Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De visie van Groen op God, Nederland en Oranje (1)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De visie van Groen op God, Nederland en Oranje (1)

13 minuten leestijd

Er bestaat een preek van Charles H. Spurgeon over Lukas 17:32: Gedenkt aan de vrouw van Lot. De eerste bladzijden van die preek gaan niet over de vrouw van Lot, maar over de man, over Lot zelf. Maar dan valt Spurgeon zichzelf in de rede. U zult wel denken, vervolgt hij dan, dat ik mijn tekst verkeerd heb gelezen, alsof er stond: gedenkt aan Lot. Dat kwam mij even in gedachten, toen ik mij er goed van bewust werd over welk onderwerp ik het wil hebben: mr. G. Groen van Prinsterer en zijn visie op God, Nederland en Oranje.

Je kunt dat vergelijken met een preek over: gedenkt aan Lot – een preek dus over een nietbestaande tekst. Ik heb niet elke regel gelezen die Groen van Prinsterer ooit heeft geschreven. Maar ik kan me niet herinneren dat ik deze woorden zo bij hem heb ontmoet. Er komen echter in zijn werk wel woorden en gedachten voor, die er op lijken. De meest directe overeenkomst die ik zou weten is die met een uitspraak in zijn ‘Bijdrage tot herziening der grondwet in Nederlandschen zin’ van 1840. daarin noemt hij de Oranjes ‘het door Gods genade aan het vaderland geschonken huis. Dat vind ik eigenlijk mooier, omdat er duidelijk verschil wordt gemaakt. Oranje is de gave, het vaderland is de ontvanger, maar God is de enige Schenker en beschikker. Dat voorkomt iedere gedachte dat de drie op één lijn zouden staan. Groens formulering geeft beter aan dat alleen God het allesbeheersende middelpunt is. Daarop valt bij hem alle nadruk en daarom vind ik haar zuiverder. Maar al zegt Groen het anders, zijn woorden geven wel aansluiting op ons onderwerp. We staan dus niet bij voorbaat voor een hopeloze taak, al zullen we misschien wat langere wegen moeten bewandelen om ons doel te bereiken. Ik ben namelijk van plan niet bij Groen te beginnen, maar in de zestiende eeuw. Dat is een tijd, waarin zulke verbindingen, als in onze titel is aangegeven, tamelijk algemeen gangbaar zijn. Het is niet uitzonderlijk, zelfs eerder normaal, dat mensen een heel nauwe betrekking zien tussen hun geloof, hun koning en hun vaderland. De vorst en zijn volk zijn eng met elkaar verbonden, en als zij samen oorlog voeren, dan denken zij te strijden voor de zaak Gods. Die drievoudige verbinding is zo vanzelfsprekend, dat ze ook blijft bestaan als het gaat om een opstand. We zien dat, om dicht bij huis te blijven, precies zo bij Willem van Oranje. Hij wil niet strijden tegen de koning, maar juist vóór hem, door te doen wat de koning had behoren te doen. Als hij in 1568 zijn veldtocht begint tegen de hertog van Alva, rechtvaardigt hij zich met een beroep op ‘de ware dienst van God, de koning en het vaderland’.

Nothern Rebellion
Dat komt ons bekend voor. Als je het woord ‘koning’ hier vervangt door ‘Oranje’, dan ligt het drievoudige snoer hier gereed. Maar precies hetzelfde horen we een jaar later in Engeland, als daar een groep rooms-katholieke edelen in opstand komt tegen koningin Elizabeth, de zogenaamde Noordelijke opstand, de Northern Rebellion. Dan zeggen de leiders: wij zijn wel gedwongen naar de wapens te grijpen, omdat verkeerde raadslieden van de koningin grote schade doen aan de ware dienst van God en daarmee ook aan de koningin, en het hele koninkrijk in onrust brengen. De formulering is anders, maar het blijft eenzelfde schema. Kerk, kroon en vaderland zijn ook hier de drie kernbegrippen. De overeenkomst gaat verder. De rooms-katholieke Engelse rebellen marcheerden achter een vaandel met de vijf wonden van Christus en het opschrift: in dit teken zult gij overwinnen. De huursoldaten van de prins gebruikten als hun strijdkreet de naam van Gods Zoon. Heeft er dan nauwelijks verschil bestaan tussen Willem van Oranje enerzijds en de graven van Westmoreland en Northumberland anderzijds? Misschien zou de geschiedenis inderdaad zo geoordeeld hebben als de prins van Oranje in 1568 de dood zou hebben gevonden. Dan zou hij net als de Engelse graven alleen maar bekend staan als de aanvoerder van een mislukte opstand. Maar voor de prins is het niet gebleven bij dat ene optreden. En dan zien we hem geleidelijk veranderen. Hoe meer we hem in actie zien als leider van de opstand, hoe meer hij loskomt van die algemene vrome formules die in de zestiende eeuw door iedereen worden gebruikt, en hoe beter hoe beter zijn eigen geluid herkenbaar wordt.

Catechismus
Hij heft geen leuzen aan, maar spreekt zijn geloof uit. Als ik zijn brieven lees vanaf 1572, komt mij dikwijls onwillekeurig antwoord 52 van de Heidelbergse Catechismus in gedachten: ‘dat ik in alle droefenis en vervolging met opgerichten hoofde even Dezelfde, Die zich tevoren om mijnentwil voor Gods gericht gesteld en al de vloek van mij weggenomen heeft, tot een Rechter uit de hemel verwachte, Die al Zijn en mijn vijanden in de eeuwige verdoemenis werpen, maar mij met alle uitverkorenen tot Zich in de hemelse blijdschap en heerlijkheid nemen zal’. Uit al die brieven spreekt een sterk geloofsvertrouwen, en een sterk geloof wordt door de geringste bemoediging bevestigd. In augustus 1572 heeft er in de omgeving van Roermond een klein ruitergevecht plaats gevonden, waarbij de soldaten van de prins de overhand hadden gehouden.

Het was niet meer dan een kort handgemeen, en het had zo weinig te betekenen, dat het ook in de grote verhalende geschiedwerken van Bor of Van Meteren niet voorkomt. Maar voor de prins was het genoeg. ‘Wij kunnen nu duidelijk zien, hoe de Heere God onze rechtvaardige en billijke zaak wonderbaarlijk verdedigt. Dat schenkt mij de vaste hoop, dat ondanks alle inspanningen en kwade praktijken van Zijn vijanden, Hij deze zaak tot een goed en gelukkig einde zal brengen’. Zo toont Oranje zich in voorspoed dankbaar. Misschien zouden we met nog meer recht kunnen zeggen dat hij in tegenspoed geduldig is geweest, als we niet telkens de indruk kregen dat tegenspoed voor hem helemaal niet bestaat. Het is alsof hij eenvoudig weigert de zaken van die kant te bezien. De grootste ramp van het jaar 1572 is zonder twijfel de Parijse bloedbruiloft geweest, de massamoord op de Hugenoten. De prins had zijn hoop gesteld op een bondgenootschap met de Franse protestanten, en die waren nu plotseling in enkele uren tijds bij duizenden afgeslacht. Daarover schrijft Willem van Oranje een brief aan zijn broer Jan van Nassau. Dat doet hij dan op deze manier. In Friesland, zo begint hij zijn brief, hebben verscheidene steden onze kant gekozen. Daaraan kunnen we zien hoezeer God onze zaak begunstigt. Aan de andere kant zien we hoe de boosaardigheid ‘van mensen telkens weer probeert het genadige werk Gods te niet te doen. Ge hebt natuurlijk al genoeg gehoord over die ongelukkige en afschuwelijke moord, die in Parijs heeft plaatsgevonden.’

Bloedbruiloft
Dat is alles wat hij over de bloedbruiloft schrijft. Oranje stelt hier twee gebeurtenissen tegenover elkaar, op zo’n manier dat het schijnt alsof die geweldige tegenslag, in Frankrijk, haast in het niet zinkt vergeleken bij de overgang van Bolsward, Sneek en Franeker, kleine stadjes die trouwens heel spoedig weer in Spaanse handen zouden zijn. De prins weet vanzelfsprekend ook wel, dat het goede en het slechte nieuws hier bij lange na niet tegen elkaar opwegen. Zijn eigenlijke troost vindt hij daarin ook niet. ‘Hoe het ook zij’, besluit hij zijn brief, ‘het heeft God behaagd zo te handelen om ons alle hoop te ontnemen, die wij op mensen zouden kunnen vestigen.’ Oranjes geloofsvertrouwen is zo groot, dat hij oog heeft voor het zwakste teken van hoop – zie naar Bolsward, Sneek en Franeker. Maar dat geloofs vertrouwen is vooral daarom zo sterk, omdat het niet van voorspoed afhankelijk is. Het hoef hem niet mee te zitten. Als Haarlem in 1573 bezwijkt na een beleg van zeven maanden, menen Oranjes vrienden in Noord- Holland, dat de strijd nu wel verloren is. Alleen de prins zelf kan zich nauwelijks in die gedachte verplaatsen. Als het de Almachtige dan al behaagd heeft over Haarlem naar Zijn wil te beschikken, ‘zullen wij Hem en Zijn goddelijk Woord daarom verloochenen en verlaten? Is daarom de sterke hand Gods enigszins verkort?’ Het is in deze brief aan de Noord-Hollanders, dat Oranje de altijd bekend gebleven woorden neerschrijft: ‘dat aleer wij oit dese sake en de beschermenisse der christenen en arme verdrukten in desen lande aengenomen hebben, wij metten alderoppersten Potentaet der potentaten alsulcken vasten verbond hebben gemaeckt, dat wij geheel versekert sijn dat wij en alle degene die vastelijk daerop betrouwen, door Sijne geweldige en machtige hand ten lesten noch ontset sullen worden, spijt alle Sijne en onse vijanden’.

Lodewijk en Hendrik
Twee jaar later wordt Oranje opnieuw door een zware slag getroffen, en nu ook persoonlijk. Zijn broers Lodewijk en Hendrik sneuvelen in de stijd op de Mokerhei. Ook nu weer geeft hij in een brief aan Jan van Nassau zijn reactie. ‘Wij moeten ons altijd schikken in de wil Gods’, schrijft hij ditmaal, ‘gedachtig, dat Hij die het bloed van Zijn Zoon gestort heeft om Zijn kerk in stand te houden, niets zal doen dan tot Zijn eer en tot bescherming van Zijn gemeente’. Bedoelt Oranje dus dat het met die gemeente ondanks alles goed zal aflopen? Ja, maar niet omdat ze het vast en zeker zal winnen. Ál kwamen wij allen te sterven’, vervolgt de prins dan zijn brief, ‘en al werd dit arme volk geheel uitgemoord, dan nog behoren wij verzekerd te zijn dat God de zijnen niet verlaat’. Dan gaan we de diepte in. Het is alsof we met elkaar Hebreeën 11 lezen, de lange rij van geloofsgetuigen. We kunnen het ons ook goed indenken, dat Willem van Oranje dat hoofdstuk dikwijls in gedachten heeft gehad, en dat hij zich heeft gesterkt aan het geloof van die vele getuigen. Maar hier spreekt hij zoals aan het slot van Hebreeën 11, waar het gaat over de getuigen met wie het naar menselijke maatstaf juist niet goed is afgelopen. ‘Anderen hebben bespottingen en geselen geproefd, en ook banden van gevangenis; zijn gestenigd geworden, in stukken gezaagd, verzocht, door het zwaard ter dood gebracht.’Ook dat kan het lot zijn van de geloofsgetuige. En zo kan ook dat arme volk geheel worden uitgemoord, en toch kun je ook dan verzekerd blijven dat God de zijnen niet verlaat. Waarom nu dit alles over Willem van Oranje? Ik vertel dat, omdat het voor Groen van Prinsterer heel belangrijk is geweest. Zijn overtuiging dat de Oranjes voor Nederland zo’n grote betekenis hebben gehad, is sterk bepaald door de figuur van deze eerste Willem. Groen heeft de brieven van de prins uitgegeven in zijn bekende serie ‘Archieven of correspondentie van het huis Oranje- Nassau’ en hij is van die brieven diep onder de indruk gekomen. Daar heeft hij van getuigd in zijn rede van 1843: ‘Willem I, gelijk hij uit zijn briefwisseling nader gekend wordt’. De conclusie waarop Groen in die redevoering uitkomt is dat de prins de zaak die hij verdedigde beschouwd heeft als de zaak Gods. In dat vertrouwen heeft hij de stijd gewaagd, en zo is hij de grondlegger geworden van de Nederlandse staat. De geboorte van die staat is bewerkt door Oranjes geloofsvertrouwen. Daarom begrijpen we, hoe Groen er toe gekomen is het geslacht van de Oranjes te betitelen als het door Gods genade aan het vaderland geschonken huis.

Isaäc Da Costa
Zoals ik al schreef lijkt dat veel op het drievoudige snoer. Iemand als Isaäc Da Costa heeft het ook min of meer zo gezien. Da Costa zegt dat de uitspraak van de prins over een verbond, gesloten met de opperste Potentaat, deze betekenis heeft dat de Nederlanders aldus tot een bijzonder bondsvolk zijn geworden, een tweede Israël. Dan bestaat er dus een speciale relatie, in de eerste plaats gelegd door Oranje, een speciale relatie met de almachtige God, die in bijzondere zin met Nederland verbonden is, zodat je het bijbelwoord ‘Jacob heb ik liefgehad’ direct op Nederland kunt toepassen. En dan is ook het woord van Jeremia rechtstreeks tot de Nederlanders gericht: ‘Is niet Efraïm Mij een dierbare zoon, is hij Mij niet een troetelkind?’ Dat is de visie van Da Costa. Maar ik geloof toch dat Groen het anders doet, en daarover zullen we het nu in het vervolg hebben. Hoe beschouwt Groen de verhouding tussen God, Nederland en Oranje? Eerst een enkel woord over Nederland. In zijn handboek der Geschiedenis van het Vaderland zegt Groen dat het verleden een boodschap voor ons heeft. Het leert ons dat Nederland een bij uitstek bevoorrecht land is. Onze geschiedenis, schrijft hij daar, ‘is de bevestiging der belofte: zoekt eerst het koningrijk Gods en zijne geregtigheid, en alle dingen zullen u toegeworpen worden. Welgelukzalig het volk, welks God de Heer is’. Maar dat is geen reden voor trots of zelfverheffing. ‘Want ook aan de volken wordt gezegd’- wat Paulus vraagt aan de Corinthiërs – ‘wie onderscheidt u? En wat hebt gij, dat gij niet hebt ontvangen?’ Het gaat hier om de gunst, en het gaat ook om een daaruit voortvloeiende verplichting. Nederland heeft in zijn geschiedenis God leren kennen. Dan moet het zich daarnaar gedragen, want wie deze kennis bezit, moet ook de gevolgen zien voor de tegenwoordige tijd, voor het staatsbestuur en voor de politiek.

Gods dienares
Een christen kan namelijk niet willen, schrijft Groen in 1840, dat godsdienst en staat van elkaar worden gescheiden. Gods geopenbaarde wil is de oorsprong van alle gezag. Alle rechten of plichten die mensen hebben gaan daarop terug. De overheid moet weten dat zij Gods dienares is. Als ze zich niet bindt aan de wet Gods, heeft ze geen hogere regel dan haar eigen willekeur. Natuurlijk wist Groen wel dat deze waarheid niet alleen geldt voor Nederland. Alle overheden op de hele aarde horen zich te binden aan de wet Gods. Maar Nederlanders kunnen dat beter dan andere volken leren uit hun eigen geschiedenis. Dat is hun rijkdom en daar moeten ze naar handelen. Doen ze dat niet, dan zullen ze ook des te meer schuldig staan. Groen wijst er in dit verband zelf niet op, maar je kunt hier denken aan Matthéüs 11:21: ‘Wee u, Chorazin, wee u, Bethsaïda! Want zo in Tyrus en Sidon de krachten waren geschied, die in u geschied zijn, zij zouden zich eertijds in zak en as bekeerd hebben.’ Zo kun je de Nederlandse geschiedenis van de laatste twee of drie eeuwen ook lezen: alle tekenen die bij ons geschied waren, zijn vergeten en afgewezen. En dan zul je nu moeten zeggen, juist omdat ons land zo rijk was gezegend: wee u, Nederland. In die geest oordeelt Groen trouwens in zijn handboek ook als hij de verovering van ons land door de Fransen in 1795 beschrijft: ‘de ware bron van onze ongelukken ligt in de nationale zonden en ongerechtigheden. God heeft een twist met Nederland en wie zal oprichten als God ter neer werpt?’

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 2008

Protestants Nederland | 24 Pagina's

De visie van Groen op God, Nederland en Oranje (1)

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 2008

Protestants Nederland | 24 Pagina's

PDF Bekijken