Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Jacoba van Beieren, ,,de rampspoedige

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Jacoba van Beieren, ,,de rampspoedige"

18 minuten leestijd

Uit de geschiedenisles op school herinneren wij ons allemaal — meer of minder vaag — iets van de tragische levensloop van deze gravin uit het Beierse huis. Het tragische element zal ons des te beter bijgebleven zijn naarmate er op school uitvoeriger over verteld werd. Wie was zij eigenlijk? Hoe verliep haar korte leven? Wat bezielde haar? Was zij een avonturierster op de grafelijke stoel? Was zij een „feministe" of een „dolle Mina" van die dagen? De bedoeling van deze schets is de vervaagde historische kennis over „vrouw Jacob" wat op te frissen en haar leven te plaatsen in het raam van haar eigen tijd. Daar heeft iedere historische figuur recht op en zeker een figuur als gravin Jacoba.

Afstamming en jeugd

In gedachten verplaatsen we ons in de jaartelling 570 jaar teruig, dus naar het begin van de vijftiende eeuw.

Op maandag 25 juli 1401 werd in het kasteel Le Quesnoy in het graafschap Henegouwen het eerste kind geboren uit het reeds in 1385 gesloten huwelijk van Willem van Beieren, graaf van Oostervant, en Margaretha van Bourgondië. Naar rooms-middeleeuwse traditie kreeg de jonggeborene bij de doop op 26 juli de naam van den heilige, op wiens herdenkingsdag het kind geboren was. Volgens de roomse heiligenkalender is 25 Juli „Sint Jacobsdag", de dag van den apostel Jacobus; vandaar haar naam.

Voor Willem van Beieren was het niet zijn eerste huwelijk. We moeten ons goed realiseren, dat bijna alle huwelijken van vorstelijke en adellijke personen in die dagen gesloten werden uit kil-berekende en weloverwogen motieven van de wederzijdse ouders of andere machtige familieleden, waarbij niet gevraagd werd naar de gevoelens, die de huwelijkspartners al of niet voor elkaar hadden, maar waarbij de politieke en dynastieke belangen de eerste en de beslissende rol speelden. Een direct gevolg van deze huwelijkspolitiek (we zouden even goed kunnen spreken van een soort „koehandel", want de personen in kwestie hadden niets te zeggen hierin) was, dat de meeste huwelijken — terwille van het veilig willen stellen van de dynastieke belangen (combinatie van landen en goederen, in 't verschiet liggende erfenissen en erfopvolgingskwesties e.d.) — op zeer jeugdige en (voor ons besef) absoluut onvolwassen leeftijden tot stand gebracht werden: de zogenaamde „kinderhuwelijken". Dit had weer tot gevolg, dat vele vorstelijke en adellijke huwelijken meer schijn dan wezen waren; dat er gesold werd met begrippen als huwelijkstrouw en de heiligheid van het huwelijk, ondanks het feit, dat volgens de roomse kerkleer het huwelijk als een sacrament gold.

Willem van Beierens huwelijken maakten hierop geen uitzondering. Zijn eerste kind-vrouwtje was Maria van Frankrijk, die vrij kort na de huwelijksvoltrekking al overleed. Een week na zijn 20ste verjaardag hertrouwde hij. Zijn tweede bruid was de zoëven genoemde Margaretha van Bourgondië, slechts 10 ½ jaar oud. Dit tweede huwelijk was duidelijk gericht op een nauwere verbinding tussen de huizen Beieren en Bourgondië, want op éénzelfde dag vond in Kamerijk een dubbelhuwelijk plaats: Willem van Beieren, de oudste zoon van graaf Albrecht van Beieren, trouwde daar met Margaretha van Bourgondië, de oudste dochter van hertog Filips den Stoute, en de oudste zoon van hertog Filips van Bourgondië. Jan zonder Vrees (nog geen 14 jaar), trouwde met Margaretha van Beieren (circa 22 jaar), de derde dochter van graaf Albrecht van Beieren.

Uit het eerste huwelijk van Willem van Beieren waren geen kinderen geboren en uit het tweede huwelijk bleef Jacoba zijn enige wettige dochter.

Onder haar eigenlijke naam Jacoba heeft zij algemene bekendheid gekregen, maar de eigentijdse geschiedschrijving benoemt haar meestal met de mannelijke vorm Jacob (in het Frans: Jacques) en een hoogst enkele keer lezen wij de meer flatteuze naam Jacqueline.

De eerste grote verandering in Jacoba's jonge leven kwam aan het eind van het jaar 1404. Op 13 december stierf haar grootvader, graaf Albrecht van Beieren, op 68-jarige leeftijd in Den Haag. Dit betekende, dat haar vader, die tot dan toe de titel „graaf van Oostervant" gedragen had als aangewezen en vermoedelijk troonopvolger (zoals in Engeland de titel „prins van Wales" bestaat), daadwerkelijk zijn vader opvolgde. Als graaf Willem VI werd hij ingehuldigd in de graafschappen Henegouwen, Holland en Zeeland; in het eigenlijke „stamland", het hertogdom Beieren, heette hij hertog Willem II.

Jacoba verloofd

Jacoba, thans gravin van Oostervant, was nu de dochter van een regerend vorst en zelfs diens erfdochter. Dat stemde andere vorstenhuizen in West-Europa tot diep nadenken: hoe zou men op de schranderste en voordeligste manier deze begeerlijke buit binnen de eigen dynastie kunnen halen?

Niet alleen de vaders waren met dit probleem bezig, maar ook de moeders. Terwijl de Honderdjarige oorlog — in hoofdzaak tussen Engeland en Frankrijk met beurtelings Bourgondië als bondgenoot of vijand — in al zijn verschrikkelijkheid voortduurde, had de Franse koningin Isabeau samen met haar zwager, hertog Lodewijk van Orleans, de regeertouwtjes stevig in handen weten te krijgen n.a.v. de (sinds 1392) steeds heviger wordende vlagen van krankzinnigheid van haar man, koning Karel VI. Zij speelde het klaar om vrede tot stand te brengen tussen het huis Orleans en het huis Bourgondië. Natuurlijk bewerkte zij dit niet alleen. Zij kreeg de steun van Margaretha van Bourgondië, Jacoba's moeder en van Jan van Beieren, een jongere broer van Jacoba's vader. Dit alles is niet zo verwonderlijk, als we weten, dat Isabeau van haar meisjesnaam heette: Isabella van Beieren, dus een familielid!

De vrede tussen Orleans en Bourgondië werd gesloten in Compiègne in 1406. Als bekroning van de verzoeningsfeesten werd er 30 juni 1406 een dubbele verloving tot stand gebracht: Isabella, het 11-jarig dochtertje van Isabeau, werd verloofd met haar neefje, den jongen hertog van Orleans en Jacoba van Beieren (nog geen 5 jaar oud) werd verloofd met Jan van Touraine (nog geen 8 jaar), den tweeden zoon van koning Karel VI en koningin Isabeau. Voor de 11-jarige Isabella was dit alles niets bijzonders.

Wat wel iets bijzonders was: Isabella's verloving in 1406 was een verbintenis tussen neef en nicht. Daarvoor was pauselijke dispensatie nodig en die werd — voor geld — grif gegeven.

Verdere opvoeding

In het verlovingscontract had graaf Willem VI bepaald, dat Jacoba en haar a.s. man beiden erfgenaam van al zijn landen en verdere bezittingen zouden worden, als hij zou sterven. De Franse koning (althans de koningin-regentes!) stelde aan het verloofde paar ook vele landsbezittingen in het vooruitzicht. Voorts was er bepaald, dat de jonge hertog van Touraine bij zijn a.s. schoonouders en bruid in Henegouwen opgevoed zou worden. Jacoba en haar verloofde kregen in Le Quesnoy een goedverzorgde opvoeding en een brede opleiding overeenkomstig hun vorstelijke stand. Jacoba bleek wat bedillerig en Jan van Touraine was een zachte, volgzame jongen, die veel over zijn kant liet gaan.

Zij kregen onderwijs uit de Bijbel en uit een toenmalige Roomse catechismus. Verder stonden op het leerprogramma de talen Frans en Latijn, „geschiedenis", „staats inrichting", „maatschappijleer", bouwkunde, woninginrichting. Onder het vak „geschiedenis" werd toen verstaan: alleen de dynastieke geschiedenis van het huis Wittelsbach of het Beierse huis en van de daaraan verwante vorstelijke geslachten. De vakken „staatsinrichting" en „maatschappijleer" hadden ten doel, hen op de hoogte te brengen met het Romeinse recht, met de toenmalige standenstaat inclusief de privileges en voorrechten der gewesten en steden en wat dies meer zij. Het vak bouwkunde leerde hun, hoe kastelen, bastions, kerken en kloosters volgens de toen geldende bouwstijl gebouwd moesten worden en bij woninginrichting leerde vooral Jacoba als a.s. kasteleine (slotvrouwe), hoe men een kasteel of een huis gerieflijk kon meubileren en stofferen.

Eerste huwelijk

Na een verlovingstijd van 9 jaar werd op dinsdag 6 Augustus 1415 het huwelijk met veel pracht en praal in Den Haag gesloten. De bruid was net 14 jaar en de bruidegom bijna 17, beiden nog kinderen.

Jacoba's vader had in het huwelijkscontract nauwkeurig laten beschrijven, dat de erfopvolging in zijn gebieden op precies dezelfde wijze zou plaatshebben als deze voorheen geregeld was geweest. Hij wilde daarmee eventuele aanspraken van Franse zijde voorkomen.

Echter: de mens wikt, maar God beschikt. Jacoba was nauwelijks 4 maanden getrouwd of er meldde zich aan de slotpoort een speciale koerier uit Frankrijk. Deze bracht de tijding, dat op 18 december Jan van Touraine's oudere broer, de dauphin Lodewijk (19 jaar oud), door snelwerkend vergif omgekomen was. Dit betekende voor Jan van Touraine, dat hij nu — in de plaats van zijn broer — dauphin, dus kroonprins van Frankrijk geworden was. En dat hield voor Jacoba in, dat zij — in de plaats van haar nicht Margaretha van Bourgondië, de vrouw van Lodewijk van Valois — eerlang koningin van Frankrijk zou worden. De koerier bracht dan ook de opdracht mee, dat de nieuwe dauphin en de dauphine terstond naar Parijs zouden vertrekken.

Tegen dit overijlde plan had Jacoba's vader grote bezwaren. Graaf Willem kende de situatie en eiste terecht, dat er vanuit Parijs eerst goede garanties gegeven zouden worden inzake de veiligheid onderweg en de bescherming van het leven van Jacoba en haar man tijdens hun verblijf aldaar, voordat hij toestemming gaf om daarheen te gaan.

Toen de door graaf Willem gevraagde garanties op zich lieten wachten, vond hij het raadzaam om zich niet allereerst met de Franse erfopvolging bezig te houden, maar de erfopvolging in zijn eigen gebieden afdoende te regelen. Henegouwen gaf geen moeilijkheden; dat was een spilleleen, ook wel genoemd konkelleen of vrouwelijk leen; daar waren vrouwen niet uitgesloten van de erfopvolging. Maar Holland en Zeeland waren van oorsprong zwaardlenen of mannelijke lenen. En graaf Willem VI had geen wettige mannelijke nakomelingen tot dan toe!

Hij wist, dat grotendeels door deze opvolgingskwestie de Hoekse en Kabeljauwse twisten in 1345 ontstaan waren. De familiestrijd was uitgegroeid tot een burgeroorlog tussen de adel en de steden, eerst in Holland en Zeeland en daarna (onder andere partijnemen) ook in andere gewesten. Tot de Hoeken behoorden — beknopt en dus onvolledig gezegd — „veel adel en weinig steden" en tot de Kabeljauwen „weinig adel en veel steden".

Het schrikbeeld van een alles verwoestende binnenlandse oorlog zag Willem VI voor zijn ogen verrijzen, als hij dacht aan het moment, dat zijn dochter hem eens zou opvolgen. Hij besefte, dat hij zich niet genoeg voor haar erfopvolgingsrecht kon inspannen.

Naar Engeland

Daarom reisde hij in de zomer van 1416 naar Engeland om daar met zijn leenheer, de rooms-koning Siaismund, de kwestie te bespreken. Weldra vernam hij — vanzelf van Engelse hofdignitarissen! — dat koning Hendrik IV druk bezig was Sigismund over te halen tot een gezamenlijke Engels-Duitse ondememinig om de Franse koning van zijn troon te verdrijven en daarna er graaf Wlllems dochter Jacoba — liefst zonder haar man, den dauphin — op te plaatsen.

Ontgoocheld en verbitterd over dit spel achter zijn rug om, verzon graaf Willem een list, waardoor hij op slag Engeland verliet. De volgende dag landde hij met de zijnen aan het strand bij Vere, waar Jacoba — gewaarschuwd, dat de schepen in aantocht waren — samen met haar man en haar oom Jan van Beieren hem opwachtte.

Statenvergadering

Nu graaf Willem teleurgesteld was in de buitenlandse steun, wilde hij — het kostte, wat het kostte — de erfopvolging binnenlands geheel geregeld en bevestigd zien. Daarvoor had hij de medewerking van zijn onderdanen nodig. Tegen 15 augustus 1416 riep hij een vergadering van de „staten" (= standen) van Holland en Zeeland bijeen.

De opgeroepen standen waren de adel en de steden in Holland en Zeeland. Niet alle opgeroepenen kwamen ter vergadering; een deel van de Kabeljauwse edelen en steden liet verstek gaan vanwege het doel van de vergadering. De wèl verschenen edelen en steden zwoeren graaf Willem VI plechtig, dat zij Jacoba erkenden als zijn enige rechtmatige erfgename en opvolgster in de grafelijke waardigheid.

Kort hierna hield hij in het „gezagsgetrouwe" Henegouwen eenzelfde standenvergadering. Toen meende hij gerust te kunnen zijn. Wel merkte hij, dat zijn Duitse leenheer Sigismund in Dordrecht een geheime conferentie beleigd had met de Kabeljauwse leiders, die Jacoba niet wilden erkennen als opvolgster; wel hoorde hij, dat Sigismund ook in Luik geheimzinnige besprekingen gevoerd had met den elect van Luik, zijn broer Jan van Beieren. Maar dit alles verontrustte graaf Willem niet erg, want hij zag een schone toekomst voor Jacoba weggelegd: zijn schoonzoon Jan van Touraine zou eenmaal wettig koning van Frankrijk en een machtig beschermer van Jacoba worden. Verder was er ter bescherming nog zijn zwager Jan zonder Vrees, hertog van de steeds groter en machtiger wordende Bourgondische staat, dien hij — nu de Nederlandse erfopvolging geregeld was — aan zijn kant moest zien te krijgen ter definitieve regeling van de Franse erfopvolging.

Verdrag

In Valenciennes sloten de twee zwagers een verdrag van onderlinge hulp: Jan zonder Vrees zou niet tegen het Franse koningshuis ageren, maar graaf Willem juist helpen in zijn pogingen om een binnenlandse vrede in Frankrijk én een vrede aan het verdeelde Parijse hof tot stand te brengen, waarna de oplossing van de Franse erfopvolging vanzelf zou komen. Ook Jacoba's moeder en Jan van Touraine tekenden dit verdrag.

Alles leek in orde te zijn. Maar de elkaar bestrijdende partijen in Frankrijk stoorden zich aan dit voor hen onaanvaardbare Beiers-Bourgondische familieverbond niet: wat hadden zij ermee uit te staan? Er kwam geen vrede in Frankrijk en evenmin aan het hof in Parijs.

Toen graaf Willem dit inzag, besloot hij op 30 Maart 1417, dat zijn schoonzoon, die in Compiègne verblijf hield, pas naar Parijs mocht gaan, als de Franse koning eerst orde op zaken gesteld zou hebben. En dan zou graaf Willem Jacoba en haar man nóg niet onbeschermd daarheen laten gaan: zijn zwager Jan zonder Vrees zou het jonge echtpaar vergezellen, natuurlijk met een behoorlijk aantal gewapenden erbij!

Dit besluit van graaf Willem joeg bij de corruptieve hofpartij het bloed sneller door de aderen: wat verbeeldde die Beier zich wel? Eén van zijn vrienden ontdekte een complot, dat ten doel had, Willem VI spoedig uit de weg te ruimen. Juist op tijd kon hij Parijs ontvluchten en reed in galop naar Compiègne.

Vergiftigd

Daar was zijn schoonzoon Jan van Touraine plotseling hevig ziek geworden. Jacoba stond als een hulpeloos kind bij het ziekbed van haar jeugdvriend. Haar artsenijkennis schoot hier tekort. Zelfs de hofartsen stonden machteloos. De diagnose wees uit, dat hier sprake was van ernstige vergiftiging, hoewel er — volgens enkele oude kronieken — ook andere symptomen vielen waar te nemen: plotseling uitbrekende builen en zweren op zijn hele lichaam (builenpest?).

Algemeen werd het er toen echter voor gehouden, dat Jan van Touraine vergiftigd is door toedoen van... zijn eigen moeder, koningin Isabeau. Kort voor zijn ziekte had de dauphin een kostbare gouden halsketting gekregen, die door een koerier van het Parijse hof gebracht was. Deze ketting was — naar achteraf bleek — bestreken met vergif of een andere smetstof.

Wie denkt er — bij het lezen van de naam Isabeau (Isabella) — onwillekeurig niet aan haar naamgenote in de Bijbel, koningin Izébel, de vrouw van de stuurloze Achab?

Op zondag 4 april 1417 stierf de 18-jarige dauphin. Jacoba was weduwe geworden, nog maar 15 jaar oud! De begrafenis had plaats in de Sint Corneliuskerk te Compiègne.

Volgende slag

Voor het Parijse hof betekende Jan van Touraine's dood een geweldige opluchting. Nu werd zijn jongere broer dauphin en daar had men geen last van, want die was geheel in de greep van de hofpartij. Daarom juichte men binnenskamers.

In het grafelijke gezin in Henegouwen heerste rouw en droefheid. Jacoba's toekomstbeeld, eens koningin van Frankrijk te worden, was in rook opgegaan. Graaf Willems idealen- en berekeningen eveneens. In somberheid zat hij temeer, meestal zwijgend. Hij voelde zich oud voor zijn leeftijd. Een paar weken later (eind april-begin mei 1417) werd hij ernstig ziek in zijn kasteel Bouchain. Hij begreep, dat zijn einde wel eens dichtbij kon zijn. En hoe moest het dan met Jacoba?

Daarom riep hij met spoed de grafelijke raad bijeen. Dit was een college van enkele vertrouwde raadslieden uit de adellijke geslachten (onze tegenwoordige Raad van State als adviescollege van de Kroon vindt in de grafelijke raad zijn oorsprong!). Vanaf zijn ziekbed stelde hij hun voor, dat er voor Jacoba een goede huwelijkspartner gezocht moest worden. Tot zover waren zijn raadslieden het met hem eens. Maar toen graaf Willem die aan het eind van zijn leven de tegenstelling tussen Hoeks èn Kabeljauws blijkbaar wilde opheffen of verzachten, hun de naam van den jonker Van Arkel als huwelijkskandidaat noemde, verstomden zij eensklaps: de dochter van den meest Hoeksen graaf, die er tot nog toe geweest was, zou die trouwen met den zoon van dien rabauw Jan van Arkel, den felsten Kabeljauw, die er bestond? „Dat nóóit!" was van hun door ingehouden woede verbleekte gezichten af te lezen.

Graaf-Willem merkte, dat zijn voorstel in verkeerde aarde viel en nam het terug. Toen gaf hij als zijn wil te kennen, dat zijn dochter dan maar aan hertog Jan IV van Brabant uitgehuwd moest worden. Hij vond dat een gelukkige politieke verbintenis tussen het Beierse en het Bourgondische huis, waaruit voor Jacoba in haar a.s. regering sterke steun te verwachten zou zijn.

Over haar, zonder haar

Ondanks wat bezwaren stemde de grafelijke raad met dit plan in. Jacoba's moeder, zelf een Bourgondische, is waarschijnlijk de eerste en de voornaamste drijfveer in deze kwestie geweest, want Jan van Brabant was de oudste zoon van haar in 1415 op het slagveld van Azincourt overleden broer Anton van Bourgondië.

Naar Jacoba's wil werd niet gevraagd. Zij voelde in haar hart véél meer voor de jonge levenslustige edelman uit het geslacht van Arkel; die van ridderavonturen hield evenals zij, dan voor haar futloos, onbetekenend neefje. Maar Jacoba, de jonge weduwe, had slechts te berusten in wat er over haar en zonder haar besloten werd.

Aan het ziekbed van haar vader geroepen, waar haar moeder reeds zat, hoorde Jacoba staande de laatste wilsbeschikking van haar vader aan. Zij knikte ten teken, dat zij zijn wens begrepen had.

Graaf Willem was voldaan. Zijn ziekte verergerde snel. Op tweede Pinksterdag 31 Mei 1417 overleed hij in zijn slot Bouchain. Hij was 52 jaar oud en stierf acht weken na zijn schoonzoon. Weer liepen moeder en dochter in rouwgewaad achter de baar.

Voor de 15-jarige Jacoba kwam de slag het hardst aan. Zonder de steun van een volwassen man naast of achter zich moest zij gaan regeren, terwijl zij zich omringd wist van schijn-vrienden en openlijke vijanden.

Na afloop van het begrafenisceremonieel huilde zij haar verdriet uit aan de schouder van haar moeder.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 mei 1972

Reformatorisch Dagblad | 14 Pagina's

Jacoba van Beieren, ,,de rampspoedige

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 mei 1972

Reformatorisch Dagblad | 14 Pagina's

PDF Bekijken