Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Menno Simons een vriendelijke theoloos uit de tijd van de Reformatie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Menno Simons een vriendelijke theoloos uit de tijd van de Reformatie

15 minuten leestijd

In Menno Simons (1496-1561) ontmoeten we een man die beduidend verschilt met de andere reformatoren. Sommigen achten hem ''de grootste Anabaptist in de tijd van de Reformatie en één van de grootste godsdienstige leiders van de 16de eeuw". (Dr. Victor Shepherd in Heritage Portrait of Christian Giants 1995). Anderen merken op dat "zijn radicale vernietigende veroordeling van al de Reformatoren hem tekenen als een trots en bijzonder misleide man". (Mr. John Brentnall, In Peace and Truth Magazine 2005:4). Weer anderen zeggen: "Hij was een Reformator die vasthield aan de belangrijkste leerstellingen van het christelijke geloof". (Dr. N. Needham in 2000 Years of Christ's Power Evangelical Press Volume 3 Church History).

Wel vertegenwoordigde hij een minder radicale beweging in de tijd van de Reformatie dan de zogenaamde anabaptisten of wederdopers, die niet alleen de Rooms-Katholieke kerk wilden hervormen, maar ook de Reformatie wilden corrigeren. Belangrijk is wel om rekening te houden met de toch wel zeer turbulente tijd waarin hij leefde. Men ging toen wel anders met elkaar om en verketterde elkaar al gauw.

Zijn leven

Menno Simons werd in 1496 te Witmarsum in de provincie Friesland geboren. Na enig onderwijs op een plaatselijke, mogelijk een kloosterschool, te hebben genoten, bracht hij de eerste jaren van zijn volwassenheid door te Pingjum, de plaats van zijn voorvaderlijk huis, "als een goed betaalde dorpspriester". Hij hield zich in die tijd (1524-1531) bezig met frivole activiteiten, zoals het drinken en het kaartspel. Toch, in 1526 begon hij een onafhankelijk onderzoek van de Heilige Schrift. Hij werd daartoe gedrongen vanwege twijfels over het vermeende wonder van de transsubstantiatie. "Later," zo schreef hij, "kwam mij in gedachten, dat zo dikwijls ik met het brood en de wijn tijdens de mis bezig was, dat zij (het brood en wijn) niet het lichaam en bloed van de Heere Christus konden zijn". Zijn twijfels namen in 1529 ook toe over de praktijk van de kinderdoop, de tweede pilaar van de bestaande roomse traditie. Twee jaar later concludeerde hij zeer beslist, "dat allen betreffende de kinderdoop waren misleid". Na onderzoek van de geschriften van Origenes (185- 254), Cyprianus 3de eeuw), Augustinus (354-430), Cyrillus (315-386) en Tertullianus (circa 160-220) vergeleek hij dat onderzoek met de werken van zijn tijdgenoten: Zwingli (1484-1531), Luther (1453-1546), Bucer (1491-1551) en Bullinger (1504-1575). Het geloof, zowel in de roomse mis als ook in de kinderdoop, liet hij daarna varen. Maar een tijd lang verborg hij deze voor hem nieuwe inzichten en bleef bij zijn priesterschap in de roomse kerk. Toen hij daarna hoorde dat een andere Fries, Sicke Freerks, een kleermaker (Dr. Victor Shepherd) vanwege zijn herdoop, samen met driehonderd gewelddadige wederdopers, waaronder zijn broer Peter, gedood waren te Bolsward, verweet hij zich zijn dubbelhartigheid. Hij begon toen openlijk te proclameren "de levende en heiligende woorden van het heilige Evangelie van Jezus Christus". Zelf dacht hij een evangelisch reformatorisch prediker te zijn. Later vond Menno dat deze roem van zichzelf, getuigde van, "onervaren ijver zonder geest en liefde". In deze turbulente tijd zocht hij de vergeving van zijn zonden "door de verdienste van het karmozijn rode bloed van Christus". Dit had als resultaat dat hij in 1536 zijn exodus maakte uit het pausdom. Hij legde zijn ambt neer en werd in dat zelfde jaar door door Obbe Philips gedoopt. Daardoor veranderde zijn comfortabele positie te Witmarsum als priester tot een gevaarvol en onzeker bestaan van een vervolgde dissident. In die tijd was hij iemand naar wie men zocht. Menno werd gedwongen om veiligheid te zoeken daar waar God Zelf deuren opende. Een korte tijd verrichtte hij pastoraal werk onder een handvol wederdopers in Groningen (1537). Menno had een bijzonder medelijden met de "arme misleide schapen" die geen geestelijke herder hadden. Zo preekte hij des nachts, vergezeld van zijn vrouw en drie kinderen, op geheime plaatsen in bossen, in open veld en schuren. Een discussie met de Poolse Hervormer Johannes a Lasco te Emden dwong hem een nieuwe omgeving te vinden waar hij zijn boodschap kon brengen. De mogelijkheid daartoe vond hij in de periode van 1544-1547 in het Keulse diocese van de hervormingsgezinde bisschop. Herman van Wied (1515-1546). Echter, vanwege de intolerante regering van diens plaatsvervanger vluchtte hij naar de Hanzesteden Lübeck en Wismar. Deze Baltische havensteden werden de basis voor zijn werk als rondreizend prediker tot 1554. Op die plaats vond hij bescherming van een edelman, de heer van Oldesloe te Bad Holstein. Menno startte hier met een boekdrukkerij om zo zijn geschriften te verspreiden. Honderdtwintig jaar na zijn overlijden werden zijn geschriften uitgegeven onder de titel Opera Omnia. Zijn bekendste werk heet Fundamentboeck. Zijn geschriften worden tot op de dag van vandaag door bevindelijk gereformeerden gelezen, (ds. Moussault) Op 31 januari 1561 eindigde hij te Wustenfelde zijn pelgrimsreis van lijden, hoewel geliefd door enkelen, en werd begraven in zijn eigen groentetuin.

Zijn theologie

Door veel te lezen heeft Menno's theologie verschillende invloeden ondergaan. Dit bracht hem tot de overtuiging: 1e De kerkvaders niet als betrouwbare leraars van de christelijke leer te aanvaarden. 2e Dat de leermeesters van de hervorming hun inzicht zouden ontvangen hebben door speculaties, en niet door de Schriften. 3e Dat, hoewel zijn leven stond in het teken van liefde en lijdzaamheid, hij de chaotische geweldpleging die wederdopers te Munster ondervonden hadden veroordeelde. 4e De leer van Luther over de christelijke vrijheid te zien als een vrijbrief tot wellustigheid. Verder was het zijn overtuiging dat de leer van de transsubstantiatie moest worden gezien zoals Wessel Gansfort en anderen die zagen. Hij stemde ook in met de geschriften van Melchior Hoffman, (de vader van de Hollandse wederdopers, in de gevangenis in 1543 overleden) over de kinderdoop. Zo ook de historische en theologische studies van Sebastian Franck, een voormalig rooms-katholiek priester. Deze werd eerst luthers predikant, maar werd later een aanhanger van de pantheïstische mystiek, (1499-1552). Deze leerde dat er geen onderscheid bestaat tussen God en de wereld. God, Gods Woord, de Heilige Geest, natuur, waren voor hem slechts verschillende benamingen voor een en de zelfde kracht, die in alles en allen is, het inwendige licht, dat alle ware gelovigen bezitten. Positief stond Menno tegenover Luther voor wat betreft zijn studies waarin deze krachtig laat zien het verschil tussen het 'het Woord van God en de leringen van mensen'. Dit verzekerde hem dat hij zijn zaligheid niet zou verliezen door onkunde. Verder kon hij Desiderus Erasmus (1466-1536) waarderen, vooral waarin deze hem wees op moralistische humanistische punten, die hem verder leidden op het pad van de niet gewelddadige en niet separatistische Reformatie en zijn eigen verstaan van het sola scriptura.

De autoriteit van de Heilige Schrift

Menno baseerde zijn inzichten nergens uitdrukkelijk op de autoriteit van de Heilige Schrift. Toch vulde hij zijn gedachten wel met haar inhoud en leerde beslist dat de Schrift een rol heeft in de bekering. Op grond van de gelijkenis van de Zaaier stelde hij dat de bekering alleen plaatsvindt wanneer het geestelijke zaad van het Woord wordt bevrucht door de Heilige Geest, Die een nieuw leven van geloof en bekering voortbrengt. Hij claimde dan ook dat zijn gehele programma van hervorming op de Schrift was gebaseerd. Zo schrijft hij: "Zie mijn waarde broeders, tegen de leringen, sacramenten, het leven, keizerlijke besluiten, de pauselijke bul, vergaderingen van geleerden, menselijke filosofie, Origenes, Augustinus, Luther, Bucer, gevangenis, verbanning, of gedood worden, het heeft niets te betekenen. Want het is het eeuwige, onverderfelijk Woord van God". Dit geen onderscheid makende versmaden van alle menselijke autoriteit vormt een belangrijk deel van Menno's radicalisme. Zo leerde hij tevens dat de Schrift niets zegt over de pauselijke instelling, zalvingen, kruisen, monnikskappen, toga's, reinigingen van onreinheid, kloosters, kapellen, belgerinkel, orgels, de mis en oude gebruiken. Het moet worden gezegd dat zijn eenvoudige opleiding hem parten speelde, waardoor hij soms met het badwater van radicalisme ook het kind van andere bijbelse waarheden weggooide. Onder andere dit leidde hem ertoe om het godzalig eedzweren in geval de overheid dit vorderde, te weigeren, (zondag 37 Heid. Gat.). Verder ontkende Menno dat Christus bij Zijn menswording vlees en bloed uit de maagd Maria had aangenomen. Dat dit nogal wat impliceert, moet duidelijk zijn. Om Christus te vrijwaren van de minste beschuldiging van zonde, moest Menno ontkennen dat Hét Woord, Christus, vlees van Maria had aangenomen. Hij zou slechts in haar, maar niet van haar zijn als het Woord. Volgens Menno was Hij een hemelse creatie in Maria's schoot en niet de vrucht van haar schoot. Want zo leerde Menno, 'God zal de wereld niet verzoenen door zondig vlees, maar door Zijn heilig Woord. Alleen dit Woord kan heilige discipelen voortbrengen'. Het gebrek aan heiligheid in sommige reformatorische groepen, vooral hun predikanten, was de oorzaak geweest van hun verkeerde inzicht van Christus' vleeswording. Menno kwam tot deze opvatting door het lezen van Johannes 1:14 in de Vulgaat: Verbum caro factum est, het Woord werd vlees. Maar daarmee leerde Menno onmiskenbaar een oude dwaling, namelijk: het hemelse Zaad, het Woord van God, was in Maria gezaaid, en door haar geloof werd het vlees en is daarom genoemd de vrucht van haar schoot. Christus is geen aards mens geworden. De gehele Christus Jezus, beide God en mens, mens en God, heeft Zijn wording uit de hemel en is niet aards, velut per canalem. Christus heeft volgens hem Zijn lichaam (vlees) uit de hemel meegenomen, is als het ware door Maria heen gegaan. Menno ontkent hiermee dus ten diepste de mensheid van Christus, zoals de orthodoxe formule schrijft: 'twee naturen in een persoon', (Gel. Bel. van Athanasius) De moderne Mennonisten worden door deze zienswijze van hun geëerde grondlegger in verlegenheid gebracht. In tegenstelling leerde de Reformatie dat de Heilige Geest het wezen van Maria zo heeft gereinigd, dat Christus een volkomen menselijke natuur bezat, geheel vrij van zonde. Teksten die dat duidelijk leren zijn Romeinen 1:3,4. Romeinen 9:5 en 1 Timotheüs 3:16: "God is geopenbaard in het vlees".

De verzoening

Ook van zijn visie op de uitgestrektheid van de verzoening moeten we zeggen dat deze duidelijk semi-pelagiaans is te karakteriseren. Volgens hem zijn alle mensen in een staat van verzoening met God, totdat zij nadrukkelijk deze verzoening verwerpen.

De zonde

In zijn opvatting over het bijbelse kernwoord 'zonde' neemt Menno afstand van beide zowel de roomse als de reformatorische leer. Duidelijk weigerde hij de bijbelse en augustiniaanse leer van de erfzonde te aanvaarden. Zo schreef hij ondubbelzinnig: "Alle kinderen zijn net als Adam en Eva onschuldig en onberispelijk. Het is waar, het zaad van de zonde is in hun natuur, maar zij zijn geen zondaren, totdat zij de leeftijd van onderscheid bereiken en dan wanneer zij vrijwillig zondigen". Met andere woorden: wij doen de zonde niet, omdat wij zondaren zijn, maar we zijn zondaren, omdat we zondigen. Dit is puur pelagianisme.

Predestinatie

Met de meeste 'radicale hervormers' weigerde Menno de gehele bijbelse leer van de predestinatie te aanvaarden. Gods voornaamste eigenschap, de genade, breidde hij uit tot allen, voor wat de voorbeschikking van God betreft.

Genade en de vrije wil

Omdat Menno de erfzonde ontkende, is het geen verrassing dat hij ook de leer van de genade en de vrije wil, zoals Augustinus die leerde verwierp. Volgens hem was het essentieel dat de menselijke wil vrij was, om uiteindelijk met Gods genade samen te werken. Beide, de lutherse en gereformeerde lering van de gebonden wil, achtte hij 'louter een excuus voor goddeloosheid'.

Geloof

Menno's concept voor het geloof ligt in zijn schema van de verlossingleer. Zeker, hij is zonder meer bijbels, door te stellen dat het geloof een gave en kracht van God is. Maar hij is minder bijbels door het geloof een tweevoudige functie toe te kennen, voor wat betreft de aanneming van Gods belofte van vergeving en de voorschriften van Zijn wet. Ondanks zijn claim dat Christus niet de Zaligmaker is van onboetvaardige zondaren, maakt hij geen melding van het feit dat het ontvangen geloof voor onze rechtvaardigmaking wordt toegerekend door de gerechtigheid van Christus. Voor hem bestaat het geloof meer in het zich gewillig onderwerpen aan de evangelievoorschriften als de nieuwe wet van Christus.

Rechtvaardigmaking

Met een overwaardering voor heiligheid en morele reinheid wijst Menno de leer van rechtvaardiging door het geloof alleen af. Want, zo schrijft hij: 'Dit hindert het nieuwe leven in Christus'. Het is dan ook tragisch dat hij zijn vruchtbare pen gebruikte om de luthersen te bekritiseren, als zouden zij leren en geloven, dat het geloof alleen zaligmaakt zonder dat enige goede werken gedaan worden. "Zij staan op met een psalm", zo spot hij met hen, "terwijl het bier nog uit hun mond en neus komt".

Kerk

Menno wilde in zijn dagen de kerk van Christus tot een soort evangelisch monnikendom hervormen. Alle leden moesten wedergeboren zijn en zichtbaar boetvaardig. Menno was bijzonder strikt in de uitvoering van de kerkelijke censuur. Zo mochten leden van zijn kerk absoluut geen gemeenschap hebben met hen die onder censuur stonden. Zelfs met je echtgenote die gezondigd had (zonde tegen het gebod) mocht geen contact meer onderhouden worden. Dit soort van reformatie is wel bijzonder extreem te noemen.

Staat

Voor Menno is het uiterlijk kenmerk van de kerk haar zichtbare separatie van beide zowel de valse kerk, alsook van de wereld die onwetend is van Christus en zijn geboden. Later stelde hij dit standpunt bij door dat in overeenstemming te brengen met Romeinen 13, zo zelfs dat hij godvrezenden aanspoorde om bij de overheid in dienst te treden. Met John Wycliffe (1324-1384) was hij van mening dat de staat verantwoordelijk is voor de godsdienst en de moraal. Zo riep hij koningen en overheden op om alle valse leraars te verwijderen, maar niet met het zwaard. Dit laat een groot verschil zien met de Munsterse dweperij. Menno was hierin consistent, want beide, regeerders als zij die geregeerd worden, moesten vreedzaam zijn. Om deze reden was hij ook tegen de doodstraf. Wat onrealistisch stelde hij dat wanneer de overheid de lering van Christus zou volgen, er geen legers en oorlogen meer nodig zouden zijn. In het kort: Menno zag voor zich een nieuwe gemeenschap mensen die de goddelijke gerechtigheid zouden praktiseren door het volgen van Christus en op die manier de hemelse Bruidegom zouden verwachten.

Antichrist

Met de andere hervormers was Menno van mening dat de paus de 'antichrist' was. Maar hij ging verder. Want helaas vond hij dat ook van de gehele roomse gemeenschap en tevens van alle protestantse groeperingen die het niet hem eens waren.

De leer van de laatste dingen

Hoewel de meeste wederdopers van toen en nu een apocalyptische visie hebben op een onmiddellijk gereinigde wereld, een bepaald soort perfectionisme dus, deelde Menno deze opvattingen slechts ten dele. Hij wees het Munsterse begrip van een zichtbaar koninkrijk af en veroordeelde hun opvatting over polygamie en het gebruik van geweld. Hij leerde dat de eeuw van genade in Christus al gekomen was en dat geen ander koninkrijk van vrede, dan dat Hij opricht in het hart, de tweede komst van Christus zal voorafgaan. Maar, zo waarschuwt hij herhaaldelijk: "Het is nabij, de tijd is kort". Echter, de vraag mag worden gesteld, kan er hier op aarde wel een koninkrijk van vrede komen, zonder de komst van Christus ten oordeel op de jongste dag?

Evaluatie

Het werk van Menno Simons als 'vreedzaam wederdoper' en als 'radicaal hervormer' bood een programma van hervorming betreffende het geloof en moraliteit, dat zielen wilde voorbereiden op de dag van het oordeel. Zijn levenslange strijd voor vroomheid en nieuwheid van leven ontsprong uit de visie dat de kerk van Christus moest worden hervormd, samen met de gelovigen die de gezindheid van Christus hadden. Terwijl hij de onordelijke visie op de Apocalyps van een aards Messiaans rijk op aarde, zoals de Munstersen dat voorstonden, afwees, was zijn ideaal toch ver verwijderd van het doel zoals de meerderheid van de hervormers dat zagen. Want hoewel erkend moet worden dat Menno oprecht was in zijn verlangen naar de uitbereiding van Gods koninkrijk, het bestraffen van de zonde, onderwijs in de rechtvaardigheid, het voeden van de hongerige, het leiden van de verstrooide schapen en het toebrengen van vele zielen tot Christus door Zijn Geest, kracht en genade. Zijn sola scriptura was in de praktijk een sola Nieuiv Testament. Zijn sola Christo hield toch een beperking in van het volbrachte werk van Christus als Zaligmaker. Zijn sola fide een begrenzing van het geloof tot enkele evangeliebeloften en voorschriften. Zijn sola gratia een droevige weigering van onze gehele afhankelijkheid van genade alleen. Zijn soli Deo gloria een zich alleen concentreren op persoonlijke en kerkelijke heiligheid. Bij de inleiding van dit artikel schreef ik dat sommigen vinden dat, "hij een Reformator was die vasthield aan de belangrijkste leerstellingen van het christelijke geloof", ( N. Needham). Maar houdt er rekening mee dat in de tijd waarin hij leefde men soms wel heel snel en dikwijls met minder fraaie bewoordingen elkaar veroordeelde. . Een ding is zeker: "Gods beminde is hij, die gelooft, van harte gelooft, dat Jezus Christus, Gods Zoon op Golgotha's heuveltop leed en stierf voor zijn zonden en opgewekt werd tot zijn rechtvaardigmaking". (R de Rover) Tenslotte, ik ben mij bewust dat in dit opstel anderen aan het woord zijn gekomen, die hun visie over Menno Simons gegeven hebben vanuit een reformatorische manier van denken. Wellicht zou het goed Menno Simons gedenkteken te Witmarsum zijn om een eerlijk beeld te schetsen, dat anderen hem in de context van zijn tijd met meer gedetailleerde kennis wilden belichten. Aan u geachte lezer is het antwoord!

Bronnen:

J. N. Bakhuizen van den Brink, Handboek der Kerkgeschiedenis, deel 2.
Wilh. á Brakel, Redelijke Godsdienst, Utrecht Christelijke encyclopedie (kernwoord Menno Simons en Anabaptisten) FW. Grosheide, Geschiedenis der Kerk, deel 2, Kampen. Heidelbergse Catechismus, zondag 37 Katholieke encyclopedie (kernwoord H. van Wied, bisschop van Keulen)
A.T. Moussault, Doopsgezind predikant, in een persoonlijk gesprek
P.A. de Rover, De strijdende kerk, deel 4, Groningen 1950 The Magazine of the Sovereign Grace Union Peace and Truth, 2005 nr 4.
www. diverse sites Menno Simons
www. Peace and Truth Magazine
www.iciTibooks.co.uk (N. Needham)
www.victorshelpers.on.ca

Dit artikel werd u aangeboden door: Protestants Nederland

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 2007

Protestants Nederland | 16 Pagina's

Menno Simons een vriendelijke theoloos uit de tijd van de Reformatie

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 2007

Protestants Nederland | 16 Pagina's

PDF Bekijken