Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Eerste Kamer aanvaardde comptabiliteitsw^et

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Eerste Kamer aanvaardde comptabiliteitsw^et

7 minuten leestijd

door F. A. J. Th. Kalberg

Op grond van overwegende bezwaren van staatsreohterlijke aard heeft de Eerste kamer onlangs met ruime meerderheid (53 tegen 8 stemmen) het ontwerp-comptabiliteitswet verworpen. In dit wetsontwerp — dat gebaseerd was op de voorstellen van de commissie-Sinions — was evenals in de huidige wet een uitwijkmogelijkheid gegeven voor het geval één of meer begrotingshoofdstukken bij het begin van het nieuwe begrotingsjaar nog niet door de Staten-Generaal waren afgehandeld en aangenomen.

De bezwaren van de Eerste kamer waren juist gericht teigen de inhoud van dit artikel van het ontwerp-comptabiliteitswet. Dit artikel 20 Lid 2 luidt als volgt: „Wanneer enig hoofdstuk van de begroting niet vóór 1 januari bij de wet is vastgesteld, kan na de aanvaarding door de Tweede kamer van het voorstel tot vaststelling van dit hoofdstuk over ten hoogste de helft van de daarin opgenomen bedragen worden beschikt."

Reeds in het voorlopig verslag van de Eerste kamer werden tegen het desbetreffende artikel ernstige bedenkingen van staatsrechterlijke aard gemaakt. De regering heeft in verband hiermee de vraag, of het 2e lid van artikel 20 van het ontwerp voor een nieuwe comptabiliteitswet al dan niet grondwettig is, aan de Raad van state voorgelegd. Dit advies van de Raad van state is aan de Eerste kamer overgelegd. Deze Raad kwam — met uitzondering van één lid — tc>t de conclusie, dat genoemd artikel niet ongrondwettig is. De regering sloot zich hierbij aan; de Eerste kamer handhaafde evenwel haar aanvankelijk geuite bezwaren, die tot verwerping leidden. •

Aantasting

Artikel 133 van de grondwet bepaalt, dat door de wet de begrotingen van alle uitgaven van het rijk worden vastgesteld en de middelen tot dekking worden aangewezen. Veelal wordt deze bepaling zo uitgelegd, dat het de regering niet zou zijn toegestaan buiten of boven de begroting uitgaven te doen; dat wil zeggen elke uitgave moet op een wet berusten.

Ons bezwaar tegen artikel 20 lid 2 van het ontwerp-comptabiliteitswet is echter niet gericht tegen het feit, dat deze bepaling de mogelij'kheid opent uitgaven te doen ten behoeve van doeleinden, die nog niet eerder door de Staten-generaal zijn goedgekeurd. Tot het doen van dergelijke uitgaven is de Kroon ook zonder een bepaling als hier in het geding bevoegd. Indien de Kroon in het belang van de staat voor bepaalde doeleinden dringende uitgaven moet doen, waarvoor geen gelden op de begroting zijn uitgetrokken, is zij als hoogste gezag in het land zelfs verplicht — publiek recht is publieke plicht — die uitgaven te doen. Voor het doen van zodanige Ir. C. N. van Dis. uitgaven is uiteraard geen specifieke voorziening bij de wet nodig.

Wel achten wij het bedenkelijk, dat artikel 20 lid 2 van het onderhavige ontwerp aan de goedkeuring van het ontwerpbegrotingswet door de Tweede kamer een zelfstandig rechtsgevolg verbindt, waarvoor in de grondwet geen basis is te vinden. Derhalve tast deze bepaling het budgetrecht van de Eerste kamer fundamenteel aan. Dit laatste werd overigens door de minister van finanfciën ook niet geheel ontkend, waar deze in de memorie van antwoord aan de Tweede kamer opmerkte, dat artikel 20 lid 2 inderdaad leidt tot een minder volledige uitoefening van het budgetrecht door de Eerste kamer.

Tegen het creëren van bovenbedoeld rechtsgevolg in onze wetgeving bestaat te meer bezwaar, omdat deze l>epaling ook een basis legt voor het doen van uitgaven ten behoeve van doeleinden, waaraan de kamers der Staten-generaaPin overleg met de Kroon nog niet eerder hun goedkeuring hebben gehecht. Zodoende wordt aan de goedkeuring van de Tweede kamer een hogere waarde toegekend dan aan die der Eerste kamer. Een dergelijke bijzondere positie van de Tweede kamer vindt in onze grondwet geen steun, In dit verband wijzen wij met name op artikel 131 van de grondwet; voor het verkrijgen van kracht van wet moet elk voorstel door de Staten-generaal — dat zijn de Tweede kamer en de Eerste kamer — zijn aangenomen en door de koning zijn goedgekeurd.

Artikel 20 lid 2 van het ontwerp-comptabiliteitswet ligt ons op dit punt zoal niet . met de letter, dan tooh zeker met de geest van onze grondwet in strijd. Tot dit oordeel kwam ook ir. C. N. van-Dis in de Eerste kamer, getuige diens stemverklaring, die als volgt luidde: ..Mijnheer de voorzitter! Hoewel door mij kan worden erkend, dat het onderhavige wetsontwerp ten aanzien van de thans geldende comptabiliteitswet ongetwijfeld verbeteringen bevat, bestaat bij mij tooh zeer ernstige twijfel, of artikel 20, lid 2, zoal niet direct met de grondwet, dan toch in ieder geval met de geest van de grondwet in strijd is,' Om die reden vind ik het uiterst bezwaarlijk aan de totstandkoming van deze wet medewerking te verlenen. Ik zal derhalve tegenstemmen."

In het kader van deze beschouwing is het interessant na te gaan, hoe de staatscommissie Cals-Donner denkt over de handhaving van het budgetrecht van de Eerste kamer. Deze commissie is van oordeel, dat er goede redenen zijn om het budgetrecht van de Eerste kamer niet langer te handhaven. De staatscommissie baseert dit oordeel op de volgende gronden: 1. Uit het oogpunt van behoorlijk landsibestuur is het gewenst, dat de verschillende begrotingshoofdstuilcken uiterlijk aan het begin van het jaar, waarvoor zij moeten dienen, het staatsblad bereiken. De enige reële mogelijkheid daartoe ziet de staatscommissie in het voorstel de vaststelling der begroting uitsluitend met medewerking van de Tweede kamer te doen geschieden. 2. Door afschaffing van het budgetrecht der Eerste kamer zou tevens worden tegemoet gekomen aan het bezwaar, dat de dubbele behandeling der begrotingen een zware taajc op de bewindslieden en ambtenaren legt, die onevenredig veel tijd moeten best^en aan het beantwoorden van vragen over de begroting.

Afwijkend gevoelen

Twee leden van de staatscommissie Cals-Donner, te weten: mr. Jeukens (KVP) en dr. Verbrugh (GPV) wensen de vaststelling van de rijksbegroting bij de wet gehandhaafd te zien.

Met genoemde leden der staatscommissie zijn wij van oordeel, dat het van belang is, dat ook de Eerste kamer vanuit haar eigen' instelling en met de beperkingen, die uit haar aard voortvloeien, kan meespreken over het gehele regeerbeleid. Dit kan niet altijd in het kader van de behandeling van een wetsontwerp gebeuren, met name niet, indien het departementen betreft, die slechts weinig wetgeving produceren. De behandeling van de begrotingshoofdstukken biedt naar onze mening een goede gelegenheid om deze beleidscontrole systematisch op geordende wijze uit te oefenen. Indien men deze mogelijkheid laat vervallen, dan moet gevreesd worden, dat zich in plaats daarvan ongeordende vormen van beleidscontrole zullen ontwikkelen, welke meer bezwaren opleveren dan een begrotingsbehandeling door de Eerste kamer.

Het ook aan de Eerste kamer toegekende recht van interpellatie en het aan de leden der kamer toekomende vragenrecht, zouden de door het wegvallen, van het budge- • treoht ontstane leemte niet kunnen opvullen, aangezien deze controle naar hun aard meer gericht zijn op het afleggen van verantwoording ten aanzien van het in het verleden gevoerde beleid, dan op het beïnvloeden van de beleidsvorming.

Door het prij.sgeveri van de begrotingsbehandeling zou de Eerste kamer het gewichtigste middel voor de uitoefening van de controle op het regeerbeleid verliezen. Juist nu in de huidige tijd grote delen van het overheidsbeleid niet meer door een omstandige wettelijke regeling worden beheerst (raamwetten, beleidsnota's), is deze controlerende .taak zo belangrijk geworden.- Het ware overigens aan de beide ka,mers over te laten om — met gebruikmaking van de mogelijkheden, die de wetgevingsprocedure daartoe biedt — in gezamenlijk overleg te komen tot een meer doelmatige en vereenvoudigde begritingsbehandeling in die kamers.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 18 maart 1972

Reformatorisch Dagblad | 8 Pagina's

Eerste Kamer aanvaardde comptabiliteitsw^et

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 18 maart 1972

Reformatorisch Dagblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken