Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Aanloop tot de Aprilbeweging van 1853 en de gevolgen daarvan

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Aanloop tot de Aprilbeweging van 1853 en de gevolgen daarvan

20 minuten leestijd

Onder de naam 'Aprilbeweging' staat de reactie van veel protestanten bekend op het herstel van de rooms-katholieke hiërarchie in ons land. Het herstel van de hiërarchie betekende het voor het eerst na de Hervorming weer benoemen van roomskatholieke bisschoppen, die volgens de hiërarchie van de Rooms-Katholieke Kerk onder het oppergezag van de paus stonden. Na de Hervorming waren er immers in Nederland geen bisschoppen meer geweest. Nederland stond te Rome bekend als 'de Hollandse Missie', met andere woorden: naar roomse opvatting was ons land een zendingsgebied.

Tijdens de 80-jarige oorlog en enige tijd daarna verrichtten op vele plaatsen de pastoors hun werk min of meer in het geheim. Later, toen de vrijheidsstrijd ten einde was en er dus ook geen aanleiding meer was te vrezen voor 'verraad' door roomsgezinden, werd de Rooms-Katholieke Kerk min of meer gedoogd, om die nieuwere term eens te gebruiken. Het politiek gezag liet zich voor dat gedogen soms betalen. Waar dat 'gedogen' al te duidelijk aan de dag trad, gevoelde de Gereformeerde Kerk zich geroepen bij de overheid aan te dringen op het beteugelen van de 'paapse stoutigheden'.

Nadere Reformatie

In de programma's tot verbetering van de kerkelijke situatie van de beweging die bekend staat als de Nadere Reformatie neemt dit een belangrijke plaats in. De roomsen als personen waren altijd gedoogd, de kritiek van de Gereformeerde Kerk richtte zich vooral op de R-K Kerk als instituut. Men had tijdens de Republiek bijna altijd oog voor de r-k medeburger, soms een welwillend oog, als het ging om eerzaam levende, ernstige mensen. Ds. Van Lodensteyn betreurde het dat de kloosters en de biecht waren afgeschaft. En de bekende ds. Bernardus Smytegelt, die toch wel door niemand van onze lezers verdacht zal worden van slapheid in de leer, liet nadrukkelijk ruimte over voor het zalig worden van roomsen, 'als ze zich tot Christus wenden'. Oorspronkelijk was tijdens het begin van de 80-jarige Oorlog nog een groot deel van ons volk roomsgezind, en pas geleidelijk aan nam het percentage gereformeerden toe. Behalve in de zgn. 'Generaliteitslanden', de in een latere fase van de oorlog veroverde gebieden. Dat waren: Staats-Vlaanderen (nu: Zeeuws-Vlaanderen), Staats-Brabant en Staats- Limburg. Daar was tengevolge van de Contra- Reformatie de bevolking grotendeels overtuigder en bewuster rooms-katholiek geworden dan voorheen. Deze gebieden werden vanuit Den Haag bestuurd, door Hollandse ambtenaren, die een vreemd element vormden tussen de plaatselijke bevolking, die hen veelal zag als indringers, als opgedrongen bestuurders uit een land dat niet het hunne was.

Gereformeerd of Hervormd

Bij de Bataafse Revolutie van 1795 gingen alle landsdelen op gelijke wijze deel uitmaken van de Bataafse Republiek. Het stelsel van de 'Generaliteitslanden' kwam daarmee tot een einde, en dat hield in de dat de tamelijk talrijke roomskatholieken opeens veel meer politiek en maatschappelijk gewicht kregen in de nieuwe staatsregeling. Het ontbreken daarvan was hun vele jaren lang een doorn in het oog geweest. Ook werd een einde gemaakt aan de heersende positie van de Gereformeerde Kerk. Tot ongeveer 1800 sprak men doorgaans van de Gereformeerde Kerk, of Nederduits Gereformeerde Kerk. De benaming 'Hervormd' is van wat latere datum in het algemene spraakgebruik. Was de benaming 'Gereformeerd' velen wellicht theologisch te sterk? Om enig inzicht te verschaffen in het denkklimaat bij de stichting van de Bataafse Republiek citeren we hieronder wat besloten werd over de scheiding van Kerk en Staat. 'De Nationaale Vergadering, overwegende dat, ofschoon geene Maatschappij kan blijven bestaan, veel min bloeijen, waarin de Godsdienst niet wordt geeerbiedigd en beschermd, en deugd en goede zeden niet worden bevorderd, de afscheiding nogthans der Kerk van de Staat noodzaaklijk is in een Land, daar waare Vrijheid woonen zal, als mede, dat eene heerschende of bevoorrechte Kerk lijnrecht strijdig is, zelfs met de eerste grondbeginzelen van Gelijkheid, waarop de waare Vrijheid en Broederschap zijn gebouwd. Overwegende verder, dat door de erkentenis en opentlijke afkondiging dezer grondbeginzelen in Nederland, de Kerk van den Staat reeds wezentlijk afgescheiden is. Overwegende eindelijk, dat niet met den zelfden spoed, noch op dezelfde wijze alle de gevolgen, uit de erkentenis dezer grondbeginzelen voortvloeiende, in werking gebragt kunnen worden, en het nodig is dat eene inrigting, die zoo lang en zoo diep in ons Land is geworteld geweest, en haare takken wijd en zijd heeft verspreid, met veele bedaartheid en voorzigtigheid WORDE VERNIETIGD, decreteert:
1. Er kan, of zal geen bevoorrechte noch heerschende Kerk in Nederland meer GEDULD worden.
2. Alle Placaaten en Resolutien der gewezene Staaten Generaal, uit het oude Stelzel der vereeniging van Kerk en Staat gebooren, worden gehouden voor vernietigd.
3. Geene Leeraars of andere Kerkelijke beambten, van welk eene gezindtheid ook, zullen zich voortaan buiten der zeiver Kerken met eenig onderscheidingteeken in het openbaar mogen vertoonen; alle Godsdienstige plegtigheden zullen zich alleen bepaalen binnen de muuren der Kerken of Bedehuizen; en geene Klokken zullen, ter aankondiging van Godsdienstoefeningen, meer mogen geluid worden" Dit uittreksel uit het 'Dagverhaal der Handelingen van de Nationaale Vergadering representerende het Volk van Nederland' bevat verder nog de artikelen 4 en 5 over de administratieve uitvoering van bovenstaande bepalingen.1 De hoofdletters zijn door de schrijver van dit artikel aangebracht, om des te duidelijker te doen uitkomen waar het toen om ging.

Apostolisch Vicaris

Daarna volgde de tijd van het koninkrijk Holland, en de inlijving bij het Franse keizerrijk. Toen ons land in 1813 weer onafhankelijk werd, werd het een koninkrijk. Op het Wener Congres besloten de mogendheden dat Noord- en Zuid-Nederland zouden worden samengevoegd tot het vergrote Koninkrijk der Nederlanden, onder het Huis van Oranje-Nassau. Die samenvoeging leidde in kerkelijke opzicht tot een merkwaardige situatie. Immers, in het Zuiden, de vroegere Spaanse, daarna Oostenrijkse Nederlanden, waren er R-K bisschoppen, maar in het Noorden niet. Daar waren 'apostolische vicarissen'. De positie van de Belgische bisschoppen was geregeld door een concordaat tussen de paus en Napoleon, in de tijd dat België deel uitmaakte van het Franse Keizerrijk. Koning Willem I wilde het liefste, dat dit door Napoleon gesloten concordaat gewoon van kracht zou blijven. Maar dat was voor Rome onaanvaardbaar: koning Willem I was geen zoon van de Roomse Kerk, en derhalve in formele zin een ketter; in ieder geval een 'schismatiek', iemand die leefde buiten de alleenzaligmakende Moederkerk. Met zo iemand moest een andere regeling getroffen worden dan met Napoleon, die zich tenslotte toch altijd als roomskatholiek is blijven beschouwen, ondanks al zijn conflicten met die kerk. Er waren daarover contacten met Rome, die zich uiterst moeizaam voortsleepten, totdat eindelijk op 18 juni 1827 een nieuw concordaat tot stand kwam dat de positie van de R-K Kerk in het gehele koninkrijk der Nederlanden regelde. In dat concordaat van 1827 was ook reeds voorzien in de komst van bisschoppen in Noord-Nederland, dus wat nu ons land is. Men dacht aan Amsterdam en Den Bosch. De scheiding tussen Noord en Zuid, begonnen met wat we doorgaans aanduiden als de Belgische Opstand van 1830, heeft de uitvoering van dit concordaat verijdeld. Verzet van protestanten en antiklerikalen hadden het tot op die tijd tot een dode letter gemaakt.

Noord contra Zuid

Noord en Zuid waren zeer vervreemd van elkaar, door religie, mentaliteit en ook wel economische belangen. Wellicht kennen we het rijmpje daarover nog:

't Zuiden, sterk vervreemd van 't Noorden,
Vast aan Rome's Kerk gehecht
Aan 't Hervormde Noord verbonden,
Klaagde, met en zonder recht.

Nu was de invloed van de Belgische bisschoppen, vooral van de bisschop van Gent, Maurice Jean Madeleine Prins van Broglie, op de scheuring van Noord en Zuid heel groot geweest. Broglie stamde uit een oud, adellijk Frans geslacht. Hij was sterk anti-Nederlands, hij verachtte zelfs onze taal. Nederland was voor hem slechts een broeinest van ketterij, zonder zelfs maar de mogelijkheid om enige hogere beschaving te bereiken. En met dat land zou België verenigd worden? Dat nooit! Dat was natuurlijk allemaal in Nederland doorgedrongen. De sterk anti-Belgische stemming die na 1830 in ons land heerste, was daardoor ten dele ook een anti-roomse stemming. Het nog altijd levende sentiment in dit opzicht werd door de gebeurtenissen van 1830 en daarna buitengewoon krachtig gevoed. Minder dan ooit moest men in ons land ook maar iets hebben van rooms-katholieke bBisschoppen. Toch leefde bij de Nederlandse rooms-katholieken, sinds 1795 gelijkberechtigde staatsburgers, het verlangen naar eigen Nederlandse bisschoppen. Dat laat zich verstaan. Toen in 1841 het gerucht de ronde deed dat koning Willem II wilde vasthouden aan het in 1827 gesloten maar nog niet uitgevoerde concordaat, leidde dat tot veel opschudding. De theologische faculteiten van Groningen en Utrecht gaven uiting aan hun verzet daartegen, en ook heel wat vooraanstaande personen richtten zich in adressen tot de koning. De organisatie van de R-K Kerk was toen als volgt: in de voormalige Generaliteitslanden waren er te Breda, Den Bosch en Roermond apostolische vicarissen, en in overig Nederland vijf aartspriesters. Zij stonden onder het gezag van de pauselijke internuntius in Den Haag. Dat was steeds een Italiaanse diplomaat, die doorgaans maar enkele jaren in ons land bleef, en die daardoor onze taal, mentaliteit en geschiedenis niet wezenlijk kende. Grondwet van Thorbecke Het is te begrijpen dat de Nederlandse rooms-katholieken die situatie, zeker op de duur, als onbevredigend ervoeren. De grondwetsherziening van 1848 door Thorbecke schafte het recht van placet af.2 Dat betekende dat elke kerkelijke gemeenschap voortaan geheel vrij was om haar eigen bestuur en organisatie te regelen. Daarmee verviel derhalve ook de noodzaak tot het sluiten van een concordaat met Rome, hoewel de paus daar nog lang op aanstuurde. Maar Nederlandse geestelijken hebben de paus tenslotte tot andere gedachten gebracht. Algemeen werd toen verwacht dat Rome deze aangelegenheid geheel zelfstandig en spoedig zou regelen, en de bisschoppelijke hiërarchie herstellen. Vanuit het Groot- Seminarie te Warmond en de redactie van het dagblad 'De Tijd' werd voortdurend te Rome daarop aangedrongen.3 Het ministerie-Thorbecke wilde echter graag vooraf vertrouwelijk worden ingelicht, om eventueel nog op wijzigingen te kunnen aandringen, en zo gevoeligheden te ontzien. Maar dat was nu precies wat Rome niet wilde . . . Het recht van placet was immers afgeschaft? Onze regering werd inderdaad ingelicht, maar in zulke vage termen dat ze niets van belang kon doen. Dat de regering vooroverleg wenste kwam niet voort uit de wens toch het afgeschafte recht van placet uit te oefenen, maar uit het besef dat herstel van de hiërarchie zeker aanleiding zou geven tot grote beroering onder alle protestanten, van links tot rechts. Het heeft er alle schijn van dat de internuntius, monseigneur Belgrado, de bezwaren van onze regering in Rome heeft gebagatelliseerd. Zelfs de te benoemen aartsbisschop, pastoor Joannes Zwijsen, was vanwege de gevoeligheid van de hele kwestie tegen de keuze van juist Utrecht als zetel van de aartsbisschop.

Ketters van Calvijn . . .

Op 4 maart 1853 kondigde Paus Pius IX in zijn breve "Ex qua die" aan dat hij de hiërarchie in Nederland herstelde. Dat gebeurde op de volgende manier: de 3 apostolische vicariaten te Breda, Den Bosch en Roermond werden verheven tot bisdommen. Verder werd te Haarlem een bisdom ingesteld, en dit alles werd overkoepeld door de instelling van een aartsbisdom te Utrecht, de zetel van Willibrord. In april werd dit in ons land bekend. Vooral de bewoordingen waarin de pauselijke breve was gesteld wekten de ergernis van velen op. De paus herinnerde aan de instelling van bisdommen in ons land tijdens de regering van Philips II. Men had toen gehoopt dat Nederland, 'deze beminde wijngaard des Heeren steeds rijker vruchten zou afwerpen'. Maar 'een vijandig mens heeft getracht de wijngaard te verwoesten', een duidelijke verwijzing naar de gelijkenis van de zaaier en naar Psalm 80. 'Men heeft het helaas! genoeg ondervonden hoevele en grote nadelen de dwaalleer van Calvijn aan die zozeer bloeiende kerken berokkend heeft. Ja, zover ging het geweld en de aandrift der ketters dat het was alsof de naam Katholiek in die streken was uitgeroeid, en alsof er voor het herstel van zulke grote verliezen geen mogelijkheid meer scheen te bestaan'. Korte tijd daarna hield de paus een toespraak tot het college van kardinalen. Hij had het daarin niet over het Koninkrijk der Nederlanden, maar over het Rijk van Holland en Brabant, waarin de rooms-katholieke godsdienst van dag tot dag vorderingen maakte. Hij sprak er ook over dat de geëerbiedigde vorst vol was van welwillendheid voor zijn katholieke onderdanen.4 Dat laatste slaat kennelijk op de persoonlijke vriendschap van de vorige koning, Willem II, met pastoor Joannes Zwijsen van Tilburg. Willem II had een paleis aldaar, en hij was daar ook zeer populair bij de bevolking. Dat leeft nog voort in de naam van een sigarenmerk en een voetbalclub...5

De reactie hierop in Nederland.

Zowel de wederinvoering van de bisschoppelijke hiërarchie als de in de breve gebruikte uitdrukkingen sloegen in ons land in als een bom. Van vele kansels werd wekelijks gepreekt tegen het roomse gevaar. Van Dam van Isselt schreef in zijn blad 'De Fakkel' over al de roomse gruwelen uit het verleden, onder de leuze: liever Turks dan Paaps. Anderen aarzelden niet om aan Thorbecke het droevig lot van Van Oldenbarnevelt en de gebroeders De Witt voor ogen te houden... Vooral in Utrecht liep de spanning hoog op. Daar was de theologische faculteit van de universiteit waaraan de naam van Voetius was verbonden, als een bolwerk van Protestantse rechtzinnigheid. En te Utrecht waren er ook heel wat roomsen, voldoende om de gedachte aan een 'rooms gevaar' te zien als een reële zaak. In de Tweede Kamer deed Thorbecke wat van hem verwacht moest worden: hij wees op de grondwettelijke vrijheid van de roomsen in dit opzicht, voortvloeiend uit de scheiding van kerk en staat. Daarom was de regering noch bereid, noch in staat om iets te ondernemen. Het verzet bij velen vloeide voort uit verschillende overwegingen. Bij de meer 'verlichte' protestanten vreesde men vooral de machtsontplooiing van Rome, als een gevaar voor de volkomen vrijheid van denken en spreken, zoals men die uit de Verlichting had ontvangen en van ganser harte aanvaard. Men zag daar de Roomse Kerk als de 'zwarte reactie', als een hinderpaal op de weg omhoog. Bij vele eenvoudigen lag dat geheel anders. Zij leefden nog sterk bij de historie, en het woord 'bisschop' alleen was al voldoende om gedachten op te roepen aan geloofsvervolging, aan rokende brandstapels door de inquisitie, aan gevaren voor kerk en staat, aan ondermijning van de positie van het Oranjehuis.6 Had men daarvoor niet de voorbeelden voor het grijpen, zoals in Spanje, en in het optreden van de Belgische bisschoppen? In die kringen leefde men veelal nog sterk bij het theocratische gedachtegoed, dat immers de scheiding van kerk en staat verafschuwde, en daarmee heel de democratische gelijkstelling van alle gezindten voor de wet. Men had er in die kringen nog weet van dat in onze geschiedenis kerk en staat onlosmakelijk aan elkaar zijn verbonden, dat ze tweelingen zijn als het ware, en dus op een en dezelfde dag geboren.

Aprilbeweging

Er kwam een adresbeweging op gang, waarin het protestantse volk zich tot koning Willem III wendde en hem smeekte het naderend onheil af te wenden. Het adres werd volgens sommige bronnen door 50.000, volgens andere door meer dan 200.000 personen getekend. Gezien het massale karakter van het protest is laatstgenoemd cijfer het meest waarschijnlijk. Daaruit bleek een groot vertrouwen in hun vorst, die echter in dit opzicht niets kon doen. Het was voor de koning niet gemakkelijk. Hij moest min of meer kiezen tussen zijn kabinet en tussen de adressanten. Koos hij ervoor om zich achter de opstelling van zijn kabinet te stellen, dat volkomen grondwettelijk had gehandeld, dan beschaamde hij daarmee het vertrouwen van velen van zijn trouwste onderdanen. En als hij afstand nam van de handelwijze van zijn kabinet riskeerde hij een kabinetscrisis. Hij deed het laatste. Toen hij voor zijn jaarlijks bezoek naar Amsterdam ging werd hem op de officiële receptie op 15 april het adres aangeboden door dr. Bernard ter Haar. Op voorstel van Thorbecke was aan de koning geschreven wat hij daarop zou moeten antwoorden. Maar de koning deed dit niet. Wellicht voelde hij zich enigermate gemanipuleerd door een liberaal kabinet, dat toch al niet de liefde van zijn hart had. In die situatie gaf hij er de voorkeur aan zelf zijn toespraak voor te bereiden. De koning beloofde niets, hij koos geen partij in de hele kwestie, maar hij toonde zich sterk geroerd door de aanhankelijkheid en het vertrouwen van de adressanten. Hij zei tot hen: 'mijne regering leverde menige treurige ogenblikken op, maar ik vond steeds opwekking en bemoediging in de hartelijke, ik zou haast zeggen kinderlijke liefde van mijn volk, en deze dag. Mijne Heren, heeft den band tussen het Huis van Oranje en het Vaderland nog hechter vastgesnoerd en dierbaar aan mijn hart gemaakt'.

'Hulde-album' voor Willem III

Dat antwoord viel bij de adressanten in goede aarde, en zij hielden er althans de indruk aan over dat de koning hun zijde gekozen had. Maar de woorden van Willem III vielen niet in goede aarde bij het kabinet. Zij wilden weten of de koning aan hun zijde stond of niet. In een brief van het kabinet aan de koning stelde men hem voor de keus: of duidelijk en openlijk verklaren dat het ministerie juist had gehandeld, zoals ook de Tweede Kamer dat had uitgesproken, of 'van ministerie veranderen'. Letterlijk schreef men: 'De Koning die met Zijn ministerie niet overeenstemt, moet Zijn ministerie veranderen'. De koning schreef een eenregelig briefje terug, waarin stond dat hij besloten had van ministerie te veranderen. Het kabinet was dus ontslagen. De koning had reeds Van Hall uit Amsterdam bereid gevonden om een conservatief ministerie te vormen. Dat betekende het einde van het eerste Ministerie-Thorbecke. De roomsen hielden zich rustig en 'lieten den storm voorbijgaan en voerden de organisatie het eene gedeelte na het andere uit'7 Als vrucht van de hele affaire werd de Evangelische Maatschappij opgericht. Van 14 tot 16 september bezocht de koning Utrecht. Daar hield prof. G.J. Mulder een rede tot de koning, en bood hem een 'hulde-album' aan. Het antwoord van de koning daarop zou men kunnen beschouwen als het einde van de Aprilbeweging. Op de laatste dag van het koninklijke bezoek, 16 september 1853, kwam de nieuwbenoemde aartsbisschop Joannes Zwijsen incognito Utrecht binnen.

Paus Pius IX

We willen hier nog aandacht vragen voor twee zaken. In de eerste plaats: wie was de paus met wie Nederland in 1853 te maken kreeg? En in de tweede plaats de reactie van de oud-katholieken. De paus onder wiens leiding de bisschoppelijke hiërarchie in ons land werd hersteld was Giovanni- Maria Mastai Ferretti. Hij werd op 16 juni 1846 tot paus gekozen, de 251e volgens de gangbare telling, waarin de diverse tegenpausen niet worden meegeteld. Doet men dat wel, dan krijgt men uiteraard een hogere telling. Zo is er al eens een tegenpaus geweest met de naam Johannes XXIII. Telt men hem mee, dan zou de paus die het Tweede Vaticaanse Concilie bijeen heeft geroepen moeten worden aangeduid als Johannes XXIIIB. Mastai Ferretti nam de naam aan van Pius IX. De Italianen noemden hem Pio Nono, Pius de Negende. Hij is bij heel wat politieke en kerkelijke zaken betrokken geweest. Door sommigen bijna afgodisch vereerd, hebben anderen hem ook diep gehaat. Hij was een aristocraat, de zoon van een graaf en een gravin. Hij heeft zijn ambt 31 jaar en 7 maanden uitgeoefend, van 16 juni 1846 tot 7 februari 1878. Nog nooit is iemand zo lang paus geweest. Hij was een echte vertegenwoordiger van het Ultramontanisme.8 Hij heeft tegen Bismarck, de ijzeren kanselier, de Kulturkampf gevoerd en gewonnen. Hij was sterk gekant tegen het rationalisme, en vaardigde daartegen op 8 december 1864 de Encycliek 'Quanta Cura' ('Met welk een zorg') uit, en de 'Syllabus Errorum', de lijst van moderne dwalingen. Op 8 december 1854 had hij al het dogma afgekondigd dat Maria, de moeder des Heeren, door een bijzondere genade was geboren zonder erfzonde, de zogenaamde onbevlekte ontvangenis. Men had dat in de R-K Kerk al eeuwen geloofd, maar nu werd dat de officiële kerkleer. Hij was ook de paus die het Eerste Vaticaanse Concilie samenriep, volgens de Roomse telling het 20e algemene concilie. Op dat concilie dreef hij, gesteund door de Italiaanse en Spaanse bisschoppen, de leer van de pauselijke onfeilbaarheid door. Dat houdt in dat wanneer de paus 'als opperherder van alle christenen spreekt in de uitoefening van zijn ambt (ex cathedra) over zaken van geloof en leven, hij dan door de bijstand van de Heilige Geest onfeilbaar in de waarheid wordt geleid'. Toen tijdens de beraadslagingen daarover een van de concilievaders naar waarheid opmerkte, dat dit nieuwe leerstuk tegen de traditie van de (RK) kerk is, antwoordde de paus daarop vrijmoedig: ego sum traditio! (ik ben de traditie).

Oud-Katholieke Kerk De afkondiging van dit leerstuk heeft ertoe geleid dat velen zich hebben afgescheiden van Rome's kerk, en dat leidt ons tot de gevoelens die '1853' heeft opgeroepen bij de oud-katholieken. Toen noemden die zich nog de 'Oud-Bisschoppelijke Clerezie'. Die onderhielden nauwe banden met het Jansenisme in Frankrijk, door de paus in de breve van 1853 aangeduid als 'een pest en een monster'. De reactie hierop was niet alleen duidelijk, maar ook heftig: op 14 april 1853 richtte de Oud- Bisschoppelijke Clerezie zich met 'een kort en kernachtig adres' tot de regering. Voor hen was de wederinvoering van de r-k hiërarchie een ingrijpende zaak. Met name de benoemingen van een aartsbisschop te Utrecht en een bisschop te Haarlem kwamen hard aan. Want daar waren al een aartsbisschop en een bisschop, volgens oud-katholiek standpunt. Zij waren daar de wettige kerk. Men betoogde in het adres dat dit alles een opzettelijke en duidelijke oorlogsverklaring was aan het bestaan van de Oud-Bisschoppelijke Clerezie, en een terzijdestelling en aantasting van haar oude en onbetwistbare rechten. Voorts een inbreuk op hun geestelijk rechtsgebied. Men eiste met het oog op dit alles van de regering de officiële erkenning van de nieuwe hiërarchie te weigeren, en daarentegen de titels van de (oud-katholieke) aartsbisschop van Utrecht en van de bisschoppen van Haarlem en Deventer te erkennen.9 Achteraf is men geneigd te denken dat de oudkatholieken wel hoge pretenties hadden. En toch hebben deze mensen heel goed beseft dat er in feite maar één kerk mag zijn. Door de loop der gebeurtenissen zijn wij helaas zo gewend geraakt aan het naast elkaar bestaan van vele, en steeds meer kerkverbanden.

Noten.

1 Documenta Reformatoria, Kok-Kampen 1962, Deel II, pag. 96/97.

2 Het recht van placet stond in artikel 187 van de Grondwet. Het hield in dat kerkelijke besluiten of pauselijke decreten pas openbaar gemaakt mochten worden na goedkeuring door de vorst of door de regering. In België werd het reeds in 1831 afgeschaft, na de breuk met Nederland, vanwege de onvrede die dat artikel verwekte. Vanaf 1848 luidde artikel 187: 'De tussenkomst der Regering wordt niet vereist bij de briefwisseling met de hoofden der onderscheidene kerkgenootschappen, noch, behoudens verantwoordelijkheid volgens de wet, bij de afkondiging van kerkelijke voorschriften'. Het woord 'placet' is afgeleid van het Latijnse 'placere', (behagen).

3 De Oud-Katholieke Kerk van Nederland, Gooi en Sticht, Hilversum, door RJ. Maan, K. Ouwens, F. Smit en J. Visser, pag.38.

4 Dispereert Niet, Twintig eeuwen historie van de Nederlan den, A. en H. Algra, Wever, Franeker 1987. deel III pag.214.

5 Joannes Zwijsen werd in 1794 geboren te Kerkdriel, en overleed in 1877 te Den Bosch.

6 H. Algra in de Christelijke Encyclopedie, Ile druk 1956, Kok- Kampen, pag.279.

7 Handboek der Algemeene Kerkgeschiedenis door pater Albers S.J., Malmberg-Nijmegen, Deel II, pag.561.

8 'Ultramontanisme' wordt een belangrijke stroming in de R-K Kerk genoemd die sterke nadruk legde op het absolute gezag van de paus. De benaming komt van de Latijnse woorden : ultra montes, over de bergen, dat wil zeggen in Italië.

9 'De Oud-Katholieke Kerk van Nederland, pag.38-39.

Dit artikel werd u aangeboden door: Protestants Nederland

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 maart 2003

Protestants Nederland | 24 Pagina's

Aanloop tot de Aprilbeweging van 1853 en de gevolgen daarvan

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 maart 2003

Protestants Nederland | 24 Pagina's

PDF Bekijken