdam en Pieter Adriaansz van Leiden en andere leden van de Staten van Holland. Men kan dus moeilijk staande houden dat Holland en Zeeland Antwerpen in de steek lieten. De vloot zou vanuit Lillo over het ondergelopen land koers zetten naar de Couwensteynse dijk. Hohenloh, de opperbevelhebber van het leger, leidde de onderneming. Marnix voer met de in Antwerpen aanwezige schepen vanuit de stad naar de dijk.

Het was niet de eerste aanval op de dijk. Op 7 mei was al een poging mislukt. Inderdaad gelukte het deze tweede maal, op 27 mei, voet op de dijk te krijgen. Meer dan 3000 man raakte op de smalle waterkering slaags. Er werd verwoed gevochten. 'Aan dat enge strookje lands hing de hoop van vele duizenden' schrijft Motley typerend.21 Inderdaad wisten de Zeeuwen onder Hohenloh en Justinus van Nassau er een bres in te slaan. Hohenloh en Marnix die elkaar op de dijk ontmoetten, sprongen op het eerste schip dat door de opening voer om direct het goede bericht in Antwerpen te brengen. De vreugde in de stad was groot en het bericht van de doorbraak liep als een lopend vuur door heel het land. Jaren later verhaalt Pieter Bor in zijn grote geschiedwerk dat hij zelf op de 28ste mei in Utrecht was toen de tijding die stad bereikte. Men luidde er de klokken, schrijft hij, van zeven tot acht uur 's morgens en van negen tot tien uur 's avonds.22 De kerken liepen vol om God te danken. Helaas: Marnix en Hohenloh hadden te vroeg het toneel van de strijd verlaten. Onder Parma's persoonlijke leiding zetten de Spaanse troepen vanuit hun schansen de strijd voort en wierpen de aanvallers terug op hun schepen. Men had zich in Antwerpen en in het land blij gemaakt met een dode mus.

Het Engelse 'secours'

De zaak van de opstand was in die zomer van 1585 uitermate precair. Frankrijk bood geen hulp. De situatie in Antwerpen was kritiek. Er was nog één hulpbron die aangeboord kon worden: Engeland. Daarop sloegen nu de politieke leiders van het Gemenebest hun oog. Zij hadden al in het najaar van 1584 met Elisabeth onderhandeld over een secours, een hulpexpeditie. De koningin moest toch begrijpen wat er voor haar van afhing wanneer Antwerpen in Spaanse handen viel. Zij begreep dat ook wel maar durfde het risico van een oorlog met Spanje niet aan. Maar naarmate de zaak van Antwerpen meer precair werd, wijzigde haar kijk op de situatie. Antwerpen in Spaanse handen betekende een pistool op de borst van Engeland. In maart 1585 liet haar 'agent' bij de Staten-Generaal Davison - een officiële gezant had zij bij de Staten nog nooit benoemd - weten dat zijn meesteres tot onderhandelen geneigd was. De Staten-Generaal grepen deze kans met beide handen. Vooral bij Elisabeth moest men het ijzer smeden wanneer het heet was. Haar 'consistency', schrijft een Engels historicus geestig, bestond 'in always being inconsistent'.23

Er werd snel een gezantschap in elkaar gezet waarin de voornaamste politieke kopstukken van de Staten zitting haden. Het werd voor Oldenbarnevelt zijn eerste buitenlandse missie. Mannen als Paulys Buys, Valcke en Menijn, Brederode en Van der Does waren ook van de partij. Nu de Franse kaart was uitgespeeld kwam de Engelse aan bod.

Op 5 juli kwamen de heren in Engeland aan en op 9 augustus hadden zij Elisabeth het verdrag van Nonesuch afgeperst. Zij dacht er niet aan de souvereiniteit over de Nederlanden op zich te nemen maar liet zich wel een soort protectoraat aanleunen. Het bestond in een secours van 5000 voetknechten en 600 ruiters onder bevel van haar gunsteling Robert Dudley, graaf van Leicester. Als onderpand gaven de Staten haar de steden Vlissingen en Brielle. Begin september landden de eerste Engelse troepen in Vlissingen.

Eindelijk had de Republiek in wording een houvast in haar buitenlandse politiek geyonden. Het verdrag van Nonesuch was dertien jaar het plechtanker van haar politiek beleid, aldus Den Tex.24

Antwerpen kon deze koerswijziging niet meer meemaken. In maart 1585 had Andries van der Meulen, schepen van de stad, al aan zijn broer Daniël geschreven: Wilden wij haer (Elisabeth) dese stadt innegheven, soude seer gereet sijn ons te helpen, maer wij en moghen soo slecht niet sijn'.25 Een maand later, 22 april, schreef hij: 'Die presentatien van de coninginne van Engellant sijn oock seer onseker. Wij moeten ons op God vertrouwen'.26

Antwerpen dat alles op de Franse kaart had gezet, was niet bereid op de Engelse over te gaan.

De val van de stad

Holland en Zeeland bleven zich inspannen voor het ontzet. Op 8 juli schreven de Staten van Holland een brief dat zij niet zouden nalaten alle middelen te gebruiken 'te water en te lande' om het ontzet tot stand te brengen.27 Op 10 juli schreef Elisabeth vanuit Groenwiets (Greenwich) dat zij 'ter goeder ure' orders had gegeven om Antwerpen te helpen.28 Het mocht niet baten. Na het mislukken van de slag om de Couwensteynse dijk gaf de stad en in ieder geval Marnix de moed op.

Van Meteren en Bor zijn daarin eenparig. Van Meteren: 'Na deze grote nederlaag hebben die van Antwerpen de moed geheel verloren'.29 Bor: 'Maer na dese grote nederlage hebben die van Antwerpen den moed geheel verloren'.30 Bor schrijft hier Van Meteren vermoedelijk na.

Op 27 mei mislukte de aanslag op de Couwensteynse dijk, op 31 mei ging de eerste brief van Marnix naar Parma in zee. Het is tragisch hoe deze man, één van de medewerkers van Oranje van het eerste uur, de moed liet zakken. 'Een volhouder in de positie van de buitenburgemeester had de overgave nog weken kunnen verschuiven', schrijft P. Geyl.31 In zijn eerste brief aan Parma vroeg Marnix verlof eerst over de overgave met Holland en Zeeland te onderhandelen 'sonder welcke wij niet kunnen besluiten'. Antwerpen had zich immers in 1579 aangesloten bij de Unie van Utrecht. Marnix was overtuigd dat hij deze gewesten wel kon bewegen tot een accoord mits enige vrijheid op het punt van de religie werd verleend, eventueel tot enig 'generael Concilie of provisioneel Synodus ' . 32 een volgende brief bood hij zelfs aan in het kamp te Beveren te komen om te vernemen of er vrijheid van religie mogelijk was en om zo te komen tot een 'generael accoort'.33 Zo'n generaal accoord zou in de komende maanden een belangrijke rol spelen!

Parma begreep onmiddellijk wat er aan de hand was. In onderhandelen overtroefde hij Marnix ver. Stuk voor stuk werden de punten, die Marnix wilde bedingen, hem uit handen geslagen. Géén vrijheid van religie, géén belofte van niet weer een citadel in de stad te bouwen, géén toezegging dat er geen Spaans garnizoen in de stad zou worden gelegd, niets van dit alles kwam in het eindverdrag.

Het waren voor de stad spannende maanden. De gereformeerden verzetten zich krachtig tegen overgave en zij vormden een belangrijk deel van de bevolking. Op zondag 16 juni verschenen zelfs de predikanten in de Brede Raad om tegen de onderhandelingen te protesteren. Aan de andere kant zetten de 'peiswillers' - de vredeeisers — de stadsregering door rellen onder druk. In zelfverblinding bleef Marnix geloven in de mogelijkheid van religievrijheid. Hij begreep nóg niet dat de koning op dit punt nooit van toegeven wilde weten. Van een krachtig verdediger van de stad werd Marnix na het gevecht op de Couwensteynse dijk een defaitist. Hij zag het na de 27ste mei niet meer zitten. Het moet gezegd dat hij bij het vredesaccoord eruit sleepte wat, gezien de situatie, mogelijk was. In artikel II beloofde Parma de stad een 'eeuwich ende generael Pardon ende vergetinge van allen en een yeghelijcken' zowel voor de burgers binnen en buiten de stad. De gereformeerden en andere niet-roomsen kregen de niet geringe termijn van vier jaar om zich te bezinnen. Parma hoopte dat zij in die tijd zich wel bekeerden. Hij maakte het hun zo gemakkelijk mogelijk. In die vier jaar zouden de niet-roomsen niet 'ondersocht of geinquieteert worden int stuc van hunnen conscientien'. Wel stelde hij als voorwaarde dat zij in 'stillicheyt' leefden 'sonder desordre ende schandael' en zich intussen zouden beraden of zij wilden leven 'inde exercitie vande oude Catholijcke, Apostolijcke, Roomsche Religie'.34

De predikanten hadden die termijn niet nodig. Zij vertrokken al op 22 augustus uit de stad, vijf dagen na het sluiten van het accoord. Het waren er minstens elf want tien van hen tekenden nog op 13 augustus een attestatie van een ouderling die naar Emden vertrok en behalve hun namen is er ons nog een ander bekend.35 Wie had dit alles voor mogelijk gehouden toen Antwerpen zich in het voorjaar van 1584 bereid verklaarde op 4 juni een generale synode bijeen te roepen na die van Middelburg in 1581.36 Er was door de loop der gebeurtenissen niets van gekomen en het duurde tot 1586 vóór er in 's-Gravenhage opnieuw een generale synode bijeen kwam.

In artikel XXVI van het vredesverdrag werd de stad een schatting van 400.000 gulden opgelegd en in het op één na laatste artikel schiep Parma voor Marnix een aparte positie:

'Ende soo verre aengaet den Heere van S. Aldegonde, naedemael hy persisteert te willen blijven volghen de .selffste syde. Men verstact dat hy sal beloven ende sweeren van egheene wapenen tegens den Coninck te draghen binnen den tijdt van een Jaer na datum van dit Tractaet (art. XXVll).

Al bleef Marnix dus aan de zaak van de opstand trouw (hij bleef volgen de selffste syde), Parma hield hem niet gevangen. Hij kon vrij heengaan. Hij moest wel een diepe kniebuiging maken voor het koninklijk bewind: een jaar lang mocht hij daartegen geen wapenen dragen.

Marnix houding

Hoe moeien wij Marnix' houding in die laatste maanden inschatten? Was hij een verrader zoals sommigen oordelen? Of was hij alleen maar een defaitist? Was hij verblind en daardoor de oude Marnix niet meer? Het is niet gemakkelijk op deze vragen een afdoend antwoord te geven. Verschillende historici hebben zich met deze vragen beziggehouden. Van Schelven noemt in zijn Marnixbiografie uit 1939, enkele oorzaken waardoor Marnix in zijn verdediging faalde. Hij was als militair leider niet tegen Parma opgewassen. Bovendien had Antwerpen een verbazend ingewikkelde en over-democratische regeringsvorm. De bevolking was voor een deel defaitistisch en niet opofferingsgezind. Marnix had geen overwicht op zijn omgeving. Maar dat alles verklaart nog niet dat zijn hele houding eind mei 1585 opeens radicaal omsloeg. De Belgische historicus L. van der Essen schreef ook een scherpzinnige verhandeling over Marnix' overgave van de stad.37 Hij had toen al een grote biografie over Alexander Farnese, prins van Parma, op zijn naam staan en kon uit zijn minutieuze studie van het beleg putten. Hij graaft dieper dan Van Schelven en wees op het feit dat Marnix na zijn eerdere gevangenneming in 1573 bij de verdediging van Maaslandsluis ook defaitistisch was geworden. Van verraad is volgens hem bij Marnix geen sprake.

Van der Essen sloot zich nauw aan bij een studie van dr. Paulina Havelaar die in de dertiger jaren een verhandeling aan Marnix' houding wijdde.38 Zij zoekt de verklaring in het feit dat het Marnix vooral om godsdienstvrijheid ging. Het religionis causa ging bij hem in de opstand boven het libertatis causa. Wanneer Parma en de koning tot godsdienstvrijheid bereid waren, was Marnix bereid de strijd voor de privilegiën op te geven. Al deze argumenten hebben een zekere waarde maar er is meer. O.i. heeft Marnix zich gewoon door Parma in laten pakken. Van Schelven wijst er op dat hij met Parma omging als met een vriend. Hij begeleidde hem op zijn triumfantelijke tocht van Antwerpen naar Brussel op 29 augustus. Hij bewonderde Parma en Parma gevoelde sympathie voor Marnix.39 Misschien was Parma ook te ver gegaan in zijn toezeggingen op het punt van de religievrijheid. In de correspondentie tussen Filips II en Parma bevindt zich een brief van 17 augustus waarin de koning ingaat op een vraag van Parma hoever hij met concessies op het punt van de religie kon gaan. Parma stelde die vraag mede in verband met mogelijke onderhandelingen met Holland en Zeeland. Filips antwoordde hem dat hij in geen geval vrijheid van religie voor onbeperkte tijd mocht toestaan. Er moest een termijn worden gesteld, hen de plus (niets meer)! Parma schreef ook nadrukkelijk op 18 augustus, een dag na het sluiten van het 'tractate', dat hij geen concessies had gedaan op het punt van de religie en van de koninklijke souvereiniteit.40

Geloofde Parma Marnix' verzekeringen dat er ook met Holland en Zeeland viel te onderhandelen? We krijgen uit zijn correspondentie met Filips soms die indruk. In een brief van 5 september keurde Filips goed dat Parma met Marnix besprekingen voerde over een eventuele reductie (terugkeer) van deze beide kerngewesten van de opstand.41 Hij schreef zelfs over Vlissingen, Brielle en Enkhuizen als eventuele pandsteden wanneer er een vergelijk tot stand kwam.42 En op 30 september berichtte Parma de koning dat hij alle moeite had gedaan met Holland en Zeeland in contact te komen. Hij voegde er aan toe dat Gelderland en Overijssel meer bereid leken tot overeenstemming te komen, maar Friesland bleef hardnekkig: La Frise est obstinée. Wat Marnix zelf betrof, hij had zijn vrouw en huisgezin naar Zeeland gezonden. Zelf was Marnix van plan naar Duitsland te gaan maar hij hoopte dat men hem in Holland spoedig nodig zou hebben en verwachtte dan wonderen te kunnen verrichten.43 Stellig overschatte Marnix zichzelf in die wonderen. Na het akkoord met Parma over Antwerpen zag hij een generaal akkoord in het verschiet en hij hoopte daarbij een rol te kunnen spelen. Wat dat betreft is een brief van Marnix aan zijn neef Adolf van Meetkerke, één van de leidende figuren in de Staten-Generaal, onthullend. Marnix schreef die brief in oktober 1585 om zichzelf te rechtvaardigen. Hij begon met Oranje te prijzen:

'Men hadde een goeden en wijzen piloot, die 't roer in de hand vasthield, en de seylen wist te accommoderen na de kracht des winds, daerder nu geen soodanig is'.

Nu, na Oranjes dood, was dat geheel anders en waren wij minder dan de vijand:

'D'autoriteyt is bij hem geheel en vast, en ondersteunt met den tijtel eenes grootmachtigen Koninks'.

Wat een lof voor Fihps uit deze mond! Op Maurits had Marnix weinig hoop:

'lek vreese dat de faute (het gebrek) van ervarentheit hem gestadich zijne kracht sal verslappen'.

De verschillende particuliere accoorden, die de steden in het Zuiden met Parma gesloten hadden, vond Marnix 'een pest'. Ze waren echter niet tegen te houden zolang, en nu komt het:

'wij willen geen openinge doen tot eenich generael accoort'.44

De opstand door het oog van een naald

Dit standpunt was voor de toch al wankelende jonge staat levensgevaarlijk. Geen wonder dat de Staten- Generaal Marnix de toegang tot Holland en Zeeland ontzegden. Onder zijn invloed ontstond er in Holland zelfs een verzoeningsgezinde partij. Dat kunnen we opmaken uit een brief die Davison, Elisabeths 'agent', die we al eerder tegenkwamen, op 4 oktober aan Leicester en Walsingham, de leiders van de pro- Nederlandse partij in de Engelse regering, schreef. De situatie was in de Republiek kritiek, vond hij. De Staten-Generaal draalden met het ratificeren van het verdrag van Nonesuch, waar voor de staat op dit moment alles aan hing. Bovendien was er een tot verzoening met Spanje geneigde partij die met Parma contact onderhield. De laatste infiltreerde in Holland door middel van de stroom van vluchtelingen die zich vanuit het Zuiden naar het Noorden bewoog. Daar mengden zich agenten van Parma onder. Eén van hen was Martini, de griffier van Antwerpen, die wij ons herinneren uit het gesprek met Oranje en Marnix in Oranjes 'vertrek-kamerken'. Van der Tympel, die Brussel zo moedig had verdedigd, was er ook bij. Het waren beslist niet de eersten de besten.

In een brief aan Burghley, één van Elisabeths raadsheren, schreef Davison dat Parma roerende brieven had gezonden aan de magistraat van Gouda en aan andere steden van Holland 'where he has these instruments dispersed. Dat Davison beslist geen leeuwen en beren op de weg zag, kunnen we lezen bij Bor die dezelfde intrigues boven water bracht. Omtrent diezelfde tijd, verhaalt Bor, heeft de prins van Parma de koning last gevraagd 'om die van Holland en Zeeland de vrede te mogen aanbieden, met toelatinge van beyde religien dewijle de nieuwe religie, so hij die noemt, aldaer so diep ingewortelt was'.

Bor vervolgt met te schrijven dat in Spanje dit advies niet goedgevonden werd. Dat klopt exact met wat we citeerden uit de correspondentie van Filips met Parma. Bor aarzeU niet de vuile was van de poHtici uit dat kritieke jaar 1585 buiten te hangen door te vermelden dat zelfs in de vergadering van de Staten van Holland sommige leden verklaarden niet te willen bijdragen aan de oorlogskosten

'dan eerst besocht (verzocht) sijnde of men met den Prince van Parma niet in billijkheid en hebbende religionsvrede souden können accorderen en dit scheen daer uyt heen te comen (en dan komt het) omdat de Heere van Sinte Aldegonde dit aen sommige soude geschreven hebben, 't welk hem ook in so groten haet gebracht hadde.46

De opstand heeft meermalen kritieke momenten gekend, dit najaar 1585 na Antwerpens val, was er één van. Het is tragisch dat de dichter van het Wilhelmus daar één van de oorzaken, misschien wel de hoofdoorzaak, van was.

In december 1585 zette Leicester voet aan wal in Vlissingen. Zijn troepen stroomden het land binnen. De leidende pohtici én de bevolking grepen moed. De staat was het eerste moeilijke jaar na de dood van Oranje toch doorgekomen, ondanks de val van Antwerpen. Hoeveel crediet Marnix desondanks nog had bewijst het feit dat toen hij in het geheim in november op Walcheren landde en zijn landgoed te Souburg weer betrok, de autoriteiten hem daar rustig lieten wonen. Zijn politieke rol bleek uitgespeeld.

En Antwerpen? De forten Liefkenshoek en Lillo die in Staatse handen bleven, sloten voortaan de Schelde hermetisch af. Ongeveer 40.000 inwoners, bijna de helft, verlieten binnen vier jaar de stad.47 Zij brachten hun talent, kapitaal en energie naar het Noorden. Op de laatste dag van dat dramatische jaar 1585 schreef Parma een brief aan de koning. Hij maakte zich zorgen, schreef hij, over de dreigende hongersnood. Handel en industrie waren in de steden te gronde gegaan... de armoede was algemeen.48 De val van Antwerpen had Parma en Filips niet gebracht wat zij ervan hadden gehoopt, al was de opstand door het oog van een naald gegaan.

Noten

1. Geoffrey Parker, The dutch revoll, London 1977, p. 216.

2. L. van der Essen, Het begin van het offensief tegen de Vlaamse provinciën, \n Mededelingen van de koninlijke Vlaamse Academie voor wetenschappen, 1958, no. 2, Brussel 1958, p. 10.

3. Parker, a.w., p. 213.

4. Geoffrey Parker, Philip II, London 1978, p. 142: van 1579- 1588.

5. Van der Essen, a.w., p. 15.

6. A. J. Tjadens in Algemene geschiedenis der Nederlanden, 6, Bussum 1979, p. 253.

7. A. A. van Schelven, Marnix van Sint Aldegonde, Utrecht 1939, p. 163. 8

. P. Bor, II, ed. 1679, p. 466.

9. E. van Meteren, Historie enz., IV, ed. 1752, p. 209, 210.

10. Antwerpen in de XVIde eeuw, uitgave Genootschap voor Antwerpse geschiedenis, Antwerpen 1975, p. 125, 126.

11. In artikel van Gisela Jongbloet-Van Houtte, De belegering en de val van Antwerpen belicht vanuit een koopmansarchief, in Bijdragen en Mededelingen enz., 1976, p. 32.

12. A.W., p. 35.

13. A.W., p. 36. 1

4. P. Bor, II, p. 495.

15. Jongbloet-van Houtte, a.a., p. 38.

16. John Lothrop Motley, De opkomst van de Nederlandsche Republiek, I, 's-Gravenhage 1861, p. 182. In een brief aan Filips van 28-2-1585.

17. A.W., p. 188 vlg.

18. P. C. Hooft, Nederlandsche Historiën, II, cd. 1703, p. 1000.

19. De brieven in Ecclesiae Londino - Batavae Archivum, T. III A, P. 786, 803.

20. J. den Tex, Oldenbarnevelt, I, Haarlem 1960, p. 230. Volgens Den Tex had hij vóór de aanval de vloot verlaten.

21. A.W., p. 211.

22. P. Bor, 11, p. 600.

23. G. Mattingly in The defeat of the Spanish Armada, London 1963, p. 40. Geciteerd door Jongbloet-Van Houtte, p. 36.

24. J. den Tex, a.w., p. 237.

 25. Jongbloet-Van Houtte, a.a.. p. 39.

26. T.a.p. In een brief van 22 april uit Antwerpen.

27. P. Bor, II, p. 603.

28. A. W., p. 607, 608.

29. Van Meieren, a.w., p. 255.

30. P. Bor, II, p. 600.

31. P. Geyl, Geschiedenis van de Nederlandse stam, II, A'dam/ Antwerpen 1961, p. 354.

32. P. Bor, II, p. 602.

33. T.a.p.

34. Het vredesaccoord 'Tractate' genoemd, in Antwerpsch Archievenblad, IV, p. 248 vgl. Herdrukt in Antwerpen 1871.

35. M. F. van Lennep, Gaspar van der Heyden, A'dam 1884, p. 191. Op 29 augustus schreef Van Reghenmortel uil Middelburg aan de kerkeraad van Londen: 'lek ben hier met mijne mededienaers naer een periculose ende seer sorgelijcke reyze op den 26 Augusti (dwelck ghisteren was) met goeder gesonlheyt (door Godes genaede) aengecomen', Archivum, p. 807.

36. A.W., p. 766.

37. In Marnix van Sinte Aldegonde, Brussel z.j. (hel officieel Belgisch gedenkboek) in artikel Marnix en de verdediging van Antwerpen 1584-1585, p. 49, vlg.

38. Paulina W. Havelaar, Marnix van Ste- Aldegonde als verdediger van Antwerpen in Bijdragen voor vaderlandsche geschiedenis enz., 7de reeks, deel VII, p. 1-33.

39. A. A. van Schelven, a.w., p. 176.

40. Joseph Lefèvre, Correspondance de Philippe II sur les affaires des Pays-Bas, T.IIl, Brussel 1956, p. 45,

41. AX.A.w., p. 48.

42. A.W.. p. 49.

43. A.W., p. 58: '11 espère qu' ä bref delai on Pappcllera et, alors, il réalisera des merveilles.

44. Bij P. Bor, II, p. 616, 618.

45. De gegevens uit de brieven van Davison ontleen ik aan het belangrijke artikel van A. M. van der Woude, 'De crisis in de opstand na de val van Antwerpen' in Bijdragen Geschiedenis van Nederland, deel XIV, 1959, p. 38-56; 81-103.

46. P. Bor, 11, p. 650.

47. Antwerpen in de XVIde eeuw, p. 98-102 met uitvoerige berekeningen. Jan van Roey concludeert op grond daarvan dat het inwonersaantal na de termijn van vier jaar gehalveerd was, p. 101.

48. J. Lefèvre, a.w., p. 70-72: 'La pauvreté est générale' vatte Parma de situatie samen.

Dit artikel werd u aangeboden door: Protestants Nederland

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 september 1985

Protestants Nederland | 12 Pagina's

Antwerpen (1585): de opstand door het oog van een naald

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 september 1985

Protestants Nederland | 12 Pagina's

PDF Bekijken