Muiterij mogelijk door slap optreden marine
Affaire "De Zeven Provinciën" 4 februari 40 jaar geleden
„Hedenmorgen wordt een beslissend optreden van de marine-autoriteiten verwacht, tegen de bemanning van „De Zeven Provinciën", waarvan de bijzonderheden worden geheim gehouden. De „Aldebaran", onder bevel van den commandant van „De Zeven Provinciën", achtervolgt het pantserdekschip, dat een voorsprong heeft van drie uren. De „Aldebaran" zal blijven volgen op een afstand van vijf mijl. Aan boord van dit schip bevinden zich tien officieren en een Europeesch infanterie detachement. Behalve de bemanning van 150 inlanders, bevinden zich op „De Zeven Provinciën" vijftig Europeanen, onder wie zestien officieren."
Dit wist het socialistische dagblad „Het Volk" maandagavond 6 februari 1933 - onder de kop: „De commandant volgt „zijn" schip - zijn lezers voor te schotelen. Tevens waarschuwde dit „dagblad voor de arbeiderspartij" op de voorpagina de regering voor „dwaasheden", die zij tegen het schip van zins zou zijn.
Op deze manier werd het Nederlandse thuisfront ingelicht over de gebeurtenissen, „die zo ernstig zijn, dat men moet spreken van ondergraving van ons Staatsleven". Dat meende althans de toenmalige minister-president dr. H. Colijn in de Tweede Kamer, de bladen van de Arbeiderspers dachten er blijkbaar totaal anders ,over. Vol enthousiasme, aangevuld met de nodige romantiek, schreef men: „De Zeven Provinciën,, is in den donkeren Indischen nacht weggestoomd. De geest van dit machtig gebeuren heeft ook Den Haag aangeraakt en al wappert de driekleur in den mistigen dag van de schepen in de haven, in de hoofden van de honderden matrozen zoemen toch de tonen van de Internationale".
Wat was er de oorzaak van dat een aanzienlijk deel van onze bevolking afkeurend het hoofd schudde, maar anderen - niet minder in getal - in een hoera-stemming in de pen deed klimmen? Wat was er voorgevallen?
Salarisverlaging
Eind 1932 moest de Indische regering voor de derde maal in betrekkelijk korte tijd overgaan tot salarisverlaging van het overheidspersoneel. Bezuiniging was nu eenmaal het economische begrip in de crisisjaren. Met ingang van 1 januari '33 zou nog eens 7 procent extra worden ingehouden, waarmee de totale salarisvermindering op zo'n 17 procent kwam. Deze maatregel was - zoals naderhand bleek - de befaamde druppel die de niet minder beroemde emmer deed overlopen.
Vrijwel onmiddellijk kwam het bij het KNIL (Koninklijk Nederlands Indisch Leger) tot ongeregeldheden, waarbij in Bandoeng een plakkaat gevonden werd met als tekst: „Kameraden, moeten wij ons laten vertrappen? Verlaat het leger. Hijs de rode vlag als dat niet helpt: de rode haan! Het protest leek succes te hebben, want op 31 december 1932 kreeg de marinecommandant van Soerabaja bericht dat de korting van 7 procent „in afwachting van een nadere regeling" aangehouden was. (Dr. De Jong vermeldt hierbij dat de aan dit bericht toegevoegde woorden „nog korte tijd" uit het oorspronkelijke telegram bij de doorzending waren weggelaten). De rust op de vloot keerde - althans tot nader order - weer.
Vrijwel ongewijzigd
Het definitieve kortingsbesluit werd bekendgemaakt kort voor „Labaran" (het inlandse nieuwjaar): voor de Indische schepelingen bleef de vermindering op 7 procent gehandhaafd, terwijl zij voor de Europese bemanningsleden teruggeschroefd werd van 7 naar 4 procent.
In verband met deze feestdag lagen de meeste marineschepen in Soerabaja. Tijdens dit feest werd er opgewonden vergaderd over de praktisch ongewijzigde maatregel. Op 1 februari barstte de (eerste) bom: een groot deel van de Europeanen weigerde dienst, twee dagen later sloten de inlandse schepelingen zich hierbij aan. Het gelukt de autoriteiten echter de staking te onderdrukken; er werden 532 arrestaties verricht.
Buitengaats
Niet in het broeinest Soerabaja bevond zich op dat ogenblik Hr. Ms. "De Zeven Provinciën", een in 1910 in dienst gestelde kruiser van ruim 6500 ton, bewapend met acht kanonnen, waarbij twee met een kaliber van 28 cm. - de zwaarste en verdragendste vuurmonden die de Nederlands/ Indische marine destijds kende. Het schip deed al jaren dienst voor verdere opleiding van de kwekelingen uit Makassar en werd als zodanig - naar de woorden van dr. De Jong - ook wel eens gebruikt om officieren die elders minder voldaan hadden, een nieuwe kans te geven. Het had 141 Europeanen en 256 Indonesiërs aan boord; er waren 30 officieren.
Maar ook op dit schip, dat voor oefening een reis rond Sumatra maakte, broeide het. (Dr. L. de Jong gewaagt van communistische activiteiten aan boord; een stelling die voorhands nog niet klakkeloos wordt overgenomen.) Op zaterdag 4 februari lag „De Zeven Provinciën" voor de rede van de kleine Atjehse haven Koetaradja (Noord-Sumatra). De commandant, kapitein-luitenant-ter-zee P. Eikenboom, was erop attent gemaakt dat het aan boord van zijn schip niet pluis was. Hij had die waarschuwing echter zorgeloos in de wind geslagen en was die zaterdag toch aan land gegaan. Diverse officieren vergezelden hem, terwijl een groot aantal manschappen ging passagieren.
Muiterij
In de loop van de avond - het liep tegen tienen - zag een troep aan boord geblevenen, de kans schoon zich te wapenen, de lichten te doven en de nog aanwezige meerderen te isoleren. Het waren niet uitsluitend inlanders, ook Europese bemanningsleden - onder leiding van korporaal-machinist M. Boshart - namen aan de muiterij deel.
Op het kritieke moment verliet de op dat ogenblik verantwoordelijk officier bovendien het schip „om het voorgevallene aan de commandant te melden". Terwijl de officieren niets anders konden doen dan in hun netelige positie berusten, zagen enkele rebellerende schepelingen kans de kruiser (om zijn vrij geringe snelheid eigenlijk een „pantserschip") stoomklaar te maken. Om twee uur 's nachts verliet „De Zeven Provinciën" de rede van Koetaradja. Aan boord waren op dat ogenblik 16 officieren, 9 Europese en 3 inlandse onderofficieren, 4 Europese en 184 Inheemse korporaals en minderen.
Protest
Men voer, zo werd in telegrammen aan de buitenwereld verklaard, naar Soerabaja als protest tegen de salarisverlaging en de arrestatie van de dienstweigeraars; spoedig achtervolgd door het gouvernementsmarineschlp „Aldebaran", waarop zich commandant Eikenboom en een groepje officieren en minderen van de gekaapte oorlogsbodem bevonden.
De zaak stond op scherp. Marine-eenheden op Celebes en n Soerabaja, bestaande uit de kruiser „Java", twee torpedobootjagers en twee onderzeeboten, kregen opdracht zich voor uitvaren gereed te houden. Terwijl tevens drie Dornier-vllegboten - voorzien van bommen - in paraatheid werden gebracht.
Colijn en ds. Kersten
In Indlë, maar ook n Nederland, steeg de spanning met het uur. Hoe zou de muiterij door de autoriteiten worden aangepakt? Dr. Colijn liet er van zijn kant geen twijfel over bestaan: „Desnoods moet het schip met een torpedo naar den bodem van den oceaan worden gezonden". Van de regering mocht men volgens Colijn niets anders verwachten, omdat de muiterij van onberekenbare invloed zou kunnen zijn op „ons prestige als koloniale mogendheid, als erfgenamen van Jan Pieterszoon Coen en van de grote calvinisten uit de 17e eeuw". Zo'n beleid kon ook op de steun van het SGP-Tweede-Kamerlld ds. G. H. Kersten rekenen. „Want", zo meende hij tijdens een debat over deze affaire, „de regering is geroepen om met vaste hand te regeren.
De regering liet inderdaad haar tanden zien. Op vrijdagmorgen 10 februari kwam de rebellerende kruiser voor Straat Soenda (open verbinding tu.ssen Sumatra en Java) aan. Wel was aan boord onenigheid gebleken, maar de leiders van de muiterij hadden de zaak voldoende in de hand om op een telegrafische sommatie zich over te geven - geseind door de commandant van de eerste Dornier die naderde - te antwoorden: „Ons niet hinderen. Alles wel aan boord, geen gewonden, dienst gewoon zijn gang. Verdere bevelsovergave aan commandant één dag voor aankomst Soerabaja".
Bom
Om 9.18 uur werd - zonder het afgesproken schot voor de boeg - een bom van 50 kg. op het schip gegooid: van de Indonesische schepelingen werden er 16 gedood en 8 zwaar gewond (van wie nog vier overleden), van de Europese 3 gedood en 3 zwaar gewond; er waren een zevental licht gewonden. Onmiddellijk werd de witte vlag gehesen. Korte tijd later kwamen de eerste schepen langszij en werden er arrestaties verricht. De muiterij was ten einde; het onderzoek en de berechting - waarbij strenge straffen zouden vallen - konden beginnen.
Oorzaken
Behalve de negatieve Invloed die van de economische en politiek crisis uitging, moet het slappe optreden van de marine-autoriteiten genoemd worden als één der oorzaken van de muiterij op „De Zeven Provinciën". Veel marinemensen kregen daardoor het gevoel, dat, wat ze ook deden, er nooit krachtig werd opgetreden.
Vertoont 1973 in dat opzicht geen treffende overeenkomst met 1933?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 februari 1973
Reformatorisch Dagblad | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 februari 1973
Reformatorisch Dagblad | 16 Pagina's